Histoires Parallèles

***
recensie Histoires parallèles
Uit de hand gelopen fantasie

door Cor Oliemeulen

Een teruggetrokken schrijfster bespiedt haar overburen en verzint een broeierig melodrama. Als een jonge man ontdekt dat de personages echt bestaan, beginnen fictie en werkelijkheid elkaar te beïnvloeden. Histoires parallèles bevat alle ingrediënten van een typische Asghar Farhadi, maar de Iraanse meesterregisseur heeft ze weleens overtuigender door elkaar geroerd.

Een klein voorval kan bij Asghar Farhadi enorme gevolgen hebben. Een verdwijning, een scheiding, een tas met geld: meer is niet nodig om zijn personages te verstrikken in een web van leugens, halve waarheden en verkeerde aannames. Het knappe is dat de kijker daarin net zo verstrikt raakt.

Histoires Parallèles

Kettingreactie
Misschien werkt dat wel het sterkst in About Elly (2009), waarin de verdwijning van een jonge vrouw tijdens een uitstapje aan zee langzaam de onderlinge verhoudingen binnen een vriendengroep blootlegt.

In zijn Oscarwinnaar A Separation (2011) leidt een huwelijkscrisis via een ogenschijnlijk klein incident tot een moreel conflict waarin afkomst, religie, geld en verantwoordelijkheid een rol gaan spelen. Farhadi zet de kijker op de stoel van de rechter en elke nieuwe onthulling maakt het vellen van een oordeel moeilijker.

Ook A Hero (2021) draait om zo’n kettingreactie. Een gevangene vindt tijdens zijn verlof een tas met gouden munten en lijkt door die terug te geven plotseling een held. Maar zijn goede daad is minder eenvoudig dan gedacht en voordat hij het zich realiseert staan zijn reputatie, trots en waarheid op het spel.

Het zijn allemaal typische Farhadi-drama’s die de spanning van een thriller krijgen zonder thrillers te zijn.

Kijken naar de overkant
In Histoires parallèles speelt Isabelle Huppert Sylvie, een succesvolle maar vereenzaamde schrijfster die half verslonst in haar Parijse appartement rondhangt. Met een telescoop observeert ze mensen aan de overkant. Wat ze ziet, gebruikt ze als inspiratie voor een nieuwe roman. Uit flarden van het dagelijks leven fantaseert ze een opwindend bestaan bij elkaar.

Sylvies nichtje vraagt de jonge dakloze Adam (Adam Bessa) om haar tante in het dagelijks leven te helpen. Langzaam ontdekt hij Sylvies schrijfsels en dat de mensen aan de overkant model staan voor haar verhaal. Het gaat om twee broers, Nicolas (Vincent Cassel) en Théo (Pierre Niney), die daar met hun aantrekkelijke collega Nita (Virginie Efira) tot laat in de avond geluidseffecten voor films maken.

Dat laatste is een leuke vondst, want naast beeld en fictie speelt ook geluid voortdurend met wat echt is en wat de kijker als echt ervaart. Farhadi versterkt dat mysterieuze gevoel in het begin met kleine parallellen. Sylvie trapt met haar blote voet in een stukje glas en even later overkomt Nita aan de overkant hetzelfde. Adam maakt een gasfornuis schoon, even later gebeurt aan de overkant hetzelfde.

Histoires Parallèles

De parallellen doorbreken
De filmtitel krijgt gaandeweg steeds meer betekenis. Er lopen twee verhalen naast elkaar: Sylvies verzonnen versie van haar overburen en hun werkelijke bestaan. Adam is degene die de parallellen doorbreekt. De fictie begint de werkelijkheid te veranderen. Vervolgens beginnen de personen uit het verhaal anders naar elkaar en naar zichzelf te kijken.

Maar daar begint het scenario wat te wringen. Farhadi maakt weliswaar voldoende duidelijk dat Adam geobsedeerd raakt, maar minder overtuigend waarom zijn fascinatie zo’n extreme vormen aanneemt. Verder heeft het scenario enkele gekunstelde neigingen. Zo wurgt in Sylvies manuscript de ene man de andere met een elektriciteitskabel. Tegen het einde struikelt iemand bijna over een kabel en pakt die vervolgens op, waarmee Farhadi wel heel nadrukkelijk suggereert dat de werkelijkheid de fictie gaat herhalen.

Buiten Iran
Farhadi’s films buiten Iran voelen vaker nét anders aan. Le passé (2013) en het in Spanje gedraaide Todos lo saben (2018) zijn bepaald geen slechte films, maar missen iets van de vanzelfsprekendheid van zijn Iraanse werk. De regisseur erkende zelf bij Todos lo saben dat culturele verschillen zijn manier van vertellen beïnvloedden. Een deel van de spanning in zijn Iraanse films komt juist doordat mensen binnen die cultuur minder direct tegen elkaar zeggen wat ze denken en voelen. Je ziet dat ook bij een andere grote filmmaker als Hirokazu Kore-eda, wiens Franse La vérité (2019) anders aanvoelt dan zijn Japanse familiedrama’s.

De cast houdt Histoires parallèles moeiteloos overeind. Vincent Cassel en Isabelle Huppert zijn als vanouds uitstekend op dreef, Pierre Niney etaleert zachtaardigheid met een scherp randje, Virginie Efira weet als geen ander hoe een kwetsbare vrouw neer te zetten en Adam Bessa laat in het midden of we naar een onvervalste romanticus of een obsessieve zonderling zitten te kijken. De paar minuten speeltijd van Catherine Deneuve als impresario, uiteraard met sigaret, zorgen voor een zeldzaam komisch moment. Ook een mindere Asghar Farhadi is nog dik de moeite waard.

 

1 september 2026

 

ALLE RECENSIES

Themamaand: Stomme Film

Themamaand:
De Herfst van de Stomme Film

door Cor Oliemeulen

Deze september blikken we in De Herfst van de Stomme Film terug op klassiekers uit de maanden voordat The Jazz Singer in oktober 1927 de geluidsfilm inluidde.

Bij de vertoning van een stomme film speelde vaak een pianist of een orkest. Dat was vast gezellig, maar het moest anders. In 1926 gebruikte Warner Bros. voor de film Don Juan een systeem met grote grammofoonplaten waarop orkestmuziek en geluidseffecten werden opgenomen en tijdens een voorstelling gelijktijdig afgespeeld (Vitaphone). Hoorbaar praten deden de acteurs nog niet.

Een ander systeem legde het geluid als een optisch spoor op de filmstrook zelf vast (Movietone). F.W. Murnau gebruikte het voor Sunrise: A Song of Two Humans, dat een maand voor The Jazz Singer verscheen. Toch is Sunrise een stomme film, want de personages praten niet en voor hun gesprekken worden tussentitels gebruikt. Wel hoor je een opgenomen muziekpartituur en allerlei gesynchroniseerde geluidseffecten, zoals een uitgelaten feeststemming en het piepen van een varkentje dat door een restaurant rent.

De menselijke stem
Was The Jazz Singer wel de eerste film waarin een menselijke stem te horen was? Nee, want er bestonden al korte geluidsfilms, demonstraties en vaudeville-acts waarin mensen spraken en zongen. Met systemen als Phonofilm was al in het begin van de jaren twintig geëxperimenteerd met geluid dat rechtstreeks op de filmstrook kwam. Het waren alleen geen lange speelfilms waarin gesproken dialoog een belangrijk onderdeel van het verhaal werd. Dat veranderde met The Jazz Singer.

Het verhaal wordt voor een groot deel verteld zoals andere speelfilms uit die tijd: met beelden, muziek en tussentitels. Maar dan begint acteur Al Jolson te zingen én te praten. Het publiek zag zijn mond bewegen en hoorde tegelijk zijn stem. Typerend zijn zijn eerste woorden: “Wait a minute, wait a minute, you ain’t heard nothing yet!”

The Jazz Singer bevat uiteindelijk maar een paar minuten echt gesproken dialoog. Toch was het bioscooppubliek erg onder de indruk en wilde voortaan de acteurs zien en horen spreken.

Concluderend is het dus beter om The Jazz Singer niet de eerste geluidsfilm of zelfs de eerste sprekende film te noemen. Het was wel de film die de pratende speelfilm definitief liet doorbreken.

Hierna ging de ontwikkeling razendsnel. In 1928 verscheen Lights of New York, de eerste Hollywoodspeelfilm die volledig uit gesproken scènes bestond. Tegen het einde van 1929 was de stomme film in Hollywood vrijwel verdwenen.

Charlie Chaplin stond niet te juichen
Die overgang ging niet zonder problemen. De camera’s uit de late stomme periode maakten lawaai. Met gevoelige microfoons in de studio werd dat geratel een probleem. Bovendien beperkten microfoons de bewegingsvrijheid. Ze konden niet goed met een acteur meebewegen en werden soms verstopt in decorstukken. Geleidelijk aan werden de microfoons beter en de camera’s stiller. Uiteindelijk won het systeem waarbij het geluidsspoor op de filmstrook zelf stond.

Niet iedereen stond te juichen. Charlie Chaplin, het icoon van de stomme film, zag weinig in de nieuwe praatfilms. Overal ter wereld begrepen ze de zwerver zonder dat hij een woord sprak. Terwijl Hollywood al volledig in de ban was van de talkies maakte hij direct in de openingsscène van City Lights (1931) de sprekende film belachelijk. Tijdens de onthulling van een monument houden hoogwaardigheidsbekleders deftige toespraken. Hun monden bewegen, maar in plaats van verstaanbare woorden horen we alleen schelle, kwakende klanken.

Vijf jaar later ging Chaplin in Modern Times iets verder. Je hoort stemmen en geluiden van machines en andere apparaten. Aan het einde hoor je zelfs voor het eerst de stem van de zwerver. Chaplin zingt een liedje, maar doet dat in complete wartaal.

Pas in The Great Dictator (1940) ging hij eindelijk overstag. En hoe! De man die jarenlang weinig moest hebben van pratende films eindigde zijn eerste volledige geluidsfilm met een minutenlange toespraak over vrijheid, dictatuur en menselijkheid.

Themamaand: De Herfst van de Stomme Film

De film vlak voor de omwenteling
Juist de maanden vlak voor The Jazz Singer vormen een fascinerende periode. De stomme film was zeker nog niet op sterven na dood. Over de hele wereld experimenteerden filmmakers volop en rekten ze de mogelijkheden van het bewegende beeld steeds verder op.

Tien voorbeelden hiervan laten we deze september zien op InDeBioscoop. We reizen van Duitsland en Frankrijk naar de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië, China en de Verenigde Staten. Animatie, sciencefiction, komedie, romantiek, horror, suspense en melodrama bestaan probleemloos naast elkaar.

 

30 augustus 2026

 

THEMAMAAND ‘De Herfst van de Stomme Film’

Hundreds of Beavers

****
recensie Hunderds of Beavers
Weergaloze, originele nepheid

door Cor Oliemeulen

Een man in de sneeuw. Een konijn in een pak. Een val die niet werkt. Nog een val die niet werkt. En dan: honderden bevers. Het klinkt als een grap, verzonnen met veel bier achter de kiezen – wat ook klopt. Het moest zelfs een hele film worden. Hundreds of Beavers van Mike Cheslik duurt uiteindelijk bijna twee uur zonder gesproken woorden, waarin de gein en ongein steeds uitgekiender en absurder uitpakken.

Jean Kayak is een succesvolle producent van appelbrandewijn in de besneeuwde wildernis van Noord-Amerika. Nadat bevers zijn boomgaard en stokerij vernielen, blijft hij berooid achter. De niet zo snuggere dronkaard moet leren overleven en besluit om pelsjager te worden. Eerst probeert hij konijnen en ander klein wild te verschalken, later richt hij zijn pijlen en andere hulpmiddelen, zoals boomstammen en ijspegels, op de bevers die hem ten gronde hebben gericht. Ondertussen probeert hij indruk te maken op de dochter van een bonthandelaar. Ook die heeft zo zijn zwakheden: het lukt hem maar niet om zijn pruimtabak in een potje uit te spugen.

Hunderds of Beavers

Slapstick, cartoon en videogame
Cheslik vertelt het eenvoudige verhaal met beweging, montage, geluid en onnozele blikken. Daarmee roept Hundreds of Beavers direct de wereld van de stomme film op. Hoofdrolspeler Ryland Brickson Cole Tews heeft het onverstoorbare gezicht van een klassieke slapstick-acteur en moet vooral fysiek acteren: vallen, glijden, rennen, klimmen, bevriezen, door het ijs zakken en continu nét te laat beseffen dat elk plan tot een nieuwe frustratie leidt.

De invloed van Buster Keaton ligt voor de hand, maar Hundreds of Beavers is meer dan alleen een moderne stomme komedie. De capriolen van onze antiheld volgen de logica van een cartoon: fysiek onmogelijk, maar hier volkomen vanzelfsprekend. Verder is de structuur van de film beïnvloed door een videogame. Jean leert van zijn mislukkingen, verzamelt buit, verbetert zijn vaardigheden en neemt het op tegen steeds sterkere tegenstanders. Honderden bevers.

Mensen in dierenpakken
De dieren maken deze platte wereld nog merkwaardiger. Konijnen, wolven en natuurlijk bevers worden gespeeld door mensen in mascottepakken. De beverpakken werden gekocht bij een Chinese webshop, want met een filmbudget van ongeveer 150.000 dollar moet je keuzes maken. Het voordeel was dat de dierenpakken uitgebreide casting overbodig maakten: wie beschikbaar was, kon een kostuum aantrekken. Vervolgens konden enkele gefilmde dieren digitaal worden vermenigvuldigd tot complete groepen.

Hunderds of Beavers

Het resultaat ziet er soms uit alsof een stel studenten met een camera, goedkope attributen en een computer aan het improviseren is geslagen. Maar achter die ogenschijnlijke eenvoud zit veel voorbereiding: bewegingen, valpartijen, landschappen en andere elementen werden afzonderlijk opgenomen en later in de montage en met digitale effecten samengevoegd. Cheslik verzorgde zo’n 1500 digitale effectshots grotendeels zelf.

Daarom voelt Hundreds of Beavers als een cartoon met echte mensen. Personages worden verschoven, gekopieerd, versneld en tegen elkaar uitgespeeld. Zwart-witbeelden, harde contrasten, digitale filmkorrel, simpele composities en zichtbaar kunstmatige decors benadrukken de weergaloze, originele nepheid van de film.

Bijna twee uur slapstick is lang. Vooral in het middenstuk dreigen al die valpartijen en mislukkingen voorspelbaar te worden. Bovendien is niet iedere grap even sterk. Maar gelukkig groeit het speelveld van Jean Kayak. De tegenstanders worden talrijker, de constructies ingewikkelder en de schaal grotesker, met als apotheose zijn aanval op de beverburcht. En natuurlijk kunnen we niet wachten op het moment dat hij de dochter van de bonthandelaar in de armen kan sluiten.

 

24 augustus 2026

 

ALLE RECENSIES

Los Tigres

***
recensie Los Tigres
Meeslepend, maar minder uitgewerkt

door Cor Oliemeulen

Wie een film van de Spaanse regisseur Alberto Rodríguez kijkt, komt nooit bedrogen uit. Ditmaal is het een combinatie van sociaal drama en thriller die zich afspeelt in de wereld van beroepsduikers. Hoe vakkundig regie, cinematografie en acteren ook nu weer zijn, Los Tigres is geen La isla mínima.

Alberto Rodríguez en Rafael Cobos vormen met Rodrigo Sorogoyen en Isabel Peña de sterkste vaste scenaristenduo’s van de hedendaagse Spaanse cinema. Terwijl laatstgenoemden vooral hyperrealistische, moderne thrillers vol morele twijfel en psychologische spanning maken, zoals Que Dios nos perdone en Las Bestias, blinkt het duo Rodríguez/Cobos vaak uit met sfeervolle, historische misdaadverhalen, zoals La isla mínima en Modelo 77, die politieke en maatschappelijke trauma’s van de Spaanse geschiedenis blootleggen. Ditmaal gooien zij het over een heel andere boeg met Los Tigres, een intiem drama over een broer en zus die werken als beroepsduikers. Maar rauwe misdaad is nooit ver weg.

Los Tigres (Foto: Julio Vergne)

Beroepsduiken is gevaarlijk
Industrieel duiken geldt als een van de gevaarlijkste beroepen. Beroepsduikers werken bijvoorbeeld aan schepen, pijpleidingen en installaties onder water, vaak bij slecht zicht en onder zware omstandigheden. In Los Tigres werken Antonio (Antonio de la Torre) en Estrella (Bárbara Lennie) in het industrie- en havengebied van Huelva, waar grote olietankers en petrochemische installaties het landschap bepalen. Regisseur Alberto Rodríguez raakte gefascineerd door deze voor buitenstaanders vrijwel onbekende wereld en deed uitgebreid onderzoek naar het beroep.

De risico’s spelen een belangrijke rol in het verhaal. Zo liep Estrella als kind tijdens het duiken gehoorschade op en mag daardoor niet dieper dan twintig meter. Antonio krijgt vanwege hartproblemen te horen dat hij helemaal niet meer zou moeten duiken. Voor hem is dat extra ingrijpend: duiken is niet alleen zijn beroep, maar ook het enige werk waarmee hij geld kan verdienen. En geld heeft hij hard nodig, want zijn ex-vrouw ontvangt niet de afgesproken alimentatie voor hun twee dochters en dreigt met een contactverbod. Als Antonio per toeval in de romp van een schip cocaïne ontdekt, smeedt hij met Estrella een plan.

Andalusië als decor
De bijzondere setting en de soms letterlijk adembenemende onderwaterfotografie bepalen mede de sfeer van Los Tigres. Net als in La isla mínima is Andalusië het decor, maar toen waren het de moerassen van de Guadalquivir. In die veel bekroonde film wordt de spanning gecombineerd met de erfenis van de Franco-dictatuur. In Los Tigres zijn arbeidsrisico en bestaanszekerheid onderliggende thema’s. In beide films, en ook vaak in andere films van Rodríguez, vervaagt de grens tussen goed en kwaad.

Naast de gezondheidsrisico’s van duiken en het plan om cocaïne te stelen en te verkopen, draait de film vooral om de relatie tussen Antonio en Estrella. Hun band is uitzonderlijk hecht en soms bijna verstikkend. Het lijkt wel alsof Estrella de rol van moederfiguur op zich heeft genomen: ze zorgt voor Antonio en probeert hem tegen zichzelf te beschermen. Tegelijkertijd draagt ze een trauma uit hun jeugd met zich mee, dat samenhangt met hun vader en een duikwedstrijd tussen haar en Antonio. Het uitstapje naar het misdaadmilieu zet hun relatie onder druk. We ervaren de interacties van broer en zus, terwijl we de criminelen wel horen maar niet zien.

Los Tigres (Foto: Julio Vergne)

Ingehouden spel
Bijna als een succesformule maakt Alberto Rodríguez opnieuw gebruik van het acteertalent van Antonio de la Torre. Het maakt niet uit welke rol hij speelt, hij is altijd goed, want je hebt nooit het gevoel dat hij nadrukkelijk aan het transformeren is. In Álex de la Iglesia’s Balada triste de trompeta (2010) speelt hij de gewelddadige, macho circusclown. Van die uitzinnige potsierlijkheid is weinig over in Los Tigres, waar zijn naturalistische, ingehouden spel hem al even gemakkelijk af gaat.

Een vergelijkbaar bereik heeft actrice Bárbara Lennie. In Magical Girl (2014) van Carlos Vermut speelt ze een excentrieke, volkomen ontregelde vrouw, terwijl ze in Los Tigres vooral beheerst en aards is en haar best doet om steeds de rotzooi van haar broer op te vangen. Hun acteerprestaties en geloofwaardige relatie maken de film meeslepend van begin tot eind, ook al blijft het scenario wat minder uitgewerkt, vooral als het gaat om het misdaadplot en het jeugdtrauma.

 

12 augustus 2026

 

Lees ook: Boek over Spaanse cinema

 

ALLE RECENSIES

Muy lejos

**
recensie Muy lejos
De afstand tot jezelf

door Cor Oliemeulen

Dertiger Sergio bezoekt met een groep supporters de uitwedstrijd van zijn voetbalclub tegen FC Utrecht. Kort daarna gooit hij tijdens een paniekaanval zijn portemonnee, inclusief paspoort, in een vuilnisbak. Hij wil niet terug naar huis. De filmtitel Muy lejos (‘Heel ver weg’) verwijst niet alleen naar de kilometers tussen Barcelona en Utrecht, maar krijgt een diepere betekenis: de afstand die iemand tot zichzelf kan voelen.

Deze debuutfilm van Gerard Oms oogstte in zijn thuisland Spanje lof vanwege het persoonlijke verhaal over angst, identiteit en zelfacceptatie. De regisseur putte uit zijn eigen ervaringen om te laten zien hoe iemand zichzelf kan worden door letterlijk afstand te nemen van zijn vertrouwde omgeving. Maar zoals vaker in films over herinneringen van filmmakers rijst al snel de vraag in hoeverre de kijker daar iets mee opschiet. Ook omdat het verhaal zich bijna twintig jaar geleden afspeelt, toen de maatschappelijke omstandigheden anders lagen.

Muy lejos

Heel ver weg… van dramatische spanning
Sergio (Mario Casas) lijkt in Barcelona alles te hebben wat op een stabiel leven wijst: vrienden, een toekomst, zelfs een aanstaand huwelijk. Wat een impulsieve vlucht lijkt, groeit uit tot een stille confrontatie met zichzelf. Muy lejos neemt veel tijd voor observatie en terughoudendheid. Dat geeft het verhaal weliswaar wat emotionele kracht, maar voelt op den duur afstandelijk of zelfs traag aan. De film blijft te lang in hetzelfde emotionele register hangen en biedt onderweg weinig ontwikkeling. Wat de kijker niet weet (en eigenlijk ook niet van tevoren moet weten), is dat Gerard Oms pas helemaal aan het eind onthult wat Sergio precies ontloopt.

Voor Spaanse kijkers zullen Sergio’s kennismaking met de Nederlandse taal (“Ze praten alsof ze de hele tijd een rochel in hun mond hebben”), cultuur en dagelijkse gewoonten voor de nodige glimlachjes zorgen. Vanuit Nederlands perspectief blijven sommige observaties steken in clichés. Zoals de Nederlander met zijn fiets, of liever gezegd zijn gestolen fiets, en de fiets die in de gracht wordt gepleurd. En natuurlijk het Sinterklaasfeest met zwart geschminkte knechten die stoute kinderen in hun zak meenemen naar Spanje.

Heel ver weg… van de Dardennes
Stilistisch sluit Gerard Oms aan bij de hedendaagse Europese auteurscinema: naturalistische stijl, weinig muziek, observerende cameravoering op de huid van de personages en een voorkeur voor alledaagse situaties waarin mensen langzaam veranderen. Sommigen vergelijken die sobere, ingetogen vertelstijl en de sociaal-realistische aanpak met die van Jean-Pierre en Luc Dardenne. Daar valt wat voor te zeggen, maar Oms blijft ver weg van hun dramatische precisie en emotionele diepgang.

Muy lejos

De keuze voor Mario Casas – die in Spanje lange tijd bekendstond als de “knappe jongen” – in de rol van de kwetsbare Sergio is goed getroffen. Voordat Oms zijn debuut als regisseur maakte, was hij jarenlang werkzaam als acteercoach en hielp hij Casas met zijn rol in No matarás (2020) aan zijn Goya Award voor beste acteur. Netflix-kijkers kennen hem van de thriller The Invisible Guest (Contratiempo, 2016) en het oorlogsdrama The Photographer of Mauthausen (2018). Ook in Muy lejos overtuigt Casas: het verdienen van geld, het zoeken naar een woonruimte en het worstelen met zijn identiteit zijn geloofwaardig. Zijn lichaamshouding, blikken en stiltes vertellen vaak meer dan de dialogen.

Heel ver weg… van de climax
De film legt niet expliciet uit waarom Sergio zijn leven in Barcelona achter zich laat. Heel lanzaam wordt duidelijk dat zijn paniekaanvallen, vluchtgedrag en gevoel van verstikking een diepere oorzaak hebben. In de laatste tien minuten vallen de puzzelstukjes dan eindelijk op hun plaats. Het is geen spectaculaire onthulling, maar de ontbrekende sleutel tot alles wat de kijker al heeft gezien. Daardoor krijgen eerdere ontmoetingen, terloopse opmerkingen en ogenschijnlijk onbeduidende gebeurtenissen ineens een andere betekenis.

Die ontknoping is overtuigend, maar vraagt een investering van anderhalf uur die niet iedere kijker zal willen doen.

Wie zich nog afvraagt waarom Gerard Oms zijn kaarten zo lang tegen de borst houdt, kan hem dat maandag 20 juli tijdens de Q&A na de vertoning in het Utrechtse Slachtstraat Filmtheater zelf vragen.

 

15 juli 2026

 

Lees ook: Boek over Spaanse cinema

 

ALLE RECENSIES

Calle Málaga

****
recensie Calle Málaga
Oud worden onder eigen voorwaarden

door Cor Oliemeulen

Oudere actrices hebben moeite om aan de bak te komen in de filmwereld. “Het lijkt alsof huisdieren vaker worden gecast voor een film dan oudere vrouwen”, zegt Carmen Maura in een interview. De Spaanse steractrice, die in de jaren 80 doorbrak in de films van Pedro Almodóvar, bewijst op haar tachtigste dat ze nog altijd een film kan dragen. In Calle Málaga van Maryam Touzani speelt ze een oudere vrouw die weigert achter de geraniums te zitten.

Dat actrices van boven de vijftig vaak worden genegeerd voor interessante filmrollen, is geen nieuw verschijnsel. Dat ondervonden zelfs twee van de bekendste Hollywood-actrices, Bette Davis en Joan Crawford, in 1962 toen ze waren gecast voor What Ever Happened to Baby Jane? Volgens de serie Feud speelde hun beruchte rivaliteit daarbij een niet onbelangrijke rol. In het horrordrama van Robert Aldrich spelen ze twee zussen van wie de een wraak neemt op de ander die vroeger succesvol was. Tijdens de opnamen waren Davis en Crawford volgens de overlevering het alleen met elkaar eens wanneer er een jonge, aantrekkelijke vrouw op de set rondliep. “In Hollywood is alleen nog maar plaats voor vrouwen met grote borsten en een klein brein.”

Calle Málaga

Laatste kans op zelfstandigheid
Waar Bette Davis en Joan Crawford nog vochten tegen een industrie die oudere vrouwen naar de marge duwde, onderzoeken recente films steeds vaker hoe vrouwen zelf omgaan met ouder worden. The Substance (2024) met Demi Moore is misschien wel de meest besproken film over dit thema van de laatste jaren. Daarin wordt een verouderende beroemdheid afgedankt en letterlijk vervangen door een jongere versie van zichzelf. In The Room Next Door (2024) gaat het juist niet om rimpels of carrière, maar om zelfredzaamheid, vriendschap en de wens om waardig te kunnen sterven.

In Calle Málaga kiest filmmaakster Maryam Touzani (The Blue Caftan, 2022) niet voor bodyhorror of existentiële zwaarte, maar voor een warme observatie van een vrouw die weigert haar leven door leeftijd te laten dicteren. Het gaat om Maria (Carmen Maura), die werd geboren in de Marokkaanse stad Tanger nadat haar ouders in de jaren dertig het fascisme in Spanje waren ontvlucht. Ze woont al veertig jaar in een appartement in een levendige buurt, omringd door vertrouwde gezichten en hechte contacten.

Maar dan staat plotseling Maria’s dochter Clara (Marta Etura: Mientras duermes, 2011) uit Madrid voor de deur. Ze wil het appartement, dat op haar naam staat, verkopen, omdat ze sinds haar scheiding financieel moet rondkomen. Moeder is welkom om bij haar en haar kind in Madrid te komen wonen, maar Maria verhuist nog liever naar een bejaardentehuis van de staat. Dat lijkt een uitgemaakte zaak – totdat Maria besluit te vechten voor een laatste kans op zelfstandigheid, en misschien zelfs op een nieuw begin.

Calle Málaga

Zelfverzekerder dan ooit
Het doet goed om Carmen Maura weer op het witte doek te zien stralen. Nog altijd dat markante gezicht met die grote, sprekende ogen – van verdrietig tot ondeugend – en die innemende lach. Sinds haar rollen als impulsieve, losgeslagen en emotioneel ontspoorde vrouwen in de vroege, uitzinnige films van Pedro Almodóvar en haar memorabele optreden als verzetsheldin in Carlos Saura’s Ay, Carmela! (1990), zien we de laatste decennia een andere Carmen Maura: minder explosieve hoofdrollen zoals in de jaren tachtig, meer moederfiguren, excentrieke oudere vrouwen en internationale coproducties. Haar charme, warmte en lichtvoetigheid zijn nooit verdwenen. Ook buiten het scherm lijkt ze vrijer en zelfverzekerder dan ooit – misschien wel de reden dat ze op bijna tachtigjarige leeftijd zonder aarzeling instemde met een korte naaktscène.

Maria in Calle Málaga is een vrouw die niet ‘gered’ wil worden, maar zelf de regie over haar leven wil houden. Ze vindt een onverwacht grappig klankbord in de non Josefa. Ze zijn hier samen opgegroeid, maar hun levens liepen totaal anders: Maria stortte zich volledig in de vrolijke levendigheid van de stad, Josefa trok zich terug in het klooster om zich te richten op gebed en absolute stilte. Toch is het juist bij Josefa dat Maria haar verhaal kwijt kan: eerst over de harde opstelling van haar dochter, later over een opgebloeide liefde – en seks. Josefa zegt niets terug, maar de rode oortjes lijken bijna door haar habijt heen te schijnen. Samen zachtjes giechelen als pubermeisjes mag kennelijk nog wel.

 

10 juni 2026

 

Lees ook: Boek over Spaanse cinema.

ALLE RECENSIES

Los domingos

***
recensie Los domingos
Geloof brengt troost én verwarring

door Cor Oliemeulen

Ainara wil non worden. Ze is 17 jaar en twijfelt geen moment. “God houdt van mij en heeft me geroepen. Het is heel gemakkelijk om me over te geven aan zo’n mooie liefde.” Haar familie probeert haar keuze te respecteren, maar vraagt zich tegelijk af of Ainara niet in de ban is geraakt van iets waarvan ze de gevolgen nog nauwelijks overziet.

Los domingos trok in Spanje bijna 700.000 bezoekers naar de bioscoop en werd overladen met filmprijzen. Dat is opvallend voor een drama met een dergelijk thema. Terwijl in Europa en Noord-Amerika de actieve beleving van het katholieke geloof steeds verder afneemt, krijgt de ‘radicale’ keuze van jonge vrouwen voor een sober kloosterleven tegenwoordig juist veel aandacht. Het bewust of onbewust afzetten tegen een moderne cultuur van individualisme, consumptie, datingapps en voortdurende online zichtbaarheid is voer voor sociologen, journalisten én filmmakers.

Los domingos

Spanningen in de familie
Filmmaakster Alauda Ruiz de Azúa voert Ainara (debutant Blanca Soroa) op als een meisje dat alles goed op een rijtje heeft. Ze oogt vriendelijk, zingt in een koor, is verliefd op een van de mannelijke leden, maar zoekt haar grote liefde liever in het klooster. Haar moeder is op jonge leeftijd overleden en haar vader benadert de keuze van zijn dochter vooral zakelijk en afstandelijk. Spanningen in de familie die voorheen werden vermeden, steken nu plots de kop op, en het lijkt alsof iedereen een positie moet innemen. Wat volgt is een reeks gesprekken, stiltes en milde confrontaties. Die ingetogen aanpak past bij de film, al had iets meer drama en emotie hier niet misstaan.

Misschien wel de belangrijkste en sterkste rol in Los domingos heeft tante Maite (Patricia López Arnaiz), met wie Ainara de beste band heeft. Ze hebben mooie, zinvolle gesprekken. Maite wil begrijpen zonder te oordelen, maar tegelijkertijd wijst ze haar nichtje op haar weggegooide toekomst. Ze is nog zo jong en moet nog veel van de wereld ontdekken. Waarom gaat ze niet eerst een paar jaar studeren in het buitenland? Waar Maite steeds meer emotioneel betrokken raakt, wordt Ainara steeds standvastiger in haar keuze.

Spanje als decor
Ainara blijft vrij ongrijpbaar. Ze veroorzaakt onderhuidse spanningen in haar omgeving en dient als een spiegel waarin anderen zichzelf tegenkomen. Dat de film zich afspeelt in Spanje, en daar zo succesvol is, maakt Los domingos extra interessant.

Na decennia van het door Franco opgelegde katholicisme heeft Spanje een snelle secularisering doorgemaakt. Toch is religie nooit verdwenen. De kerk als instituut verloor vertrouwen, de actieve geloofspraktijk nam af, maar de katholieke tradities en symboliek bleven bestaan. Deze context verklaart het dubbelzinnige van de personages. Ze zijn niet uitgesproken gelovig, maar ook niet uitgesproken antireligieus. Ze zitten daar tussenin. En dan ineens is daar iemand die het geloof bloedserieus neemt, en juist dat maakt Ainara’s keuze om als non te gaan leven zo ontregelend.

Los domingos

Geen eenduidig standpunt
De vergelijking van Los domingos, dat bewust afziet van onverwachte plotwendingen of schokkende gebeurtenissen, met het Duitse drama Kreuzweg (2014) dringt zich op. In dit verhaal trekt de 14-jarige Maria, aangemoedigd door haar moeder en een jonge pastoor, zich steeds verder terug uit het wereldse leven. Waar het ondubbelzinnige Kreuzweg godsdienst toont als een onderdrukkend systeem, kiest Los domingos voor nuance: open dialogen zonder duidelijke morele richting.

Vooral dat laatste is de kracht van Ruiz de Azúa’s film. Ze toont dat liefde en onbegrip naast elkaar kunnen bestaan, dat vrijheid en controle moeilijk te scheiden zijn en dat geloof zowel troost als verwarring kan brengen. Genoeg voer voor discussie dus.

 

11 mei 2026

 

Lees ook: Boek over Spaanse cinema

ALLE RECENSIES

Father Mother Sister Brother

***
recensie Father Mother Sister Brother
Droge gesprekken, lange stiltes en een druppelende kraan

door Cor Oliemeulen

Wie van actie houdt, is bij Jim Jarmusch aan het verkeerde adres. De Amerikaanse filmmaker, die in 1984 doorbrak met Stranger Than Paradise, laat in zijn films veel aan de kijker over. Father Mother Sister Brother, winnaar van de Gouden Leeuw in Venetië, bestaat uit drie losse verhalen. Samen vormen ze een beheerste, minimalistische blik op familierelaties.

Het eerste deel, Father, is het sterkst, vooral door het uitstekende spel en de onverwachte, hilarische apotheose. Het is een tijd geleden dat Jeff (Adam Driver) en zijn zus Emily (Mayim Bialik) op bezoek gaan bij hun vader, vertolkt door Tom Waits. Zoals altijd beweegt die zich moeiteloos als een droog, eigenzinnig en licht absurdistisch personage in het universum van Jim Jarmusch.

Father Mother Sister Brother

Vader
Vader woont in een afgelegen gebied in New Jersey aan een meer. Hij verwelkomt zijn kinderen in een ongemakkelijke sfeer. Jeff heeft een doos met voedingsmiddelen meegebracht. Of ze iets willen drinken. Ai, vader heeft alleen water in huis, maar gelukkig vindt Emily thee in de keuken. Het huis is een zooitje: een verfrommeld kleed over de bank, boeken en spullen her en der. Korte, plichtmatige gesprekjes over werk, kinderen, gezondheid. Het zwijgen overheerst. Jee, is het al zo laat? Een voorzichtige omhelzing. Jeff stopt vader nog wat geld toe. Opluchting bij alle drie dat het bezoek voorbij is.

Moeder
Het tweede deel is opnieuw traag, minimalistisch en vol stiltes. De invloed van Jarmusch’ vriend en geestverwant Aki Kaurismäki (o.a. Fallen Leaves) is duidelijk voelbaar. Net als in Father zit de kracht in kleine momenten, subtiele interacties, droge humor en aandacht voor buitenstaanders. Zo iemand is Lilith (Vicky Krieps), een vrij onaangepast punktype, die door haar moeder (Charlotte Rampling) in Dublin is uitgenodigd voor een min of meer verplichte lunch. Even later arriveert haar stijve zus Timothea (Cate Blanchett) met een bos bloemen. Ook hier hebben moeder en dochters elkaar al een tijd niet gezien. Gezeten achter duur servies en kleine, luxe hapjes kan de kijker zich laven aan heerlijk nietszeggende conversaties en ongemakkelijke stiltes van drie topactrices.

Zus en broer
In de afsluiting van het drieluik over Jarmusch’ familierelaties maken we kennis met Billy (Luka Sabbat) en Skye (Indya Moore). In Sister Brother keert deze tweeling voor even terug naar het lege appartement in Parijs waar ze opgroeiden om met behulp van oude foto’s en documenten herinneringen op te halen aan hun jeugd en hun overleden ouders.

Ditmaal kiest Jarmusch voor een voortkabbelende stroom van gesprekjes zonder noemenswaardige gebeurtenissen. Waar Father langzaam opbouwt tot een verrassende finale en Mother een duidelijke stijl heeft, lijkt Sister Brother met zijn hyperrealisme stil te blijven staan. In zijn vroege film Stranger Than Paradise was die functionele eenvoud vernieuwend. De leegte voelde toen als iets nieuws en paste bij de tijdgeest. In Jarmusch’ latere films, zoals The Limits of Control, wordt die stijl radicaler. Daarin zitten nog wel mysterieuze en absurdistische momenten, maar voor veel kijkers ontbreekt ontwikkeling. Dat geldt ook voor het derde deel van Father Mother Sister Brother, waardoor het zich loswringt van de eerste twee delen en het geheel onevenwichtig maakt.

Father Mother Sister Brother

Liever geen afgebakend plot
Het is een bewuste keuze van een filmmaker die sfeer, observatie en stilte belangrijker vindt dan een afgebakend plot. Minimalisme is wars van een verplichte onthulling. In die zin staat Jim Jarmusch in lijn met regisseurs als Aki Kaurismäki, Robert Bresson en Yasujirō Ozu, die film zien als een reeks momenten en niet als een verhaal met een duidelijk einde.

In Father Mother Sister Brother leiden familiebanden niet tot een inzicht of een oplossing, maar blijven ze bestaan in al hun onvolledigheid en imperfectie. Jarmusch trekt zijn minimalistische benadering door in de muziek, die hij zelf mee vormgeeft. Direct na afloop klinkt een sobere uitvoering van Jackson Browne’s These Days, met de tekst “These days I seem to think a lot / About the things that I forgot to do for you…”

Die regels vatten perfect samen waar Father Mother Sister Brother uiteindelijk om draait: niet wat er gebeurt, maar wat achterwege blijft.

 

14 april 2026

 

ALLE RECENSIES

CinemAsia 2026 – Deel 2: Filmmakers met perspectief

CinemAsia 2026 – Deel 2:
Filmmakers met perspectief

door Cor Oliemeulen

Van de twaalf debuutfilms op CinemAsia 2026 bespreken we in deze bijdrage drie voorbeelden van filmmakers met perspectief. Een Taiwanese coming of age over huiselijk geweld, een MeToo-drama uit India en een Indonesische Gen Z-komedie.

 

Girl

Girl – Huiselijk geweld in Taiwan
De Taiwanese Shu Qi is in eigen land een graag geziene actrice die prestigieuze prijzen won. Bij ons is ze vooral bekend van haar ingetogen hoofdrol als huurmoordenaar in het zwaardvechtdrama The Assassin (2015) van Hou Hsiao-hsien. Met het deels autobiografische coming-of-age-drama Girl maakte Shu Qi haar verdienstelijke regiedebuut. In de film zie je invloeden van Hou Hsiao-hsiens trage, observerende stijl.

Girl speelt zich af in het Taiwan van de late jaren tachtig en volgt Hsiao-lee, een meisje dat opgroeit in een gewelddadig gezin. Haar vader is een alcoholist die haar moeder mishandelt, terwijl diezelfde moeder haar frustraties op haar dochter botviert. Alleen het jongste zusje lijkt aan de spanningen te ontsnappen. Gaandeweg wordt gesuggereerd dat ook Hsiao-lee slachtoffer van misbruik is, wat haar angstige gedrag en terugkerende nachtmerries verklaart.

Een kantelpunt in haar leven komt als ze bevriend raakt met haar nieuwe klasgenootje Li Li-li, een rebels meisje met haar eigen problemen, die Hsiao-lee laat kennismaken met nieuwe vrijheden: hippe kleren, make-up, sigaretten en drank. Hier lacht ze voor het eerst. Zowel in dit avontuurlijke escapisme als in de harde realiteit en in de korte dromerige scènes blijft titelvertolkster Bai Xiao-Ying geloofwaardig, gesteund door de beklemmende cinematografie, die als een verstikkende deken over de film heen ligt.

Ook stilistisch sluit de film aan bij de traditie van Hou Hsiao-hsien, met een sobere, observerende stijl en een elliptische vertelstructuur waarin sommige cruciale gebeurtenissen buiten beeld blijven. Maar waar Hou Hsiao-hsien vaak op afstand observeert, zit bij Shu Qi de camera dichter op de huid, waardoor de film minder als observatie en meer als innerlijke ervaring aanvoelt. Het huiselijke geweld wordt niet expliciet getoond, de emotionele impact staat centraal.

Kijk hier waar deze film draait.

 

Pinch

Pinch – MeToo in Indiase familie
Met Pinch maakt Uttera Singh een persoonlijk debuut: ze schreef, regisseerde en speelt zelf de hoofdrol. In 83 minuten schetst ze een ongemakkelijk portret van hoe een ogenschijnlijk “klein” incident – een betasting – binnen de hechte omgeving van een appartementencomplex zowel schaamte en stilte als roddel en tumult veroorzaakt.

Het begint allemaal als de vrolijke reisblogger Maitri (Uttera Singh) in de nachtbus op weg naar een tempelfeest wordt betast door haar oom. Hij is ook de huisbaas en een gerespecteerd man die “altijd voor iedereen klaarstaat”. Haar moeder sust: “Hij is er altijd voor ons geweest. Iedereen maakt zoiets mee. Gelukkig ben je niet verkracht.” De angst voor roddel en reputatieschade weegt zwaarder dan Maitri’s vervelende ervaring. Stilte is de norm.

Singh kiest niet voor een aanklacht tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag, maar voor een klein drama dat een traumatisch voorval combineert met de absurde gevolgen. Met wrange, ongemakkelijke humor legt ze de focus op de reacties van mensen in de omgeving die de situatie bagatelliseren of ontwijken. Wanneer Maitri haar oom op een ‘gepaste’ manier confronteert met zijn daad en ontkenning, ontstaat er een kettingreactie die de verhoudingen binnen de gemeenschap verder op scherp zet.

De kracht van de film zit vooral in wat niet wordt gezegd: in stiltes, blikken en halve zinnen. Zo laat de film zien hoe een systeem niet alleen draait om een dader, maar ook uit de reacties eromheen. Al even kenmerkend is het gebruik van muzikale intermezzo’s die binnen de Indiase filmtraditie passen en het ritme en de emotie van de film sturen. In Pinch werken ze vooral als korte ademhalingen tussen de vlot gesneden scènes. Dat alles neemt niet weg dat Singhs filmdebuut behoedzaam blijft, waar een scherpere aanklacht meer impact had kunnen hebben.

Kijk hier waar deze film draait.

 

Better Off Dead

Better Off Dead – Angst om onzichtbaar te zijn
De titel en premisse van het Indonesische Better Off Dead doen in eerste instantie denken aan de gelijknamige Amerikaanse cultfilm uit 1985 waarin een depressieve jongen dood wil nadat hij door zijn vriendin is gedumpt. Omara Esteghlal, die in het filmdebuut van Kristo Immanuel een weinig geziene en gewaardeerde jongeman speelt, is geen John Cusack, maar probeert toch wat te maken van deze donkere komedie, die zich vooral richt op de huidige generatie tieners.

Hij speelt de rol van Gema, enig kind en een sociaal ongemakkelijke jongen die na de dood van zijn vader – een oplichter die allang uit beeld is verdwenen – plots warme aandacht van zijn collega’s krijgt. Het gevoel van al die lieve woordjes, troostende handen en armen probeert hij koste wat koste vast te houden. Nadat de aandacht is weggeëbd, moet Gema iets nieuws verzinnen: de dood van zijn kat. Dat werkt ook goed, maar de ontvangen warmte en liefde blijkt ook ditmaal van korte duur. Uiteindelijk vraagt hij zich af of hij niet beter zelf dood kan zijn.

Volgens regisseur Immanuel is zijn film een zwarte komedie over dood, eenzaamheid en menselijke verbinding. Die insteek voel je in bijna elke scène: de humor is niet vrijblijvend, maar wringt met onderliggende thema’s als isolatie, behoefte aan erkenning en sociale druk. Wie door de kolderieke situaties en snelle dialogen (ook met een foto van Gema als kind) heen kijkt, ziet een somber portret van een generatie die moeite heeft om verbinding te maken. Toch wint de oppervlakkigheid van de inhoud. Het hoge tempo en de vele (vaak melige) grappen bieden nauwelijks ruimte voor de emotionele kant van de personages. Wel leuk genoeg om met je vriendengroep te gaan kijken.

Kijk hier waar deze film draait.

 

9 april 2026

 

CinemAsia 2026 – Deel 1: Hoop versus pessimisme
CinemAsia 2026 – Deel 3: De beste film die je nooit zag

 


MEER FILMFESTIVAL

CinemAsia 2026 – Deel 1: Hoop versus pessimisme

CinemAsia 2026 – Deel 1:
Hoop versus pessimisme

door Cor Oliemeulen

Het poëtisch-spirituele Cambodjaanse drama Becoming Human opent de achttiende editie van CinemAsia, dat van 8 tot en met 12 april wordt gehouden op drie locaties in Amsterdam. Waar deze film laat voelen wat het betekent om mens te zijn, toont het pessimistische Thaise drama Human Resource hoe moeilijk het is om mens te blijven. 

 

Becoming Human

Becoming Human – Eenzame geest zonder doel
De teloorgang van een bioscoop in films roept de vraag op wat er overblijft als er alleen nog de herinnering aan beelden bestaat. Misschien wel het bekendste voorbeeld is Goodbye, Dragon Inn (2003). De Taiwanese filmmaker Ming-liang Tsai bracht met die film niet alleen een eerbetoon aan de cinema, maar benadrukte ook het thema van een verdwijnende cultuur en geschiedenis. Precies dat doet ook de Cambodjaanse regisseur Polen Ly in zijn speelfilmdebuut Becoming Human: een langzame, dromerige verkenning van traditie versus moderne tijd en van verlies versus hoop. Het gebruik van een geest als hoofdpersoon geeft het verhaal niet alleen een spirituele lading, maar maakt ook tastbaar hoe het verleden blijft doorwerken in het heden.

Het verhaal draait om Thida (Savorn Serak), een geest van bijna 50 jaar oud in een meisjeslichaam. Ze waakt over een oude, vervallen bioscoop die dreigt te worden gesloopt. Ook al ligt het dak half in puin en hangt het vergane filmdoek nog maar aan een kant vast, fungeert de bioscoop als een spirituele ruimte waarin herinneringen blijven rondwaren. Maar tegelijkertijd lijkt Thida zelf gevangen in deze plek: een eenzame geest zonder duidelijk doel, die slechts kan blijven bestaan zolang het verleden nog niet is verdwenen. Voor de sloop moet Thida beslissen: opnieuw mens worden, of geest blijven?

Ze maakt zich zichtbaar voor twintiger Hai (Piseth Chhun), een journalist die hier steeds terugkomt omdat de bioscoop ook voor hem een emotionele betekenis heeft. Waar Thida het verleden belichaamt, staat Hai nog midden in het leven. Beide zielen voelen een leegte en zoeken verbinding. Pratend over hun levens en over de trauma’s van de oorlog (eind jaren 70 zaaide de Rode Khmer van Pol Pot dood en verderf in Cambodja) krijgen Thida en Hai een hechte band. Tegenover hun herinneringen van weemoed en verlies staan de modernisering en verstedelijking van hun land.

Becoming Human is traag, meditatief en soms hypnotisch, in de geest van Ming-liang Tsai, maar ook sterk verwant aan het werk van de gelauwerde Thaise filmmaker Apichatpong Weerasethakul (o.a. Memoria, 2021). In een mystieke atmosfeer leven geesten bijna vanzelfsprekend naast mensen, alsof het verleden nooit helemaal verdwijnt. Dit soort cinema moet je niet consumeren, maar ervaren.

Kijk hier waar deze film draait.

 

Human Resource

Human Resource – De mens als product
Net als Becoming Human stelt Human Resource existentiële vragen zonder antwoorden te geven. In dit Thaise drama van Nawapol Thamrongrattanarit is de vraag wat het betekent om geen geest, maar een mens te zijn. De film komt voort uit zijn eigen twijfel over ouderschap en de vraag of het verantwoord is om een kind in de huidige wereld te zetten. Tegelijkertijd wilde de regisseur graag de verstikkende realiteit van het moderne kantoorleven tonen.

Daarbij kiest hij voor de afstandelijke, moeilijk te doorgronden hoofdpersoon Fren (Prapamonton Eiamchan), zodat de kijker zelf verklaringen voor haar gedrag kan zoeken. Het trage tempo en de herhalingen zijn bewust gekozen: ze laten de eentonigheid van het werkende leven voelen. Tijdens de zoveelste scène waarin Fren met haar auto de wasserette inrijdt, wordt die betekenis duidelijk: niet alleen de auto moet worden gereinigd, maar ook haar mentale gesteldheid.

Fren werkt in een bedrijf dat beveiligingsproducten op de markt brengt. Hun jongste uitvinding is een steekvest voor de politie dat verrassend goed blijkt te werken. Het bedrijf zoekt een nieuwe medewerker en Fren is de aangewezen functionaris om sollicitatiegesprekken te houden. Het blijkt een hopeloze exercitie want bijna alle kandidaten hebben wensen en eisen die het bedrijf niet kan inwilligen. In deze wereld draait alles om succes, bijna niemand heeft de behoefte om ‘gemiddeld’ te zijn. Dat geldt ook voor de man van Fren.

Het verstikkende gevoel van Fren – die niet tegen haar man zegt dat ze zwanger is, omdat ze twijfelt of ze het kind wel op de wereld wil zetten – wordt versterkt door haar omgeving. Hartje Bangkok puilt uit van kantoorgebouwen, en ergens in het midden ligt een klein groen veldje met wat bomen. Tijdens pauzes nemen de werknemers hier plaats op een stoel en binnen mum van tijd is iedereen met zijn of haar telefoon bezig, zonder contact met elkaar te maken. En thuis horen we via radio en televisie flarden van zaken waar je ook niet vrolijk van wordt. Zo vertelt een stem over toegenomen percentages microplastic in voeding, met name in appels. Alsof hij het nieuws niet tot zich wil laten doordringen, grijpt Fren’s man een appel van de schaal en neemt een flinke hap.

Human Resource schetst een lege, kapitalistische wereld vol controle en sociale druk waarin geen plaats is voor emotionele expressie, twijfel en kwetsbaarheid. In Becoming Human leeft de mens met geesten van het verleden, terwijl in Human Resource de mens een geest in het systeem wordt. De mens als product. Een lichaam dat functioneert, maar nauwelijks nog voelt.

Kijk hier waar deze film draait.

 

6 april 2026

 

CinemAsia 2026 – Deel 2: Filmmakers met perspectief
CinemAsia 2026 – Deel 3: De beste film die je nooit zag

 


MEER FILMFESTIVAL