Private War, A

**
recensie A Private War

Vrouw verslaafd aan oorlogsleed

door Cor Oliemeulen

Wat beweegt iemand haar leven te riskeren door in oorlogsgebieden menselijk leed te verslaan? In A Private War kunnen we het antwoord niet goed ontdekken, maar zien we wel een authentieke held.

Een liefdesbrief aan de journalistiek en een hommage aan een van de meest gevierde oorlogscorrespondenten van deze tijd, Marie Colvin (Rosamund Pike), die keer op keer haar leven op het spel zette om de harde waarheid te publiceren. Dat was de insteek van de Amerikaanse documentairemaker Matthew Heineman toen hij met A Private War zijn eerste speelfilm ging maken. Focus op betrouwbare nieuwsgaring is volgens hem noodzakelijk in deze tijd waarin feiten en nepnieuws als bijna vanzelfsprekend inwisselbaar zijn ter ere van politieke propaganda en persoonlijk gewin.

A Private War

Onverwoestbaar
Het biografische oorlogsdrama, dat in episodische gebeurtenissen toewerkt naar die fatale dag in 2012 in de totaal verwoeste en ontredderde stad Homs, zou je enigszins bevooroordeeld kunnen noemen. De Syrische president Bashar al-Sadat bombardeert niet alleen tegenstanders van zijn regime maar ook onschuldige vrouwen en kinderen, terwijl dubieuze handelingen van de geallieerden geheel buiten schot blijven. Heinemans keuze heeft echter weinig te maken met politieke propaganda, hij vertelt slechts het verhaal van de moedige, onverwoestbare, oorlogsverslaafde Colvin, die op haar beurt lijdende burgers een stem en een gezicht gaf. Die keuze is zowel het sterke als het zwakke aspect van A Private War.

Zuipend, kettingrokend en vloekend, ging de in Amerika geboren Britse oorlogscorrespondente van The Sunday Times soms ten onder aan haar eigen demonen. Altijd emotioneel betrokken, maar zonder vrees; althans minder bang dan de oorlogsslachtoffers, zoals ze zelf zei. Of het nu was tijdens schermutselingen tussen het Sri Lankaanse leger en de Tamil Tijgers waarbij ze door een granaatinslag het zicht van haar linkeroog verloor, bij de opgraving van een massagraf bij de Iraakse grens, een bomexplosie in Afghanistan of haar interview met een van de eerste politieke slachtoffers van de Arabische Lente, de Libische premier Moammar Gaddafi die door Marie Colvin uiterst confronterend in een interview wordt aangepakt en niet lang daarna naakt en bebloed op de grond ligt terwijl opstandelingen lachend selfies naast de doodgemartelde dictator maken.

Trauma’s
We zien ook Colvin worstelen met trauma’s, maar steeds moet ze van zichzelf (en soms van de krant) weer naar de frontlinie om schrijnende verhalen van onzichtbaar gebleven slachtoffers te vertellen. Niets van embedded journalism voor haar; als een peloton reporters in 2003 door het Amerikaanse leger wordt geïnstrueerd om tijdens de invasie van Irak in het kielzog van de militaire troepen te opereren, regelt de eigenzinnige Colvin op de achtergrond een freelance fotograaf die jarenlang zal fungeren als haar ‘tweede’ oog op het oorlogsleed en als tolk in de meest precaire omstandigheden.

Qua drama is A Private War geen slechte Hollywoodfilm, met weliswaar een voorspelbaar verloop en verstoken van noemenswaardige verrassingen. Rosemund Pike speelt een van haar meest geloofwaardige rollen, hoewel we haar eigen intense pijn nog meer hadden mogen voelen. Dan rest een weinig gecompliceerde geschiedenis van een vrouw die was verslaafd aan oorlogsleed en zich kennelijk verantwoordelijk voelde om de mensheid daarmee te confronteren. Een ware held(in) met het nobele doel de wereld beter te maken. Iemand die kon vermoeden dat ze in het harnas zou sterven.

Daarmee houdt de film op en mag de held terecht worden geëerd. Behalve als je meer over Colvins werkelijke drijfveren en persoonlijke achtergrond had willen weten. Samen met de eenzijdige blik op een cruciaal stukje wereldgeschiedenis blijft Heinemans speelfilmdebuut aan de fragmentarische en vlakke kant dat onvermijdelijk inspeelt op sentiment en onbehagen. Als iemand na afloop van de film geïnspireerd is om zich aan te melden als oorlogscorrespondent is dat natuurlijk mooi meegenomen.

 

22 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Posoki

***
recensie Posoki

Optimistische klaagzang in Bulgarije

door Sjoerd van Wijk

Posoki had gemakkelijk een klaagzang kunnen blijven, maar weet het optimisme te vinden. Dankzij de intense interacties betekent een achtergesteld Bulgarije niet altijd louter kommer en kwel. 

In de nacht rijden zes verschillende taxichauffeurs rond met uiteenlopende passagiers. Een man blijft giechelen met zijn maîtresse in het bijzijn van een rouwende chauffeur en heeft moeite de stilte te bewaren als de echtgenote belt. Ergens anders ontspoort een verhitte discussie over de hoge rekening. Toch zit er een rode draad in de gebeurtenissen. Terwijl de chauffeurs af en aan rijden, brabbelt de radio door over het incident waarmee Posoki opent. Een man knoopt de eindjes aan elkaar met de taxi als extra inkomsten. Als zijn aanvraag voor een nieuwe lening door de mand valt door corruptie, gaat hij door het lint. Waar is het fatsoen gebleven? Of is deze uitbarsting over onrecht begrijpelijk? Zowel de vignetten indirect als het radiodebat direct soebatten over deze vraagstukken in een Bulgarije dat de wanhoop nabij lijkt te zijn. 

Posoki

Claustrofobisch vastgepind
Het doet denken aan Taxi Teheran, maar dan zonder de Iraanse speelsheid. Hier is de taxi het vehikel bij uitstek om de precaire situaties van de ingezetenen te omlijsten. Bulgaars lidmaatschap van de Europese Unie woekert hier vooral in de vorm van terugkerende expats die het elders beter hebben. Het technocratische project lijkt niet de economische malaise af te stoppen.

Posoki is met haar vlakke beelden net zo opgesloten als de ingezetenen, die vaak lijken op leden van het precariaat. Regisseur Stephan Komandarev ketent deze personages vast in het metalen omhulsel van de taxi tot aan het claustrofobische toe. 

Sluimerende nacht
Binnen de auto’s sluimert de lange nacht monotoon voort. Zoals de filmtitel (‘richtingen’ in het Nederlands) al aangeeft, zit in het opgesloten karakter van Posoki stilletjes de hoop een nieuwe weg in te slaan. Maar ook de uitzichten uit de taxi maken de stedelijke omgeving vooral tot eentonige nocturne. De herhaling is Komandarev en co-scenarist Simeon Ventsislavov niet vreemd.

In tegenstelling tot het meditatieve van Like Someone in Love komen de autobeelden hier eerder ondubbelzinnig over. De heren hameren daarbij continue op dezelfde punten door, met de vele debatten op de radio en gemaakt toeval die een en ander in elkaar laat overlopen. Het is overduidelijk wat alle bedoelingen zijn als zelfs een priester de taxi als noodzakelijke schnabbel heeft en het lot wilt dat hij net nu een hartpatiënt vervoert. 

Intense doortastendheid
De opgesloten aard van deze lange nacht rekt Komandarev nog verder op met lange takes. Het voorkomt dat de handcamera van cameraman Vesselin Hristov al te zeer vervalt in een clichématige replica van fixatie op personages à la John Cassavetes of de gebroeders Dardenne. Komandarev gebruikt de lange take wel met wisselend succes.

Posoki

Aan de ene kant leidt het tot intense hoogtepunten, die het menselijke van de personages doortastend vatten. Met name de chauffeur die een verstoorde leraar van de brug af praat boeit in de mengeling van hardheid en begrip dankzij de voortdurende focus op hun expressie. Aan de andere kant schijnt af en toe het kunstmatige karakter van deze realiteit door. Komandarev’s inconsequente toepassing van deze techniek breekt de lange nacht op 

Geloof in goedheid
In de vignetten zit immer een opgekropt geloof in de goede afloop. Zoals een personage in de film opmerkt, zijn de realisten en pessimisten geëmigreerd en blijven de optimisten achter. Ondanks dat niet elke situatie vrolijk eindigt, schijnt deze observatie altijd door. Hoe slecht men het ook heeft, als het er op aan komt, zegeviert de vriendelijkheid. Daar doen de bruuske dialogen niet aan af.

In Posoki zijn wandaden eerder een expressie van systemische wantoestanden dan een defect in karakter. Het maakt het voorlaatste beeld van de hartpatiënt die het ziekenhuis betreedt zo innemend en gepast, dankzij de diepte die vlakke monotonie vervangt. Helaas hameren de scenaristen tot het einde toe door, wat hun beschouwing over het hedendaagse Bulgarije wranger maakt dan het had kunnen zijn.

 

4 maart 2019

 

ALLE RECENSIES

Phantom Thread beste film 2018

Phantom Thread beste film 2018
Het romantische drama Phantom Thread van Paul Thomas Anderson is door InDeBioscoop gekozen tot beste film van 2018. Ready Player One van Steven Spielberg werd de Miskleun van het Jaar.

Phantom Thread – met de laatste (?) filmrol van de Engelse acteur Daniel Day-Lewis – sluit aan in een mooi rijtje eerdere winnaars: Boyhood (2014), Réalité (2015), Hell or High Water (2016) en The Handmaiden (2017).

Phantom Thread

Natuurgetrouw en bijna perfect
Drie van de zeven deelnemende IDB-recensenten plaatsten Phantom Thread in hun persoonlijke top van 2018. “De ‘Engelse Robert De Niro’ leefde zich ook ditmaal akelig natuurgetrouw in als de zelfingenomen, volkomen aan zijn vak toegewijde Reynolds Woodcock in de Londense jetset van de jaren vijftig. Woodcock laat zich uiteindelijk strikken door muze Alma, die hun romantische onderonsjes slechts op een zeer drastische manier kan afdwingen”, aldus Cor Oliemeulen.

Yordan Coban: “De liefde van de stugge overheersende kledingmaker Reynolds Woodcock is vaak kort en zelfzuchtig. De bijdehante Alma weet zijn tirannie te beheersen. Beiden moeten een balans vinden in de liefde die ze bieden en de liefde die ze wensen. Reynolds Woodcock is een vakman met een obsessie. Met deze rol neemt Daniel Day-Lewis op passende wijze afscheid van het toneel.”

Tim Bouwhuis zag de Nederlandse première van Phantom Thread waarbij de muziek live werd uitgevoerd door het Rotterdams Philharmonisch Orkest. “De volmaakte paradoxen van de muziek – elegant maar dreigend, harmonieus maar bij vlagen ook ijzig en verstokt – schijnen ook door in de film zelf, die de perfectie vrijwel op ieder vlak benadert. Karakters botsen en schuren in een sierlijk kader van cinematografische wonderlijkheid”.

Top 5 InDeBioscoop
1. Phantom Thread (11 punten)
2. Burning (10 punten)
3. November (9 punten)
4. The Death of Stalin (9 punten)
5. Shoplifters en You Were Never Really Here (7 punten)

1 januari 2019

Deel 1: Cor Oliemeulen
Deel 2: Sjoerd van Wijk
Deel 3: Yordan Coban
Deel 4: Alfred Bos
Deel 5: Ralph Evers
Deel 6: Bob van der Sterre
Deel 7: Tim Bouwhuis

Predator, The

***

recensie The Predator

Suspense verliest van actie

door Alfred Bos

Met actieveteraan Shane Black aan het roer krijgt de Predator-franchise voor de tweede maal nieuw leven ingeblazen. Dat lukt, al zitten nostalgie en eigentijdse blockbuster elkaar nodeloos in de weg.

Homo sapiens heeft zich opgewerkt tot de top van de voedselketen op planeet Aarde; menseneters zijn verbannen naar de dierentuin of de laatste restjes wildernis. Dan is er alle gelegenheid om de fantasie los te laten op één van de zeven klassieke verhaaltypes—versla het monster. In dat geval kun je twee kanten op: dino’s of ander uitgestorven spul (in Meg, de popcornhit van deze zomer, staat een voorhistorische haai centraal) dan wel griezels van buitenaardse oorsprong.

In die categorie is de ultieme moordmachine alien gruwelijk eng, want sluw. Maar het is geen soort die vuurtjes stookt, computers bedenkt en ruimteschepen bouwt. De kosmische killer doet niet aan technologie of cultuur en daarin is hij de mindere van de mens. Zo niet predator, de topjager in het universum. Qua intelligentie en organisatietalent doet hij niet onder voor Homo sapiens; zijn fysieke kracht, atletisch vermogen én technologie zijn superieur. Predator, de ster van drie speelfilms en twee alien-crossovers, is het roofdier dat de mens voorbij is gestreefd.

The Predator

Goed gedoseerde gorigheid
The Predator, de vierde speelfilm rond de kosmische jager, komt uit de koker van de man die het genre van de actiefilm in de jaren tachtig nieuw leven inblies. Shane Black (Kiss Kiss Bang Bang, Iron Man 3, The Nice Guys) bedacht de succesvolle reeks Leathal Weapon-films (met Mel Gibson en Danny Glover als ongemakkelijk politieduo) en schreef daarnaast een paar filmavonturen voor actie-icoon Arnold Schwarzenegger. Die speelde het haantje in Predator (1987), het debuut van de lelijkerd from outer space. Black blaast de franchise nieuw leven in, nadat de vorige poging (Predators uit 2010) een natte vuurpijl bleek.

En Black levert. The Predator zal nimmer prijzen winnen voor fijnzinnigheid of vernuft, maar vermaken doet de film. Als bonus is de regisseur niet vies van een portie goed gedoseerde gorigheid, vaak met humor of (hoe kan het?) finesse gebracht, wat in deze tijden van politieke hypercorrectie en alles stuk calculerende marketing bepaald een plus is. Bloed druipt uit een gekliefd lijk en tovert onbedoeld een onzichtbare predator tevoorschijn? Ja! Predator trekt de ruggengraat uit een verslagen predator? Ja!

Stoere vrouwen
Dat laatste zet de Predator-liefhebber wellicht aan het denken – predator vecht tegen predator? – en dat raakt de kern van Blacks adaptatie. The Predator is geen herhaling van zetten, zoals Predators, noch een variatie op het origineel, zoals Predator 2 (1990), maar denkt verder langs het spoor dat in de eerste Predator-film is uitgezet. Kort gezegd, de buitenaardse jagers evolueren en wel in recordtempo. Daartoe gebruiken ze genetisch materiaal van dat andere alfa-organisme, de mens. Bovendien is klimaatverandering op een originele manier in de plot verwerkt. Het tilt de film boven de doorsnee genrefilm uit.

Waar de knullige interactie van het groepje stoere mannen dat de buitenaardse geweldenaar(s) moet bestrijden deze vermakelijke actiefilm juist terugduwt in de middelmaat. In dat opzicht zijn Black en co-scenarist Fred Dekker (de man van The Monster Squad en Robocop 3) géénTarantino. Onderwerp van de buitenaardse belangstelling is het hoogbegaafde zoontje Rory (Jacob Tremblay) van special forces-sluipschutter Quinn McKenna (Boyd Holbrook), die kan rekenen op een team van getraumatiseerde of ronduit gestoorde oorlogsveteranen.

Stoere vrouwen zijn er ook, want niet alleen de predator is geëvolueerd: Rory’s moeder (Yvonne Strahovski) en exobioloog Casey Bracket (Olivia Munn). De laatste eet predators als ontbijt, maar moet in het heetst van de strijd toch weer voor het kind zorgen.

The Predator

Storm in suburbia
Qua setting alterneert de Predator-serie tussen jungle (domein van predator) en stad (domein van mens) en regisseur Black voegt zich naar dat ritme. Hij doet à la Spielberg een Jurassic-je en verplaatst het monster van het eiland/oerwoud naar de voorstad. Daar wordt toevallig net het griezelfeest Halloween gevierd, wat bij de liefhebber van genrefilms ogenblikkelijk een gevoel van nostalgie wekt. Dat doet ook de rol van de overheid en haar geheime diensten; die houden er dubbele agenda’s op na en martelen dan wel vermoorden onschuldige burgers. Typisch jaren tachtig, want anno nu zijn het multinationals die kwaad spel spelen.

Heel onderhoudend allemaal, maar The Predator is net geen klassieker. Nog even los van de al te opzichtige sluikreclame is het een eenentwintigste-eeuwse makke die de film beentje licht. De eigentijdse kijker is overprikkeld en kan dus geen drie seconden zonder tromgeroffel of knaleffect. De film scoort hoog op enerverende actie, maar laag, zeg maar gerust nul, op suspense. Een paar scènes van nagelbijtende spanning hadden de film een niveau hoger getild en de finale biedt daartoe alle ruimte, maar het is holdedebolder naar het volgende klapstuk. En ja, alles staat klaar voor een vervolg. Dat is nu net het punt van de film.

Zo koppelt The Predator het spektakelgehalte van de eigentijdse blockbuster aan ouderwets actievermaak van de betere B-film. Het voelt bijna nostalgisch aan. Met de nadruk op bijna.
 

11 september 2018

 
MEER RECENSIES

Prière, La

**

recensie La Prière

Gehaaste transformatie

door Tim Bouwhuis

In de openingsscène van La Prière lijken de ogen van de 22-jarige Thomas de camera een fractie van een seconde te doorboren. Dat wil zeggen: na zijn schichtige blik volgt er geen corresponderend beeld, geen point of view. Kijkt Thomas naar ons? Of moeten we ons een spiegel inbeelden? Zeker is dat onze hoofdpersoon later in de film opnieuw een bepalende blik naar opzij zal werpen. Waarop het beeld wél correspondeert, in de vorm van een persoon. En dat verandert alles.

De setting voor die twee momenten van communicatie is een auto op een Franse bergweg; de bestemming een kloosterachtige afkickkliniek. Cruciale variabele is de houding van de drugsverslaafde Thomas (Anthony Bajon) zelf. De eerste keer vervalt hij na aankomst in hevige ontwenningsverschijnselen. Deze afkickkliniek is een hechte broederschap, vertelt de leider ter plaatse (Alex Brendemühl) hem. Maar Thomas heeft helemaal geen behoefte aan een geforceerd buddysysteem. De eerste gelegenheid om in een tochtig schuurtje een gestolen sigaret te roken, grijpt hij direct aan. Met zijn stiekeme daad heeft het voormalige heroïneslachtoffer buiten het strakke beleid van de gemeenschap gerekend: op deze locatie moet alles beleden, vergeven en vergeten worden. Dat niemand die sigaret gezien heeft, maakt nauwelijks uit. Thomas is immers toch een minuut of vijf spoorloos geweest.

La Prière

Ontmoeting en openbaring
Er knapt iets bij de worstelende jongvolwassene, die niet kan omgaan met de belerende toon van zijn mannenbroeders. Een fel handgemeen en een succesvolle vluchtpoging later dwaalt hij door een godvergeten dorpje. Bussen gaan niet meer, hier kun je enkel ronddwalen. Dan slaat het wonder toe: Thomas belandt bij het huis van de bloedmooie Sybille (Louise Grinberg), een aspirant-archeologe die, zo leren we, wel vaker gevluchte ex-verslaafden heeft zien passeren. Het kost Sybille niet al te veel moeite om haar verstekeling te overtuigen van een snelle terugkeer. Alleen de kliniek kan Thomas’ protesterende lichaam redden.

Op dit moment van schrijven laat het moment van de tweede blik zich als het goed is perfect raden. Sybille zet koers richting de bergen: zij achter het stuur, Thomas op de bijrijdersstoel. Als Thomas kijkt, kennen we het conflict in het hart van La Prière: niet zozeer de strijd tegen verslaving, maar de strijd tussen twee liefdes (de filmposter verklapt de tweede liefde). En dat is precies waar regisseur Cédric Kahn (Une Vie Meilleure draaide in 2013 in Nederlandse zalen) en zijn twee co-schrijvers (Fanny Burdino, Samuel Doux) zich op een wat jammerlijke wijze vergalopperen.

Na Thomas’ rehabilitatie in de kliniek is het een fractie van tijd voor degene die de regels verfoeide zelf aan het prediken slaat. Misplaatst en veel te gemakkelijk is een scène waarin het wedergeboren lid van de gemeenschap inpraat op een net gearriveerde patiënt, die – uiteraard volledig in lijn met Thomas’ eerdere gedrag – uit ellende de natuur in is gevlucht. Kahn reduceert een complexe psychologische en fysieke transformatie tot een simpele omkering. Het script verdringt de verslaving naar de achtergrond en focust zich rigoureus op de twijfel die in het Bijbelse DNA van de naam ‘Thomas’ verborgen zit: de klassieke keuze tussen goddelijke en aardse liefde.

La Prière

God en de mens
In de katholieke contreien van de kloosterkliniek heerst een in de basis strikte scheiding tussen mannen en vrouwen, maar La Prière is geen Kreuzweg. Misschien scheelt het dat stadse verleidingen hier in theorie niet van toepassing zijn, maar er wordt tussen de regels volop geflirt tussen de mannelijke en vrouwelijke enclaves van de gemeenschap. Ondertussen is er ruimte voor reli-grappen en enthousiast gitaarspel: Kahn waakt dus voor stereotypische vroomheid en repressie, ook al leidt dat ertoe dat de scènes in kwestie een wat verdwaalde indruk maken.

Als Thomas’ mogelijke priesterschap ter sprake komt, heeft de film zijn belangrijkste kruit al verspeeld. De gehaaste transformatie, al eerder aangestipt, draagt ook nog eens het gewicht van het kunstmatige vervolgconflict. God of mens? In La Prière krijg je de voorspelbare grote lijnen op een presenteerblaadje aangereikt.

En dat is jammer, want in het laatste halfuur is toch weer volop ruimte voor prikkelende psychologische elementen. Voor een eenzame tocht in de bergen, Kahns equivalent voor de woestijn; voor een subtiele botsing tussen de dancemuziek uit Thomas’ verleden en de klassieke geluidsband die dat verleden toch weer inhaalt. Het zijn scènes en momenten zonder teveel woorden, kompanen van stilte en verlatenheid. De balans met het haastige script wordt gezocht, maar nooit volledig gevonden. De teleurstelling in het hart van de film: de details kunnen het grotere plaatje niet redden.
 

9 september 2018

 
MEER RECENSIES

Private life of Sherlock Holmes, The

The Private Life of Sherlock Holmes

Speurneus onder de loep

door George Vermij

The Private Life of Sherlock Holmes lijkt op het eerste gezicht een buitenbeentje in Billy Wilders oeuvre. De film deed het ook niet goed in de bioscoop en werd lauwtjes onthaald door critici.

Die ontvangst kan misschien verklaard worden door veranderingen in de smaak van het filmpubliek. De film ging eind jaren 60 in productie als een episch portret van ‘s werelds beroemdste detective. In eerste instantie zou het een musical worden met Peter O’Toole in de hoofdrol, maar dat idee ontwikkelde zich geleidelijk tot iets heel anders. Zo nam theateracteur Robert Stevens het stokje over van O’Toole. De film zou zich richten op Holmes’ studententijd en daarna gaan over een zaak die hij als professionele speurneus op zich neemt.

The Private life of Sherlock Holmes

Wegvallen van illusies en oude waarden
Het eindresultaat is met zijn twee uur, maar een deel van een film die eigenlijk langer had moeten zijn. In 1970 was de aandacht van de bioscoopbezoeker al verschoven naar meer eigentijdse films. The Private Life of Sherlock Holmes was toen al verouderd in vergelijking met al die nieuwe hippe titels die inspeelden op een jonger publiek. Een lot dat David Leane’s epische Ryan’s Daughter ook was beschoren. Maar verouderd is maar een relatief begrip en het is nou net dat element dat de film vandaag de dag juist zijn charme en uiteindelijk zijn bittere kracht geeft. The Private Life of Sherlock Holmes gaat over het wegvallen van illusies en oude waarden en dat in een Engeland dat een nieuwe eeuw tegemoet gaat.

De openingsscène vindt plaats als Holmes en Watson al lang tot stof zijn wedergekeerd. In een statige bank wordt een kluis geopend. Vervolgens worden wat objecten afgestoft: een deerstalker hoed, een viool en een grote loep. Het zijn herkenbare rekwisieten die iedereen associeert met Arthur Conan Doyle’s held. Maar wat doet die mysterieuze injectiespuit bij al die spullen? En hoe zit het nou met dat grote manuscript? Het blijkt een tekst die Holmes’ trouwe metgezel John H. Watson met veel zorg heeft geschreven. Het is een verslag van een pijnlijke zaak die de smetteloze reputatie van de privédetective in een heel ander daglicht zet.

Billy WilderOntleding van de mythe
En zo gaan we naar een mistig Londen in het fin de siècle. Holmes en Watson komen net thuis na een van hun avonturen. De meesterdetective is echter niet blij met Watsons stukken over hem die geregeld verschijnen in The Strand Magazine. Moet hij nu steeds met die belachelijke hoed rondlopen omdat lezers dat verwachten? En hij kan wel vioolspelen, maar hij zit niet te wachten op uitnodigingen van orkesten. Zo goed is hij ook weer niet. Het is een mooie ontleding van de mythe die de man overschaduwt.

De scène speelt ook met de ontwikkelingen die de fictieve figuur in het echt heeft meegemaakt. Zo is er nog steeds discussie over de deerstalker hoed die wordt gezien als een handelsmerk, maar in de boeken alleen vluchtig voorbijkomt. En zo is het vaak aangehaalde citaat ‘Elementary, my dear Watson.’ niet in Doyle’s teksten terug te vinden. Iedereen die zich waagt aan een nieuwe bewerking van deze fictieve figuur lijkt er elementen aan toe te voegen. Die worden stapsgewijs een onmiskenbaar deel van de fictieve persoon.

Wrang staartje
Billy Wilders’ film gaat over deze discrepantie tussen verwachting en werkelijkheid aan de hand van een zaak die onschuldig begint, maar een wrang staartje krijgt. De eerste akte start nog komisch in de beste dubbelzinnige Wilder-traditie. Holmes wordt door een gerenommeerde Russische ballerina gevraagd om als zaaddonor te dienen. Hij is nu eenmaal een begeerde vrijgezel wegens zijn uitmuntende reputatie. Daar kunnen toch alleen maar briljante kinderen uit voortkomen? Toch moet hij de ietwat verlopen Russische dame teleurstellen.

The Private life of Sherlock Holmes

Robert Stevens is perfect als de gevatte Holmes die vliegensvlug op het idee komt om maar subtiel te hinten dat hij homoseksueel is. ‘Ach net als Tsjaikovski!’, zegt een teleurgestelde koppelaar. Helaas wordt Watson (een uitstekende Colin Blakely) ook betrokken bij deze leugen. En dat terwijl hij enthousiast aan het flirten is met kokette danseressen.

Van deze grappige misverstanden en decepties komen wij plotseling bij een mysterieuze vrouw die uit de Thames is gevist. Ze wordt voor Holmes’ huis gedropt omdat zij zijn adres bij zich heeft. Deze buitenlandse dame is door het ongeluk haar geheugen tijdelijk kwijt geraakt. Holmes is duidelijk gefascineerd door deze elegante verschijning die uit België blijkt te komen. Haar man is vermist en ze heeft Holmes’ hulp nodig om hem terug te vinden. Het begin van een grote speurtocht waar dwergen, Schotse kastelen, het monster van Loch Ness en geheimzinnige voertuigen de revue passeren.

Complexe relatie met vrouwen
Het knappe van de film is dat dit wilde avontuur gecombineerd wordt met een intiem portret van Holmes. Zo wordt zijn complexe relatie met vrouwen gaandeweg blootgelegd door subtiele openbaringen. Holmes klaagt over hoe Watson hem in zijn verhalen portretteert als een misogyne man. Hij is geen vrouwenhater, hij vertrouwt ze gewoon niet.

In een ongebruikelijke ontboezeming aan de Belgische Gabrielle vertelt Holmes waar zijn wantrouwen vandaan komt. Een verloofde stelde hem teleur op het moment dat ze in het huwelijksbootje zouden stappen. Typisch onderkoeld en met een vleugje ironie zegt Holmes dat ze stierf door een ziekte. Kortom, je kunt niet op ze rekenen die vrouwen.

Stevens heeft de juiste toon te pakken om deze schijnbaar emotieloze gentleman gevoelens mee te geven. Het zijn ook die onderdrukte emoties die zorgen voor de verrassende ontknoping van het verhaal. Ondanks zijn perfectionisme heeft de speurder ook zijn kwetsbare kanten. Zijn talenten om alles tot in de puntjes uit te zoeken kunnen ook gemanipuleerd worden. Gabrielle is daarbij de spil. Misschien niet zo gek dat Wilder die in zijn films noirs de femme fatale ruimte gaf, hier ook gebruik maakt van die figuur.

The Private life of Sherlock Holmes

Melancholiek
Anders dan die fatalistische films noirs is The Private Life of Sherlock Holmes  meer een melancholieke film. Het draait om een man die zijn talenten gebruikt zodat hij kan vluchten van de realisatie dat hij te bang is om iemand echt lief te hebben. Zijn bescheiden verslaving aan verdovende middelen vloeit daar ook uit voort. Stevens heeft aan wat kleine gebaren genoeg om dit geloofwaardig over te brengen. Zijn teksten zijn ook heerlijk vooral als hij iemand scherp van repliek voorziet zoals zijn sluwe broer Mycroft, een prima gecaste Christopher Lee.

Het is jammer dat de film in zijn tijd geen groot publiek kon vinden. Toch is de waardering voor de film door de jaren gegroeid. Criticus Kim Newman vindt het nog steeds de beste Sherlock Holmes-verfilming. Steven Moffat en Mark Gattis gaven ook toe dat zij zich door de film lieten inspireren toen ze het scenario van een eigentijdse versie van de detective schreven. Die BBC-serie met Benedict Cumberbatch als Holmes werd een groot succes. Naar mijn mening is deze film toch beter en verplichte kost voor iedereen die zijn hart heeft verloren aan deze knappe kop wonende op 221b Baker Street.
 

28 juli 2018

 

MEER BILLY WILDER
 
 
MEER ESSAYS

Phantom Thread

****

recensie Phantom Thread

Capitulatie in de liefde

door Yordan Coban

De achtste film van Paul Thomas Anderson gaat over de strijd in de verhoudingsstructuur binnen een relatie en de zoektocht naar een balans tussen de liefde die we willen krijgen en de liefde die we te bieden hebben.

Reynolds Woodcock (Daniel Day-Lewis) is een elitaire kledingmaker. Zijn jurken zijn alleen bedoeld voor de meest gefortuneerde. Woodcock is een erg elegante maar moeilijke man. Hij is ijdel, verwend en obsessief bezig met de perfectie in zijn vakmanschap. Alles draait om zijn wil en hij dwingt ieder tot een passantenrol in zijn wereld. Alleen de relatie met zijn assistente Cyril is gebaseerd op wederzijds respect. Cyril (Lesley Manville) is een erg strenge no-nonsense vrouw die weet hoe ze een blaffende hond in bedwang moet houden.

Phantom Thread

Reynolds is nooit getrouwd en formuleert zijn leven stellig als een liefdeloze eenling die toebedeeld is aan zijn vak. Hier komt verandering in als hij valt voor de jonge Alma (Vicky Krieps), in wier imperfecties hij perfectie ziet. De film leert ons aan het begin dat er een routine is in de manier waarop Woodcock verliefd wordt. Hij valt voor uiterlijke schoonheid en raakt na geringe tijd geïrriteerd op de vrouwen uitgekeken. Hij is even veeleisend voor zijn vrouwen als voor zijn jurken.

Alma lijkt in het begin te bezwijken onder zijn regie in de relatie. Echter kan Alma door zijn poppenkast heen prikken. Het is interessant om te zien wie nu werkelijk de bespeler van wie is. Reynolds had een bijzondere relatie met zijn moeder. Hij vertelt Alma hierover tijdens hun eerste etentje. Hij is op zoek naar bemoederende liefde, al laat zijn neurotische drang naar controle dit niet toe. Alma is echter een sterke vrouw en kent hem beter dan hij zichzelf kent.

Transitie in stijl
De regiestijl van Paul Thomas Anderson heeft in de loop van zijn carrière een verandering ondergaan. Hij begon met flitsend, dynamisch camerawerk. Snel bewegende scènes waarin veel informatie zich snel na elkaar opvolgde onder begeleiding van catchy popmuziek, zoals in Boogie Nights (1997) en Magnolia (1999). Deze flashy heersende filmdoctrine uit de jaren negentig, die begon met de innovaties van Goodfellas (1990), kleurde zijn werk op significante wijze. Regisseurs als Martin Scorsese, Quentin Tarantino, Oliver Stone en David Fincher zijn collega’s die een overeenkomende regiestijl hanteerden.

Phantom Thread

Paul Thomas Anderson is echter sinds de 21ste eeuw een andere richting ingeslagen. Een richting die minder op het werk van Scorsese lijkt maar meer overeenkomsten heeft met de stijl van Stanley Kubrick en Terrence Malick. Deze transitie begint subtiel in Punch-Drunk Love (2002) maar is radicaler in There Will Be Blood (2006) en The Master (2012). Paul Thomas Anderson gebruikt nu voornamelijk klassieke of experimentele melodieën om zijn werk te ondersteunen. Verder is het camerawerk (wat hij in Phantom Thread voornamelijk zelf deed) rustiger en eleganter geworden met scènes die nu meer ademruimte krijgen maar nooit statisch zijn. 

Maar misschien wel het belangrijkste in Paul Thomas Anderson’s werk is ook het hoogtepunt in Phantom Thread: het acteerwerk. De drie grote rollen in de film worden heel genuanceerd gespeeld. Het kan geen toeval zijn dat de films van Anderson misschien wel het beste acteerwerk van de laatste twintig jaar bevat. Joaquin Phoenix, Julianne Moore, Philip Seymour Hoffman, Daniel Day-Lewis of Adam Sandler, Anderson weet altijd een maximale performance uit zijn acteurs te halen.

Overgave
Er gebeurt niet veel in Phantom Thread. Er zijn geen grote gebeurtenissen waaraan het verhaal zich optrekt. We kijken naar twee mensen en de verloop van hun relatie. Er is geen overdreven romantiek, maar een psychoanalytische studie over de liefde die ze delen. De twee dansen een wals vol compromissen, strijd en acceptatie. De overgave aan dat wat zij zoeken in een partner.
 

28 februari 2018

 
MEER RECENSIES

Post, The

*****

recensie The Post

Voor wie de klok luidt

door Alfred Bos

Steven Spielberg is boos en overtreft zichzelf met een politieke thriller over een krant die staatsgeheimen wil publiceren en een president die van liegen zijn overlevingsstrategie heeft gemaakt. Het is allemaal waar gebeurd. En hoogst actueel.

Vorig jaar februari was Steven Spielberg druk doende met de opnamen van de sciencefictionfilm Enter Player One (eind maart in de bioscoop) toen hij het script van The Post onder ogen kreeg. De meest succesvolle regisseur uit de filmgeschiedenis liet alles vallen om die film te maken. En wel nu. Het duidt op urgentie. En op persoonlijke betrokkenheid. Steven Spielberg giet zijn verontwaardiging over een bluffende botterik in het Witte Huis – de man met een eekhoornstaart als toupet – in de mal van de Spielberg-filmmagie en presto, The Post is een hoogtepunt in ’s mans toch al niet misselijke loopbaan.

The Post

The Post is gesitueerd in 1971, als de Amerikaanse president van dienst, Richard Nixon, en diens cercle onder het mom van nationaal belang de pers probeert te muilkorven. Al verschillen context en middelen, de parallellen met het heden zijn evident: president meent zich verheven boven grondwet en politiek systeem, en acht de waarheid kneedbaar. Achter de werkelijkheid van 1971 knettert de actualiteit van 2018. Het geeft de film een dwingende kwaliteit, een urgentie. Wanneer was Hollywood voor het laatst zo geëngageerd?

Feministisch rolmodel
In Spielbergs voorlaatste film, Bridge of Spies, speelt Tom Hanks een advocaat die tijdens de Koude Oorlog een buitenlandse spion redt van de elektrische stoel: uitruilen tegen Amerikaanse spionnen in Russisch gevangenschap is handiger. Diezelfde onbuigzaamheid, niet wijken voor de druk van hogerhand, neemt Hanks mee naar zijn rol van Ben Bradlee, de macho hoofdredacteur van The Washington Post. Die krant is in 1971 nog niet het instituuut dat het werd met de onthullingen rond het Watergate-schandaal die Nixon uiteindelijk de presidentiële nek kosten. Dát verhaal werd in 1976 door Alan J. Pakula verfilmd als All the President’s Men. The Post is de prequel van die klassiek geworden paranoiathriller over journalisten en klokkenluiders.

De werkelijke held van de film is evenwel Kay Graham (Meryl Streep), die in 1963, na de zelfmoord van haar man, kranteneigenaar Philip Graham, de zakelijke leiding van The Washington Post overnam. Ze is de enige vrouw in een kamer vol mannen – adviseurs, juristen en ingewijden in de politieke kringen rond het Witte Huis – die het zakelijke belang verkiezen boven het publiceren van geheime stukken. Spielberg portretteert haar als een feministisch rolmodel avant la lettre.

The Post

Historische bandopnamen
Het draait allemaal om de zogeheten Pentagon Papers. In 1966 gelastte de toenmalige minister van Defensie, Robert McNamara (Bruce Greenwood), een niet-publiekelijk onderzoek naar de besluitvorming rond alle oorlogen en buitenlandse conflicten waar de Verenigde Staten sinds de Tweede Wereldoorlog bij betrokken waren geweest. Hij twijfelde aan het nut van de oorlog in Vietnam die in 1966 snel escaleerde, vroeg zich af hoe het zover had kunnen komen en wilde documentatie voor toekomstige historici en onderzoekers. Uit het onderzoek bleek dat alle Amerikaanse presidenten, van Truman tot en met Johnson, volk en volksvertegenwoordiging hadden voorgelogen. Kopieën werden verdeeld over een aantal instituten en verdwenen achter slot en grendel.

De grootste leugenaar was evenwel Richard Nixon, in 1968 de opvolger van Lyndon B. Johnson. Die had in november van dat jaar zijn verkiezing veilig gesteld door in het geheim de vredesbesprekingen in Parijs tussen Noord- en Zuid-Vietnam te saboteren. (Het wordt uit de doeken gedaan in de onvolprezen documentaireserie van Ken Burns, The Vietnam War.)

Smetvrees heb je alleen met vuile zaakjes en bang dat die lafhartige daad, feitelijk landverraad, aan het licht zou komen liet Nixon opnameapparatuur plaatsen in de Oval Office: alle gesprekken, ook telefoonverkeer, werden opgenomen. Die bandopnamen zouden een cruciale rol spelen in de Watergate-affaire en uiteindelijk leiden tot Nixons aftreden. In The Post zien we een acteur achter het raam van het Witte Huis en horen de authentieke telefoongesprekken tussen hem en zijn minister van Buitenlandse Zaken, Henry Kissinger.

The Post

“Nixon heeft schurken om zich heen”
In 1971, het jaar waarin The Post speelt, verscheen in de gerespecteerde kwaliteitskrant New York Times een onthullende publicatie, gebaseerd op de Pentagon Papers. Het vele duizenden pagina’s tellende document was gelekt door een medewerker van de denktank RAND Corporation. Nixons en diens staf wisten via de rechter vervolgpublicaties te voorkomen.

Waarop Ben Bradlee de kans schoon ziet om het provinciekrantje Washington Post de rol van titaan New York Times over te laten nemen, net op het moment dat een beursgang de krant een broodnodige financiële injectie moet geven. Redacteur Ben Bagdikian (Bob Odenkirk) jaagt op de bron van de Times en verkrijgt een kopie van de Pentagon Papers. Maar dan, publiceren of wijken voor de intimidaties van een wraakzuchtige president? Ex-minister McNamara waarschuwt: “Nixon heeft schurken om zich heen”.

De film markeert een breekpunt in de relatie tussen pers en Amerikaanse politiek. Tot dat moment verkeren journalisten en bewoners van het Witte Huis op intieme voet, men vertrouwt elkaar. McNamara is een huisvriend van Kay Graham, Ben Bradlee deelde whiskey en schuine grappen met John F. Kennedy. Dat was na de kwestie rond de Pentagon Papers voorgoed verleden tijd. In 1968 had Nixon de verkiezingen gewonnen met vuil spel en voor zijn herverkiezing in 1972 liet hij inbreken in het hoofdkwartier van de Democratische Partij, in het Watergatecomplex. The Post houdt op waar All the President’s Men begint.

The Post

Spielberg-sterrenstof
The Post is nog een tandje beter dan Spotlight (over onthullingen rond kindermisbruik door de kerk) van twee jaar terug en steekt All the President’s Men naar de kroon als de beste krantenfilm ooit. Het is een thriller, een historisch drama en een ideeënfilm ineen. Een thriller rond brisant bronmateriaal, een historisch drama over de confrontatie tussen pers en president, een film over een idee: de vrijheid van meningsuiting. En de integriteit van het presidentschap.

Het is ook een masterclass van acteren en filmisch vertellen. Hanks treft de mengeling van mannelijke bravoure en journalistieke integriteit van hoofdredacteur Ben Bradlee in woord, tics en lichaamstaal. Streep speelt als hoeder van het familiebedrijf die door omstandigheden ver buiten haar comfortzone wordt geplaatst, een bakvis in een tank vol haaien (om het oneerbiedig te zeggen), een van de beste rollen uit haar carrière. Ze is sereen in een ruimte die onder stroom staat.

Sfeer, tijdsbeeld en milieu zijn in detail getroffen. Het enige smetje zit op de geluidsband, in de proloog die speelt in de Vietnamese jungle van 1966. Daar horen we Green River van Creedence Clearwater Revival, een nummer uit 1969. Verder klopt alles. Rotatiepersen worden gefilmd als wonderen van analoog vernuft. Voor publieke telefoons heb je een broekzak vol muntjes nodig. Iedereen rookt overal. En dat alles besprenkeld met het Spielberg-sterrenstof. De regisseur koerst op intuïtie, gedragen voor dik veertig jaar ervaring, en glorieert. Wat een film.
 

30 januari 2018

 
MEER RECENSIES

Premier, De

*

recensie De Premier

Politicus als actieheld

door Alfred Bos

Terug uit Hollywood, waar hij zijn succesfilm Loft voor de Amerikaanse markt opnieuw verfilmde, vertilt Erik van Looy zich aan een eigen scenario. De Premier is om te lachen. Helaas is het geen komedie, maar een actiethriller.

Actiethrillers moeten stunten. In hun speelhoek van de cinema is het druk, het publiek verwend. Dus buitelen ze over elkaar, de grandioze premissen en de sensationele plotwendingen. Veel sensationeler dan het vertrekpunt van De Premier wordt het niet: de hoogste bestuurder van de staat België wordt door een duistere partij gedwongen om de Amerikaanse president om te leggen. Gelieve uw verstand bij de kassa achter te laten. Ontvangstbewijs goed bewaren.

De Premier

De Belgische regisseur Erik van Looy, in eigen land uitgegroeid tot Bekende Vlaming als presentator van de tv-quiz De Slimste Mens Ter Wereld, maakte in 2003 indruk met zijn verfilming van Jef Geeraerts’ roman over een dementerende huurmoordenaar, De zaak Alzheimer. Vijf jaar later verblufte hij vriend en vreemdeling met het razendknappe Loft, een puzzelthriller rond vijf vrienden en hun sekszolder. Het werd de best bezochte Belgische film aller tijden, tot twee maal toe herfilmd. Eerst in Nederland (slap), vervolgens door Van Looy zelf in Hollywood (geen verbetering).

Extreem esthetiserend
Uit Hollywood heeft Van Looy, weer terug op Vlaamse bodem, de conceptuele aanpak meegenomen. Een reeks bewezen succeselementen wordt als puzzelstukjes op de tekentafel uitgespreid en met wat schuiven en een enkel eigen idee tot een nieuw succesnummer samengevoegd. Voor Loft kon de regisseur terugvallen op het script van acteur Bart de Pauw; voor De zaak Alzheimer op het boek van Geeraerts, door hemzelf en coscenarist Carl Joos (die het toneelstuk The Broken Circle Breakdown omwerkte tot filmscript) bewerkt tot draaiboek.

Ditmaal komt de vertelling uit de koker van Van Looy en Joos, en de uitzinnige premisse – politicus als actieheld – moet het gebrek aan creatieve ideeën maskeren. Hoe onzinninger de film zich ontwikkelt, hoe meer meelijden je krijgt met acteur Koen De Bouw (die eerder hoofdrollen vertolkte in De zaak Alzheimer, Loft en Het Vonnis) als premier Michel Devreese. Hij heeft, net als de actrices Tine Reymer (zijn vrouw Christine) en Charlotte Vandermeersch (zijn spindoctor Eva, met wie hij – uiteraard – een geheime relatie heeft) nauwelijks fatsoenlijke tekst om mee te werken.

Zeeziek
Illustratief is de slotscène: de beproeving is achter de rug, de premier kijkt uit over de tuin van zijn villa waar zijn kinderen onder het oog van zwaarbewapende para’s spelen en zijn vrouw met de rozen bezig is, maar iedereen zwijgt. Hier had een eenvoudige dialoog, een simpel stukje tekst, wonderen kunnen doen. Nu blijft het een mooi maar volstrekt nietszeggend beeld. Je wordt als kijker aan je lot over gelaten, doe het zelf maar. Net zo nutteloos is de proloog: extreem esthetiserend gefilmd, maar irrelevant voor het verhaal. Oh, het is een droom.

Maar niet alleen het kolderieke uitgangspunt en de krukkige dialogen halen De Premier onderuit. Daar werkt de regisseur hard aan mee door te kiezen voor het soort cameravoering dat in generieke B-films standaard is geworden: nerveuze montage, onnodige camerabewegingen, veel drukte om de kijker – met de veronderstelde aandachtsspanne van een ADHD-patiënt – bij de les te houden.

De Premier

Typerende scène: de premier is door zijn invalchauffeur (Stijn van Opstal) naar een vervallen energiecentrale gereden en krijgt daar te horen dat zijn kinderen zijn ontvoerd: meewerken of hij ziet ze niet meer. De confrontatie zou een dramatisch moment moeten zijn, maar Van Looy maakt de kijker zeeziek door de camera eindeloos rondjes te laten tollen om de premier en de booswicht (Dirk Roofthooft). Alsof hij zijn eigen regiekunsten niet vertrouwt. Of zijn publiek voor debiel acht.

Stramme dialogen
Voor de Nederlands-Engelse actrice Saskia Reeves valt er nauwelijks eer te behalen aan haar rol van Amerikaanse president. Haar naturel smoort in het surrealisme van het verhaal en de stramme dialogen. Volstrekt ongeloofwaardig is de Engelse acteur Adam Godley als chef van de presidentsbeveiliging; je ziet in hem een listige accountant, geen alfa-aap. Urgentie kan de film niet worden ontzegd, want de plot propt een half etmaal in twee uur speelfilm, maar zelfs die ballon loopt leeg dankzij een overbodige en nogal flauwe laatste plotwending.

Is er dan echt niets aardigs aan De Premier te ontdekken? Helaas, nee. De film ging afgelopen november uit in België en werd daar gemengd ontvangen. Een Nederlandse remake, met Jeroen Spitzenberger als Rutte, hoeven we niet te verwachten en om een Kuifje redt de wereld zit men in Hollywood niet te springen. Geen nood, er ligt nog een stapel Geeraerts-thrillers te wachten op verfilming.
 

28 februari 2017

 
MEER RECENSIES

Paterson

****

recensie Paterson

De kunst van het klein houden

door Suzan Groothuis

Paterson heeft een dagelijks ritme van vroeg opstaan, naar zijn werk gaan, ’s avonds de kroeg in en dan weer bij zijn vrouw Laura in bed. Ondertussen laat hij de hond uit en schrijft hij gedichten. Mooie, kleine gedichtjes, die volgens Laura rijp zijn voor publicatie. Een ingetogen, subtiele film met aandacht voor het geschreven woord.

In de nieuwe Jim Jarmusch (Ghost Dog: The Way of the Samurai, Only Lovers Left Alive) volgen we Paterson. Doordeweeks staat hij steevast rond 6 uur op, om nog even te knuffelen met zijn mooie vrouw Laura (Golshifteh Farahani, The Patience Stone). Franse buldog Marvin zit hem grommend op te wachten op de bank. Paterson en Marvin, dat klikt niet zo.

Paterson

Vanuit huis volgt de routine van het werk. Paterson werkt als buschauffeur en zijn bus heeft als bestemming Paterson. Stom toeval? Er worden grapjes over gemaakt, die Paterson gelaten over zich heen laat komen. Onderweg luistert hij naar gesprekken van passagiers. Twee mannen praten over mooie vrouwen en hoe ze er bijna één om hun vinger hadden gewonden. Een net-niet-verovering.

Dagelijks leven als inspiratiebron
De verhalen vormen voor Paterson een inspiratie voor zijn gedichten. Hij draagt altijd een klein boekje met zich mee, waar hij in pauzes en na zijn werk in schrijft. Het zijn mooie, kleine gedichtjes. Over het mooiste luciferdoosje ter wereld bijvoorbeeld, met letters in de vorm van een megafoon. Laura vindt dat Paterson zijn gedichten uit moet geven. Want ze zijn te mooi om in de obscuriteit te blijven. Maar Paterson is introvert en bescheiden en weet het nog zo niet.

Paterson en Laura vormen een groot contrast. Hij introvert, gehecht aan zijn dagelijkse routines van vroeg opstaan, naar zijn werk gaan, de hond uitlaten en de kroeg in gaan. Tussendoor gedichtjes schrijvend. Zij extravert met artistieke aspiraties. Ze verft gordijnen, maakt cupcakes met gekke patroontjes en krijgt ineens de ingeving om een country-gitaar te kopen. Ondanks de verschillen is er veel liefde en respect voor elkaar. Laura drukt Paterson op het hart om kopieën van zijn boekje te maken, want het is zijn enige exemplaar.

Poëzie komt tot leven
Paterson ademt poëzie. We zien hoe de observerende gedichtjes van Paterson tot leven komen. Tijdens een busrit, of tijdens een wandeling. Woorden komen in hem op en vormen een zin. Met een rustige intonatie spreekt hij ze uit, terwijl de camera ze vereeuwigt op schrift. Poëtische stijlmiddelen als herhaling en symmetrie komen ook visueel terug. Zoals verschillende tweelingen die Paterson ontmoet. Of de brievenbus die iedere dag weer schuin op zijn paal staat als hij thuis komt. Later leren we waarom.

Paterson

Paterson is een intieme, ingetogen film die draait om verborgen aspiraties. Adam Driver (die we vooral kennen als Adam uit Girls, maar ook uit Star Wars en Midnight Special) is perfect gecast als de introverte buschauffeur. Het rustige stadje Paterson (dat overigens ook de titel is van een dichtwerk van een van Patersons favoriete dichters) dient als decor voor zijn dichterlijke inspiratie. De kalme sfeer gaat gepaard met droogkomische humor, een stijl die we kennen van Jarmusch. Zo zorgt hond Marvin (Nellie in het echt en ze won er een Palm Dog mee in Cannes) voor een aantal hilarische scènes.

Bescheiden
Af en toe gebeurt er iets heftigs dat de routine onderbreekt, zoals in de blueskroeg waar Paterson dagelijks komt. En komt Paterson nog voor een moeilijk moment te staan dat hem dwingt anders naar zijn dichtkunst te kijken.

Jarmusch hanteert een observerende stijl. Met aandacht voor detail, zoals de inrichting van Patersons appartement, de patronen waarmee Laura cupcakes opsiert en de aankleding van de kroeg. Een foto van rock- en punkzanger Iggy Pop krijgt een plek aan de muur, ongetwijfeld een verwijzing naar de documentaire Gimme Danger die Jarmusch aan Iggy en zijn Stooges wijdt.

De kunst van het klein houden, dat is wat Jarmusch met Paterson doet. De gedichten zijn overigens van de hand van de Amerikaanse dichter Ron Padgett. Resonerend na het zien van de film, evenals het pure spel van Adam Driver. Paterson is mooi in al zijn bescheidenheid.
 

6 februari 2017

 
De trieste, mooie wereld van Jim Jarmusch in elf speelfilms.


MEER RECENSIES