Druk

***
recensie Druk

Rechtlijnige ode aan levensvreugde

door Sjoerd van Wijk

Druk houdt het wonderlijk optimistisch voor het documenteren hoe een lerarengroep langzaam afglijdt richting alcoholisme. De omarming van levensvreugde werkt bemoedigend in dankzij Mads Mikkelsen, maar schiet daarmee ook de personages tekort.

Alcohol kent meerdere gezichten, van bron van gezelligheid tot maatschappelijke schade (die wel eens zou kunnen tippen aan een drug als heroïne). In Druk (internationale titel Another Round) bestudeert regisseur Thomas Vinterberg (Festen, 1998) de ambivalente verhouding van alcohol tot de mens. Martin (Mads Mikkelsen) doceert geschiedenis aan een klas die piekert of zij wel hun eindexamen kunnen halen met hem aan het roer. Hij voelt zich al tijden niet de Martin van weleer en blijkt ook in zijn huwelijk gespeend van communicatie. Als hij aan het bruiswater wil blijven tijdens een verjaardagsdiner met drie collega’s haalt Nikolaj (Magnus Millang) de theorie van een filosoof aan dat de mens met 0,5% te laag promillage is geboren. De volgende dag begint Martin aan een “wetenschappelijk” experiment om deze theorie in de praktijk te brengen en al snel doet de hele groep mee.

Druk (Another Round)

Tact en humor
Als men een samenleving kan doorgronden aan haar drugs naar keuze dan duidt de populariteit van alcohol op een vermoeide waar constante stimulatie de mens in beweging moet houden. Zorgvuldig dienen de subjecten dan ook hun doses toe, stiekem op de wc bijgehouden met een promillagemeter. Dat levert komische taferelen op, zoals de geprikkelde voetbaltrainer Tommy (Thomas Bo Larsen) die niet zomaar zijn waterfles aan een pupil kan geven, terwijl met scherpzinnige ironie tussentitels het promillage van de proefkonijnen bijhouden.

Druk verweeft alcohol als het sociale smeermiddel met een addertje onder het gras op pientere wijze in alle interacties, waar een glas wijn bij het eten vanzelf spreekt. Verleidelijk fonkelen de kristallen glazen met kraakheldere wodka of loopt het schuim over een ontkurkte champagnefles. Een duidelijk gebrachte motivatie voor de personages van wegkwijnen nu de volwassenheid is gekomen met verlies van een ‘vonk’ waarvoor alcohol de oplossing lijkt, behandelt Vinterberg zo met tact en humor. Het maakt het afglijden naar alcoholisme inzichtelijk.

Verborgen krachten
Zo strak afgemeten als de alcoholporties in het begin pakt Mikkelsen gaandeweg uit met flarden van zijn zogenaamde oude zelf, alsof het van nature boven komt drijven. Zijn begenadigde optredens voor de klas met een intonatie die het midden houdt tussen peptalk en sterk verhaal in de kroeg werken aanstekelijk in. Twee jongerenfeesten boekstaven de film en de tweede keer staat het reeds lang aangekondigde jazzdanstalent van Martin in de schijnwerpers.

Druk (Another Round)

De energieke handcamerastijl van cinematografe Sturla Brandth Grøvlen (Rams), kenmerkend voor regisseur Vinterbergs Dogme 95-verleden, vat het bemoedigende optreden op meeslepende wijze. Ondertussen hoeft Mads Mikkelsen zich voor de camera niet uit te sloven om die later losgekomen verborgen krachten te etaleren. Zijn uitstraling alleen al vat krachtig de staat van anhedonie waarin hij zich bevindt.

Tekortschieten
Voor de vrienden eindigt het wetenschappelijke avontuur met een begrafenis, waar dat voor Husbands (1968) begint. John Cassavetes, Peter Falk en Ben Gazzara graven vol overgave in de stilstaande levens van hun personages, wat de daar eveneens komische alcoholische uitspattingen een tragische dimensie geeft. Druk schiet echter de vier leraren tekort. Alcohol haalt hen voor even uit de put maar de uiteindelijke oplossing bevindt zich in henzelf, bij twee vrienden gesymboliseerd door het mentoren van een leerling. In het geval van Tommy die als een redder in nood een buitengesloten jongetje weet te integreren in het voetbalteam riekt het naar sentimentaliteit.

De film volgt zo een klassieke individualistische Hollywood-vertelstructuur, waardoor het uitgangspunt bij een boodschap blijft en de levens van de leraren een middel blijken voor een rechtlijnige ode aan levensvreugde.

 

19 augustus 2021

 

ALLE RECENSIES

Sweat

***
recensie Sweat

‘Shiny happy people laughing’

door Ralph Evers

Het Poolse drama Sweat krabt achter de laag foundation van de succesrijke online fitnessfenomenen. Hier overtuigend vertolkt door Magdalena Koleśnik als Sylwia Zając, waarbij de nadruk gaandeweg meer op de schaduwkanten van haar bestaan komt te liggen.

Voor je goed en wel in je bioscoopstoel zit – oh ironie – worden we energiek opgezweept door een wervelende workout van Sylwia, dynamisch, haast stroboscopisch in beeld gebracht, en dienen zich direct een aantal verwachtingen aan je op. Die zitten verborgen in de subtiliteiten in Sylwia’s blik, de klik die ze heeft met haar collega Arkadiusz en het uitzinnige publiek, dat je voorvoelt dat deze film veeleer een nuchterende kijk op het leven van fitnessfenomenen geeft. Het ontbreekt niet aan glimmende Instagram-berichten en steunende, affirmatieve filmfragmenten voor haar fans. Al gauw wordt het te suikerzoet, te oppervlakkig, terwijl je tegelijkertijd leert dat haar sponsoren een onophoudelijk enthousiasme en positivisme verwachten. Laten we hopen dat er niet teveel clichés zich aandienen.

Sweat

De ondraaglijke leegheid van het bestaan
IJdele hoop. Het is in de façade van de glamour – op haast beklemmende wijze en geloofwaardig uitgedragen door Magdalena Koleśnik – die als een onontkoombare leegheid aan je opdringt, met alle uit te spelen clichés. Sweat verzuimt om meer de psychologische diepgang te verkennen en houdt het bij uiterlijke situaties. Dit is problematisch, omdat de dynamiek die de workouts uitstralen niet vertaald worden naar een evenzo dynamisch uitgewerkt verhaal. Het kan een keuze zijn geweest om op deze manier de leegte te benadrukken, maar daarvoor voelt het te gratuit.

Met name Sylwia’s stalker en hoe het met hem zal aflopen, behoren tot de te voorspellen scenario’s. Ook haar familiebezoek bij haar jarige mama valt op voorhand uit te tekenen. Door ook het verhaal te zwenken naar de onvermijdelijke schaduwkanten van een dergelijke online maatschappelijke rol krijgt het geheel iets meer kleur.

Openlijke nepheid
Het is in deze wending dat een nuchterend beeld naar voren komt waaraan je thema’s als moderne slavernij en onvrijheid kunt plakken. Leven in weelde en glamour, mits je wel overdreven enthousiast de producten van je sponsoren blijft aanprijzen. Haar enige kritiek is op plastic producten. Waar ze verwacht wordt emoties als verdriet, angst of boosheid onbestaanbaar te laten lijken, hetgeen haar niet lukt. En waar ze een uitgekiend dieet erop nahoudt, wat de filmmakers de gelegenheid geeft om de eenzaamheid – waar het verhaal mede omdraait – uit te vergroten.

De vraag die vooral interesseert is: waarom werkt dit, waarom trappen zoveel mensen in zoveel – plastic is fantastic – openlijke nepheid? Een vraag die niet beantwoord wordt, terwijl het eveneens Sylwia’s verlangen is om meer intimiteit te ervaren, de valuta die ze betaalt om voortdurend te mogen schitteren. Ze breekt uit deze gouden kooi in de hoop minder slaaf en meer vrij te zijn, maar haar omgeving zit daar niet op te wachten. Vanuit dit perspectief biedt de film opnieuw voorspelbare kritiek op het neergezette fenomeen.

 

12 augustus 2021

 

ALLE RECENSIES

Haine, La

****
recensie La Haine

Leven in de banlieue

door Jochum de Graaf

Ruim 25 jaar geleden was La Haine een cinematografische vuistslag. Bij de wereldpremière tijdens het filmfestival in Cannes in 1995 sloeg de film in als een bom. Voor het eerst zag het Franse publiek de rauwe realiteit van het leven in de banlieues, de achtergestelde Parijse voorsteden. In het Black Lives Matter-tijdperk heeft de nu uitgebrachte gedigitaliseerde en geremasterde versie van heeft nog steeds urgentie en relevantie.

De toen nog jonge schrijver-regisseur Mathieu Kassovitz, 27 in 1995, maakte La Haine naar aanleiding van het neerschieten van een Zaïrese immigrant in een politiebureau. Toen kort na de première, juni 1995, in de Parijse voorstad Noisy-le-Grand rellen ontstonden waarbij tijdens een politie-achtervolging een 21-jarige Frans-Arabische jongere omkwam, werd alom de vraag gesteld wat de invloed van La Haine op dit incident was.

La Haine

Driemanschap
De film begint op de tonen van Bob Marley’s Burnin and Lootin met beelden van hevige rellen, keihard optredende oproerpolitie, fel terugvechtende jongeren, traangas, knuppels, brandende auto’s, plunderingen. Het nieuwsbericht dat een zekere Abdel Ihachi zwaargewond is afgevoerd naar het ziekenhuis voert ons naar de fictieve achterstandswijk Muguets, ofwel ‘lelietjes-van-dalen’. We maken kennis met het ‘black-blanc-beur’ driemanschap: de zwarte bokser Hubert, de joodse Vincent oftewel Vinz en de van Algerijnse komaf Saïd.

Vinz is een beetje een heethoofd, vindt na een van de rellen een politiewapen en zweert daarmee wraak te willen nemen voor zijn gewonde vriend Abdel. Hubert is een kleine dealer, probeert zijn vriend tot rust te brengen, maar is ook niet helemaal zuiver op de graat. Saïd bemiddelt met zijn eeuwige grijns tussen die twee.

In pregnant zwart-witte beelden volgen we het drietal van 10:38 in de ochtend, wanneer Saïd bij zijn vriend Vinz op bezoek gaat, tot 6:01 in de vroege ochtend van de dag erna wanneer Vinz onbenullig per ongeluk door een paar stillen wordt aangehouden en neergeschoten. Tussendoor volgen we de jongens overdag in de betonwoestenij van Muguets en later op de dag in het centrum van Parijs waar ze met astrant gedrag een vernissage ontregelen. Ze bezoeken hun vriend Abdel in het ziekenhuis, proberen een auto te pikken, praten over hun leven en toekomst, vechten met skinheads, lummelen wat rond in de nachtelijke stad, nemen de eerste metro terug naar de banlieue, waarna daar vroeg in de ochtend de spanning en haat die zich een dag lang in hen ophoopten tot een fatale ontlading komen.

Rauw bestaan
Alleen al als impressie van het harde en rauwe bestaan van de jongeren in de Parijse voorsteden is het documentair aandoende La Haine ijzersterk. Regisseur Kassovitz zet het leven van de jongens onder spanning door de vraag uit te spelen of hun vriend in het ziekenhuis zal sterven en door ze allerlei levensgevaarlijke capriolen met het pistool te laten uithalen. Hij werkt naar de climax toe door tussen de verschillende gebeurtenissen telkens even een klok te laten zien die de tijd wegtikt en onvermijdelijk aanstuurt op het gewelddadige einde.

La Haine

Heel sterk wordt ook het motto van La Haine uitgespeeld. Aan het begin van de film vertelt een van de jongens een anekdote die op het eind terugkeert. Een man valt van een flatgebouw met vijftig verdiepingen en spreekt zich bij het passeren van elke verdieping moed in: ‘jusqu’ici tout va bien’, oftewel ‘tot nu toe gaat alles goed’. En dan: het gaat er niet om hoe je valt, maar waar je terecht komt.

Status
Indertijd werd La Haine gezien als de Franse tegenhanger van films als Taxi Driver en Scarface; Vinz parafraseert de befaamde scène van ‘You talkin’ to me?’: ‘C’est moi tu parles?‘ En met beeld en geluid van breakdancen, KRS-One, de Franse rapgroep NTM en Édith Piaf, werd de vergelijking met Boys n the Hood getrokken.

De status van cultfilm die La Haine over de hele wereld behaalde, werd in Frankrijk nog het meest tastbaar. De eerste banlieuefilm creëerde in feite een nieuw genre in de Franse cinema, de thematiek werd verbreed naar de onderkant van de samenleving. Het leidde tot navolging met films als Raï en Hexagone. En zeker een film als de voor een Oscar genomineerde Les Miserables (2019) is uitermate schatplichtig aan La Haine. Al gebiedt de eerlijkheid te zeggen dat die film nog wat completer het thema aan de orde stelt met bovendien het perspectief vanuit de politie, de impact van de radicale islam in de banlieues en het sterke open einde.

 

10 augustus 2021

 

ALLE RECENSIES

I Never Cry

****
recensie I Never Cry

Grijze odyssee

door Ralph Evers

Er staat veel op het spel wanneer Ola voor de zoveelste keer haar rijexamen heeft. De spanning is te snijden en raakt oververhit in een grauw bewolkt Polen. Een subtiele hint naar het rauwe bestaan wanneer het leven een paar keer tegenzit.

Regisseur en schrijver Piotr Domalewski weeft op realistische wijze een hedendaags drama rondom een paar ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen. Ola staat aan de vooravond van haar volwassenheid en haar vader, die naar Ierland geëmigreerd is als arbeidskracht, heeft haar een auto beloofd. Op voorwaarde dat ze haar rijbewijs zou halen. Een auto betekent in Polen zoveel als bewegingsvrijheid. Je komt nog eens ergens. Voor Ola idem dito. Haar rijbewijs haalt ze echter niet, want de rijstijl in het land laat nogal eens te wensen over. De examinator grijpt in en de situatie loopt uit de hand.

I Never Cry (Jak Najdalej Stąd)

Het zijn kleine gebeurtenissen, die in de penibele situatie waarin Ola en haar moeder en gehandicapte broer zich bevinden, grote gevolgen hebben. Ze moet het nieuws met haar vader delen en zo snel mogelijk een nieuwe examenpoging regelen, maar dan komen er wat onalledaagse berichten binnen die haar doen besluiten naar Ierland af te reizen, omdat zij de enige thuis is die Engels spreekt.

Telemachus
Telemachus is de zoon van Odysseus, die er na 20 jaar op uit trekt om zijn vader te zoeken. Ola is de vrouwelijke equivalent hiervan wanneer ze na de plotselinge radiostilte van haar ´verloren´ vader naar Ierland vertrekt om hem op te zoeken. De heroïek die hierin zou kunnen liggen, laat regisseur Domalewski volledig achterwege, hetgeen het realisme van de film vergroot.

Hoewel I Never Cry (Jak Najdalej Stąd) uitgebracht wordt als komedie/drama, is de komedie vooral subtiel. Als smaakmaker verborgen in menselijk leed. In de ernst zit vaak iets komisch verborgen en jongvolwassenen hebben zo hun manieren die af en toe een lach op het gezicht toveren. Met de immer grauwe luchten, zowel in Polen als in Ierland, ligt het accent sterker op het drama.

I Never Cry (Jak Najdalej Stąd)

Ola stapt in een wereld waarin de lichamen van arbeidsmigranten gecommodificeerd zijn. De vele Polen, maar ook andere werklieden uit lagelonenlanden zijn geobjectiveerd tot kostenpost. Het onheil dat haar vader overkomen is, blijkt bureaucratisch nooit gebeurd te zijn. Ergo, ze heeft niets te halen, nergens recht op en is een vervelende sta-in-de-weg. Welkom in de schaduw van de Europese Unie! Ola’s vastberadenheid en onverschrokkenheid pogen wat licht op deze grimmige realiteit te doen schijnen. Op een enkele zonsopgang in Ierland na, houdt de film het zonlicht effectief buiten beeld.

Vrijheid
Gaandeweg daagt het besef bij Ola dat er meer is dan alleen de beloofde auto van haar vader. Tegenover een wereld die zich vooral uitdrukt in geld – een kader dat ons allen maar al te bekend voorkomt – groeit een dieper verlangen. Wie was haar vader? Ze leert zijn collega’s kennen, die filmpjes van hem delen. Ze leert later een vriendin kennen, die in een parallelwereld als Ola leeft. Wanneer ze uiteindelijk het geld vindt dat haar vader voor haar auto gespaard had, is er reeds zoveel gebeurd dat dit geld in een heel nieuw perspectief is komen te staan. Kiest ze voor dezelfde route of slaat ze een andere weg in? Het is hierin dat deze film een hoopgevend slot kent: de werkelijke vrijheid van de mens zit hem in de keuzen die hij of zij kan maken, het uit de gebaande paden stappen. Ola’s keuze krijgt een extra accent door het eindelijke doorbreken van de zon. 

 

8 augustus 2021

 

ALLE RECENSIES

Minari

***
recensie Minari

Wie zaait, zal oogsten

door Yordan Coban

Als immigrant kwam regisseur Lee Isaac Chung op jonge leeftijd naar de Verenigde Staten en ondervond dezelfde weerstand als de familie Yi: het assimileren en het opbouwen van een leven in een ander land. 

Minari draait om de familie Yi bestaande uit vader Jacob (gespeeld door Steven Yeung), moeder Monica (gespeeld door Yeri Han), dochter Anne (gespeeld door Noel Cho), zoon David (gespeeld door Alan S. Kim) en de later intrekkende oma Soonja (gespeeld door Yuh-Jung Youn). Het filmdrama begint aan de dageraad van Jacobs gedroomde avontuur. Jacob heeft een stuk grond met een caravan gekocht en zijn familie meegesleurd in zijn agrarische droom. Hij begint een boerderij maar neemt daarbij wel een groot financieel risico, hetgeen zijn vrouw niet bepaald waardeert. Jacob en Monica maken veel ruzie en hun relatie lijkt nog aan enkele zijden draden te hangen. Draden die zouden breken als Jacob zijn familie failliet zou maken.

Minari

Rigoureuze beslissing
Dit brengt ons meteen op een van de zwakste punten van de film. Wie begint er nu een boerderij met het laatste spaargeld van je gezin zonder volledige instemming van je partner? Door deze rigoureuze beslissing van Jacob degradeert hij Monica tot een ontevreden zeurende vrouw. Het maakt haar een vervelend personage, puur om zo een oppervlakkige spanning te creëren. De film suggereert het publiek sympathie voor Jacob en zijn droom te hebben. Monica is slechts een blok aan het been van haar ondernemende man. Maar eigenlijk heeft Monica gelijk. Wie doet nu zoiets zonder dit in genoegzaamheid te overleggen?

Als compromis mag oma Soonja inwonen bij het gezin. Soonja let op de kinderen terwijl vader en moeder bijverdienen als kuikenkeurders in een fabriek. De band tussen kinderen en oma is onwennig. Oma spreekt in tegenstelling tot de kinderen geen woord Engels en ‘ruikt Koreaans’, zo snauwt de jongste, David, haar toe. Oma zal zich niet goed meer kunnen assimileren, of althans niet zoals de kinderen dat zullen, maar vormt wel een onlosmakelijk onderdeel van het gezin.

Minari

Nieuwe grond
Dan de filmtitel, Minari. Minari is een erg dominante plant in de Koreaanse keuken en cultuur en heeft de eigenschap om te kunnen groeien in de meest dorre, onvruchtbare gronden. Sterker nog, Minari gedijt bij de compost van zijn eigen soort, het herleven en het implementeren van een oude generatie in de nieuwe. Dat is waar Minari voor staat. Het is niet voor niets dat juist oma deze plant zaait. Het zijn juist haar zaden uit het land van herkomst van de Yi-familie die in deze nieuwe grond zullen moeten ontwikkelen tot iets nieuws.

Begeleid met een tedere cinematografie brengt Lee Isaac Chung dit familieverhaal tot leven op een manier die in eerste instantie qua kalmte doet denken aan Paterson (2016). Een verhaal over een familie op de financiële afgrond, vechtend hun bestaan kent echter thematisch meer gelijkenis met Shoplifters (2018). Tegen het einde kent het verhaal een stroomversnelling die zich uit in een climax. Een climax die nogal onnodig voelt maar symbolisch wel enigszins te rijmen is.

Net zoals bijvoorbeeld in de Hitchcock-klassieker Rear Window (1954) en de Zweedse satire Turist (2014) wordt de teloorgang van een relatie – in Minari zijn dat Jacob en Monika – opzij geschoven in de dramatische toedracht van de climax, waarin beide partners het vuur voor elkaar hervinden. En als de vlammen zijn gaan liggen, en de rook met de noorderzon vertrokken is, is daar nog altijd de Minari van oma. Uitgezaaid over het beloofde land.

 

5 augustus 2021

 

ALLE RECENSIES

Meilleur reste à venir, Le

**
recensie Le meilleur reste à venir

Het beste is er wel vanaf

door Michel Rensen

Le meilleur reste à venir is een oubollige komische film over een levenslange vriendschap. Enkel het samenspel van de twee hoofdrolspelers maakt het vrijwel fantasieloze scenario nog enigszins behaphaar.

Na een knullige identiteitsverwisseling in het ziekenhuis komt Arthur (Fabrice Luchini) erachter dat zijn beste vriend César (Patrick Bruel) een dusdanig vergevorderde vorm van kanker heeft dat hij niet lang meer te leven heeft. Niet wetende hoe hij het moet vertellen, valt hij over zijn eigen woorden tot César de conclusie trekt dat het Arthur is die niet lang meer te leven heeft. Niet wetende hoe hij de ontstane verwarring kan oplossen, besluit Arthur dat het eigenlijk ook niet uitmaakt. Het belangrijkste is dat ze de laatste maanden zoveel mogelijk samen optrekken. Niet alleen het geheim gooit roet in het eten, maar ook de tegenstrijdige bucketlists van de twee tegenpolen.

Le meilleur reste à venir

Tegenpolen
Wat de twee vrienden bindt, blijft de gehele film onduidelijk, behalve het feit dat ze elkaar praktisch al hun hele leven kennen. Arthur is een betweterige wijsneus, voor wie alles strikt volgens de regels moet. César is een onbeschaamde landloper die leeft als een arme student zonder vaste verblijfplaats en met elke maand een nieuwe vrouw. César wil nog tal van avontuurlijke dromen van zijn bucketlist afstrepen, maar Arthur zou zijn laatste maanden het liefst doorbrengen met het complete oeuvre van Proust.

De twee vijftigers zouden bijna niet meer van elkaar kunnen verschillen, en de personages voelen daardoor bijna karikaturaal aan. Door het overtuigende acteerwerk van de twee gerenommeerde acteurs krijgt de niet overtuigend geschreven vriendschap bij vlagen toch de warmte die van zo’n levenslange vriendschap verwacht mag worden.

Oubollige humor
Hoewel het plot voor een goede komedie ondergeschikt zou moeten zijn, is het in Le meilleur reste à venir snel duidelijk dat het verhaal niet stevig genoeg is om de twee uur te vullen. Het geheim wordt kunstmatig lang verborgen gehouden en het verhaal wordt regelmatig voortgeduwd met onnodige toevoegingen die geen andere functie hebben dan extra scènes aan de film toe te voegen.

Le meilleur reste à venir

Halverwege de film adopteert César een puppy voor Arthur, die vervolgens de rest van de film er nauwelijks meer toe doet, en ook de verrassingstrip naar India biedt. In een betere film had zo’n moment een betekenisvol symbool kunnen zijn – denk bijvoorbeeld ook aan Truman – maar in Le meilleur reste à venir lijkt Césars spontaniteit vooral gebruikt te worden om nieuwe scènes op gang te brengen wanneer het verhaal stokt.

De film schittert op de momenten dat Arthur de verwarrende situatie probeert uit te leggen. In deze scènes zijn de dialogen plotseling wel van een scherpte die je van Franse cinema kunt verwachten. Het is jammer dat de rest van de film het niveau van deze uitleg van het plot niet haalt. De grappen in de film zijn nergens van echt hoog niveau. De film voelt voor een groot deel als een herhaling van vergelijkbare films over mannenvriendschappen. Vooral de scène waarin César Arthur mee wil nemen naar een stripclub geeft blijk van een compleet gebrek aan fantasie bij de filmmakers.

 

4 augustus 2021

 

ALLE RECENSIES

Painter and the Thief, The

****
recensie The Painter and the Thief

Hoe de kunstrover zelf een kunstwerk werd

door Ries Jacobs

In 2015 stalen inbrekers twee schilderijen van de Tsjechische kunstenares Barbora Kysilkova. De dieven pikten er de duurste doeken uit waardoor het in eerste instantie leek te gaan om een professionele kunstroof. Maar niets bleek minder waar.

De diefstal leek een vooraf zorgvuldig geplande actie te zijn. In plaats van het canvas snel en slordig uit de lijst te snijden, maakten de inbrekers het nietje voor nietje los van het houten frame. Maar de kunstdieven bleken twee junks die nauwelijks wisten waar ze mee bezig waren. Op basis van camerabeelden werden ze snel gevonden.

The Painter and the Thief

Met Karl Bertil-Nordland, een van de dieven, neemt de al jaren in Noorwegen woonachtige Kysilkova contact op in de hoop erachter te komen waar de gestolen schilderijen zijn. De met tatoeages bedekte inbreker heeft zichtbaar spijt van zijn daad. Hij wil alle medewerking verlenen, maar kan zich, met zijn hoofd vol drugs, niets van de diefstal herinneren. Kysilkova vraagt hem te poseren voor een kunstwerk. Dit is het begin van een reeks schilderijen en een vriendschap tussen de kunstenares en de dief.

Een prachtig sprookje?
Regisseur Benjamin Ree vertelt zijn verhaal niet altijd chronologisch, iets wat niet vaak gebeurt in documentaires en deze relatief lange film spannend houdt. Hij licht een belangrijke gebeurtenis uit en vertelt daarna uitvoerig welke ontwikkelingen tot deze gebeurtenis leidden. Het verhaal leent zich hier prima voor want de levens van de kunstenares en de drugsverslaafde nemen nog wel eens een onverwachte wending.

Maar hoe kwam Ree juist bij deze twee personen uit? De regisseur zegt ‘altijd gefascineerd te zijn geweest door kunstroof’. Het zijn de contrasten tussen de elitaire kunstwereld en de veelal van de straat afkomstige criminelen die hem intrigeren. ‘Wie zijn deze dieven? Hoe kiezen ze hun schilderijen?’ De regisseur begon zoals iedereen tegenwoordig start met zijn research, hij zocht op Google. Daarna had hij gesprekken met meerdere kunstdieven, maar geen van hen vond hij interessant genoeg voor een documentaire.

Dit veranderde toen hij las over een kunstroof bij de in Oslo gevestigde galerie Nobel, waar twee schilderijen van een relatief onbekende, in realistische schilderijen gespecialiseerde kunstenares gestolen waren. Hij begon te filmen en zag de band tussen de kunstenares en de drugsverslaafde uitgroeien tot een prachtig sprookje over oprechte spijt en vergeving. Of toch niet?

The Painter and the Thief

Spelend kind
Gelukkig is The Painter and the Thief niet zo eendimensionaal. Ja, spijt en vergeving zijn wel degelijk aspecten die centraal staan in de documentaire, maar er is meer. Zo zien we hoe de kunstenares zich als een moeder ontfermt over de stuurloze drugsgebruiker, maar haar leven zelf ook niet zo goed op de rails heeft. Ze heeft een huurschuld van drie maanden en haar aanvragen voor tentoonstellingen worden afgewezen. Toch vertikt ze het om een parttime baan te zoeken. Ze wil alleen maar schilderen, zoals een kind alleen maar wil spelen.

Beide hoofdrolspelers hebben hun eigen sores, beiden vinden het moeilijk om hun leven zin en richting te geven. In dat opzicht lijken ze op elkaar, deze twee mensen die in compleet verschillende werelden leven en elkaar onder normale omstandigheden nooit hadden leren kennen. Dit is het mooiste aspect van The Painter and the Thief. De film toont te kijker hoe de schilders en de dief, net als alle mensen – arm of rijk, hoog- of laagopgeleid, snobistisch of van de straat – beiden met vallen en opstaan proberen hun leven vorm te geven.

 

26 juli 2021

 

ALLE RECENSIES

Saturday Night Fever (1977)

Saturday Night Fever (1977)
De stroboscoop en de opgeheven middelvinger naar het engagement

door Paul Rübsaam

Punks waren zwartgallige hippies met kort haar, vond ik. Alleen het uiterlijk vertoon, de egomanie en de oppervlakkigheid van een ‘disco’ boden een uitweg aan het einde van die afschuwelijke, politiek correcte jaren zeventig. Saturday Night Fever (1977) was niet te missen. Al dansten ze daarin in rijtjes, droeg John Travolta strakke broeken met wijd uitlopende pijpen en ging de film per ongeluk toch nog ergens over.

Als een film uit je jongere jaren je bijblijft, heeft dat doorgaans maar zijdelings te maken met de inhoud van die film. Bij ‘mijn’ Saturday Night Fever, geregisseerd door John Badham, zoals ik pas kort geleden ontdekte, is dat niet anders. Toch wil ik een poging doen mijn persoonlijke betrekkingen met deze dansfilm uit de doeken te doen.

Saturday Night Fever

Te beginnen met mijzelf. Als je het sociale klimaat waarin ik als zo’n beetje jongste babyboomer ter wereld, geboren op 14 oktober 1959, opgroeide in het kort wil typeren, zijn naast ‘jaren zeventig’, ‘Montessori Lyceum’ en ‘Amsterdam-Zuid’ de trefwoorden. Dat wil zeggen: verplicht links, maatschappijkritisch en elitair.

Het was in de tijd dat ik eindexamen deed en daarna staken andere mogelijkheden de kop op. Wie vond dat de Maagdenhuisbezetters van weleer de goede baantjes hadden opgestreken en de wereld geen haar beter hadden gemaakt, kon als punk en/of anarchist een kraakpand betrekken. Voor mij echter waren de hippies met hun lange haren en bloemetjesjurken en de punks met hun korte haar, zwarte kleding en legerkistjes niets anders dan een positieve en negatieve uitvoering van hetzelfde. Juist nooit meer ergens iets van hoeven vinden en met ‘disco’ als geuzennaam een ijdeltuit zijn. Daar droomde ik van.

Geföhnd haar en virtuoze bewegingen
In Saturday Night Fever woont John Travolta’s personage Tony Manero nog bij zijn ouders en werkt hij in een verfwinkel. Als hij aan tafel van zijn vader een oorvijg krijgt, is het enige dat hem zorgen baart dat zijn zorgvuldig geföhnde kapsel daarvan uit model gaat. In de plaatselijke disco waar hij op zaterdagavond met zijn vrienden naartoe gaat, is hij immers de blikvanger en de held van de dansvloer. Daar betoont hij zich lenig en acrobatisch, zonder dat er een al te sterke binding bestaat tussen zijn virtuoze bewegingen en het ritme van de ten gehore gebrachte muziek.

De soundtrack van Saturday Night Fever kwam voor het belangrijkste deel voor rekening van de Bee Gees. Die zingen met kopstemmen disconummers als ‘How Deep is Your Love’, ‘Night Fever’ en ‘Staying Alive’. Terwijl ikzelf de gebroeders Gibb nog kende van langzame, ietwat dreinerige nummers als ‘First of May’ en ‘I Started a Joke’.

Tony Manero heeft er echter niet het minste besef van hoe de Bee Gees ooit waren geweest. Deze op negentienjarige leeftijd als het ware glimmend en swingend uit het ei gekropen Italo-Amerikaan heeft tot verbijstering van zijn danspartner Stephanie (Karen Lynn Gorney), die als receptioniste op een pr-bureau werkt en opschept over haar beroemde kennissen, evenmin ooit gehoord van Cat Stevens en Eric Clapton.

Tijdsbeeld?
Maar in hoeverre schetst Saturday Night Fever werkelijk een tijdsbeeld? Had de film niet even goed in 1974 of in 1986 gemaakt kunnen zijn? Het uitgaansleven in Amsterdam in de jaren 1978 en 1979, zoals ik me dat herinner, zag er in een aantal opzichten heel anders uit dan in de film.

De disco-levensstijl (levensstijl is eigenlijk een te groot woord) lag in het verlengde van het zogeheten ‘ik-tijdperk’. Dat zag je onder andere terug in De Schakel, een discotheek aan de Korte Leidsedwarstraat waar ik in die jaren veel naartoe ging. Voorheen was dat een sociëteit van het COC, waar de naam nog naar verwees. Daar was echter weinig meer van te merken. De gedragscode was eerder dat je geen enkele belangstelling demonstreerde voor welk medemens dan ook, ongeacht de sekse.

In het in ronddraaiende, minuscule witte rechthoekjes verdeelde licht van een stroboscoop danste je daar alsof je alleen was op de dansvloer, volledig gevangen in je narcistische trance. De Bee Gees werden amper ten gehore gebracht. Eerder Chic, Sister Sledge en Anita Ward (‘You can ring my bell’). De eindeloos uitgesmeerde beats van de 12-inch grammofoonplaten (jazeker, dat nog wél) gingen pas naadloos over in die van het volgende nummer als je aan het verschijnsel menselijk contact nog maar een vage herinnering had.

Saturday Night Fever

De inrichting van De Schakel, met smetteloze en sfeerloze zithoekjes rond de dansvloer, leek wel wat op de discotheek die Tony Manero en zijn vrienden bezochten. Maar hoe ze daar in New York dansten… Het solodansen van Manero is herkenbaar als een smeekbede om aandacht, wat voor de ware disco wel de diepste vernedering was. Bovendien vormen de dansenden ineens rijtjes. Wie dat in 1978 en 1979 in Amsterdam deed, zou voor gek zijn verklaard, evenals iemand die in die jaren op Koninginnedag een oranje shirt aantrok.

En dan de kleding. Manero ziet eruit als een ‘soulkikker’, of iets dergelijks. Zijn glimmende leren laarzen en strakke broek met wijd uitlopende pijpen zijn allerminst in overeenstemming met de Nederlandse discomaatstaven van het einde van de jaren zeventig, toen haast ballonvormige bandplooibroeken en wijd vallende overhemden de norm waren.

Geen Greta Thunberg
Wat mij destijds toch gegrepen moet hebben, is dat het in de film draait om jongeren die niet pal staan voor een betere wereld, maar zich slechts willen vermaken om er even niet aan te hoeven denken of ze voor een dubbeltje of een kwartje geboren zijn.

De zorgen van de protagonisten zijn van alle tijden. Tony Manero’s vriend en bewonderaar Bobby (Barry Miller), die op laarzen met plateauzolen loopt om te maskeren hoe klein van stuk hij is, vraagt aan iedereen of hij moet trouwen met een meisje dat hij per ongeluk zwanger heeft gemaakt. En Manero’s oorspronkelijke, door hem afgewezen danspartner Annette (Donna Pescow) ontdekt dat ze diep door het stof moet gaan als ze toch nog aan de man wil komen.

Misschien zou je ter verduidelijking voor mensen van latere generaties kunnen zeggen dat het Greta Thunberg-gehalte van Tony Manero en zijn vrienden uitgesproken laag is. Voor mij was dat destijds een opluchting. Wat niet wegneemt dat de film een heuse dramatische ontwikkeling kent, waarbij rokkenjager Manero onder andere leert dat je met iemand van de andere sekse ook gewoon bevriend kunt zijn. Wanneer je de in retrospectief gezien groteske dansscènes (die in totaal maar zo’n vijftien minuten van de twee uur durende film in beslag nemen) buiten beschouwing laat, is Saturday Night Fever niet eens zo’n heel slechte film.

 

24 juli 2021

 
ALLE ESSAYS

Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi

Deel 3: De film Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi
Brandende boeken als bewegend beeld (slot)

door Paul Rübsaam

Een boek vergelijken met een boekverfilming, moet je niet te vaak doen. Maar als boek en film uitgerekend een dystopische wereld beschrijven waarin alle boeken verbrand worden, is de verleiding onweerstaanbaar. Herleeft de roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury door de gelijknamige films van François Truffaut (1966) en Ramin Bahrani (2018) óf richten deze adaptaties in figuurlijke zin de vlammenwerper op het boek?

Je kunt het de Iraans-Amerikaanse regisseur Ramin Bahrani (1975) moeilijk kwalijk nemen dat hij in zijn adaptatie van Fahrenheit 451 het verschijnsel digitalisering betrekt. Bradbury en Truffaut voorzagen de komst van reality-tv, mobiele telefonie en fake news, maar hadden nog geen vermoeden van de digitale revolutie, die in een sciencefictionfilm uit 2018 niet kan ontbreken.

Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi

Natives en Eels
In het universum van Bahrani’s HBO-film Fahrenheit 451, waar nauwelijks daglicht doordringt, is brandcommandant John Beatty (Michael Shannon) getransformeerd van een geflipte intellectueel met een brandweerhelm tot een man van het type drilsergeant. De zwarte ‘Master Trooper’ Guy Montag (Michael B. Jordan) vormt als ster-boekverbrander het middelpunt van een op wolkenkrabbers geprojecteerde reality-televisieshow. Hij is de oogappel van Beatty, die hem in een ‘vriendschappelijk’ partijtje boksen nog net de baas is.

De strijd tussen de gezagsdragers en het gezagsgetrouwe, televisie kijkende en ongeletterde volk aan de ene kant en ’the bookpeople’ en hun geestverwanten aan de andere kant leeft voort als die tussen ‘Natives’ en ‘Eels’. De klank van dat laatste woord roept vage associaties op met ‘aliens’ en ‘intellectuals’, alsof er een glibberig mensensoort mee wordt aangeduid dat in welke richting dan ook afwijkt van het voorgeschreven gemiddelde.

Clarisse McClellan (Sofia Boutella) is geen dromerige puber of dromerige jonge vrouw meer, maar een grimmige, zich als informant voor de Natives voordoende Eel en activiste. Mildred (Linda) Montag zien we niet terug. Toch is in Guy Montags woning een vrouwenstem te horen, namelijk die van de als een Big Sister overal aanwezige en alles in de gaten houdende sprekende computer Yuxie.

Alle uitingen die buiten het door de overheid gecontroleerde Kanaal 9 van het internet vallen, worden aangeduid met de term ‘graffiti’. Daaronder vallen boeken, maar ook filmrollen, VHS-banden, ansichtkaarten en aantekenboekjes. Als de Eels proberen graffiti te uploaden en Beatty en zijn mannen daarachter komen, grijpen ze hardhandig in. De maatstaven voor hedendaagse dystopieën volgend is Bahrani’s Fahrenheit 451 aanmerkelijk gewelddadiger dan de film van Truffaut.

Aantekeningen uit het ondergrondse
Anders dan bij Bradbury en Truffaut reageert Eel Clarisse McClellan aanvankelijk afwijzend op ‘Master Trooper’ Guy Montag. Maar als Montag, die steeds helderdere herinneringen krijgt aan zijn boeken lezende en vermoorde vader, een exemplaar van de uit het Russisch vertaalde roman Notes From The Underground van Fjodor Dostojevski uit de vlammen gered blijkt te hebben en aan haar overhandigt, ontdooit ze. Guy en Clarisse lezen elkaar voor uit het boek alsof het hun nieuwe Bijbel is. Sommige passages uit dit relaas van een voormalige ambtenaar, dat het ideaal van rationaliteit confronteert met de grillen van het onderbewustzijn, hebben in de film een zweem van toepasselijkheid. Maar de troefkaart lijkt toch de titel van het boek. Die moet associaties oproepen met een ondergrondse, literatuur minnende verzetsbeweging als de Eels.

Bahrani volgt goeddeels hetzelfde procedé als Truffaut om van zijn film een verhaal over boeken te maken. Vooral hele beroemde boeken gaan bij hem in vlammen op: On the origen of species van Charles Darwin, Cien años de Soledad van Gabriel García Márquez, Der Prozess van Franz Kafka, Faust van Goethe, Notre-Dame de Paris van Victor Hugo en zo meer. En als een deel van de Eels zich als ‘bookpeople’ oude stijl blijken te hebben ontpopt, bevindt zich onder hen een jongen die de inhoud van dertienduizend boeken uit zijn hoofd kent, waaronder A la recherche du temps perdu van Marcel Proust, dat met zijn meer dan drieduizend bladzijden en ruim één miljoen woorden literaire kwaliteit het meest opvallend kwantificeert.

Op de set van Fahrenheit 451 met v.l.n.r. Ramin Bahradi, Michael B. Jordan en Michael Shannon

Op de set van Fahrenheit 451 met v.l.n.r. Ramin Bahradi, Michael B. Jordan en Michael Shannon

Omnis
Het laatste uitgesproken woord van de oude vrouw – die er evenals bij Bradbury en Truffaut voor kiest om samen met haar gehele bibliotheek een prooi der vlammen te worden – is ‘Omnis’, een aanduiding voor het collectieve bewustzijn van de totale mensheid en tevens voor het megaproject dat de Eels in het geheim uitvoeren. Vanaf hun geheime schuilplaats zetten ze de totale menselijke kennis om in DNA, dat bij de gekooide zangvogel Lennie geïnjecteerd wordt.

De Natives ontdekken de schuilplaats, waar Guy Montag zich inmiddels bij de Eels heeft aangesloten. De afrekening tussen Montag en Beatty verloopt anders dan bij Bradbury en Truffaut. Held en martelaar Guy Montag weet juist voordat hij door Beatty letterlijk onder vuur wordt genomen het kooitje van Lennie te openen. De zangvogel sluit zich aan bij een zwerm van zijn soortgenoten, die aan de andere kant van de grens met Canada het DNA der kennis zullen verspreiden.

Metafoor
In zijn pogingen het verhaal van Bradbury te actualiseren, betoont Bahrani zich soms vindingrijk, of in ieder geval woordkunstig. Zijn strijd tussen ‘Natives en ‘Eels’ heeft een zekere zeggingskracht en het specifieke gebruik van de term ‘graffiti’ is origineel te noemen. Wanneer Bahrani’s stelling zou zijn dat je moderne technologie niet als zodanig moet vrezen, zolang die maar in goed handen is, kun je hem daar ook best gelijk in geven.

Maar met zijn gemoderniseerde adaptatie, die harder en grimmiger is dan de mild-ironische van Truffaut mist hij de boodschap van Bradbury’s verhaal. Of ziet hij beter gezegd over het hoofd dat de Amerikaanse schrijver zich van een metafoor bediende. Bradbury wilde niet letterlijk waarschuwen voor een samenleving waarin men niet meer kon of mocht lezen, maar vreesde dat mensen, verslaafd als ze zouden raken aan (reality)televisie en mobiele telefonie, dit in de toekomst eenvoudigweg niet meer zouden doen.

Truffaut begreep Bradbury beter door speelser met de sciencefiction-elementen om te gaan en ook meer voorbij de titels van de boeken te kijken. Of juist de bijna analfabete Montag zich stuk te laten lezen op een titelpagina. Wie Truffauts film ziet, wordt uitgedaagd ook Bradbury te lezen en meer dan hem alleen. De doorsnee-sciencefictionspanningsbogen van Bahrani bevatten echter veel minder onweerstaanbare prikkels om een boek aan te raken, waarmee met zijn film de bedoelingen van Bradbury goeddeels in rook opgaan.

 

16 juli 2021

 

Deel 1: Het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury
Deel 2: De film Fahrenheit 451 van François Truffaut

 
ALLE ESSAYS

Fahrenheit 451 van François Truffaut

Deel 2: De film Fahrenheit 451 van François Truffaut
Brandende boeken als bewegend beeld

door Paul Rübsaam

Een boek vergelijken met een boekverfilming, moet je niet te vaak doen. Maar als boek en film uitgerekend een dystopische wereld beschrijven waarin alle boeken verbrand worden, is de verleiding onweerstaanbaar. Herleeft de roman Fahrenheit 451 van Ray Bradbury door de gelijknamige films van François Truffaut (1966) en Ramin Bahrani (2018) óf richten deze adaptaties in figuurlijke zin de vlammenwerper op het boek?

Bradbury adviseerde de Franse cineast François Truffaut (1932-1984) om in diens film de in de roman aanwezige achtergrond van een dreigende atoomoorlog weg te laten. Het thema van de verboden en verbrande boeken volstond volgens de Amerikaanse schrijver. Truffaut, vertegenwoordiger van de Franse Nouvelle Vague en reeds vermaard door Jules et Jim (1962) en La peau douce (1964), volgde dit advies op en schrapte in zijn Britse (Engelstalige) productie Fahrenheit 451 tevens de zogeheten ‘mechanical dog’: een op een hond lijkende machine die misdadigers opspoort en daar dodelijke injecties op afvuurt.

Fahrenheit 451 (1966)

Fahrenheit 451 (1966)

Twee keer Julie Christie
Opmerkelijk in de film is verder de dubbelrol van de Britse actrice Julie Christie, die reeds furore had gemaakt in Dr. Zhivago (1965). Ze vertolkt zowel Mildred Montag (in de film heet ze Linda en heeft lang haar) als Clarisse McClellan (met kort haar), die bij Truffaut onderwijzeres is. Alleen over deze noodsprong van Truffaut (andere beoogde actrices voor de rol van McClellan zegden af) heeft de verder met de verfilming zeer ingenomen Bradbury enige onvrede geuit. Hij vond de vijfentwintigjarige Christie te oud om de weliswaar wijze puber Clarisse McClellan gestalte te geven.

Afgezien van een monorail als openbaar vervoermiddel plaatst Truffaut het verhaal eerder buiten iedere denkbare tijd, dan het in een gangbaar sf-universum te situeren. De special effects zijn schaars en lijken opzettelijk knullig. Zo kun je langs de brand(weer)paal in de brand(weer)kazerne niet alleen omlaag maar ook ‘omhoog’ glijden, zonder dat moeite wordt gedaan om uit te leggen hoe dit mogelijk is. En militairen die zwevend door de lucht op jacht zijn naar de voortvluchtige Montag hangen aan kabels die nergens aan bevestigd zijn. De muziek van Bernard Hermann (o.a. Psycho, 1960) draagt bij aan de eigenaardige, ietwat vervreemdende atmosfeer.

Rode skelters en minuscule boekjes
Truffaut had, zoals hij dat zelf formuleerde ‘een remake van de roman van Bradbury gezien door kinderogen’ op het oog. De ‘brandweerauto’ waar Beatty en zijn mannen mee uitrukken om stapels gevonden boeken in de fik te steken, heeft iets weg van een uit zijn krachten gegroeide rode skelter. Bij de tot vermaak van het volk georganiseerde boekverbrandingen zijn opmerkelijk veel kinderen aanwezig. En als de burgers onder leiding van Beatty (Cyril Cusack) gefouilleerd moeten worden op het bezit van verboden boeken gebeurt dat onder andere op een speelplaats, waar in het borstzakje van het wollen vestje van een olijke peuter een minuscuul boekje verstopt blijkt te zijn.

Ook Guy Montag, die met zijn vrouw Linda in een soort Center Parcs-bungalow woont terwijl buurmeisje Clarisse met haar oom in een negentiende-eeuws landhuis verblijft, heeft aanvankelijk de eigenschappen van een groot kind. Als de literatuur hem nog niet in zijn greep heeft, ‘leest’ (bekijkt) hij stripboeken zonder tekstballonnen. Wanneer hij zich tenslotte waagt aan David Copperfield van Charles Dickens zien en horen we hem met het tempo van een zesjarige de titelpagina inclusief het adres van de uitgeverij uitspellen, alvorens hij aan het eerste hoofdstuk begint.

François Truffaut (rechts) op de set of Fahrenheit 451 (1966)

François Truffaut (tweede van rechts) op de set of Fahrenheit 451 (1966)

Verzengende passie
Om met behulp van het medium film de kracht van literatuur voelbaar te maken, bedient Truffaut zich van een eenvoudige, maar effectieve truc. Hij toont zoveel mogelijk bekende en liefst veelzeggende titels van boeken, die al dan niet gegrepen worden door de vlammen. Zo zien we Montag de roman Caspar Hauser van Jakob Wassermann bij zich steken, over de Duitse vondeling die na jarenlange eenzame opsluiting nauwelijks spreken, laat staan lezen kon. Het is niet alleen een verwijzing naar Montags eigen ongeletterdheid, maar tevens een voorproefje van een thema dat François Truffaut later in zijn film L’Enfant Sauvage (1970) zou uitwerken.

Boeken die in vlammen opgaan, waarvan het verhaal tevens een relatie heeft met eenzaamheid of een opgroeiend kind aan wie zich een nieuwe wereld openbaart, zijn: Robinson Crusoe van Daniel Defoe, Alice in Wonderland van Lewis Caroll en The Catcher in the Rye van J.D. Salinger. Voorts demonstreert Truffaut een voorliefde voor (in hun tijd) controversiële romans, zoals Justine van Markies de Sade, Madame Bovary van Gustave Flaubert en Lolita van Vladimir Nabokov. In het laatste geval zien we de vlammen zich zelfs een weg eten door de opengeslagen bladzijden van het boek, waarin hoofdpersoon Humbert Humbert zijn verzengende passie voor de twaalfjarige Lolita reeds op de eerste pagina etaleert: ‘ Lolita, light of my life, fire of my loins. My sin, my soul…‘ Het vuur van Humberts lendenen wordt letterlijk met vuur bestreden.

Hier en daar breidt de Franse regisseur de kring van verboden materie waar de vlammen zich aan te goed doen uit tot buiten die van romans en wetenschappelijke non-fictie. Een bundel van het Amerikaanse satirische stripblad Mad en een boek met afbeeldingen van schilderijen van Salvador Dalí worden tot de brandstapel veroordeeld, alsmede een jaargang van de Cahiers du Cinéma, een destijds baanbrekend Frans filmtijdschrift, waarin avant-gardistische Franse cineasten als Truffaut zelf regelmatig publiceerden. De boodschap is duidelijk. Een samenleving die tot norm verheft wat wij in de 21ste eeuw reality-televisie zouden noemen, kan ook niets op hebben met provocatieve strips en grensverleggende beeldende kunst en cinema.

 

13 juli 2021

 

Deel 1: Het boek Fahrenheit 451 van Ray Bradbury
Deel 3: De film Fahrenheit 451 van Ramin Bahradi

 

 
ALLE ESSAYS