Don’t Look Up

***
recensie Don’t Look Up
Geschenk uit de hemel

door Cor Oliemeulen

Dat Don’t Look Up een enorme hit op Netflix is, heeft waarschijnlijk meer te maken met de sterrencast dan met de boodschap die deze als rampenfilm vermomde satire uitdraagt.

Wat doe je als je bijna voor honderd procent zeker weet dat al het leven op aarde over zes maanden wordt vernietigd? De eerste reactie is waarschijnlijk flinke paniek. Dan ongeloof, en misschien je kop in het zand steken. De Amerikaanse regisseur Adam McKay (The Other Guys, The Big Short, Vice) trekt met Don’t Look Up veel registers open om zijn vrees voor een snel naderende klimaatcatastrofe kracht bij te zetten en veegt de vloer aan met zogenoemde klimaatontkenners. Zijn boodschap is pessimistisch, vooral als het gaat om een Hollywood-productie vol beroemde acteurs en actrices: als we niet snel actie ondernemen om de opwarming van de aarde te stoppen, is de mensheid ten dode opgeschreven. Behalve een clubje van rijken natuurlijk.

Don't Look Up

Het leven is een mediashow
De nerveuze wetenschapper Dr. Randall Mindy (Leonardo DiCaprio) en de ongedwongen doctor astronomie in wording Kate Dibiasky (Jennifer Lawrence) ontdekken dat een gigantische komeet linea recta op onze planeet afstevent. Aangekomen in het Witte Huis moeten ze lang wachten omdat president Orlean (Meryl Streep) middenin een schandaal zit en eerst haar imagoschade moet zien te beperken. Als de twee wetenschappers dan eindelijk hun verhaal kunnen doen, blijken de president en haar al even incapabele zoon en tevens stafchef Jason (Jonah Hill) niet geïnteresseerd. Wie zit er nou te wachten op zoiets heftigs?

Het lukt Randall en Kate vervolgens om te worden uitgenodigd in een grote live-nieuwsshow. Irritant genoeg moet het duo ook hier wachten om de wereld te vertellen welk onheil haar te wachten staat, want de tv-show heeft kennelijk nóg belangrijkere zaken te melden. Zoals de verbroken relatie van de grote social media-ster Riley Bina (Ariana Grande, die zelf ruim 250 miljoen volgers op Instagram heeft) die een hysterische uitvergroting van haar eigen persoon speelt en samen met Randall en Kate in de wachtruimte zit. Heel even lijkt het alsof de zangeres geïnteresseerd is in de boodschap van het duo tegenover haar. “You guys discovered a comet, that’s so dope”, kirt ze, maar direct daarna blijkt dat ze zo enthousiast is omdat ze een tattoo van een vallende ster op haar rug heeft.

Nadat Riley Bana zich tijdens de uitzending voor een kwijlend miljoenenpubliek heeft verzoend met haar al even populaire vriendje DJ Chello (Kid Cudi), is het tijd voor het onheilspellende nieuws van de astronomen. Maar al snel blijkt dat de twee door hun zenuwen en onbeholpen gedrag allerminst serieus worden genomen. Zelfs de echtgenote en de kinderen van Randall Mindy die opgewonden aan de buis gekluisterd zitten, hebben meer aandacht voor pa’s uiterlijk dan voor zijn boodschap. Nog voordat de tv-show is afgelopen, worden de wetenschappers geridiculiseerd en afgemaakt op de sociale media. In de dagen daarna zien we beelden van een ‘launch challenge’ waarin TikTokkers een vuurpijl in hun gezicht afschieten. Het mediacircus is in volle gang en ondertussen laat Randall zich versieren door talkshowsnol Brie Eventee (Cate Blanchett).

Don't Look Up

De macht van techbedrijven
Wanneer de wetenschappers van de president de verontrustende data van de naderende ‘planet killer’ bevestigen, realiseert zij zich dat actie is geboden. Het overgrote deel van mensheid zal weliswaar niet kunnen worden gered, maar volgens de geaffecteerde techno-gigant Peter Isherwell (Mark Rylance) biedt de komeet ongekende mogelijkheden vanwege de zeer waardevolle mineralen die het gevaarte bevat. Het is aan het team van rauwdouwer Benedict Drask (Ron Perlman) om de komeet in stukken te laten exploderen.

Don’t Look Up rekent niet alleen af met de zelfverrijking van machthebbers maar ook met de kwalijke invloed van techbedrijven. Tijdens een presentatie van Isherwell voor een zaal met uitzinnige fans zet hij kinderen in om zijn BASH-telefoon te promoten. Het kleinood heeft als functie om de aandacht van het echte, onoverzichtelijke leven af te leiden. Als je je slecht voelt, geeft je telefoon direct troost door het tonen van een grappig filmpje.

Ook de film zelf geeft bij tijd en wijle een somber gevoel, zeg maar gerust een verontrustend gevoel. Of zoals Randall Mindy het formuleert: ‘Kijken naar de hemel is vreselijk en prachtig tegelijk.’ Ondanks dat de meeste personages en situaties karikaturaal zijn neergezet, proef je de pré-dystopische atmosfeer. Soms voel je de angst voor het onafwendbare en zijn momenten eng realistisch, bijvoorbeeld door het kordate optreden van veiligheidsdiensten. Oproer onder het gepeupel wordt subtiel getoond in een kort shot vanuit de lucht waarin we zien hoe de rijken zich op een groot dakterras verpozen, terwijl helemaal onderaan op straat chaos heerst.

Don't Look Up

Klimaatcrisis en coronavirus
Don’t Look Up
is vlot (maar soms slordig) gemonteerd in de visuele stijl van The Big Short. Een scherpe satire zonder zoveel karikaturale grepen, maar met een meer grillig en serieus karakter was qua statement al snel beter geweest, maar al die overdrijvingen (soms flauw, soms slecht geacteerd) landen wellicht beter bij het grote publiek. Hoewel de boodschap urgent is, zal voor veel kijkers het klimaat het vast nog wel langer dan zes maanden volhouden.

De filmmakers volgen voor een groot deel de platgetreden formule van rampenfilms over zaken die de aarde dreigen te vernietigen. En natuurlijk moet Amerika de wereld redden! Of toch niet? Want de rijke en machtige elite blijkt bereid om de toekomst van de mensheid op het spel te zetten, met als doel zichzelf een nog uniekere machtspositie toe te eigenen.

De inslag lijkt onvermijdelijk, maar is veel luchtiger van toon dan het zwaar deprimerende Melancholia van Lars von Trier. Toch stemt ook Don’t Look Up zeker niet hoopvol, vandaar dat Adam McKay in de scène tijdens de aftiteling toch maar besluit met wat feelgood. Op hilarische wijze rekent hij binnen een paar seconden af met machthebbers die zichzelf hebben uitverkoren om een nieuwe wereldorde te scheppen.

Vooral om laatstgenoemde complottheorie laat deze film zich ook beschouwen als een satire op zaken die het coronavirus in gang heeft gezet. Zo zijn de klimaatontkenners nu de ‘wappies’, is er ook in dit geval polarisatie in de samenleving, lopen veel burgers als schapen achter de door de overheid gedicteerde media aan, en is het kiezen van zondebokken een beproefde methode om wanbeleid en een verborgen agenda te camoufleren.

 

2 januari 2022

 

ALLE RECENSIES

Terugblik filmjaar 2021: Een lach en een traan

Terugblik filmjaar 2021:
Een lach en een traan

door Cor Oliemeulen

Traditioneel blikken collega’s van InDeBioscoop eind december terug op het filmjaar. We trappen af met deze persoonlijke top 5 van films die in 2021 een bioscooprelease verdienden.

5 – Mandibules
Réalité van Quentin Dupieux was in 2015 verrassend IDB Film van het Jaar. Het lijkt onwaarschijnlijk dat het jongste werkstuk van de Franse meester van het absurdisme dit jaar als topfavoriet wordt gekroond, maar dat maakt de film niet minder leuk. Het krankzinnige verhaal van twee simpele zielen die een flink uit de kluiten gewassen vlieg proberen te dresseren, vormt de opmaat voor scherpzinnige kolder en maakt van Mandibules een heerlijk recept in deprimerende tijden.

 

4 – Another Round (Druk)
Het leven ziet er een stuk rooskleuriger uit als je alcohol hebt gedronken. Dat is althans de bevinding van vier vrienden, die allen werken als leraar op dezelfde middelbare school. Vooral Martin, die zowel zichzelf als zijn leerlingen (en zijn echtgenote) niet meer kon motiveren, heeft veel baat bij een slok op tijdens de lessen. Hilariteit alom, terwijl regisseur Thomas Vinterberg niet verzaakt om de tragische keerzijde te belichten. Mads Mikkelsen, dit jaar ook goed op dreef in Riders of Justice, acteert opnieuw fantastisch.

 

3 – Herr Bachmann und seine Klasse
Op een school in een Duitse industriestad gebruikt leraar Dieter Bachmann geen alcohol maar zijn persoonlijkheid om de leerlingen te inspireren. Brugklassers, met negen nationaliteiten waarvan sommigen nog nauwelijks Duits spreken, houdt hij met gemak bij de les. Met zijn uiterlijk van ouwe rocker en niet-alledaagse methodieken dwingt hij respect af en weet hij zijn leerlingen in hun waarde te laten. Tijdens deze ruim drie uur durende, immer boeiende documentaire zou je wensen dat je zelf zo’n leraar had (of was).

 

2 – Quo Vadis, Aida?
De Val van Srebrenica kon gebeuren omdat de Dutchbatters, vooral door uitgebleven luchtsteun van de NAVO, kansloos waren tegen de opmars van de Serviërs. De Bosnische filmmaakster Jasmila Zbanic maakte van deze gitzwarte bladzijde in de Nederlandse geschiedenis een meedogenloze reconstructie door de ogen van tolk Aida, krachtig neergezet door Jasna Djuricic. Terwijl de deportatie en genocide van moslimjongens en -mannen op het punt staat te beginnen, probeert Aida haar gezin te redden. Urgente, hartverscheurende film.

 

1 – The Father
Het verhaal van een tachtiger die langzaam de grip op de werkelijkheid verliest, was al een groot succes op de planken van West End en Broadway. De Franse schrijver Florian Zeller bewerkte zijn toneelstuk tot speelfilm en deed zelf de regie. Op het moment dat de vader (weergaloze rol Anthony Hopkins) een vreemdeling in zijn Londense appartement aantreft, denk je nog aan een mysteriethriller. Maar door de ingenieuze montage, waardoor ook de kijker gaten in de tijd ondergaat, ontwikkelt The Father zich tot een fascinerend, levensecht en ontroerend drama vanuit het perspectief van de dementerende. Geniaal.

 

20 december 2021

 

Terugblik filmjaar 2021: Altijd maar weer de oorlog
Terugblik filmjaar 2021: Vervreemding van het alledaagse geluk
Terugblik filmjaar 2021: Verwarrende tijden voor filmfans
Terugblik filmjaar 2021: Pole position voor streamingdiensten

 

 

The Father

 

Tantas Almas

****
recensie Tantas Almas
Vallei van de zielen

door Cor Oliemeulen

Colombia is het land waar de meeste inwoners (bijna 7,5 miljoen) binnen de eigen landsgrenzen moesten vluchten. Zoveel zielen die hun huis tijdens de burgeroorlog niet verlieten, riskeerden hun leven. Vooral jonge mannen werden vermoord. Tantas Almas is een eenvoudig verteld relaas met een indringende queeste naar het hart van de duisternis.

In het Colombia van de late jaren 80 richtten drugsbaronnen, landeigenaren en politici paramilitaire organisaties op om hun belangen te beschermen. De veelal jonge milities van de Autodefensas Unidas de Colombia (AUC) zaaiden dood en verderf onder progressieve burgerorganisaties en de plattelandsbevolking.

Tantas Almas

Dood en zuivering
In het gebied rond de Magdalena-rivier dat jarenlang hard is getroffen, maken we in 2002 kennis met de vriendelijke, religieuze José, die ’s avonds na urenlang vissen in zijn bootje terugkeert naar zijn dorp aan de oever. Hij wordt opgeschrikt door geschreeuw. Om zichzelf te beschermen, keert hij pas tijdens het ochtendgloren terug. Hij hoort dan van zijn dochter Carmen dat zijn twee zoons zijn meegenomen, en hoogstwaarschijnlijk direct gedood en in de rivier gegooid. ‘Dood en zuivering. Verenigde Zelfverdediging van Colombia’ hebben milities op hun houten huisje gekalkt. José probeert de leus tevergeefs met zijn kapmes te verwijderen. Hij tuurt bijna stoïcijns naar de rivier, omhelst Carmen en neemt zich voor te zorgen voor een respectvolle begrafenis voor haar twee broers.

Tijdens zijn queeste wordt José geconfronteerd met mensen waarvan hij lang niet altijd zeker weet of hij die kan vertrouwen. Zijn ogenschijnlijke gelatenheid is de consequentie van zijn vastberadenheid om zijn zoons te vinden. Vooral hachelijk zijn de confrontaties met paramilitairen die verbieden om lijken uit de rivier te vissen en hem meenemen naar hun kamp. De commandant zit hier begeesterd een bergetappe van de Tour de France te kijken en hoopt vurig dat een Colombiaanse wielrenner wint, terwijl José als een vorm van vernedering wordt gedwongen om het ene na het andere bord soep leeg te eten.

Gouden greep
Regisseur Nicolás Rincón Gille, die na zijn bachelor economie in Bogota naar Brussel vertrok om er film te gaan studeren, maakt met Tantas Almas (Zoveel zielen) zijn speelfilmdebuut nadat hij eerder in drie documentaires de nasleep van het geweld van de paramilitairen in zijn moederland had behandeld. Hij maakt dankbaar gebruik van de sfeervolle breedbeeldcinematografie van Juan Sarmiento met de schoonheid van landschappen die zijn gedrenkt in oorlogsmisdaden. Ook de casting van niet-professionele acteurs op locaties waar het oorlogsgeweld zich het meest liet voelen, is uitermate geslaagd.

Tantas Almas

Vooral de keuze voor José Arley de Jesús Carvallido Lobo als vader José blijkt een gouden greep. Een oudere, pezige man – kalend, grijze haren en een flinke snor, doorleefd gelaat met sprekende ogen en bijna steeds gehuld in een voetbalshirt van het nationale elftal met zijn eigen naam op de rug – die zich laat leiden door de heilige Antonius, het geloof dat dode zielen tot leven kunnen komen, maar vooral door zijn opdracht om zijn twee zoons te vinden.

De cameravoering is rustig, de geluidsband vooral gevuld met omgevingsgeluiden, de spanning bijna steeds voelbaar. De regisseur neemt alle tijd om de kijker mediterend en gehypnotiseerd mee te slepen in José’s innerlijke gevoelswereld door de jungle en in de dorpjes, op weg naar een voor hem onvermijdelijke apotheose, waarvan de expliciete gruwelijkheid bewust bijna geheel buiten beeld wordt gehouden en daardoor juist effectief aanvoelt. Pas als José in het eindshot in een vissersbootje op de Magdalena-rivier steeds verder weg peddelt en langzaam verdwijnt in de onmetelijke natuur is ook de verblufte kijker in staat ‘s mans persoonlijke relaas een plekje te geven.

 

17 december 2021

 

ALLE RECENSIES

Ip Man (2008)

REWIND: Ip Man (2008)
Donnie Yen is de perfecte titelheld

door Cor Oliemeulen

In tientallen scholen van Foshuan worden jongens getraind in kungfu. De meest bekende beoefenaar van de krijgskunst in deze Zuid-Chinese stad is Ip Man, die in 1935 een vreedzaam leven met vrouw en kind verkiest boven het leiden van een vechtschool. In Ip Man (2008) maken we voor het eerst kennis met de latere leermeester van martial arts-legende Bruce Lee en opereert acteur Donnie Yen als de perfecte titelheld.

Als je Ip Man zo relaxt ziet staan in zijn prachtig gedecoreerde huis (lang gewaad, handen op de rug, vriendelijke glimlach) wijst nog niets op een persoon met wie je beter geen ruzie kunt zoeken. Toch staat er regelmatig weer eens iemand op de stoep om Ip Man uit te dagen voor een gevecht. Met ogenschijnlijk gemak en zonder noemenswaardige inspanning leert hij vervolgens zo’n branieschopper een onvergetelijk lesje in vechttechnieken, verkregen door uitzonderlijk talent en unieke vaardigheden, die hij vooral ontwikkelde door gericht te trainen met een houten dummy.

Ip Man

Wing Chun
Ip Man is specialist in de stijl Wing Chun (‘loflied voor de lente’). De nadruk ligt op korte, snelle bewegingen in gevechten op korte afstand. Het streven is een zo groot mogelijk effect met minimale inzet. Een van Ip Mans handelsmerken is zijn zogenaamde ‘chain punching’-techniek, waarbij zijn vuisten als een snelle roffel op de borst of het hoofd van zijn tegenstanders neerdalen. En als je niet groot of enorm gespierd bent, moet je te allen tijde ontspannen blijven en de kracht van je tegenstander gebruiken om die te overmeesteren.

Op een mooie dag staat een bendeleider met zijn gevolg van buiten de stad op de stoep. Deze agressieve vechtjas heeft zojuist met succes een aantal meesters van de kungfu-scholen in Foshuan hardhandig tegen de grond gewerkt en heeft gehoord dat Ip Man de beste martial arts-meester van de stad is. De bendeleider provoceert Ip Man en lacht hem uit omdat Wing Chun volgens hem is uitgevonden door twee vrouwen. Het duurt niet lang voordat de schurk vol blauwe plekken met de staart tussen de benen de stad verlaat, weggehoond door de toegestroomde menigte. Later in de film volgt een nieuwe confrontatie.

Ip Man

Er zijn verschillende legenden over de oorsprong van Wing Chun. Volgens Ip Man zelf werd deze vorm van martial arts inderdaad bedacht door twee vrouwen. De overlevering begint met het relaas van Ng Mui, een non die in 1647 als een van slechts vijf personen wist te ontsnappen uit een in brand gestoken Shaolin-tempel. De daders waren Mantsjoes die de Ming-dynastie ten val wilden brengen en heel China veroveren. Na haar vlucht uit de tempel vestigde Ng Mui zich in het Daliang-gebergte en nam zich voor de traditionele zelfverdedigingskunsten van de boeddhistische monniken te verfijnen. Ze leerde haar kungfu-stijl aan een andere vrouw, Yim Wing Chun, wier echtgenoot deze vechtkunst overbracht aan anderen. Drie eeuwen later is Ip Man de grote meester van Wing Chun.

Chinees-Japanse Oorlog
Ip Man is een typische martial arts-film met geweldige gevechtschoreografieën vol ingenieuze en komische effecten, een sfeervolle geluidsband en wijze teksten van het titelpersonage. Er zijn de nodige spannende elementen, maar de kijker weet dat alles weer snel op zijn pootjes terecht komt, zolang Ip Man maar van de partij is.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Die gemoedelijkheid slaat plotseling om in een grimmige sfeer als Japan in 1937 China binnenvalt en dood en verderf zaait. Half Foshuan ligt in puin en als gevolg van geweld en honger is het aantal inwoners gedaald van 300.000 tot slechts 70.000. Het grote huis van Ip Man fungeert nu als hoofdkwartier van het Japanse leger en ook hij en zijn gezin krijgen te maken met hongersnood. Ip Man gaat werken in een kolengroeve om rijst te kunnen betalen en krijgt te maken met de terreur van Japanse soldaten en een sadistische generaal. Tegen zoveel man – met pistolen en geweren – is ook Ip Man niet opgewassen.

Een andere generaal, een meester in de Japanse vechtkunst, heeft de beruchte status van Ip Man vernomen. Pas nadat hij hoort dat een van zijn beste vrienden is vermoord, neemt hij de uitdaging van de generaal aan om met hem te duelleren. “In de Chinese vechtkunsten gaat het om het gevecht, maar de Confuciaanse filosofie geldt eveneens. De deugd van het gevecht is de menselijkheid. Zich in een ander inleven, dat zal een Japanner nooit begrijpen”, bijt Ip Man de generaal toe. “Jullie misbruiken de militaire kracht, gebruiken puur geweld om andere volken te onderdrukken. Jullie zijn onwaardig om de Chinese vechtkunst te leren.”

Ip Man

Bruce Lee
Ip Man eindigt wanneer onze held met een kogelwond wordt afgevoerd. Na de oorlog zal hij in Hong Kong dan eindelijk een kungfu-school openen. Een vijftienjarig opgewonden standje met de naam Bruce Lee zou zich daar melden in 1953. Hij was geboren in Chinatown, San Francisco toen zijn ouders als opera-acteurs op tournee waren in Amerika. Toen Bruce drie maanden was, gingen ze terug naar Hong Kong. Als puber was hij daar regelmatig betrokken bij straatgevechten. Van Ip Man leerde hij niet alleen de technieken van Wing Chun, maar ook om zijn geest tot rust te brengen in plaats van als een dolle stier met Jan en alleman te gaan knokken. Op zijn negentiende ging Bruce Lee terug naar Amerika waar hij zijn eigen vechtkunst ontwikkelde: Jeet Kune Do, een combinatie van verschillende vechtstijlen die was bedoeld als zelfverdediging.

Door het internationale succes van Ip Man en de nieuwe martial arts-ster Donnie Yen (zijn moeder was als meester in de martial arts een pionier van Chinese vechtsporten in Amerika) zouden er nog drie films – ook allen geregisseerd door Wilson Yip – in deze franchise volgen. Zo zien we in Ip Man 2 de al even beroemde Sammo Hung zijn formidabele vechtkunsten etaleren en mag niemand minder dan Mike Tyson in Ip Man 3 proberen om Donnie Yen knock-out te slaan.

 

IP MAN KIJKEN: o.a. te zien op Pathé Thuis.

 

Meer REWIND

Tre Piani

***
recensie Tre Piani

Alles voor je kind

door Cor Oliemeulen

De Italiaanse regisseur Nanni Moretti is dol op gecompliceerde familierelaties vol leed en confrontaties. In Tre Piani neemt hij voor het eerst het werk van iemand anders als uitgangspunt voor de lange weg naar verlossing.

Een boek vertalen naar film: er zijn meer miskleunen dan geslaagde pogingen. Nanni Moretti (Habemus Papam, Mia Madre) verfilmde het boek Three Floors Up van de Israëlische schrijver Eshkol Nevo en verplaatste het verhaal naar drie verdiepingen van een gebouw in Rome waar de levens van drie echtparen met elkaar vervlochten raken na enkele onfortuinlijke gebeurtenissen. Na de wereldpremière op het filmfestival van Cannes kregen de makers van Tre Piani een staande ovatie van elf minuten. Het was niet geheel duidelijk of de toeschouwers zolang klapten omdat ze de film zo goed vonden óf dat ze waren opgelucht nadat ze twee uur lang hadden moeten blijven zitten om zich de talrijke dramatische ontwikkelingen te laten welgevallen.

Tre Piani

Donkere hoeken van de ziel
Eshkol Nevo, zeer vereerd dat zijn favoriete regisseur Nanni Moretti zijn boek wilde verfilmen, liet zich in elk geval positief uit over het resultaat. “Regisseur, scriptschrijvers en acteurs waren niet bang. Ze keken diep in de donkerste hoeken van de ziel.” Er waren in het uitgebreide plot dan ook heel wat prangende vragen te beantwoorden. Bijvoorbeeld of het soms beter is voor een kind om zijn relatie met zijn ouders te beëindigen. Of hoe een vrouw reageert als haar echtgenoot haar zou dwingen om te kiezen tussen hem en hun kind. Waar ligt de lijn tussen de gezonde bezorgdheid van ouders en hun dodelijke obsessie om het kind voor alle mogelijke onheil te behoeden? En wat verbergen de buren achter hun gesloten deuren? Laat die antwoorden maar over aan Moretti met zijn fascinatie voor ingewikkelde relaties en innerlijke worstelingen.

Laten we beginnen bij het begin. Monica (Alba Rohrwacher: Le Meraviglie) strompelt ’s nachts het appartementencomplex uit omdat ze op het punt staat te bevallen. Ze heeft niet eens in de gaten hoe een auto zigzaggend de straat inscheurt, een vrouw aanrijdt en tot stilstand komt in het gebouw, om precies te zijn in de benedenwoning van Sara (Elena Lietti) en Lucio (Riccardo Scarmarcio) en hun dochtertje Beatrice. Achter het stuur zit de stomdronken buurjongen Andrea (Alessandro Sperdutti), de zoon van Dora (Margherita Buy: Mia Madre) en Vittorio (Nanni Moretti). Al spoedig blijkt dat de aangereden vrouw is overleden en dat Andrea zal moeten opdraaien voor de consequenties, wat sowieso onvermijdelijk is omdat beide ouders als rechters werkzaam zijn.

Tre Piani

Soapneigingen
In het appartement naast Sara en Lucio, die eveneens vaak van huis zijn, wonen Giovanna (Anna Bonaiuto) en Renato (Paolo Graziosi: Pinocchio). Aangezien zij gepensioneerd zijn, is het voor Sara en Lucio handig om hen zo nu en dan op hun dochtertje Beatrice te laten passen, ondanks het feit dat Renato wat begint te dementeren. Op een dag zijn de rapen gaar als Renato en Beatrice zijn verdwenen en ’s avonds laat worden aangetroffen in een park. Aangezien Beatrice de dagen daarna in zichzelf is gekeerd, vermoedt Lucio dat Renato onzedelijke praktijken met zijn dochtertje heeft uitgevoerd. Dat leidt tot ernstige verwikkelingen, met als klap op de vuurpijl de komst van Renato’s puberende kleindochter Charlotte (Denise Tantucci) die de spartelende Lucio probeert te versieren.

De regisseur van Tre Piani neemt zoals gebruikelijk ruimschoots de tijd om de karakters te introduceren en hun drijfveren en onderlinge verhoudingen te schetsen. Echter halfweg het mozaïekdrama – het is dan vijf jaar later – zakt de film in. We merken dat er in de tussentijd het nodige is gebeurd, maar dan beginnen de toevalligheden en onwaarschijnlijkheden zich op te stapelen. Alle nieuwe complicaties, tweestrijd en innerlijke conflicten hadden zich gemakkelijk kunnen lenen voor een soap, satire of een klucht, maar blijven bittere ernst en komen het tempo en de spanningsboog niet ten goede. Gelukkig mogen enkele personages hun broodnodige catharsis beleven – met name de opnieuw sterk, ingetogen en aandoenlijk acterende Margherita Buy. Desondanks is de jongste rolprent van Nanni Moretti geen hoogvlieger.

 

25 oktober 2021

 

ALLE RECENSIES

King in New York, A

A King in New York (1957)
De lieve wraak van Chaplin

door Cor Oliemeulen

Aanvankelijk leek Limelight (1952) bedoeld als de afscheidsfilm van Charlie Chaplin. De komiek op leeftijd met de naam Calvero is gemodelleerd naar de meester van de pantomime en slapstick zelf. Vijf jaar later had Chaplin kennelijk zijn problemen met de Amerikaanse overheid (en pers) nog niet verwerkt en maakte hij A King in New York (1957).

Charlie Chaplin was van plan om opnieuw als zijn legendarische zwerverstypetje te verschijnen, maar echtgenote Oona en vast vele anderen waren hierop tegen. Het was inmiddels 17 jaar geleden dat hij de fratsen van ‘The Little Tramp’ had vertoond in The Great Dictator (1940). Nu was het tijd om op zijn welbekende charmante en gevatte manier af te rekenen met de haat zaaiende communistenjagers in de Verenigde Staten, het land dat hij vijf jaar eerder voorgoed was ontvlucht omdat hij niet wilde getuigen in de ‘Commissie tegen on-Amerikaanse activiteit’.

Schandalen
Conservatief Amerika had wat moeite met de van oorsprong Engelse komiek en filmmaker. Chaplin was enkele keren getrouwd met hele jonge vrouwen en verwikkeld geweest in geruchtmakende echtscheidingszaken. Hij had geen moeite met communisten (of wie dan ook) en in een interview zei hij dat hij zich nooit Amerikaan had gevoeld. Hij piekerde er niet over om Amerikaans onderdaan te worden, hoewel hij altijd riant zijn belastingen betaalde. Chaplin sprak zich in en buiten zijn films uit over sociale ongelijkheid en deed eens een onhandige uitspraak over de oorlog.

A King in New York (1957) werd gedraaid in slechts 12 weken (Chaplin nam normaliter veel meer tijd) en vertelt de geschiedenis van koning Shahdov die vanwege een revolutie zijn Europese land moet ontvluchten. Het verhaal heeft duidelijke overeenkomsten met Chaplin, die zelf de hoofdrol speelt. Eenmaal aangekomen in een duur hotel in New York blijkt dat een getrouwe er met Shahdovs geld vandoor is gegaan.

Commercials
Via Ann Kay (Dawn Addams), een vlotte jongedame van de televisie, kan het gebeuren dat de koning gaat acteren in commercials. Hij wordt razend populair, juist doordat zijn te verwachten gestuntel in een live-commercial faliekant mislukt. Later neemt Chaplins personage natuurlijk ook andere moderniteiten (zoals harde muziek, breedbeeldfilm, facelift) op de hak, zoals Jacques Tati dat in die jaren in Frankrijk deed.

Pas halfweg komt de film lekker op gang en wordt de komedie een satire. Tijdens een rondleiding op een jongensschool had Shahdov al kennisgemaakt met de 10-jarige wijsneus Rupert (gespeeld door zijn zoon Michael Chaplin, die al eerder met vader Charlie samenspeelde in Limelight) en nu moet hij het jochie van de straat plukken. Rupert staat daar te verkleumen, want zijn ouders worden gezocht, omdat ze communisten zijn. De verwijzing naar The Kid (1921), waarin een volwassen man ook tijdelijk een pienter jongetje onder zijn hoede neemt, is evident.

Satire
De kritiek die je op A King in New York kunt hebben, is dat de film een beetje mosterd na de maaltijd is, omdat bij het verschijnen de communistenjacht in Amerika al redelijk was verstomd. Bovendien zet Chaplin niet zijn eigen personage in om de jagers met terugwerkende kracht te ontmaskeren als een stelletje paranoïde patriotten. Echter de keuze voor de 10-jarige Rupert (letterlijk de nieuwe generatie) is gerechtvaardigd. Zijn ouders, leraren, worden aangeklaagd als communisten. Op een geloofwaardige en bevlogen manier weet het wonderkind zijn opvattingen over vrijemeningsuiting en politieke voorkeuren te verwoorden. Nu is het Rupert die voor een commissie moet verschijnen, terwijl de koning bijna te laat komt, omdat hij op een hilarische wijze in de lift vast komt te zitten.

A King in New York

Naast satire heeft de filmmaker nog wat zelfspot achter de hand. Als koning Shahdov uiteindelijk afscheid neemt van Ann Kay, tussen plagend en flirtend, is dat een dikke knipoog naar de kijker die Chaplins voorkeur voor jongere vrouwen in de tabloids heeft gevolgd.

Ook A King in New York was niet Charlie Chaplins afscheidsfilm, want tien jaar later maakte hij nog het weinigzeggende A Countess from Hong Kong (1967) met zoon Sidney en wereldsterren Sophia Loren en Marlon Brando in de hoofdrollen, maar van zelf acteren zou het niet meer komen.

Chaplins genen
Sinds Charlie is er inmiddels sprake van een heus Chaplin-acteursgeslacht waarvan alleen maar Geraldine Chaplin algemeen bekend is. Een van haar dochters heet Oona, genoemd naar haar oma. De hoeveelheid andere familieleden laat zien hoe het filmvak de Chaplins in de genen zit (en hoe het dus ook met het liefdesleven van de pater familias was gesteld). We noteren slechts de namen van Charlie’s kinderen die actief zijn als acteur en/of producer: Sidney, Charles jr., Josephine, Christopher, Victoria, Eugene, Jane, Annette en Michael (de zoon in A King in New York). Uiteraard kreeg Michael later ook acterende kinderen: Carmen en Dolores. Waar blijft eigenlijk die Oscar voor grootste filmfamilie?

 

21 oktober 2021

 

THEMAMAAND CHARLIE CHAPLIN

Charlie Chaplin was omstreden maar vooral geniaal

Collectie Charlie Chaplin gerestaureerd in de bioscoop
Omstreden maar vooral geniaal

door Cor Oliemeulen

Tien speelfilms van de legendarische Engelse komiek Charlie Chaplin zijn volledig gerestaureerd vanaf 14 oktober te zien in de bioscoop. Op InDeBioscoop lees je deze maand besprekingen van al die films. Chaplin was omstreden, maar vooral geniaal. Omstreden vanwege zijn relaties met zijn veel jongere partners en zijn vermeende anti-Amerikaanse sentimenten; geniaal omdat hij met minimale middelen wist uit te groeien tot de beroemdste filmkomiek ter wereld.

Je moet wel een enorme zuurpruim zijn als je niet kunt lachen om het archetype van de zwerver waarmee Charlie Chaplin wereldberoemd werd. In My Autobiography (1964) schrijft hij hoe ‘The Tramp’ ontstond toen hij de overstap maakte van het theater naar de (korte) film. “Ik had geen idee hoe ik me zou grimeren en kleden. Ik besloot te verschijnen in een slobberbroek, een te nauw jasje, grote schoenen, een wandelstok en een bolhoed. Ik besloot me van een klein snorretje te voorzien dat mij een ouder voorkomen zou geven, zonder mijn gelaatsuitdrukking te veranderen. U moet weten dat het een veelzijdig kereltje is: een zwerver en een gentleman, een dichter en een dromer, een eenzame die altijd hoopt op wat romantiek en avontuur.”

Charlie Chaplin (rechts) als oplichter voor het eerst op het witte doek in de korte film Making a Living (1914) van Keystone Studios.

Charlie Chaplin (rechts) als oplichter voor het eerst op het witte doek in de korte film Making a Living (1914) van Keystone Studios.

The Tramp maakt allerlei jeukende bewegingen, alsof hij vlooien heeft. “Maar die wandelstok heeft mij het meest beroemd gemaakt en ik heb hem bovendien zo leren hanteren dat hij op zichzelf al iets komisch heeft gekregen. Dikwijls heb ik hem bij toeval aan het been of de schouder van iemand vastgehaakt en kreeg op die manier een lachsucces zonder het mij bewust te zijn.” Een ander handelsmerk is zijn springen op één been als hij bij het hard lopen (regelmatig achtervolgd door een agent) op de hoek van een straat komt en de mensen subtiel groet door even zijn hoed op te lichten met de wandelstok achter zijn rug.

Van armoedzaaier tot geslaagde variétékomiek
Charles Spencer Chaplin werd op 16 april 1889 geboren in een achterbuurt van Oost-Londen. Hij groeide op rondom Kennington Road met derderangs musichall-artiesten, zoals zijn vader Charles senior. Zijn ouders scheidden toen Charlie 1 jaar was. Zijn moeder Hannah probeerde zo goed zij kon voor de kleine Charlie en zijn oudere broertje Sidney te zorgen. Vooral vanwege ondervoeding werd moeder opgenomen in een inrichting voor geesteszieken en moesten haar twee zoontjes naar het armenhuis. De jochies zwierven veel op straat rond en woonden dan weer bij hun vader en zijn nieuwe vriendin. Vader stierf op zijn 37ste aan alcoholvergiftiging en moeder zou haar hele leven perioden van depressies blijven houden.

Charlie maakte voor het eerst kennis met het toneel toen hij als baby op de arm van zijn moeder op de planken werd gedragen voor een scène waarin men een baby nodig had. Als 5-jarige zong hij een liedje in het theatertje waar zijn moeder optrad. Officieel debuteerde Chaplin acht jaar oud in een dans op klompen uitgevoerd door de Eight Lancashire Lads. Op zijn zeventiende sloot hij zich aan bij de pantomimegroep van Fred Karno (die ook in Theater Carré zou optreden) en twee jaar later mocht hij zich in Engeland al op 19-jarige leeftijd een geslaagde variétékomiek noemen. In 1909 mocht Chaplin met de Karno Company een maand lang optreden in de Folies Bergère in Parijs, waarna hij begin 1910 mee mocht naar Amerika. Hij was vastbesloten om zich daar voorgoed te vestigen.

Het beloofde land Amerika
“Ik zag Amerika in een ander licht; die hoge wolkenkrabbers, de heldere elektrische lichtjes en de boeiende reclames inspireerden mij met een gevoel van hoop en avontuur. Dit is het, hier hoor ik thuis”, schrijft Chaplin in zijn autobiografie. “Of we nog langer in Amerika zouden blijven, hing af van deze tournee. Als het een mislukking werd, zouden we naar Engeland terugkeren. Ofschoon onze show een mislukking was, kreeg ik zelf dikwijls goede kritieken. Het was een ellendige ervaring iedere avond voor een koel en zwijgend publiek met onze leuke, vrolijke Engelse klucht op te treden. De derde week echter speelden we in de Fifth Avenue voor een publiek dat bijna geheel uit Engelse butlers en bedienden bestond. Tot mijn verbazing hadden we plotseling groot succes. Gedurende die week kwam er een theateragent naar ons toe en engageerde ons voor een tournee van twintig weken in het westen met Sullivan & Considine. Drie shows per dag.”

Na een korte reis terug naar Engeland, alwaar zijn moeder een shocktherapie had gehad, maar later toch zou opknappen, ging Charlie met zijn eveneens acterende broer Sidney naar New York. (Na de Eerste Wereldoorlog zou hun moeder ook in Californië komen wonen, met een verblijfsvergunning voor telkens een jaar.) Keystone Studios probeerde Charlie te interesseren voor het witte doek door hem twee keer zoveel te bieden als hij bij Karno kon verdienen. De korte kluchten van Keystone, waar vele anderen hun filmcarrière begonnen (zoals Harold Lloyd, Gloria Swanson, Ben Turpin en Harry Langdon), konden die ‘eigenzinnige Engelse clown’ wel gebruiken. Maar een echte clown was hij niet. Bij een clown is humor het doel, bij Chaplin het middel.

Onafhankelijk filmmaker
Na zijn succesvolle optredens in tientallen eenakters en tweeakters (later ook bij de filmstudio’s Essanay, Mutual en First National) raakte Chaplin tot de overtuiging dat hij zelf wel een filmscript kon schrijven. Alles wat hij voor een klucht nodig had, was een park, een politieagent en een aardig meisje. Bij iedere mogelijke gelegenheid probeerde hij iets van de filmmakerij te leren en geregeld bezocht hij de ontwikkelkamer en lette nauwkeurig op hoe een film gemonteerd werd. Hij ontdekte dat de plaatsing van de camera niet alleen een psychologisch effect had, maar ook een bepaalde scène kon accentueren. Als de camera te dichtbij of te ver verwijderd was, kon dit het effect verhogen of bederven. Hij schoolde zich in techniek, toneelkunst en bewegingsleer en profiteerde hierbij van zijn ervaringen op de planken.

Chaplin verafschuwde alle door trucs verkregen effecten. “Zoals het fotograferen dwars door een vuurhaard vanuit het gezichtspunt van een stukje steenkool, of opnamen met een rijdende camera naast iemand die door de hal van een hotel loopt, alsof men hem op de fiets begeleidt. Dergelijke effecten vind ik te goedkoop, het ligt er te dik bovenop. Mijn techniek is het resultaat van onafhankelijk denken, van mijn eigen logica en benadering, en niet iets dat ik van anderen heb afgekeken.”

Charlie Chaplin met Jackie Coogan in The Kid (1921), de eerste speelfilm die hij regisseerde.

Charlie Chaplin met Jackie Coogan in The Kid (1921), de eerste speelfilm die hij regisseerde.

Eigengereid en perfectionistisch
In de Keystone-dagen was zijn zwerver vrijer geweest en minder aan het verhaal gebonden. Aanvankelijk hield het instinct van The Tramp zich hoofdzakelijk bezig met de elementaire behoeften van de mens: voedsel, warmte en onderdak. Maar bij iedere verdere film werd hij wat ingewikkelder van karakter en langzamerhand begon het gevoel bij hem een rol te spelen. Chaplins humor bleef het resultaat van een spel met het menselijk leed – zie onder meer The Kid (1920), The Gold Rush (1925) en The Great Dictator 1940) – maar door de manieren waarop kon je het uitstekend van Chaplin hebben. Hij zei ooit in een interview: “Ik zou het liefst mijzelf als een mimisch satiricus willen beschouwen, want ik heb in al mijn komedies bedoeld de mensen belachelijk te maken, of tenminste die mensen wier bestaan in de wereld al een satire is.”

Zoals Chaplin weinig zag in een zijns inziens gekunstelde manier van films maken, was hij al helemaal niet te spreken over de geluidsfilm die in 1927 met The Jazz Singer van Alan Crosland werd geïntroduceerd. “Alles was afgestemd op het spreken en niet langer op het handelen”, aldus zijn autobiografie. “Ik was vastbesloten door te gaan met het maken van zwijgende films, want ik was van mening dat verschillende soorten ontspanning naast elkaar konden blijven voortbestaan. Daar kwam nog bij dat ik een pantomimespeler was; daarin was ik enig en, zonder valse bescheidenheid gezegd, een meester. Ik ging dus rustig verder met het maken van een nieuwe stomme film, City Lights (1931).”

In zijn boek Charlie Chaplin (1955) laat auteur Constant van Wessem Chaplins secretaresse Elsie Codd aan het woord: “Chaplin heeft veel tijd nodig voor zijn films. Gedurende een hele dag dat hij bezig is, worden er vaak niet meer dan twee scènes opgenomen en soms laat hij eenzelfde scène gedurende een hele week honderd keer afdraaien totdat hij er tevreden over is. Hij is voor zichzelf moeilijker dan de scherpste criticus onder zijn toeschouwers.”

Vlucht terug naar Europa
Door de jaren heen ontmoette Chaplin bijna alle groten der aarde uit de politiek, wetenschap, literatuur en kunst. Conservatief Amerika had echter de nodige moeite met de Engelse komiek en filmmaker. Chaplin zei dat hij zich nooit Amerikaan had gevoeld. Hij piekerde er niet over om Amerikaans onderdaan te worden (hoewel hij altijd keurig zijn belastingen betaalde), sprak geen Amerikaans en zijn villa in Beverly Hills zag er uit als een voornaam Engels landhuis. Chaplin sprak zich in en buiten zijn films uit over sociale ongelijkheid, terwijl zijn geringe activiteit in de oorlog hem werd kwalijk genomen, want collega’s als Marlene Dietrich en Bob Hope lieten zich tenminste nog zien bij de Amerikaanse troepen aan het front.

Charlie Chaplin tijdens de opnames van Limelight in 1952.

Charlie Chaplin tijdens de opnames van Limelight in 1952.

Ook Chaplins wispelturige liefdesleven (vele vrouwen, vier keer getrouwd, elf kinderen), spectaculaire echtscheidingsprocessen en gerechtelijke procedures over de toewijzing van zijn eerste kinderen ontketenden de nodige schandaalkopij. Met zijn eerste vrouw, Mildred Harris, trouwde Chaplin toen hij 29 was en zij 16, met zijn tweede vrouw Lita Grey trouwde hij in Mexico omdat zij nog maar 15 was, en zijn vierde en laatste echtgenote (tot zijn dood in 1977), Oona O’Neill, was pas 18 toen Chaplin al 54 was.

Toen hij als vermeende communist in 1952 moest verschijnen voor de ‘Commissie tegen on-Amerikaanse activiteit’, verliet Chaplin het land waarin hij zoveel grote artistieke successen had mogen vieren voorgoed. Zijn laatste film die in Amerika in première ging, was Limelight (1952), waarin de dood van de clown Calvero het symbolische einde van de komiek Charlie Chaplin betekende. Met A King of New York (1957), een satire op de heksenjacht van McCarthy, kwam hij aan het einde van zijn indrukwekkende oeuvre.

In Europa werd Chaplin vervolgens bedolven onder de onderscheidingen, zoals in 1954 de prijs van de Raad voor Wereldvrede waarvan hij het geld schonk aan de armen van Parijs en Londen, alsook de Erasmusprijs uit handen van Prins Bernhard in 1965 en geridderd door koningin Elizabeth in 1975. En de Amerikanen? Die wisten hun schandelijke behandeling van Chaplin enigszins goed te maken in 1972 met de uitreiking van een ere-Oscar, gevolgd door een staande ovatie van 12 minuten.

 

30 september 2021

 

THEMAMAAND CHARLIE CHAPLIN

Film by the Sea 2021 – The Truth About La Dolce Vita

Film by the Sea 2021 – The Truth About La Dolce Vita:
Geen obstakel te hoog voor Fellini’s filmklassieker

door Cor Oliemeulen

Tijdens de 23ste editie van Film by the Sea in Vlissingen staan zowel oude als nieuwe films op het programma. Wij blikken vooruit met twee documentaires over Federico Fellini. In dit eerste deel een bespreking van The Truth About La Dolce Vita over de moeizame ontstaansgeschiedenis van deze beroemde klassieker. Centraal in het relaas staat producer Giuseppe “Peppino” Amato.

Giuseppe Amato (1899-1964) was een belangrijke Italiaanse schrijver/producer die veel samenwerkte met de regisseurs Vittorio De Sica (hoogtepunt Ladri di biciclette uit 1948) en Federico Fellini (hoogtepunt La Dolce Vita uit 1960). In The Truth About La Dolce Vita (2020) zien we hem bijna ten einde raad moederziel in een filmzaaltje waar hij moet constateren dat Fellini’s La Dolce Vita nog steeds maar liefst vier uur lang is (de internationale filmdistribiteurs vinden drie uur het maximum) en omdat zijn co-producer Angelo Rizzoli ermee wil kappen, want de opnamekosten rijzen steeds verder de pan uit.

The Truth About La Dolce Vita

Interessante reconstructie
De documentaire is gemaakt door Amato’s kleinzoon Giuseppe Pedersoli (tevens zoon van spaghettiwesternacteur Bud Spencer), dus was het vast gemakkelijk om de hand te leggen op de correspondentie van zijn grootvader met Fellini tijdens de opnamen van La Dolce Vita in 1959. Hun briefwisseling die met name gaat over het overschrijden van het afgesproken budget van 400 miljoen lire (de film zou uiteindelijk het dubbele kosten) mag dan niet eerder gepubliceerd zijn, het meeste van de ‘waarheid over La Dolce Vita’ was allang bekend.

Desalniettemin biedt de documentaire – een mix van nagespeelde gebeurtenissen (met acteur Luigi Petrucci als Giuseppe Amato), fragmenten uit de film (verplichte finale met de iconische scène in de Trevifontein) en interviews met direct betrokkenen (de beroemde producer Dino De Laurentiis vertelt bijvoorbeeld waarom hij afhaakte) – een interessante reconstructie in de moeizame ontstaansgeschiedenis van La Dolce Vita dat bij de release in 1960 nota bene in eerste instantie door de Italiaanse pers zou worden neergesabeld.

Via Veneto
Op 5 februari 1959 schrijft Angelo Rizzolo aan Federico Fellini dat de film beslist niet meer dan 400 miljoen lire mag kosten. Dat bleek al snel ijdele hoop omdat de regisseur een deel van Via Veneto – de befaamde straat in Rome waar de internationale jetset langs de cafés paradeert en hoofdrolspeler Marcello Mastroianni als roddeljournalist zijn scoops probeert te halen – in de Cinecittà-studio liet nabouwen. In een oud interview vertelt Fellini dat Via Veneto het hart van de film is omdat hier zich de meeste scènes afspelen. Giuseppe Amato zou aanvankelijk geen toestemming hebben gegeven om een deel van de straat in de studio na te bouwen, maar zou na het nodige aandringen van Fellini overstag gaan. Ook andere settings, kostuums en de gebruikelijke artistieke vondsten dreven de kosten gigantisch op. Ondanks Fellini’s uit de hand gelopen wensen blijkt in de documentaire dat hij bij iedereen geliefd was, zelfs bij de producers, die allebei met serieuze stressklachten te maken kregen.

The Truth About La Dolce Vita

La Dolce Vita is een titel met een cynische ondertoon. Terwijl onze roddeljournalist zich uiteindelijk zal laten vernederen in zijn pogingen om te mogen toetreden tot de hippe wereld van royalty en filmsterren in nachtclubs en op feestjes vol immorele en hedonistische karakters, toonden zowel de katholieke kerk als vele politici zich geschokt en wilden ze de film in Italië laten verbieden (en sommigen de regisseur zelfs in de gevangenis laten gooien). Dat zij niet verder keken dan hun neus lang is en kennelijk niet begrepen dat Fellini juist de leegheid van het door hem geschetste bestaan portretteerde, wordt in de documentaire treffend verwoord door een recensie van wijlen cineast Pier Paolo Pasolini: “Het is moeilijk om je een meer afstompende kapitalistische wereld voor te stellen. De mensen hier zijn cynisch en ellendig. Iedereen is egoïstisch, verwend, corrupt en bang.”

Nooit spijt gehad
Natuurlijk draait ook Fellini’s meesterwerk tijdens Film by the Sea, in de documentaire staat vooral producer Giuseppe Amato centraal. Hij wordt geroemd om zijn Napolitaanse gemoedelijkheid en zijn talent om met iedereen te kunnen samenwerken. Iemand leest voor uit de originele brief die Fellini aan hem schreef de dag voor de première van La Dolce Vita. “Jij bent een van de weinige producers die een idee had wat ik met mijn film heb bedoeld. Hopelijk wordt het een succes.”

Het personage van Amato, kijkend in de camera, kan dit alleen maar bevestigen: “Geen obstakel kon mij ervan weerhouden om deze film te maken. Ik heb de film inmiddels misschien wel duizend keer gezien en er nooit spijt van gehad, hoewel La Dolce Vita de belangrijkste oorzaak was van mijn professionele en persoonlijke ondergang.” Amato zou hierna nog maar twee films produceren en overleed in 1964 als gevolg van een hartaanval.

The Truth About La Dolce Vita is te zien op 14, 18 en 19 september tijdens Film by the Sea. Hier lees je het volledige programma.

 

8 september 2021

 

Film by the Sea 2021 – Fellinopolis

 
MEER FILMFESTIVAL

Filmmarathon Jeanne Moreau

5 onbekende films van bekende Franse actrice
Filmmarathon: Jeanne Moreau
Twee redacteuren van InDeBioscoop dompelen zich een weekend lang onder in de goede dingen des levens en vijf relatief onbekende films van de Franse actrice Jeanne Moreau.

 

1. La mariée était en noir (1968)

BOB:
De 8 kilometer wandeling is achter de rug, de Olympische medaille op de 10 kilometer binnen, en dan nog voor de echte diehards een Jeanne Moreau-marathon! Met een smakelijke Truffaut-lunch om de filmavond mee te starten. Begint goed: Jeanne Moreau die moorden pleegt aan de lopende band, terwijl ik de aanval inzet op de pindakaaspot. Een beetje Kill Bill op zijn Frans… Tuez Guillaume peut-être…. Haar altijd iets te droevige, bozige gezicht past goed bij deze wraakzuchtige weduwe. Ze kan iemand van het balkon wieperen, rustig door de feestgangers weglopen en dat geloofwaardig houden.

Moreau is prima, de film (gebaseerd op een boek van Cornell Woolrich) toch wat minder. Truffaut die iets te veel naar zijn eigen stijl zoekt. Btw: doen jullie dat ook in Uden zoals de karakters in deze film: sigaren roken, drinken en dan schieten op kerkhanen? Dan weet ik wat me nog te wachten staat.

De schrijver van het script van deze film (Jean-Louis Richard) is trouwens de vader van haar enige kind.

En wist je trouwens dat Kate Bushs liedje The Wedding List is gebaseerd op deze film? Leuke vraag voor een filmquiz (alleen heb ik het antwoord hier dus al verklapt).


COR:

Nee, dat dat leuke liedje van Kate Bush (al even mysterieus als de vrouw die Jeanne Moreau hier speelt) is gebaseerd op deze film, wist ik niet. Ik had wel al direct de indruk dat Quentin Tarantino dit verhaaltje over de in zwart geklede bruid moest hebben gezien als inspiratie voor Kill Bill. Echter waar Moreau best inefficiënt een huisvader opsluit in een kast onder de trap, de kieren dichtplakt, zodat de man uiteindelijk stikt, kiest Tarantino 35 jaar later resoluut voor afgehakte hoofden.

Tijden veranderen. Sigaren roken, drinken en dan op kerkhanen schieten, doen wij hier niet meer. En als wij dit nog zouden doen, zouden wij niet zo hopeloos missen als de man die na een duw per ongeluk geen haan, maar een mens, doodschiet.

Wist je trouwens, Bob, dat je van te veel pindakaas depressief kunt worden? Pak gerust nog wat zelfgemaakte pompoentomatensoep voordat die koud wordt…

Regisseur François Truffaut moet het inderdaad niet hebben van het (vergezochte) plot, hoewel ik de laatste afrekening van Moreau wel origineel vind. Ik dacht dat hij wel wat meer spanningselementen had gebruikt uit de reeks interessante gesprekken met ‘master of suspense’ Alfred Hitchcock niet lang voor de opnamen.

De samenwerking tussen Moreau en Truffaut was in de klassieker Jules et Jim (1962) uiteraard een stuk geslaagder, toch ben ik blij dat ik nu ook deze film heb gezien.

 

2. The Train (1964)

COR:
John Frankenheimer was zijn tijd vooruit. Zijn vroegere films laten zich kenmerken door sociale en filosofische thema’s, denk aan
Birdman of Alcatraz, Seven Days in May en The Manchurian Candidate.

The Train, dat hij tussendoor maakt, kende ik nog niet, en zeker niet dat Jeanne Moreau daarin een bijrol speelt. Dat komt misschien omdat films vol nazi’s al snel mijn eetlust bederven en het feit dat ze geen Duits maar Engels spreken. Wat mij altijd opvalt, is dat Engels sprekende nazi’s met een dik Arnold Schwarzenegger-accent de grootste klootzakken blijken.

In dit avonturenverhaal over nazi’s – die net voordat ze de oorlog verliezen een immense schat van Franse schilderijen per trein naar hun thuisland willen vervoeren – springen de originele cameraperspectieven direct in het oog. En natuurlijk ook Frankenheimers huisacteur, Burt Lancaster, als stoere, maar ook als geloofwaardige held, die zijn leven riskeert om de kunstwerken te redden.

Zo laat hij zich zomaar in zijn been schieten, zodat hij zich liefdevol kan laten verzorgen door het personage van Jeanne Moreau.

Onderhoudende, wat lange film, zeker voor een marathon. Wat vond jij trouwens van de confrontatie tussen de held en de schurk in de finale? Of vond je Lancaster eigenlijk geen held omdat het redden van de kunstschat ten koste ging van al die doden?


BOB:

Wacht even, depressief worden door pindakaas? Zo’n mooie Hollandse uitvinding? Niets is meer heilig tegenwoordig. Wie eet er nou ook te veel pindakaas? Zou Jeanne Moreau wel eens pindakaas hebben gegeten? Ik gok van niet. Alain Delon vast wel, die had een Nederlandse vrouw. En schoot misschien ook soms op kerkhanen.

Zulke meanderende gedachten gaan wel door je heen bij het geduldige uitwerken van dit plot. Overigens wel goed gedaan, laat dat maar aan Frankenheimer over. Hij wist hoe je spannende actiefilms in beeld moest brengen, zoals die formidabele choreografie aan het begin, als iedereen door elkaar heen loopt, en het treinstationbombardement waar vier maanden voorbereiding aan zat.

Ja, wat kan die Lancaster slepen met een been! Dat was trouwens een echte blessure die hij opliep door een stomme actie op een golfterrein (tijdens het maken van deze film). Dus werd hij zogenaamd in zijn been geschoten. Hij was deze film ook natuurlijk, liet regisseur Arhur Penn vervangen door Frankenheimer, en zei daarna: “Frankenheimer is a bit of a whore, but he’ll do what I want.

Moreau de hoteldame als functioneel Lancasterliefje. Schudt ze ook weer uit haar mouw. Te weinig in beeld helaas. En die finale? Ik verraad niet graag eindes… Let wel op hoe weinig Lancaster nog te zeggen heeft in het laatste half uur. Grimassen doet hij genoeg.

Is er nog wat van die geweldige citroenmelisserooibosthee?

 

3. Mademoiselle (1966)

BOB:
Het is bizar maar hier is Jeanne Moreau nog gemener dan in Le mariée était en noir. Daar had de wraakneming nog zin, hier zet ze sluizen open en steekt ze dingen in de brand omdat ze niet goed bij haar hoofd is. En weer een weduwe! Daar houden de overeenkomsten mee op. Deze Moreau is vreselijk onsympathiek – wel top neergezet door haar, vermoedelijk een van haar betere rollen. Verrassend interessante film over discriminatie en dat midden op het Franse platteland. Af en toe wel lastig als je dierenliefhebber bent…

Tony Richardson was de maker ervan. Daar weet jij vast meer over te vertellen.

Niet geeuwen, Cor, we zijn pas net halverwege. Wees blij dat we straks met een western eindigen en niet met het nonnendrama Le Dialogue des Carmelites.

De soep is alweer even geleden. Wat staat er eigenlijk op het menu?


COR:

Als jij straks die aardappelschijfjes en wat vegetarische burgers bakt, kook ik de broccoli. Wat vind je trouwens van die biologische Merlot?

Prachtige, donkere film hoor, Mademoiselle! Moreau als schooljuf heeft inderdaad duidelijk een probleem, dat ze wil botvieren op haar dorpsgenoten, en zelfs een leerling. En wat een verademing dat het nooit echt duidelijk wordt waarom ze regelmatig de boel in de fik steekt.

Ondertussen krijgen, zoals dat gaat, de vreemdelingen (in dit geval Italiaanse gastarbeiders) de schuld van de rampspoed die zich in dit normaliter rustieke dorpje voltrekt.

Regisseur Tony Richardson was een grote naam van de Engelse new wave en maakte mogelijk deze film in Frankrijk vanwege zijn liefde voor Jeanne Moreau, hoewel hij ten tijde van de opname nog met Vanessa Redgrave was getrouwd.

De onbestemde sfeer met het kunstzinnige, schaduwrijke liefdesspel in de bossen doet mij denken aan modern toneel. Daar kan volgens mij geen nonnendrama tegenop. Hoewel… misschien binnenkort Benedetta van Paul Verhoeven.

 

4. Mata Hari, agent H21 (1964)

COR:
Beste Bob, ik begrijp je fascinatie voor Silvia Kristel als Mata Hari, maar we mogen aannemen dat iemand als Jeanne Moreau zich niet letterlijk in allerlei bochten hoeft te wringen.

De film is van Jean-Louis Richard, die slechts vier films regisseerde, en zoals ik van jou begreep, meeschreef aan het scenario van La mariée était en noir, maar – jawel – ook tien jaar later aan Emmanuelle, mét Silvia Kristel!

Net zo vunzig wordt deze Mata Hari bij lange na niet, hoewel niemand minder dan Jean-Louis Trintignant op zijn welbekende manier van poëtische tekstopleperij de (vermeende?) dubbelspionne uit de kleren probeert te lullen.

Moreau is zeker geen miscasting, maar door de warrige regie beklijft haar vertolking niet, of het moet zijn hoe ze in de finale na haar terechtstelling als een slappe vaatdoek aan een houten paal blijft hangen.


BOB:

Ja,
net zo teleurstellend als geruststellend dat deze film niet het schandalige opzoekt maar er een middelmatig spionagedrama van maakt. Moreau krijgt flink de kans om zich uit te leven als de spionne, en heel waarschijnlijk omdat Richard dus haar ex-man was met wie ze een kind had. Dat is Jerôme Richard, die rolletjes had in niet misselijke films als Domicile Conjugal, La Grande Bouffe en Céline et Julie vont en bateau, waar hij nu vast op zijn oude dag nog vaak over vertelt.

Het script voor Emmanuelle Wat een toeval. Kristels Mata Hari van twintig jaar later (die ongetwijfeld veel vaker is bekeken dan deze) moest het doen met ene Joel Ziskin (zijn enige filmscript: een 3,8 op IMDb). Richard schreef ook het script voor Fahrenheit 451 die net op InDeBioscoop is besproken.

Trintignant zag ik laatst als creep in Flic Story, misschien moet je die eens kijken, daar lepelt hij niets op maar schiet des te meer kapot.

Moreau is degelijk maar kan de film niet echt redden. Nog maar een wijntje halen. Had ik geen Kroatische wijn cadeau gegeven om zelf op te drinken?


5. Monte Walsh (1970)

BOB:
Godzijdank eindigen we met een western, die er altijd wel lekker ingaat, net als de Kroatische wijn (goede keuze van de wijnboer bij het station Rotterdam Centraal). William. A. Fraker als regisseur? Wie is dat? Heeft toch de cinematografie van Bullitt en One Flew Over the Cuckoo’s Nest gedaan. Hij ging voor een echte regisseursloopbaan en Monte Walsh had het dan moeten zijn. De film heeft wel een frisse en alcoholloze Lee Marvin (hij mocht niet drinken tijdens de opnamen) en natuurlijk Jeanne Moreau als zijn liefje, best wel een lieve relatie (en dat terwijl Lee Marvin eigenlijk helemaal niet op Moreau zat te wachten maar op Deborah Kerr), maar de film ontstijgt toch niet het gemiddelde.

Moreau speelt geconcentreerd – zoals altijd eigenlijk – maar moet veel lachen in deze rol en daarin is ze wat minder overtuigend. Vraag is wat ze zag in de rol in deze film. Zei zei wel: ‘Lee Marvin is mannelijker dan wie dan ook met wie ik gespeeld heb.’ Jack Palance moet trouwens ook al de hele tijd lachen… Vrolijke boel in deze western maar echt grappig wordt het niet.

Moreau blijft fascinerend als actrice. Ze werkte echt met bijna alle grootheden der aarde. Orson Welles noemde haar ooit de beste actrice ter wereld. In Baie des Anges en Le journal d’une femme de chambre vond ik haar voortreffelijk maar ze kan ook ‘dienstbaar’ zijn, zoals in Le Paltoquet of deze film. Een echte professional.

En nu maar maffen.


COR:

Ho ho, na onze filmmarathon kunnen we nog net de finish van de Olympische marathon kijken! Wow, een Nederlander wordt tweede, en zijn Belgische trainingsmaatje derde.

Ondertussen voel ik de vermoeidheid in mijn eigen benen van onze wandeltocht en vallen mijn ogen langzaam dicht. In gedachte zie ik nog hoe Lee Marvin met veel bombarie een wild paard probeert te temmen en daarbij het halve westerndorp sloopt.

Liever droom ik nog wat over Jeanne Moreau. Iets met een lift naar het schavot…

 
22 augustus 2021

 
Alle leuke filmlijstjes

Twilight Samurai, The (2002)

REWIND: The Twilight Samurai (2002)
De man met het bamboezwaard

door Cor Oliemeulen

The Twilight Samurai (2002) begint als een historisch familiedrama over een samoerai tegen wil en dank en eindigt als een onvervalst melodrama.

In een land waarin de samoerai meer dan duizend jaar lang een wezenlijk onderdeel van de maatschappij uitmaakte, is het niet vreemd dat bijna elke zichzelf respecterende Japanse cineast de lotgevallen van deze archetypische krijger verfilmde. Meestal is de samoerai opgeleid in gevechtskunsten en militaire tactieken, stelt zich in dienst van een clan en zijn heer, en volgt hij de weg van het zwaard – ook als het moet om zijn eigen leven te beëindigen.

The Twilight Samurai (2002)

Liever feodaal onderdaan dan samoerai
In The Twilight Samurai (Tasogare Seibei, 2002) van Yoji Yamada lijkt het titelpersonage Seibei Iguchi aanvankelijk niets op een opofferingsgezinde strijder. Net als bijvoorbeeld zijn blinde collega in The Tale of Zatoichi (1962) leeft hij medio negentiende eeuw in de laatste jaren van het onrustige Edo-tijdperk, voordat de macht van de keizer in ere zal worden hersteld. Net als Zatoichi behoort Seibei tot de onderklasse en hanteert hij het zwaard slechts wanneer het echt niet anders kan. Seibei is lang geleden opgeleid als samoerai, maar schikt zich in zijn lot van feodaal onderdaan.

Sinds het recente overlijden van zijn vrouw aan tuberculose doet hij alles om voor zijn twee schattige jonge dochtertjes en zijn inwonende demente moeder te zorgen. Terwijl de meeste arme mensen hun overleden dierbaren aan de rivier toevertrouwen, koos Seibei voor een begrafenis boven zijn stand. Zijn inkomsten uit zijn baan als bediende in een graanpakhuis en het maken van insectenkooien zijn nauwelijks voldoende om van rond te komen. Terwijl zijn collega’s na het werk nog wat gaan drinken en geisha’s bezoeken, zorgt Seibei dat hij voor het donker thuis is om voor zijn dierbaren te zorgen. Dat levert hem zijn spottende bijnaam ‘Twilight Seibei’ op.

Duels
Zijn status stijgt nadat Seibei een geheim duel met officier Koda in zijn voordeel heeft beslecht. Koda is de alcoholische ex van Tomoe (Rie Miyazawa), met wie Seibei in zijn kinderjaren bevriend was, en die sinds kort in zijn gezin huishoudelijke taken verricht en bijzonder goed overweg kan met zijn twee dochters. Tomoe is van hogere stand en wil met Seibei trouwen, maar hij denkt dat zij vroeg of laat dit armoedige leven niet zal volhouden, dus wijst hij het aanzoek af.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Het feit dat Seibei zijn opponent met een houten stok versus een stalen samoeraizwaard heeft uitgeschakeld, leidt naast ontzag van zijn collega’s op een dag tot een uitnodiging van de leiding van zijn clan om de gevaarlijke Yogo te elimineren, omdat anderen dat niet is gelukt. Hoewel Seibei vriendelijk bedankt voor de eer heeft hij uiteindelijk geen keus om de confrontatie met de in diens huis verschanste Yogo aan te gaan.

Seibei ontdekt ter plekke dat Yogo niet het beest is waarvoor men hem houdt en dat beide mannen overeenkomstige achtergronden hebben. Maar Yogo weigert te vluchten en wil beslist het duel aangaan, zodat Seibei uiteindelijk genoodzaakt is zijn zwaard te heffen. Een bamboezwaard weliswaar dat normaliter alleen wordt gebruikt om de techniek te oefenen. Seibei moest zijn echte samoeraizwaard verkopen om de begrafenis van zijn vrouw te kunnen betalen.

Nadat Yogo zijn opponent met diens bamboezwaard heeft uitgelachen en vervolgens met zijn lange zwaard (een katana) het bamboezwaard als een lucifer heeft gebroken, moet Seibei de strijd aangaan met zijn korte zwaard (een wakizashi) dat samoerai slechts bij zich dragen om zich te kunnen verdedigen en om harakiri te plegen. Het mondt uit in een bloederig gevecht, waarvan de winnaar geen verrassing zal heten.

Bamboezwaard
The Twilight Samurai is geïnspireerd op het korte verhaal Het Bamboezwaard en won twaalf Japanse Oscars. Het zijn veroordeeld tot een bamboezwaard doet denken aan de samoeraiklassieker Hara-Kiri (Seppuku, 1962) van Masaki Kobayashi waarin een arme jonge samoerai aanklopt bij het huis van een clanleider en vraagt om op deze heilige grond harakiri te mogen plegen.

Die film speelt in het zeventiende-eeuwse Japan, waarin een tijd vrede was, samoerai geen werk hadden en waren veroordeeld tot de bedelstaf. Zo’n arme bezoekende samoerai werd dan weggestuurd met wat geld en eten. Maar ditmaal niet, want de chagrijnige heer des huizes heeft er genoeg van en vindt dat deze jonge samoerai maar de daad bij het woord moet voegen. Hoezeer de jongeman ook zijn best doet om eronderuit te komen, is hij genoodzaakt om harakiri te plegen. Met, naar wat dan blijkt, zijn bamboezwaard: een langzame pijnlijke dood – met hartverscheurende consequenties (in 2011 al even krachtig verfilmd door Takashi Miike in Hara-Kiri: Death of a Samurai).

The Twilight Samurai (2002)

Einde van de samoerai
The Twilight Samuari is gezegend met een charismatische held tegen wil en dank. De Japanse acteur Hiroyuki Sanada is de laatste jaren vooral te zien in grote, luidruchtige Hollywood-producties als The Wolverine (2013), Avengers: Endgame (2019) en Mortal Kombat (2021). Interessanter is Sanada’s optreden in The Railway Man (2013), waarin hij als voormalige Japans kampbeul decennia later wordt geconfronteerd met een getraumatiseerde Brit (Colin Firth) die terug op de plek des onheils heen en weer wordt geslingerd tussen wraak en vergeving.

Regisseur Yoji Yamada zou in zijn samoerai-trilogie nog twee films maken: The Hidden Blade (Kakushi ken oni no tsume, 2004) en Love and Honor (Bushi no Ichibun, 2006). Ook deze films observeren op fantastische wijze de Japanse cultuur en spelen in een tijd dat de samoerai zijn gedoemd uit te sterven. Want tijdens de hervormingen van de Meji Restauratie eind negentiende eeuw industrialiseerde Japan in hoog tempo en werd in 1876 de samoeraiklasse afgeschaft ten faveure van een leger naar westers model.

Niet alle samoerai waren hiervan trouwens gediend en een aantal ontketende gewapende opstanden tegen de nieuwe machthebbers. De legendarische Satsuma-opstand geldt als geromantiseerde basis voor The Last Samurai (2003) van Edward Zwick, met Tom Cruise als Amerikaanse legerkapitein en Ken Watanebe als leider van de rebellerende samoerai. Hoewel die film vakkundig is gemaakt, gaat er niets boven een authentieke Japanse samoeraifilm als The Twilight Samurai.

 

THE TWILIGHT SAMURAI KIJKEN: o.a. hier te koop.

 

Meer REWIND