20,000 Days on Earth

***

recensie  20,000 Days on Earth

Portret van een poseur

door Alfred Bos

Pseudo-documentaire over een Australische – en in Brighton, Engeland wonende – rockzanger, romanschrijver, scenarist, acteur en vader. Nick Cave wordt geportretteerd zoals hij zichzelf ziet.

Wie in de filmencyclopedieën de naam van Nick Cave opzoekt, vindt hem vermeld als scenarist. Hij schreef de filmscripts van The Proposition en Lawless. Daarnaast is hij in een handvol films te zien, onder meer als saloonzanger in The Assassination of Jesse James by the Coward Robert Ford. En de muziek van Cave en zijn groep The Bad Seeds is regelmatig gebruikt om, al dan niet in opdracht, filmbeelden te omlijsten. In het filmportret 20,000 Days on Earth vallen Nick Cave, de schrijver, rockzanger en acteur, samen.

Recensie 20,000 Days on Earth

20,000 Days on Earth – de titel verwijst naar het aantal dagen dat Cave heeft geleefd, hij is onlangs 57 geworden – toont, heel conceptueel, een dag uit het leven van de zanger. Hij staat op (en blijkt te slapen in een lange broek), praat tegen zijn therapeut, luncht met zijn muzikale rechterhand Warren Ellis, bezoekt de archivarissen van het Nick Cave Memorial Museum en besluit de dag door met zijn tweelingzoontjes liggend op de bank naar Scarface  te kijken.

Stille getuige
Tussendoor zien we Cave aan het werk in La Fabrique, de studio in Zuid Frankrijk, bij de opnamesessies van het vijftiende en meest recente Bad Seeds-album, Push The Sky Away (waarvan het titelnummer overigens prominent in de deze film figureert) of op het podium tijdens een voor de gelegenheid gefilmd optreden in Sydney. Onderwijl horen we Cave in voice-over filosoferen over het leven, zijn leven.

Nick Cave is extreem zelfbewust, hij leeft met het gevoel continu bekeken te worden. Er is een “stille getuige”, laat hij zich tegen zijn therapeut ontvallen. Het is een sleutelmoment, onthullend voor de verstaander. Nick Cave acteert altijd, hij is de personificatie van de poseur. Net als Bono, zanger van U2, speelt hij een rockster. En een schrijver, die à la Jim Morrison in beeldende taal quasidiepzinnige terzijdes over het creatieve proces en het bestaan debiteert.

Kunstenaar-sjamaan
Nick Cave is een nazaat van de Beat-dichters, de bastaard van William Burroughs en Jack Kerouac. Evenals Bob Dylan of Leonard Cohen – en de hele generatie singer-songwriters van de jaren zestig – benadert hij muziek vanuit taal. Hij wil de werkelijkheid overstijgen, streeft naar transformatie. Hij is de kunstenaar-sjamaan die de werkelijkheid naar zijn hand zet. En daar gloedvol in slaagt: tijdens het optreden in Sydney meent een vrouw vooraan het podium dat hij ‘Push The Sky Away’ voor haar zingt en ze wil mee. Cave schudt kort zijn hoofd. Het is allemaal poëtisch spel. Hij getuigt.

Recensie 20,000 Days on Earth

Cave schreef het scenario in samenspraak met het regisseursduo Iain Forsyth en Jane Pollard, die eerder een reeks korte kunstfilms maakten. 20,000 Days on Earth is vakkundig vervaardigd en kent, afgezien van de opening, weinig visueel spektakel. Alles draait om Cave, hij is zo ongeveer in ieder shot te zien en te horen. Wanneer Kylie Minogue, op de achterbank van Cave’s auto, iets te enthousiast over zichzelf praat, fronst de kunstenaar-sjamaan de blik. Ook het gezin Cave blijft weg van de camera, op opening en slotbeeld na.

Als muzikant dompelt hij zich graag onder in de chaos en ongrijpbaarheid van het creatieve proces. “Wanneer je ’t begrijpt, is het niet interessant meer.” Als onderwerp van deze gescripte documentaire houdt hij alle details strak in handen. Van Nick Cave weten we wat Nick Cave wil dat we van hem weten. Voer voor de fans, de stille getuigen, en dat zijn er genoeg.

 

24 oktober 2014

 
ALLE RECENSIES

Cuban Fury

**

recensie  Cuban Fury

Een druiper van een dansfilm

door Joan Gebraad

Bij een dansfilm genaamd Cuban Fury hoop je op karakters waarin het Latijns-Amerikaanse vuur brandt, opzwepende dansscènes en een dosis Cubaans sjeu, waardoor je spontaan zin krijgt om de eigen heupen los te schudden. Cuban Fury is eerder een Cubaanse druiper.  

Komediant Nick Frost speelt Bruce Garret, een voormalige salsajeugdkampioen. Nadat enkele pestkoppen hem bespotten en te grazen nemen vanwege zijn glitterige danstenue, gooit Bruce in 1987 de handdoek in de ring. 25 Jaar later, wanneer hij als redelijk succesvol ingenieur werkt, wordt hij onverwacht wreed geconfronteerd met zijn oude passie.

Recensie Cuban Fury

Zijn nieuwe Amerikaanse baas Julia en love interest (Rashida Jones) heeft namelijk een heimelijke salsafetisj. Daarin ziet Bruce de kans om haar de zijne te maken. Er is echter één klein probleempje: door de jaren heeft Bruce behoorlijk meer gewicht gekregen en is zijn soepelheid verloren. Hoe haalt hij zijn voormalige salsaleraar (Ian McShane) over hem weer te in vorm te krijgen? En dan is daar nog die pesterige collega Drew (Chris O’Dowd) met zijn grote ego die natuurlijk toevallig ook net een oogje op Julia heeft. Tjongejonge, hoe zal dit verhaal aflopen?

Onontwikkelde personages
De film kraakt aan alle kanten. Zo is het script slecht uitgewerkt. De regisseur neemt weinig ruimte voor de psychologische ontwikkeling en emotionele verkenning van de personages. Na het traumatische incident in zijn jeugd gooit Bruce zomaar de handdoek in de ring. Dit komt zeer ongeloofwaardig over. Als dansen echt je passie is en je op kampioensniveau danst, zal je niet zomaar je grote liefde opgeven. Ook al ben je doodsbang.

Verder krijgt de kijker nooit goed Bruce’s worsteling hiermee te zien. Wat betekent salsa voor Bruce? En voor Julia? En wat voelt Julia precies voor Bruce en Drew? Hoe ontwikkelen de relaties tussen de personages zich? Ook hier is weinig aandacht voor.

De verhaallijn is verschrikkelijk cliché en uitgekauwd. Voormalige ster valt van zijn troon en wordt een loser. Hij gaat de strijd aan met problemen als obesitas, gebrek aan zelfvertrouwen, opnieuw leren salsadansen. Uiteindelijk verandert hij in een zelfverzekerde prince charming en wint het hart van zijn geliefde. Waar hebben we dat eerder gezien?

Recensie Cuban Fury

Dansende beer
Voor een geslaagde romcom mist Cuban Fury een duidelijke romantische ontwikkeling tussen Bruce en Julia. Maar bovenal: humor en eigentijdsheid. De dansscènes zijn niet opzwepend genoeg. De pit en de meeslepende muziek die je bij sommige andere films uit het genre tegenkomt, ontbreken. Ook is de uiteindelijke transformatie van Bruce niet overtuigend. Hij blijft je doen denken aan een dansende beer.

Dan zijn daar nog de eeuwige stereotypen: de flamboyante en grappige excuushomo Bejan (Kayvan Novak) die Bruce alles leert over ademende stoffen; maar vergeet ook Bruce zijn salsaleraar niet. Hij is een knorrige, strenge, oude Cubaan die telkens – hoe origineel ­-  aan een fles Bacardi lurpt. In het beste geval heeft hij soms iets weg van de oude Diego de la Vega uit The Mask of Zorro. Kortom, salsadansen en rum drinken is betere tijdsbesteding dan deze saaie, onoriginele dansfilm annex romcom uitzitten.

15 augustus 2014

 

 
ALLE RECENSIES

Mistaken for Strangers

***

recensie  Mistaken for Strangers

Portret van een zelfsaboteur

door Alfred Bos

Het idiote jongere broertje van een rockster gaat als assistent mee op tournee en filmt alles met zijn videocamera. Zijn verslag is geen rockdocumentaire, maar een hilarisch en ontroerend zelfportret van een onzeker talent en de invloed van familie.  

Matt Berninger is zanger van de Amerikaanse rockband The National, die melancholieke muziek maakt in het stramien van Nick Cave en Leonard Cohen. Na meer dan tien jaar voornamelijk voor dovemansoren te hebben gespeeld werd hun zesde album, Trouble Will Find Me, een onvervalste millionseller.Tom Berninger is zijn negen jaar jongere broer en in veel opzichten het tegendeel van Matt, een geboren loser. Althans, zo ziet hij zichzelf.

Recensie Mistaken for Strangers

Waar Matt dagelijks in het spotlicht staat maakt Tom – dikkig, een fan van metal en horror – amateurspeelfilms over seriemoordende holenmensen die niemand wil zien. Matt huist met vrouw en kinderen in het hippe Brooklyn, Matt woont weer thuis bij zijn ouders in Cincinnati, Ohio. Dan vraagt Matt aan Tom om met de band op tournee te gaan door Europa, als assistent van de toermanager. Hij moet handdoeken klaar leggen, drankjes regelen, dat soort werk. Tom stemt in en neemt zijn videocamera mee.

Chemie tussen broers
Het resultaat is Mistaken for Strangers, geen documentaire over een groep op tournee maar een egodocument over twee broers – de underdog en de alpha-man – en hun chemie. De film herinnert in dat opzicht aan Crumb, de documentaire uit 1994 over de befaamde striptekenaar Robert Crumb en diens getalenteerde, maar gefnuikte broers Charles en Maxon.

Tom is als toerhulpje geen succes. De toermanager mag hem duidelijk niet, hij krijgt te horen dat hij in het team zit ‘omdat je zijn broer bent’ en zijn draaiende camera irriteert menigeen. Bovendien verslonst hij de simpelste klusjes en laat de pret regelmatig prevaleren boven zijn taak als majordomus.

Net als piloten moeten rockmusici op tournee blind kunnen vertrouwen op de technici en het personeel aan de grond – het is hun kop die op het hakblok ligt – en voor Tom is die verantwoordelijkheid een maatje te groot. In plaats dat kleine broer grote broer verzorgt is het andersom. Maar ook Matts geduld is eindig en na de zoveelste flater wordt Tom naar huis gestuurd. Hij heeft zijn zoveelste mislukking gescoord.

Recensie Mistaken for Strangers

Ontmoedigd door pech
Mistaken for Strangers gaat niet over Matt de rockster, maar over Tom de zelfsaboteur die diep in zichzelf graaft en, geholpen door Matt en diens vrouw, uit de honderden uren aan beeldmateriaal een onthullend en geestig zelfportret monteert. Hij interviewt zijn ouders over zijn broer tegen wie hij altijd heeft opgekeken en hun onderlinge relatie. Van zijn moeder, een schilderes, hoort hij dat hij van de twee ‘het meest getalenteerde kind’ was. Pa zegt dat Matt meer zelfvertrouwen heeft, Tom huilde altijd. “Je wilde altijd opgeven.” En jeugdtekeningen, door moeder bewaard, tonen inderdaad een talent.

Tom heeft zich altijd uit het veld laten slaan en alsof de duvel ermee speelt, de voorpremière van zijn film, door Matt geregeld, mislukt dankzij technische problemen. Maar deze keer laat Tom zich niet door pech ontmoedigen en Mistaken for Strangers eindigt met een triomf; er is een film, deze film. Grappig, confronterend, ontroerend en boven alles menselijk. Zit er een plan achter de film? Is hij geënsceneerd? Het maakt niet uit, want na zich aanvankelijk te hebben verbaasd over het narcistische geklungel stapt de kijker na anderhalf uur met een warm gevoel uit de bioscoop.

 

8 juni 2014

 
ALLE RECENSIES

Hard Day’s Night, A

*****

recensie  A Hard Day’s Night

Stroomstoot tussen werkelijkheid en fictie

door Alfred Bos 

Op 6 juli 1964 ging de eerste speelfilm van The Beatles in roulatie. Toen was het een regelrechte sensatie en na vijftig jaar weet het werkstuk van regisseur Richard Lester nog immer te overtuigen als een van de beste muziekfilms ooit gemaakt.  

Gedraaid in het voorjaar van 1964, tijdens de hoogtijdagen van de Beatlemania en kort nadat John, Paul, George en Ringo – zoals iedereen hen toen kende – door het Amerikaanse publiek, jong en oud, aan het hart waren gedrukt, vormen A Hard Day’s Night, film en gelijknamig album, het hoogtepunt van de eerste fase in de roemrijke loopbaan van het viertal uit Liverpool.  

Recensie A Hard Day’s Night

De film is een glorieus succes, het bijbehorende album eveneens. De derde langspeler van The Beatles is hun eerste met uitsluitend eigen composities en tevens de beste uit de eerste act van het Fab Four-verhaal. Enkele maanden daarvoor had John Lennon een verhalenbundel met tekeningen gepubliceerd, In His Own Write. Op 6 juli ging de film in Londen in première en lag de langspeler in de winkel. In de zomer van 1964 leek het alsof de Beatles alles konden.  

Quasi-docu
De grote kracht van A Hard Day’s Night – en tevens de reden waarom hij vijftig jaar later nog steeds overtuigt – is dat de film draait om waar The Beatles goed in zijn: zichzelf vermaken – het verbale vuurwerk tussen de vier is legendarisch – en muziek maken. Het publiek is de lachende derde. Het verhaal van de film blijft dicht bij de werkelijkheid van de Fab Four, zonder een documentaire te worden. In 1964, een tijd waarin het idee van mediaverzadiging nog sciencefiction was, werkte het voor de miljoenen Beatles-fans als een langgerekte quasi-docu.  

A Hard Day’s Night volgt The Beatles tijdens de voorbereidingen van een tv-optreden. Het viertal reageert laconiek op de horden gillende meisjes en de niet begrijpende tv-regisseur. Tijdens de repetities vertolken ze nieuwe nummers, die de eerste kant van het derde Beatles-album vormen. De scènes in en rond de kleedkamers worden onderbroken door terzijdes rond Pauls zogenaamde opa en een zoekgeraakte Ringo.  

Recensie A Hard Day’s Night

Gewaagde beeldtaal
Regisseur Richard Lester gebruikt een beeldtaal die in 1964 voor een publieksfilm ronduit gewaagd was. Weinig statische shots, snelle montage, extreme close-ups, bewegende camera (ook in kleine ruimtes) en zelfs helikoptershots. Het is de beeldtaal die nadien gemeengoed zou worden en de film, ondanks het patina van vervlogen actualiteit, fris houdt. Over de muziek kan geen twijfel bestaan, het titelnummer bruist van een vitaliteit die vijftig jaar na dato nog steeds werkt als een stroomstoot. Voor velen was het indertijd de aansporing om te breken met de lifestyle van hun ouders, het startschot voor een ‘happening’ jaren zestig.  

A Hard Day’s Night is even origineel en eigenzinnig als het befaamde akkoord (een F met een toegevoegde G) waarmee film en album aftrappen. De keuze voor zwart-wit was indertijd een tikje archaïsch, maar werkt nu in het voordeel: beter geconserveerd, meer authenticiteit. Ook de absurdistische humor is raak en volkomen in de geest van de Fab Four. Het werkte inspirerend op bijvoorbeeld het team dat later Monty Python zou vormen. Kortom, alles aan A Hard Day’s Night treft doel. De film groeide uit tot het ijkpunt waaraan muziekfilms zich konden meten.  

A Hard Day’s Night is opnieuw uitgebracht op dvd in een gerestaureerde, digitale kopie met drie audio opties: mono, stereo en 5.1 surround, verzorgd door Giles Martin, zoon van de oorspronkelijke producer George Martin. De gerestaureerde film draait tevens in enkele bioscopen.

 

3 juli 2014

 

 

ALLE RECENSIES

We Are The Best!

***

recensie  We Are The Best!

Onstuitbare puberpunkers

door George Vermij

We Are The Best! toont dat zelfs de saaie buitenwijken van Stockholm niet veilig waren voor de energie van de punkexplosie. De pubermeisjes Bobo en Klara herontdekken zichzelf in de harde gitaarklanken en onconventionele gitaarstijl van de stroming, waarna ze besluiten om een band te beginnen. Regisseur Lukas Moodysson laat met de film zien dat hij weer terug in vorm is en de zware pretenties van zijn vorige films heeft laten varen. 

De carrière van Lukas Moodysson heeft wat pieken en dalen gekend. Hij viel op met charmante maar realistische films zoals Fucking Åmål en het lekker nostalgische Together. In die films vermengde hij drama met humor en maakte zo herkenbare portretten van buitenbeentjes. Dit veranderde met zijn keiharde en troosteloze film over kinderprostitutie Lilja Forever. Hierna leek Moodysson zich verloren te hebben in experimentele en pretentieuze films zoals Container  om vreemd genoeg terug te komen met de grotere Amerikaanse film Mammoth. In die film probeerde hij grotere maatschappelijke problemen aan te kaarten in de vorm van een mozaïekfilm zoals Babel en Crash. De film was echter commercieel noch kritisch een succes.

Recensie We Are The Best!

Gelukkig is Moodysson nu weer terug op vertrouwd terrein met We Are The Best!. Hij laat zien dat hij een ongekend talent heeft om met jonge acteurs te werken. De film speelt zich af in de vroege jaren tachtig en Moodysson filmt het met hetzelfde licht nostalgische en komische oog voor detail als de jaren zeventig in zijn film Together. We Are The Best! heeft ook meer links met zijn vroege films. Zo is het pubermeisje Bobo net zozeer een outsider als de kinderen die in de commune wonen van Together en de twee meisje die vastzitten in het saaie Åmål.

Nostalgische energie
Bobo en Klara vinden uiteindelijk troost bij elkaar en in de muziek van Zweedse punkbands die de burgerlijke wereld bekritiseren. Moodysson is hier wel zo eerlijk om te laten zien dat de meisjes nog deels onvolwassen zijn en niet altijd begrijpen wat het nou is waar ze tegen zijn. Ze zijn nog in ontwikkeling met alle komische misverstanden die dat met zich meebrengt. Ook zijn er de terecht puberale discussies over welke bands wel of niet punk zijn en welke groepjes op school truttig zijn.

Bobo en Klara worden perfect vertolkt door Mira Barkhammer en Mira Grosin en ze vormen een leuk contrast. Waar Bobo met haar sombere gezicht constant chagrijnig is en meer iets weg lijkt te hebben van een jongen, is Klara impulsiever en de knappere van de twee. Dit leidt ook tot spanningen als ze allebei verliefd worden op een punker. Waar de meisjes ook goed in zijn is het narren en provoceren van de buitenwereld. De dynamiek wordt nog eens versterkt als er een net christelijk meisje bij de groep komt omdat Bobo en Klara vinden dat ze goed gitaar kan spelen, waarna zij gaan oefenen voor hun eerste grote optreden.

Recensie We Are The Best!

Genieten
We Are The Best! is grappig en herkenbaar, maar wordt nergens te serieus. In zijn vorm is de film daarmee ook punk en soms iets te vrijblijvend en stuurloos. Together is in vergelijking een betere film. Moodysson heeft wel duidelijk genoten van de jeugdige energie en het oproepen van een verloren decennium. Als kijker ga je daarom makkelijk mee in de punkpassie van pubers die eindelijk iets gevonden hebben waar ze een deel van uitmaken. Het zal herkenbaar zijn voor iedereen die zelf jong is geweest en het strubbelende pad van de puberteit heeft bewandeld.

 

2 maart 2014

 
ALLE RECENSIES

Marina

**

recensie Marina

Vlaamse bio-pic bijt niet

door Alfred Bos

De gerespecteerde Vlaamse regisseur Stijn Coninx, wiens Daens (1992) goed was voor een Oscar-nominatie, verfilmt de aanloop naar het wereldsucces van het Belgische entertainment-icoon Rocco Granata. Diens debuutsingle Marina is een eeuwiggroene klassieker. 

In België wordt deze biopic over de jeugdjaren van de van oorsprong Italiaanse charmezanger Rocco Granata door de bioscoopbezoekers – al meer dan 300.000 keer – met applaus onthaald, terwijl de filmcritici zuinigjes glimlachen. Het is Stijn Coninx, regisseur van het in Vlaanderen immens populaire Koko Flanel (1990), eerder overkomen.

Evenals Coninxs voorgaande rolprent, Soeur Sourire (2009), belicht Marina de achterkant van een succesverhaal uit de Vlaamse entertainmentgeschiedenis. Na de werdegang van Jeannine Deckers, de zingende non die in 1963 de eerste plaats van de Amerikaanse hitparade stevig in haar greep hield met het lied Dominique (nique, nique), staat ditmaal het verhaal achter het meest succesvolle Belgische popliedje aller tijden (miljoenen exemplaren verkocht; honderden malen gecovered, tot Louis Armstrong aan toe) centraal. Rocco Granata werd er in het najaar van 1959 een wereldster mee.

Recensie Marina

Niet vrij van racisme
Marina was aanvankelijk de B-kant van Rocco Granata’s in eigen beheer uitgebrachte debuutsingle, Manuela. Het internationale succes van de 21-jarige immigrantenzoon vormt de climax van de voornamelijk in het Italiaans gesproken (en Nederlands ondertitelde) film, waar enkele gekende Italiaanse acteurs aan meewerken: Luigi Lo Cascio speelt de stugge en trotse vader Granata, Donatella Finocchiaro de begripvolle moeder. Naast de klassieke vader versus rebellerende zoon-tegenstelling kleurt het wantrouwen van de lokale bevolking de onderlinge verhoudingen.

Het klinkt als een rijk verhaal, de jonge Rocco moet strijd leveren op drie fronten: thuis, op school en straat, en in de – in de jaren vijftig nog in zijn kinderschoenen staande – Belgische vermaaksindustrie. Zijn vader gaf een loopbaan als accordeonist op om als gastarbeider in de Belgische mijnen de kost te verdienen en frustreert de muzikale ambities van zijn zoon. De lokale middenstand en bourgeois van het mijnstadje Genk zijn niet vrij van racisme jegens de Italiaanse medeburgers. En al krijgt Rocco de steun van een gesoigneerde talentscout, geen enkele platenmaatschappij is in zijn eerste plaatopname geïnteresseerd. Maar Rocco blijft geloven.

Recensie Marina

Skinnydippen
Dat de twee uur van het filmverhaal ondanks de van conflicten opbollende stof niettemin traag voorbijtrekken komt op het conto van de regisseur. Hij weet het provinciale jaren vijftig-milieu weliswaar authentiek op te roepen, maar blijft steken in sentimentele nostalgie die voor de meer cynisch ingestelde eenentwintigste-eeuwse kijker tamelijk suf overkomt. Bovendien lijkt het in Genk, in Belgisch Limburg, eeuwig herfst, wat de scène waarin Rocco (Matteo Simoni) en zijn vriendin Helena (Evelien Bosmans) tussen de bruine blaadjes gaan skinnydippen en een potje al fresco vrijen geen geloofwaardigheid geeft.

Marina, de film, is keurig, braaf en voorspelbaar. Dat waren de jaren vijftig wellicht ook, maar deze vorm van authenticiteit doet het hart niet sneller kloppen. Het verhaal over de eigenwijze migrantenzoon die tegen de klippen op assimileert en zijn droom verwezenlijkt zit vol conflict, maar wordt te knus verteld. Na Vlaamse klassefilms als Loft, Rundskop en The Broken Circle Breakdown is dit een relatieve domper. Voor de liefhebber: Rocco Granata zelf speelt een gastrolletje.

 

3 februari 2014

 
ALLE RECENSIES

Inside Llewyn Davis

****

recensie  Inside Llewyn Davis

Hoed u voor de rode kater

door Alfred Bos

Wie de films van de Coen Brothers waardeert, kan blind naar hun laatste werkstuk: een evocatie van de New Yorkse folkscene aan de vooravond van de folk-explosie. 

Als filmmakers staan de Coen Brothers volstrekt op zichzelf. Als een Asterix & Obelix trotseren Joel & Ethan de dominantie van het keizerrijk Hollywood. Ze maken geen genre-films, maar hebben van de Coen Brother-rolprent een eigen genre gemaakt. Daarin draait het niet om de plot, maar om sfeer en karaktertekening – iets wat hun films gemeen hebben met de Europese en Japanse cinema. Hun onderwerpen zijn zonder uitzondering oer-Amerikaans, maar verbeelden universele thema’s en emoties.

Recensie Inside Llewyn Davis

Inside Llewyn Davis, hun eerste werkstuk na de herinterpretatie van de John Wayne-klassieker True Grit, is daarop geen uitzondering. De setting: de folkscene van New York in de winter van 1961, het moment waarop Bob Dylan neerstrijkt in Greenwich Village. Het thema: succes is een kwestie van persoonlijke kwaliteiten en ordinaire mazzel. Het personage: de folkzanger Llewyn Davis, die bepaald niet van talent gespeend is, maar door een reeks van ongelukkige keuzes en onhandige opmerkingen het applaus aan zich voorbij ziet gaan.

Geen nostalgie
Inside Llweyn Davis is geen bio-pic en ook geen alternatieve geschiedenis, maar gebruikt een stukje Amerikaanse cultuurhistorie als decor voor een typisch Coeniaans verzameling van kleurrijke personages en bitterzoete scènes. We zien een week uit het leven van de folkie Davis, overtuigend neergezet door Oscar Isaac (die we nog kennen van Drive en als de schurk King John in Ridley Scotts Robin Hood), en een doorsnee van Lower Manhattan, waar de links intelligentsia moeiteloos mengt met bohemiens. De dialogen zijn om te watertanden, de humor is zwartgallig en de typering van het milieu treffend. Opvallende running gag: een rode kater, die Davis lijkt te volgen als een vloek.

Ondertussen is Inside Llewyn Davis de vierde film in korte tijd (na On The Road, Big Sur en Kill Your Darlings, uit in januari) waarin de beatnik-periode centraal staat. Wat decennia lang als eigentijdse cultuur werd gevoeld, is kennelijk tot de geschiedenis gaan behoren. Het is een aanwijzing dat in Amerikaanse creatieve kringen het besef inzinkt dat de ‘gouden jaren’ voltooid verleden tijd zijn. Van enige nostalgie is in de Coen Brothers-film echter geen sprake. Hun Amerika anno 1961, het Kennedy-tijdperk van hoop en vooruitgang, is opmerkelijk flets van kleur.

John Goodman als jazzmuzikant
Het personage van Llewyn Davis is losjes gemodelleerd op Dave van Ronk, indertijd de grote gangmaker van de Newyorkse folkscene. Oscar Isaac, die meer dan verdienstelijk zingt en gitaar speelt in de talrijke muzikale momenten, werd voor zijn rol gecoacht door de Texaanse singer-songwriter T-Bone Burnett, die eerder de supervisie had over de voortreffelijke en uiterst succesvolle soundtrack van O Brother, Where Art Thou? (2000). Opvallend sterk is de bijrol van Justin Timberlake, die als Jim met zijn vrouw Jean (Carey Mulligan) een folkduo vormt. Jean en Llewyn vormen ook een item, maar dan heimelijk, wat aanleiding is voor enkele briljante dialogen.

Recensie Inside Llewyn Davis

Coen-fans zullen ook smullen van John Goodman, die ditmaal de cynische junkie-jazzmuzikant Roland Turner speelt; alleen die scènes al maken de film de moeite waard. De Coen-broers goochelen met de werkelijkheid wanneer ze Davis in Chicago de impresario Bud Grossman (F. Murray Abraham) laten ontmoeten. In werkelijkheid heette die Albert Grossman, de latere manager van Bob Dylan, de folkzanger die in de laatste scène zijn (naamloze) opwachting maakt. Verrukkelijke film: een moment in de geschiedenis gevangen in een tijdloos verhaal.

 

2 december 2013

 
ALLE RECENSIES

Twenty Feet from Stardom

****

recensie  Twenty Feet from Stardom

Zingen voor je leven

door Tom Bakker

Twenty Feet from Stardom richt de spotlight op de achtergrondzangeressen die verantwoordelijk zijn voor een aantal van de meest herkenbare hits uit de popmuziek. Een wervelwind door de geschiedenis van pop, soul, r&b en rock maakt deze muziekdocumentaire een genot om naar te kijken.  

Regisseur Morgan Neville laat met Twenty Feet from Stardom een kant van de muziekgeschiedenis zien die het verdient om eindelijk in het zonnetje te worden gezet: het leven van de achtergrondzangeressen. Vanaf de jaren ’60 kreeg de popmuziek een enorme impuls door de komst van de veelal zwarte achtergrondzangeressen, die de nummers een welverdiende dosis soul gaven. Gedurende de eerste helft van de film volgen we deze geschiedenis aan de hand van de verhalen van deze opmerkelijke dames (en een tweetal heren).

Recensie Twenty Feet From Stardom

Ze hebben gezongen met de groten der aarde, van Ray Charles tot Tina Turner en van The Rolling Stones tot Stevie Wonder. Door de persoonlijke herinneringen van deze vrouwen en geholpen door archiefbeelden van legendarische optredens komt deze geschiedenis op een prachtige manier tot leven. Het is bijna onmogelijk om niet mee te bewegen met de muziek en de soul spat van het scherm. Het lijkt een wereld vol glitz & glamour. Niets is echter minder waar.

Harde realiteit
Achter deze fantastische optredens schuilt namelijk een harde realiteit. De vrouwen vertellen hoe is het om te leven buiten het spotlicht en alle lof naar de ster te zien gaan. Solocarrières die moeilijk van de grond komen, slechte contracten en een hoge werkdruk, het leven van een achtergrondzangeres is niet makkelijk.

De levendigheid van de eerste helft maakt plaats voor een rustiger tweede deel, waarin de zangeressen vertellen hoe het nu met ze gaat en hoe ze terugkijken op hun hoogtijdagen. De film verliest hier iets van haar energie en kracht, vooral omdat veel van de vrouwen (zoals Darlene Love, Merry Clayton, Lisa Fischer en Táta Vega) zulke persoonlijkheden zijn dat je meer van ze wilt weten. Nu worden hun verhalen vrij kort behandeld, waardoor ze enigszins aan de oppervlakte blijven. Eigenlijk zou over elk van hen een aparte film gemaakt kunnen worden.

Niet alleen de achtergrondzangeressen zelf zijn aan het woord. Ook de sterren zelf (Stevie Wonder, Bruce Springsteen, Sting, Mick Jagger, Bette Midler) vertellen anekdotes en hebben het over de uitzonderlijke kwaliteiten van deze vrouwen. En in Twenty Feet from Stardom komen die kwaliteiten volledig tot hun recht. Door middel van prachtige beelden uit verschillende opnamestudio’s laten ze zien wat ze kunnen en dat ze absoluut niet onderdoen voor de sterren met wie ze zo lang mee hebben gezongen. Hun muzikaliteit is ongelooflijk en verdient het om gezien en gehoord te worden.

Recensie Twenty Feet From Stardom

Wat maakt een ster?
Daarmee gaat de documentaire in op wat nou eigenlijk een ster maakt. Zoals gezegd kunnen deze vrouwen zingen als geen ander, hebben ze contacten binnen de muziekwereld en enorme persoonlijkheden. Ze lijken gemaakt voor het succes. Velen hebben het geprobeerd, maar toch lukt het maar weinig achtergrondzangeressen om echt op de voorgrond te treden. De film zoekt naar een antwoord en lijkt te zeggen dat het gaat om een combinatie van geluk, doorzettingsvermogen en narcisme.

De achtergrondzangeressen worden veelal getypeerd als vrouwen die zelfvergoding missen, maar leven voor de muziek en daar uiteindelijk genoeg aan hebben. Fame and fortune is bij de meesten niet gelukt. Twenty Feet from Stardom is een goede stap in de richting om dit recht te zetten en ze aandacht te geven die ze zeker verdienen. Een absolute aanrader voor elke muziekliefhebber.

 

24 november 2013

 
ALLE RECENSIES

Metallica: Through The Never

****

recensie  Metallica: Through The Never

Rocken op een Zwitsers legerzakmes

door Alfred Bos

Metallica paart de proto-metal van Black Sabbath aan het rocktheater van Alice Cooper en tilt het naar de 21ste eeuw met de spectaculaire 3D-concertfilm Through the Never. 

Elvis Presley deed het, The Rolling Stones en Prince deden het en nu doet Metallica het: een concertfilm. Maar niet zomaar een concertfilm. Het optreden zelf loopt parallel aan een verhaallijn die zich buiten de concertzaal afspeelt. Daarnaast haalt de groep alles uit de kast om van de performance een evenement te maken. En dat alles is gedraaid in 3D. Eerlijk is eerlijk, Metallica: Through the Never is zonder twijfel de meest spectaculaire concertfilm die tot nu toe in de bioscoop heeft gedraaid.

Recensie Metallica: Through the Never 3D

Alles aan de film ademt ambitie. Het podium, ontworpen door de Engelsman Mark Fisher (hij werkte eerder voor Pink Floyd, de Stones, U2 en Lady Gaga), is het meest geavanceerde plankier waarop performers tot nu toe hebben gewerkt. Het is een Zwitsers legerzakmes, zoals gitarist en zanger James Hatfield het treffend omschrijft, waaruit allerlei decorstukken omhoog komen en weer verdwijnen. Er zijn vervaarlijke vuurstunts, er zijn Tesla- transformatoren waarmee een elektrocutie wordt gesimuleerd en ook Doris, de levensgrote Vrouwe Justitia van het …And Justice For All-album, doet een cameo.

Apocalyptische stadsjungle
Parallel aan het optreden voor zo’n 20.000 fans die rondom het legerzakmes zitten – de film werd gedraaid in Vancouver en Edmonton, Canada – verlopen de avonturen van roadie Trip (Dane DeHaan, bekend van de tv serie True Blood). Hij wordt erop uit gestuurd om een gestrande vrachtwagen te helpen en belandt in een apocalyptische stadsjungle, compleet met anarchisten, straatgevechten en onsmakelijke geweldsexcessen. Dat zijspoor is surrealistisch van toon en beïnvloedt op een magische manier het optreden van de band. Bovendien is er een gehaaide zogenaamde MacGuffin, een raadsel dat wel of niet wordt opgelost.

Regisseur Nimród Antal (Predators ) heeft de film gedraaid met 24 camera’s, waardoor er onvermijdelijk af en toe een paar cameramannen door het beeld lopen. Dat is volstrekt niet storend, want deze show van Metallica is één groot mediacircus waarin niet alleen het publiek in de concertzaal, maar ook de kijker in zijn bioscoopstoel volledig wordt ondergedompeld. De camera zit de band dicht op de huid, wat veel close-ups van verbeten gezichten oplevert, met de holenmens Robert Trujillo (bas) als grootste blikvanger. Bij hem steekt de frêle sologitarist Kirk Hammett af als een elfje-in-leer.

Visueel 3D-spektakel
De setlist van het concert biedt het beste uit de dertigjarige loopbaan van de groep. Sinds de oprichting opent Metallica zijn optredens met The Ecstacy Of Gold van Ennio Morricone (uit de film The Good, The Bad and The Ugly) en vervolgens gaat men min of meer chronologisch door de discografie, van de debuutsingle Creeping Death uit 1984, via de bekendste nummers van alle albums (met uitzondering van Load en St. Anger), om tijdens de aftiteling voor een lege zaal de fantastische instrumental Orion te vertolken.

Voor Metallica-fans is Through the Never verplichte kost. Maar naast metal van de bovenste plank biedt de film genoeg visueel 3D spektakel om niet-metal aficionados eveneens een welbestede anderhalf uur aan mediavermaak te laten beleven. De soundtrack is ook verkrijgbaar als dubbel-cd.

 

8 oktober 2013

 
ALLE RECENSIES

Greetings from Tim Buckley

**

recensie  Greetings from Tim Buckley

Nachtvlinders

door Alfred Bos

Jeff Buckley (1966-1997) geldt als het archetype van de romantische singer-songwriter: grillig, onnavolgbaar en jong overleden. Het spiegelbeeld van zijn vader, Tim Buckley (1947-1975), die hij nauwelijks heeft gekend. Greetings from Tim Buckley schetst een cruciaal moment in de loopbaan van Jeff. 

Greetings From L.A. (1972) is de zevende en zeker niet de meest bekende langspeelplaat van de in cult-kringen gevierde singer-songwriter Tim Buckley. Toen hij op 28-jarige leeftijd overleed aan een overdosis heroïne, liet hij een intrigerend en indertijd ondergewaardeerd oeuvre plus een vervreemde zoon na. Jeff Buckley op zijn beurt had het muzikale talent van zijn vader, evenals diens grillige, door de inspiratie van het moment gedreven sensibiliteit. Beiden blonken uit in eclectische en avontuurlijke muziek op het snijvlak van folk en jazz, buitenbeentjes die niet in een hokje waren te vangen. Maar hoewel ze veel gemeen hadden, waren vader en zoon vreemden voor elkaar. Ze hebben elkaar twee keer ontmoet. 

Greetings from Tim Buckley

Die niet-bestaande vader-zoonrelatie is het onderwerp van Greetings from Tim Buckley, een biopic over een geest. Centraal staat het Tim Buckley tribute concert in St. Anne’s Church in Brooklyn, New York 1991. Jeff Buckley is een niet bijzonder succesvol muzikant in Los Angeles en wordt uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan de avond waarop de muzikale erfenis van zijn vader centraal staat. Hij vliegt naar New York zonder precies te weten wat hij daar doet of wat men van hem verwacht. En op de avond zelf, als hij door anderen aangespoord in zijn vaders schoenen stapt, ontdekt hij zijn creatieve identiteit. Althans, zo wil deze film het. 

Geboorte van Grace
Er zijn twee tijdslijnen. Via flashbacks zien we vader Tim in de psychedelische jaren ’60, aan het begin van zijn loopbaan. Gedraaid op grofkorrelige film krijgen we impressies van de romantische singer-songwriter met de geweldige stem en kwikzilveren verbeelding die als een vlinder door de alternatieve wereld van koffiehuizen en hippiefeesten fladdert. Probleem is evenwel dat acteur Ben Rosenfield, in zijn eerste grote rol, als zanger geen schim is van de man die hij uitbeeldt. 

Het heden van deze film is 1991 en de voorbereidingen van het herdenkingsconcert. Ook dat deel van het verhaal is gevuld met bestaande personen: naast Jeff Buckley onder meer concertorganisator Hal Wilner (Norbert Leo Butz), Lee Underwood (William Sadler) als vaste begeleider van Tim Buckley en gitarist Gary Lucas, die zichzelf speelt. Voor liefhebbers van de muziek van Jeff Buckley is er een intrigerende scène, waarin we het titelnummer van Buckley fils’ enige tijdens zijn korte leven verschenen album, Grace (uit 1994), geboren zien worden. 

Recensie Greetings from Tim Buckley

Vuil op de spiegel
Probleem van Greetings from Tim Buckley  is dat de film geen duidelijke premisse heeft. Is het een biopic? Is het een vader-zoonfilm? Is het een concertfilm? Een docudrama? Het verhaal van de voorbereiding van het eerbetoon wordt opgeleukt met een romantisch intermezzo: Jeff (Penn Badgley) en de stagiaire Allie (Imogen Poots, onlangs nog te zien in The Look of Love) beleven een affaire die stopt wanneer Jeff na het concert weer naar Los Angeles vertrekt. 

Greetings from Tim Buckley biedt een fictieve versie van een huldeblijk, dat is twee stappen verwijderd van de bron. Het is de derde film in twintig jaar van regisseur Daniel Algrant, die volgens de persinformatie zelf een verstoorde vader-zoonrelatie had. Dat is dus het probleem van deze film: er zitten zoveel lagen vuil op de spiegel dat de reflectie vaag is geworden. Maar als hij de belangstelling voor Tim Buckley en diens muziek doet aanwakkeren, heeft ook deze rommelige en slechts gedeeltelijk geslaagde film bestaansrecht.

 

23 september 2013

 

 

ALLE RECENSIES