The Secret Agent

****
recensie The Secret Agent
Meesterlijke magisch realistische thriller

door Jochum de Graaf

Met prijzen in Cannes en twee Golden Globes op zak is het meesterlijke The Secret Agent in maart een grote kanshebber voor een of meer Oscars. Regisseur Kleber Mendonça Filho maakte met acteur Wagner Moura een magisch realistische spionagethriller over Brazilië onder de militaire dictatuur van de jaren zeventig.

De geweldige openingsscène zet de toon. Once upon a time in Brazil, een bloedhete dag op het stoffige Braziliaanse platteland, komt een knalgele VW Kever aanrijden bij een vervallen tankstation. Een man die we leren kennen als Marcelo stapt uit, kijkt rond en ontwaart onder een wapperend karton een lijk, een zwerm vliegen erboven, agressieve straathonden die het dode lichaam willen aanvallen.

De dikbuikige pompeigenaar vertelt hem dat het om een doodgeschoten overvaller gaat en dat hij nu al dagenlang op de politie wacht. Wanneer die na een tijdje het terrein opdraait, hebben de agenten geen enkele interesse in de plaats delict. Nee, ze onderwerpen Marcelo aan een uitgebreid onderzoek: zijn zijn identiteitspapieren in orde, heeft de verplichte brandblusser in de auto nog wel een geldige vergunning? Als ze met de grondige inspectie klaar zijn, krijgt Marcelo het verzoek om een donatie te doen aan het carnavalsfonds van de politie, wat hij met een pakje sigaretten weet af te kopen.

The Secret Agent

Militaire dictatuur
Het is 1977, de hoogtijdagen van de militaire dictatuur. De goed bekend staande linkse docent en wetenschappelijk onderzoeker Armando, zoals hij werkelijk heet, is op de vlucht.

Armando (steracteur Wagner Moura, weergaloos als Pablo Escobar in de serie Narcos en een Gouden Beer voor zijn rol in Tropa de Elite, 2007) arriveert met zijn gele VW Kever in de noordelijke havenstad Recife, tijdens het carnaval.

Hij neemt zijn intrek in een appartementencomplex bij de bejaarde Dona Sebastiana, een klein, vogelachtig vrouwtje met een door drank en nicotine aangetaste raspende stem die Armando af en toe van een geheime opdracht voorziet. Zij is ook het aanspreekpunt voor een handjevol andere politieke vluchtelingen in het gebouw, een levendige ontmoetingsplaats van voor hen benarde tijden.

Weduwnaar Armando hoopt het land te kunnen ontvluchten met zijn zoontje Fernando dat bij zijn schoonouders in de stad woont. Opa en schoonvader Seu Alexandre is filmoperateur in de iconische Cinema São Luiz in de wijk Boa Vista. Armando heeft een vals paspoort nodig en gaat bij het Instituut voor Identificatie werken.

Wraakzuchtige industrieel
Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat hij met een wraakzuchtige industrieel van doen heeft, zeer verbonden met het militaire regime. Een aantal jaren geleden kregen ze een hoog oplopend conflict over het eigendom op patenten dat deze Ghirotto zich uit naam van het regime wil toe-eigenen. Armando klaagt hem aan wegens corruptie, maar de invloed en macht van Ghirotto dwingt hem op de vlucht te slaan. Het conflict loopt zo hoog op dat Ghirotto hem definitief wil uitschakelen en een paar gangsters inhuurt om hem op te sporen en te liquideren. In de straten van Recife komt het tot een spannende apotheose.

Die intrige met achtervolging, moord en doodslag kan leiden tot een donker en somber verhaal. Maar regisseur Kleber Mendonça Filho (vorige speelfilm Bacurau, juryprijs Cannes 2019) grijpt met allerlei droogkomische voorvallen, absurdistische taferelen, mysterieuze personages en bijzondere zijverhaallijnen de gelegenheid aan om de magisch realistische werkelijkheid van het Brazilië in de jaren zeventig te laten zien. En zijn liefde voor de filmkunst ten toon te spreiden.

De zolder van São Luiz met het archief van de bioscoop is de geheime ontmoetingsplaats voor de politieke ballingen. We zien filmposters van Le Magnifique met Jean Paul Belmondo en Pasquolino Settebellezze van Lina Wertmüller aan de muur. De bioscoop vertoont films als Jaws en The Omen. We horen de huiveringwekkende reacties uit de zaal. 

The Secret Agent

Het afgesneden been
Jaws
speelt een bijzondere rol. De jonge Fernando is sinds hij de filmposter in de krant gezien heeft een enorme fan, hij tekent alleen nog maar haaien. We hebben dan al de hallucinante scène in een mortuarium gezien: uit de opengesneden buik van een haai verschijnt eerst een voet en later een compleet afgesneden menselijk been. Dat is geen vreemde gebeurtenis omdat tijdens de dictatuur met regelmaat lijken van politieke tegenstanders in het water worden gegooid. Om het onderzoek van wie dit ‘harige been’ is te frustreren, wordt dat uit het mortuarium gestolen en terug in de rivier gedumpt.

Het been gaat vervolgens een nieuw eigen leven lijden, komt stuiterend aan wal, valt mensen aan en maakt de nodige slachtoffers, waaronder homo’s in het park, waar avond aan avond seksorgies plaatsvinden. Althans dat is wat een lokale journalist in een serie krantenberichten publiceert en enorme ophef in Recife veroorzaakt. Hij doet het later af als broodje aapverhalen, maar het is een geniale greep om buiten de militaire censuur om allerlei misstanden aan de kaak te stellen.

De manier waarop de gangsters en de huurmoordenaar onder het oogluikend toestaan van de corrupte politie hun gang kunnen gaan, werpt ook een bijzonder licht op de werking van de dictatuur.

Soundtrack
De sfeer en mentaliteit van die jaren wordt goed getroffen door de soundtrack met populaire Braziliaanse klassiekers als Samba no Arpège, Chicago’s If You Leave Me Now, Love to Love You Baby van Donna Summer en Ennio Morricone’s Guerra e pace, pollo e brace.

Die komen nog meer tot hun recht door het sublieme camerawerk en het gebruik van de in die tijd populaire Panavision-breedbeeldlens: dicht op de huid, beeldvullende gezichten, een individu op de voorgrond met op de achtergrond wriemelende mensenmassa’s in het verkeer. Alsof je er zelf bij was toen het in 1977 allemaal zo gebeurde.

 

11 februari 2026

 

ALLE RECENSIES

IFFR 2026 – Deel 4: Misdaad en ellende

IFFR 2026 – Deel 4:
Misdaad en ellende

door Bob van der Sterre

Veel misdaad tijdens dit IFFR. Deense misdaad, Koreaanse misdaad, Kazachse misdaad, ga zo maar door. In sommige gevallen een vrij gewoon politiedrama en in andere gevallen gaat het een stuk verder.

 

Special Unit: The First Murder

Special Unit: The First Murder – Verzorgde Scandithriller
Het is 1927 en de Rigspolitiets Rejsehold (de Deense FBI) is net opgericht. Ze worden naar Esbjerg gestuurd vanwege een moord. Na wat lokale tegenwerking krijgen ze hun onderzoek op poten. Maar als het leidt naar de rijkste en voornaamste inwoonster wordt het wel wat lastiger. De baas vindt het allemaal prima als er maar mooie PR uitkomt.

Veel bekend materiaal voor wie Scandi noirs kent, maar dan wat verzorgder en cinematografischer. Zoals de tussendoor verschijnende beelden van een karakter met een zwarte achtergrond. Ook houd ik van de architectuur en het lichtwerk in deze film. Zo zijn de twee uur geen bezwaar om uit te zitten.

Jammer dat het aantrekkelijke en spannende verhaal, het politiewerk, zoals zo vaak wordt ingeruild voor best voorspelbaar drama, wat met veel gemakzucht altijd reliëf of diepgang wordt genoemd (letterlijk altijd heeft de rechercheur last van demonen uit het verleden). En waarom leidt het onderzoek altijd naar een ‘onaantastbare familie’? En waarom is er altijd een frivole vrouw die met de gevoelens van de met zijn werk geobsedeerde rechercheur speelt? Zo’n cliché dat hier dan gelukkig niet in zit, is dat de rechercheur een eigen ‘onconventionele’ manier van werken heeft.

Aardige politiethriller van Christoffer Boe, die al eerder (2013) de vriendschap van de Deense 70’s antihelden Simon Spies en Mogens Glistrup tot leven bracht. De film is gebaseerd op een serie van begin jaren 2000 over een speciale onderzoekseenheid. Dit kun je zien als de prequel ervan. Ik ken de serie niet dus is het lastig vergelijken, maar IFFR zegt dat het destijds ook razend populair was in Nederland.

 

Dead Dogs Don’t Bite

Dead Dogs Don’t Bite – Afval dumpen heeft een prijs
De Sekerci Group heeft de illegale afvalimport onder controle. Ze laten het afval illegaal dumpen door de lagere figuren van de organisatie, waaronder Ismet en Dogo. ‘Hier ruikt afval als geld, voor degenen die de kansen grijpen.’ Maar de ‘vliegen’ – andere bendeleden – pikken hun dominantie in een haven niet langer.

Ismet is het assistentje van zijn maat Dogo, die laag op de ladder staat en daarvan baalt. Ismet doet het omdat hij snel veel geld nodig heeft voor de ziekte van zijn moeder. Het miserabele misdaadwereldje groeit hem al snel boven zijn hoofd.

Het is een typische misdaadfilm waarbij een ‘zachtaardig’ hoofdpersoon in de misdaadwereld wordt getrokken en op wrede manier lessen leert. Er zijn zoveel varianten van dit verhaal. Het contrast van onschuld en bruut vinden scriptschrijvers denk ik altijd inspirerend.

Het gaat over illegaal afval dumpen in de natuur. Regisseur Nuri Cihan Özdoğan steekt zijn nek uit om dit probleem te vertalen naar een misdaadfilm. Hij laat het complexe systeem zien en hoe iedereen bijdraagt, ook westerse consumenten die overconsumeren. Mooie passage als Ismet dure chips in zijn handen heeft: ‘Dit is vier-vijfde van ons salaris. Dag chips! Jij en ik zijn van twee gescheiden werelden…’

De thriller duurt iets te lang en verliest gaandeweg wel wat aan spanning. Het is verder goed verzorgd met acteerwerk, script en cinematografie (met name kleuren en locaties). Toch bekruipt je achteraf het gevoel dat je de film al veel vaker gezien hebt, maar in een net iets andere vorm.

 

Sicko

Sicko – Kazachstaanse zwarte humor doet het een helft goed
Azamat en Tansholpan doen hun best een normaal leven te leiden, maar ze hebben 26 miljoen tengwe (Kazachstaanse munt) schuld. Een vriend eist zijn geld op. Zijn moeder eist zijn geld op. Dan flapt hij eruit dat zijn vriendin kanker heeft en ze geld nodig hebben voor de behandeling. De familie komt bij elkaar. ‘Laten we fundraisen!’

Azamat gaat mee in het verhaal. En dan moet Tansholpan ook. Dus: haar eraf scheren, video’s opnemen, je religieus voordoen, smeken om geld. Een groot landelijk succes. ‘Hun verhaal raakte een snaar in het hart van het land.’ Er wordt bij een veiling gesproken over miljoenen. Dat kan natuurlijk niet goed blijven gaan en het loopt alsmaar meer uit de hand.

Het eerste deel van deze debuutfilm van Aitore Zholdaskali is een verrassend aardige misdaadfilm met veel zwarte humor. Een goed tempo en de hoofdrolspelers – Ayan Utepbergen als Azamat en Dilnaz Kurmangali als Tansholpan – zijn leuk en levendig. Interessante subtiele montage af en toe, zoals bij de huiskamerscènes, en een vermakelijk satirisch inkijkje in het Kazachse leven.

Het tweede deel bevat vooral geweld, je wordt er zelfs onpasselijk van hier en daar. Het is een klassiek voorbeeld van hoe je een in potentie aardige film kunt bederven door al te gemakzuchtig voor geweld als scriptoplossing te kiezen.

 

Gatillero

Gatillero – Lijken vallen bij bosjes in Argentijns narcogevecht
‘El Galgo’ is een huurmoordenaar. Hij doet klussen. Hij moet ergens heen en iemand neerschieten. Dat blijkt het adres van narcoleidster ‘la madrina’ te zijn, voor wie hij zelf opdrachten doet. Anderen duiken op en gaan schieten. Hij krijgt de schuld van haar dood. En krijgt narcosoldaten achter hem aan. Hij heeft alleen de boze buurtbewoners aan zijn kant.

Gatillero van Cris Tapia Marchiori is een cool uitziende film, maar niet echt een geweldige misdaadfilm als je het puur op het verhaal beoordeelt. Het is veel geschreeuw en gezwaai met wapens, en een vervelende protagonist bovendien.

Het knappe is natuurlijk dat het in een shot is gefilmd. Altijd een beetje spierballenvertoon – want is het nou echt nodig voor een film – maar het resultaat is verbazingwekkend. Er kan zoveel fout gaan, cameramannen kunnen vallen, afspraken kunnen fout gaan, acteurs kunnen opeens grinniken, beelden kunnen vaag zijn, bewoners kunnen onbedoeld opduiken. En toch is de flow hier de hele tijd goed, ondanks het klimmen over hekken, rijden op motoren, etc..

De uitgedachte choreografie deed me af en toe denken aan het vergelijkbare (Mexicaanse) Miss Bala. Ook daar kun je plezier aan hebben, als je ziet hoe de timing van iedereen is, en de camera bijvoorbeeld heel vlotjes aan een auto gaat hangen.

De sfeer van nachtelijke straten is sterk, met vaag licht, street-art en veel smalle steegjes. Een belangrijke bijrol dus voor Isla Maciel, een buitenwijk van Buenos Aires.

 

5 februari 2026

 

IFFR 2026 – Deel 1: Openingsfilm geen crowdpleaser
IFFR 2026 – Deel 2: Geschiedenissen
IFFR 2026 – Deel 3: Film als zintuiglijke ervaring
IFFR 2026 – Deel 5: Kijken door de ogen van het verleden
IFFR 2026 – Deel 6: Mysterieuze verhalen uit de hele wereld 
IFFR 2026 – Deel 7: Films die de controverse opzoeken

 


MEER FILMFESTIVAL

No Country for Old Men (2007)

No Country for Old Men (2007) 
Hoe een deel van deze wereld te zijn

door Bert Potvliege

Er komen enkele spoilers aan, dus gelieve je te onthouden als je deze nog niet zag. Wel vraag ik me af, als je No Country for Old Men na een goeie vijftien jaar nog steeds niet gezien hebt, of het leuk wonen was op Mars.

Het moest er ooit van komen. Het talent van regisseursduo Joel & Ethan Coen was te groot om nooit een film af te leveren die ongeveer alle prijzen zou winnen die te winnen vielen, een film die velen beschouwen als hun meesterwerk. Zowel Joel als Ethan mochten elk drie Oscars op de schouwmantel zetten voor het fantastische No Country for Old Men (2007). Javier Bardem zou het vierde beeldje mee naar huis nemen voor de beste bijrol. Het was mooi om zien hoe deze arthouse darlings de hoofdvogel afschoten in mainstreamcinema. De prijzenregen was meer dan verdiend, want de Coens hebben er een meesterlijke suspenserijke thriller van gemaakt. 

Josh Brolin als de armtierige cowboy Llewelyn Moss

Josh Brolin als de armtierige cowboy Llewelyn Moss

Het was het punt in de carrière van de Coens waar ze in een vervelend dipje zaten. Intolerable Cruelty (2003) deed menigeen fronsen en het daaropvolgende The Ladykillers (2004) wordt zelfs beschouwd als hun slechtste film. Niemand heeft enig idee wat de impact ervan was op de broers. Maalden ze er überhaupt om? Maar het valt wel op dat ze voor hun volgende prent voor het eerst een boek zouden verfilmen en geen origineel werk. Het was producent Scott Rudin die het boek No Country for Old Men, van befaamd auteur Cormac McCarthy (The Road), de broertjes onder de neuzen schoof. Rudin had eerder dan de rest van de wereld door dat dit verhaal hen op het lijf geschreven stond, alsof ze geboren waren om dit te vertalen naar het witte doek.

You don’t often see a Mexican in a suit
De armtierige cowboy Llewelyn Moss (Josh Brolin in een doorbraakrol) stoot op een fout gelopen Mexicaanse drugsdeal in de droge vlaktes van West-Texas. Een koffer met twee miljoen dollar valt er zomaar voor het rapen en hij besluit het geld voor zich te houden. Het betekent dat hij op de vlucht moet, want uiteraard maken een aantal dubieuze figuren jacht op het geld. Enter fenomeen Anton Chigurh (Javier Bardem is om duimen en vingers bij af te likken), een sociopaat en huurmoordenaar zonder gevoel voor humor, die niet zal stoppen vooraleer hij Llewelyn heeft leren kennismaken met zijn penschietpistool. Naast het kat-en-muisspel tussen beide mannen vertelt de film ook over sheriff Ed Tom Bell (een briljante Tommy Lee Jones), die noodgedwongen achter de feiten aanloopt en vooral het hoofd schudt voor al het geweld in de wereld. Zal Llewelyn de poen voor zich kunnen houden? Zal de waanzinnige Chigurh hem te pakken krijgen? Of zal Ed Tom hem kunnen redden van het onvermijdelijke?

Het is op zich een ontzettend eenvoudig en rechtlijnig verhaal, maar monstertalenten voor en achter de camera maken er een nagelbijtende rit met diepgang van. De vraag stelt zich wat McCarthy wou zeggen met dit verhaal. Het is daar dat de titel een hoop werk verzet voor de kijker, want die verraadt de thematische lading van de prent. Net zoals die scène bijna aan het eind van de film waar Ed Tom een familielid opzoekt die het hem nog eens haarfijn uitspelt: “You can’t stop what’s coming. It ain’t all waiting on you. That’s vanity.”

Het grootste deel van je leven spendeer je in een wereld die je steeds minder lijkt te herkennen, die niet langer de wereld is waarin je opgroeide. Die verdere evolutie is normaal, maar ervaar je als iets dat steeds verder verwijderd raakt van wat je zelf ooit normaal vond. Het aanvaarden dat de wereld verder draait zonder jou, is een essentiële stap die je moet zetten om verbittering tegen te gaan. Want verwachten dat alles blijft zoals je het gewoon bent, dat is die ijdelheid. Dat vind ik een heerlijke moraal en ik was aangenaam verrast toen ik de film voor het eerst zag, door die ontzettend mooie levensles die erin schuilt.

What business is it of yours where I’m from, friendo?
Director of photography Roger Deakins is in mijn ogen, met uitzondering van Emmanuel ‘Chivo’ Lubezki (The Tree Of Life), de beste cameraman ter wereld. De man had hiervoor al een aantal keer samengewerkt met de broertjes. Zo denk ik met plezier terug aan O Brother, Where Art Thou?. Maar dit is zijn strafste bijdrage aan het oeuvre van de Coens. De film straalt aan de oppervlakte een visuele bedaring uit, maar onderhuids gaat er een niet te negeren dreiging van uit. Die dreiging komt regelmatig opborrelen dankzij een uitstekende montage, die de suspense voedt. Het ontbreken van muziek in de film versterkt dit enkel. Er valt geen noot te horen in de twee uur durende speeltijd.

Een mooi voorbeeld van die visuele rust met onderhuidse dreiging vind je bij de introductiescène van Llewelyn, wanneer hij in alle kalmte aan het jagen is. Een moment van hoe montage de dreiging aan de oppervlakte kan brengen, is bij dat beeld van de papierwikkel op de balie van het tankstation, dat net iets te lang duurt waardoor een tastbaar ongemak ontstaat (Scorsese deed net hetzelfde in Taxi Driver). Het ontbreken van muziek leidt ertoe dat de klankeffecten een meer centrale rol innemen en zelfs fungeren als een muzikale begeleiding. Let maar op het moment wanneer Llewelyn vlucht uit het hotel, waarbij de impact van een kogelregen in een autoraam een ritmiek creëert die me op het puntje van mijn stoel deed zitten. Het is een creatief spel met de middelen van het filmmaken dat hypereffectief blijkt te zijn.

And then I woke up
De drie hoofdrolspelers zijn elk voor hun eigen reden een mooi staaltje casting. Een hoofdrol geven in 2007 aan Josh Brolin was een groter risico dan dat het vandaag zou zijn, gezien alle succes dat hij had sindsdien (hij speelde Thanos in The Avengers en won prijzen voor Milk). Mooi dat de broers de kans gaven aan Brolin, om hem zo aan het grote publiek te kunnen voorstellen. Het bleek de doorbraak die hij bovendien verdiende, al was het maar omdat het zou leiden tot zijn rol in Inherent Vice, waarvan de lachkrampen nog nazinderen.

Javier Bardem in de rol van Chigurh ging met de meeste aandacht lopen en het is duidelijk waarom. Het is het personage dat meest tot de verbeelding spreekt, met dat gekke kapsel en die bizarre eigengereidheid van hem (check hoe hij zijn sokken uitdoet na een schietpartij). Zijn Oscar voor beste bijrol bleek dat jaar de logica zelve. Laat ons ook niet vergeten dat Bardem ondertussen al vijfentwintig jaar topwerk aflevert dat bovendien heel divers is, van Mar adentro tot Skyfall.

Javier Bardem als de psychopaat Anton Chigurh

Javier Bardem als de psychopaat Anton Chigurh

Dan is er nog klasbak Tommy Lee Jones in de rol van sheriff Ed Tom. Ik zie de man al mijn hele leven goeie kwaliteit leveren, maar wat hij hier neerzet, is meer dan dat. Ik wik even mijn woorden, maar zijn spel in No Country for Old Men vind ik een van de allerbeste acteerprestaties van de afgelopen kwarteeuw. Omdat de rol van Chigurh zo flamboyant is, bleef Jones wat in de luwte, maar vergis je niet. Wat hij hier neerzet is voor de annalen van de cinema. Het mooiste voorbeeld daarvan is de slotscène, een monoloog van Jones waarin hij vertelt over een droom die hij had over zijn vader. Ik kan er opnieuw en opnieuw naar kijken op zoek naar een foute noot, maar die monoloog is perfect gespeeld – net zoals de monoloog van Michael Stuhlbarg in Call Me by Your Name of Anthony Hopkins in de slotscène van The Father.

Are you all right? You got a bone stickin’ out of your arm.
Om te eindigen wil ik een ogenblik stilstaan bij de zin voor risico die Joel & Ethan Coen hier etaleren. Het is niet omdat deze film een enorm succes was dat dit zou betekenen dat ze op veilig speelden bij het maken ervan, om een groter publiek te kunnen bereiken. Op narratief vlak gebeurt er zelfs een plotwending zoals je nooit eerder zag, waarbij Llewelyn – nota bene de protagonist in dit verhaal – off-screen doodgeschoten wordt, een half uur voor het einde van de film. Uiteraard frustreert dit mateloos, maar het heeft een thematisch gewicht (iets over uitgerangeerd worden, maar vlooi dat gerust zelf uit naar eigen believen). Ik houd best wel van dergelijke gewaagdheid en voor zij die menen dat het ontzettend ergerlijk is, leer inzien dat het net de bedoeling is. De dood is een plots ding.

De gewaagdheid van de broers vind je ook terug bij de conclusie van de film en die slotmonoloog van Tommy Lee Jones. Het is een riskante afhandeling van de plot, maar het tilt de film naar een hoger niveau, verder weg van de eenduidigheid van een traditionele achtervolgingsfilm, naar een bedachtzame parabel over het leven. Het eindresultaat is een meesterlijke thriller die veel meer te bieden heeft dan enkel een verhaal vertellen. Moest het door hun eerder werk nog niet in kannen en kruiken zijn, dan hebben de Coens met deze No Country for Old Men hun status in de filmgeschiedenis voor eens en voor altijd bezegeld.

 

29 juli 2024

 

THEMAMAAND JOEL EN ETHAN COEN

Ultima Notte di Amore, L’

***
recensie L’Ultima Notte di Amore
Hebzucht of liefde?

door Cor Oliemeulen

Na zijn misdaaddrama’s Escobar: Paradise Lost (2014) en The Informer (2019) schetst de Italiaanse filmmaker Andrea Di Stefano in zijn derde film een portret van een politieman die na 35 jaar trouwe dienst afscheid neemt van het korps. Zoals zo vaak in dit genre is er ‘die allerlaatste klus’ die roet in het eten dreigt te gooien, maar L’Ultima Notte di Amore is origineel en competent genoeg om zich te onderscheiden van de doorsnee-politiethriller.

In de prachtige openingsscène zweeft de camera boven de stad Milaan bij avond om te eindigen bij het raam van een appartement waarachter een gezelschap wacht op de thuiskomst van Franco Amore (Pierfrancesco Favino: Il traditore) voor een verrassingsfeest. Maar de rechercheur laat lang op zich wachten. Hij is zojuist geconfronteerd met de moord op zijn partner en tevens beste vriend Dino (Francesca Di Leva) tijdens een schimmige diamantroof waarbij ook andere politiemannen blijken betrokken.

L'Ultima Notte di Amore

Een aanbod dat je niet kunt weigeren
Aldus ontspint zich het verhaal over een rechercheur die tijdens zijn 35-jarige carrière uiterst geliefd was bij zijn collega’s, niet in de laatste plaats omdat het hem al die tijd is gelukt om niet eenmaal zijn pistool te gebruiken. Hoe behoedzaam Amore ook mag zijn, tijdens zijn laatste dagen als politieman draait hij zich langzaam in de nesten. Dat begint door zijn min of meer onvermijdelijke contact met Cosimo (Antonio Gerardi), een Italiaanse immigrant die zich heeft opgewerkt tot de hogere kringen van Milaan en neef is van Amore’s geliefde Viviana (Linda Caridi). De intrige begint wanneer Amore in Cosimo’s appartement wordt opgetrommeld voor de reanimatie van een rijke Chinees die onwel is geworden in bijzijn van twee hoertjes. Niet lang daarna wordt Amore met Viviana bij deze meneer Zhang als dank uitgenodigd voor het redden van zijn leven.

Viviana geniet daar met volle teugen van de pracht en praal van Zhangs entourage en Amore krijgt een aanbod dat hij niet kan weigeren. Hij twijfelt. “Hoe vaak heb ik je ontevreden zien thuiskomen, mokkend, met een frons op je gezicht?”, vraagt Viviana. “We hebben hier al zo lang op gewacht. Je bent nog steeds assistent-chef. Nu kun je eindelijk wraak nemen op iedereen en ga je kieskeurig doen?” Amore gaat akkoord met het aanbod om voor 5.000 euro (bijna drie keer zijn maandsalaris) iemand van het vliegveld af te halen, mits de Chinees kan garanderen dat het geen crimineel klusje betreft. Vervolgens vraagt hij aan Dino of hij meegaat. Het behoeft weinig betoog dat een en ander volledig uit de hand zal lopen.

L'Ultima Notte di Amore

Psychologisch spel
Regisseur Andrea Di Stefano maakte zijn politiethriller met film noir-trekjes naar eigen zeggen met zijn vader in het achterhoofd. Ook die werkte zich als politieman het schompes voor een habbekrats, niet of nauwelijks gewaardeerd door zijn meerderen. De apotheose van L’Ultima Notte di Amore speelt zich na een achtervolging vol onderhuidse spanning af in een tunnel van een snelweg waar onverlaten het hebben gemunt op de bagage van de twee passagiers. Het is een verademing dat al het dodelijke geweld niet expliciet in beeld wordt gebracht.

Het psychologische spel dat volgt, is het sterkste deel van de film. Op het plaats delict hebben zich tientallen politieagenten, hulpverleners, de hoofdcommissaris en de officier van justitie verzameld. Tussen de omstanders bevinden zich ook enkele Chinezen, die contact met Amore proberen te krijgen, want zij willen heel graag weten wat er met de bagage is gebeurd. Ondertussen heeft Amore de telefoon van een van daders en belt het laatst gebruikte nummer. Een stukje verderop in de tunnel neemt iemand op. En of de spanning nog niet genoeg is opgelopen, weet Viviana, met op de achterbank Dino’s zoontje, zich langs de afzetting te bluffen.

Het probleem van veel thrillers is het gemis van een creatieve afloop. Ook hier. Amore’s instemming met zijn goedbetaalde klus is enigszins naïef, maar vanwege zijn onvoorwaardelijke liefde voor Viviana, die snakt naar een comfortabeler leven, is zijn instemming te begrijpen. De kijker kan uiteindelijk zelf bepalen of haar wilskracht en bravoure om Amore uit het wespennest te redden een kwestie is van hebzucht, van liefde, of een combinatie hiervan.

 

10 augustus 2023

 

ALLE RECENSIES

La nuit du 12

***
recensie La nuit du 12
Iedere rechercheur heeft een misdaad die hem achtervolgt

door Ries Jacobs

In een Frans Alpendorp wordt de eenentwintigjarige Clara Royer met benzine overgoten en in brand gestoken. Ze overleeft de aanslag niet. Het is aan het team van rechercheur Vivès om de dader te vinden.

La nuit du 12 lijkt aanvankelijk een klassieke whodunnit, een soort Baantjer in de Franse Alpen. Vele verdachten komen in beeld in wat al snel een crime passionel lijkt te zijn. Clara was een romanticus, op zoek naar liefde kwam ze steeds weer in de armen van foute mannen terecht.

La nuit de 12

De politieagenten die op de moord gezet worden, zijn uiterst serieus, maar  hebben tegelijk geen hoge pet op van vrouwen, of in ieder geval niet van de interactie tussen mannen en vrouwen.

Zijn ook zij diep van binnen geen foute mannen? De liefde hebben ze afgezworen, ze waarschuwen een nieuwe collega die onlangs voor zijn vriendin op zijn knieën is gegaan voor de valkuilen van het huwelijk. Opvallend is het personage Marceau. De getatoeëerde rechercheur en zijn vriendin probeerden jarenlang vergeefs een kind te krijgen. Nu is ze zwanger van haar minnaar. Deze zes mannen, murw gebeukt door verloren liefdes en gruwelijke misdaden, hebben de taak om de moord op te lossen.

Feminisme
Dominik Moll maakte ruim 20 jaar geleden een bliksemstart als regisseur. Voor zijn tweede film Harry, un ami qui vous veut du bien (2000) kreeg hij een César, het Franse equivalent van de Oscar, en ook in de jaren daarna werden zijn films goed ontvangen. Een rode draad in zijn oeuvre zijn personages die op zoek zijn naar liefde en intimiteit. Deze lijn zet hij voort in La nuit du 12. De film toont gelijkenissen met Moll’s voorlaatste werk. Ook in Seules les bêtes (2019) hebben we te maken met ongelukkige liefde, een misdaad en een keur aan verdachten.

Ook voor die film schreef de Frans-Duitse regisseur zelf het scenario. Voor La nuit du 12 baseerde hij het script losjes op het boek 18.3. Une année à la PJ van de Franse schrijfster Pauline Guéna. Het centrale thema in het boek, ‘iedere rechercheur heeft een misdaad die hem achtervolgt’, fascineerde hem zodanig dat hij het verwerkte in een film. Toch is dit niet het enige dat hij wil zeggen. 

La nuit de 12

Er zit een feministisch element in de film dat niet goed uit de verf komt. Foute verdachten en vrouwonvriendelijke politieagenten staan tegenover een gewelddadig uit haar jonge leven gerukte blondine, een meisje eigenlijk nog. Moll lijkt de onschuld van het meisje tegenover het cynisme van de mannen te willen zetten, maar wat hij nu werkelijk wil zeggen, wordt geen moment duidelijk. 

Verval en verveling
Dit had Moll in zijn scenario beter uit moeten diepen. Nu is er een lichaam van een aan de liefde verslaafde vrouw en een allegaartje van mannen die de liefde hebben afgezworen. Deze verhaallijn leidt nergens naartoe. Het acteerwerk is oké, maar geen moment leef je mee met de nabestaanden of met de getroebleerde politiemannen. Het lukt de regisseur niet om dicht op de huid van zijn personages te zitten.

Ook wat betreft de beelden lukt het niet om La nuit du 12 voldoende sfeer te geven. Het camerawerk is eenvoudig en droog, je kunt het zelfs afstandelijk noemen. Dat is jammer, want het Alpendecor leent zich uitstekend voor de desolate sfeer van verval en verveling die in de leeggelopen bergdorpjes hangt. Toch kijkt de film lekker weg en verveelt hij geen moment. Alsof je kijkt naar een lange aflevering van Baantjer, maar dan zonder ontknoping.

 

4 december 2022

 

ALLE RECENSIES

Last Ride of the Wolves, The

****
recensie The Last Ride of the Wolves
Een crimineel op leeftijd… en zijn zoon

door Bob van der Sterre

Een misdaadfilm die je aan de tv-serie Taxi doet denken – en toch slaagt? Gelukkig maar dat genres nog steeds ruimte bieden aan vernieuwing. In het geval van The Last Ride of the Wolves zit de vernieuwing in het autobiografische verhaal.

Pasquale is een crimineel op leeftijd. Hij komt uit het zuiden van Italië en woont en werkt in het noorden. Dat werken is klussen in de misdaad. Hij heeft jarenlang ervaring, maar is geen type maffioso. Meer een zelfstandige beroepscrimineel.

Hij wil nog een keer een grote klapper maken. Daarvoor moet hij samenwerken met ‘De Wolven’. Twee broers die een dagelijks leven leiden als kermisexploitanten maar zijn ook niet bang om af en toe iemand te ontvoeren.

The Last Ride of the Wolves

Pasquale regelt dus van alles. Hij regelt een magazijn, coördineert de misdaad, gaat een woekerlening aan. Dat doet hij bij een kerel die stil zit in een stoel en niet veel zegt.

Ze moeten wachten tot het moment van de kraak daar is. Pasquale rijdt daarom rond met zijn zoon, de Italiaans sprekende Nederlander Alberto. We luisteren tijdens die ritten naar Pasquales monologen in de auto – soms doorspekt met herinneringen aan zijn leven.

Nietsdoen
The Last Ride of the Wolves
is een ander type misdaadfilm dan je gewend bent. Het is een rustige, onderhoudende en realistische film. Volgens mij wordt er geen schot gelost. Je kijkt naar de voorbereiding van een kraak alsof het een documentaire is. Er is veel saaiheid, wachten, nietsdoen. Dat komt ook door de stijl van de cameravoering, die stiekem mee lijkt te kijken.

Door het rondrijden doet de film af en toe denken aan films als Collateral of Wheeler, maar ook het tv-programma Taxi en latere varianten. Het is wel aardig hoe Alberto de Michele rondom die bron van filmen een verhaal bedacht heeft. Ik heb wel eens wat losse scènes gezien maar nooit eerder een hele film op die manier. En toch is in de Tiger Competition straks op IFFR een nóg extremer voorbeeld te zien: The Plains.

De film wordt na een wat moeizaam begin steeds beter, inclusief plot. En dat is geen toeval. Iedereen speelt zichzelf. Pasquale speelt Alberto’s vader en is ook zijn vader: Pasquale de Michele vs. Alberto de Michele. Alberto de Michele regisseerde dus zijn eigen vader. En zichzelf als zoon. En dat niet alleen: zijn vader was ook een beroepscrimineel en ooit van plan om een ‘laatste kraak’ te doen. En ook ‘de wolven’ spelen zichzelf.

In een interview met de Volkskrant, lichtte de regisseur het verhaal toe: “Dat echte plan mislukte. Vanwege een detail, iets stoms. Mijn vader sprak erover met mij. En ik dacht: misschien kan ik het medium film gebruiken om de roof toch door te laten gaan. Het leek me ook interessant om de valse romantiek die je zo vaak in films en series ziet eraf te halen. Mensen denken dat misdaad spannend is. De roof op zich, ja die is hartstikke spannend, dat is pure adrenaline. Maar de voorbereiding is eigenlijk erg saai. Die traagheid wilde ik in deze film vangen.”

The Last Ride of the Wolves

Voorgeschiedenis
Alberto de Michele studeerde kunst en misdaad komt telkens weer terug als thema. Hij maakte in 2010 al een korte film over dit onderwerp: I lupi. “Ik ben opgegroeid in die wereld, maar wat het precies is wat me zo aantrekt weet ik niet. Voor mijn gevoel kom ik er steeds dichterbij, in mijn kunst.”

In feite gaat de film ook over zijn jeugd, legt hij in het interview uit: “Mijn vader bleef niet thuis voor mij. Hij nam me overal mee naartoe, naar paardenraces, bordelen, illegale casino’s. Net als in de film. Als kind kon ik niet wachten tot de zomer weer begon.”

Het is een boeiende voorgeschiedenis die de film veel echter maakt dan menig andere film. Wel jammer dat de film wat kansen laat liggen om cinematografisch wat sterker voor de dag te komen. Wat meer flair had de film goed gedaan. De ingrediënten zijn er: de muziek is fantastisch, de titels zijn mooi, het acteerwerk is degelijk. Maar het is allemaal vrij ingetogen, vermoedelijk om het realisme niet te veel in de weg te zitten.

Dat kan een volgende keer nog komen. Wie weet wat voor jeugdinspiratie Alberto de Michele hierna nog omzet in film? Want er zit meer misdaadgevoel in deze film dan in de meeste misdaadfilms en -series.

 

11 februari 2022

 

Nu te zien in de filmtheaters en online op Picl.

 

ALLE RECENSIES

Monsieur Verdoux

Monsieur Verdoux (1947)
De anti-Chaplin als seriemoordenaar

door Bob van der Sterre

Het karakter The Little Tramp (de kleine zwerver) maakte films als Modern Times en The Kid legendarisch. In 1947 brak het moment aan in de loopbaan van Chaplin om hiermee te breken. Na het meesterwerk The Great Dictator sloeg hij in Monsieur Verdoux een andere toon aan: Charlie Chaplin als seriemoordenaar.

We kijken naar het graf van Henri Verdoux. De voice-over, van de dode Henri, begint met een bekentenis: ‘Ik vermoordde vrouwen en deed dat voor geld.’

Hij werkte dertig jaar bij een bank en werd als eerste ontslagen in 1930, toen de crisis uitbrak. Kortom: het is toch niet raar dat hij een weg moest vinden om geld te blijven verdienen?

Monsieur Verdoux (1947)

Chaplins cynische terugblik begint als monsieur Verdoux rozen plukt – hij helpt een rupsje terug in de struiken – en tegelijkertijd zijn verbrandingsoven aan heeft staan, waar zijn laatste vrouw aan het verassen is. ‘Nu al drie dagen… Hoe lang laat hij die nog aan staan?’, vragen zijn buren aan elkaar.

Als een rijke weduwe langskomt voor zijn huis, geeft Verdoux een kijkje in de keuken. Van rozen tot diepe blikken, van astrologische kenmerken tot aantrekkingskracht. Dit keer lukt het niet.

Ondertussen begint het aantal vermiste vrouwen op te vallen. Ze waren allemaal in dezelfde leeftijdscategorie en sociale categorie. De Parijse politie gaat op zoek als een familie hun Thelma kwijt is.

Portret van een charmante seriemoordenaar
Het karakter Verdoux is gebaseerd op Henri Désiré Landru, een man die in 1922 onder de guillotine eindigde. Over hem zijn meer films gemaakt (Bluebeard, 1963, Claude Chabrol). Orson Welles wilde over hem een quasidocumentaire maken met Chaplin in de hoofdrol. Die bedacht zich en kocht het script van Welles als ‘idee’.

Net als Landru is Verdoux een meubelmaker en een oplichtende moordenaar. De film geeft inzicht in hoe Landru opereerde. Hij bezoekt zijn zogenaamde vrouw, laat haar geld opnemen bij de bank, mompelt iets over ‘een endymion maan, de mooiste van allemaal’, loopt de trap op. Schrille violen, klusje geklaard.

Maar, haastte Chaplin zelf te zeggen: ‘Het is niet het verhaal van Landru, het is een combinatie van verschillende mensen.’ Deze man is erg lief voor zijn vrouw en kind. Zijn vrouw: ‘Sinds je ontslag drie jaar geleden ben je veranderd, je oogt geprikkeld.’ Hij heeft ook een zoontje en probeert hen te helpen. ‘Het is een gemene wereld en je moet gemeen zijn om te overleven.’

Zelf ook slachtoffer
Dit is zeg maar gerust de anti-Chaplinfilm. Niets charmants als met wat iedereen met de kleine zwerver gewend was. Chaplin zag de uitdaging om zo’n cynisch levensverhaal als van Landru te vermenselijken. De zwarte humor zal hem hebben aangesproken, ongetwijfeld, en de duistere charme van Verdoux.

Wel zijn er zijn een paar slimme goedmakers: de film legt de schuld bij de crisis (en werd daarom ook gezien als de meest antikapitalistische film uit zijn oeuvre). De oplichtermoordenaar is zelf ook een slachtoffer: van de grillen van de aandelenmarkten.

Monsieur Verdoux (1947)

Bovendien is Henri Verdoux alleen maar gemeen tegen rijke, oudere vrouwen die zich graag laten foppen. Hij is wel lief tegen dieren, zijn eigen gezin, de zwakkeren in de maatschappij. Chaplin: ‘Ik wilde met de film medelijden tonen voor alle mensen. Elke keer als we een depressie hebben, of een andere nationale ramp, brengen die het ergste in de mensheid naar boven, net als Verdoux, een tragisch en meelijwekkend figuur. Mijn motivatie is om misdaad en de oorsprong van misdaad te leren begrijpen.’

Het is opvallend hoeveel verwantschap er is tussen Verdoux en Raskolnikov, het personage in Dostojevski’s Misdaad en straf. En ook met latere vriendelijke seriemoordenaars, zoals Dexter.

Wil je respect als artiest? Zet dan je imago overboord
Het is niet te onderschatten hoe Chaplin hier met zijn imago durfde te spelen. Hij zette alle zekerheden van zijn charmante kleine zwerver-persona overboord. Zijn film hiervoor, The Great Dictator, was ook daarom zo populair: dat was de stem van de kleine man.

Nu was hij ineens een ijskoude moordenaar. Dat moet voor tijdgenoten net zo’n schok zijn geweest als voor bijvoorbeeld fans die Gregory Peck in 1978 ineens dokter Mengele zagen spelen (in The Boys from Brazil). In 1947 was een antipathiek hoofdpersoon nog niet zo gewoon als bijvoorbeeld in de jaren zeventig zou worden. (Nu zien we het tegenovergestelde: wie is er nog sympathiek in films?)

Chaplin geloofde zelf in de film en deed er alles voor. Hij was acteur, scriptschrijver, regisseur, producer, castingbaas, ‘en supervisor van alle andere afdelingen’, volgens een betrokkene. ‘De film móest gemaakt worden’, zei hij zelf.

Waar Chaplin dacht aan een interessante, controversiële filosofische film met hier en daar een lachsalvo, misschien wel een nieuw cinematografisch meesterwerk, bleef het bij de première stil. Hij liep overal rond in de bioscoop. Nauwelijks een grinnik. De pennen voor recensies werden gretig in teleurgestelde inkt gedoopt (alhoewel The New York Times en The Washington Post wel positief reageerden). Sommige bioscopen weigerden zelfs de film te vertonen.

Deze tegenslag was een buitenkans voor de traditionele Chaplin-vijanden: de conservatieven en moraalridders. Hij was hen al heel lang een doorn in hun oog vanwege het anti-autoritaire karakter van zijn films, zijn in hun ogen gebrek aan Amerikaans nationalisme (hij werd er miljonair maar wilde geen Amerikaans staatsburger worden) en zijn vermeende voorkeur voor het communisme (vooral gebaseerd op wat onhandige uitspraken in interviews tijdens de oorlog).

Na deze film werd hij nog een scherper doelwit van de McCarthy-onderzoekers. Schandalen was hij wel gewend (ruzie met de Britse regering, speelde Hitler in The Great Dictator, rechtszaken, jonge vriendinnen, staatsgevaarlijk volgens de FBI). Zijn reactie: ‘Als je met je linkervoet de stoeprand oploopt, ben je al een communist.’

Ze weerhielden Chaplin gelukkig niet van het maken van Limelight in 1952. Daarna zou hij zich vestigen in Zwitserland. Hij was in feite persona non grata geworden in de VS. De hufters hadden gewonnen. Hij gaf ze een trap na met A King in New York.

Een gifexperimenteerder
Je moet toch ook wel een beetje medelijden hebben met zijn fans, die na barre oorlogsjaren ‘iets om te lachen’ wilden. Zeker de oudere fans, die verwend waren geraakt met schitterende komedies. Dat station was hij al gepasseerd. Met de jaren werd Chaplin steeds uitgesprokener. En nog meer wereldster (zijn faam van toen is vandaag de dag nauwelijks meer voor te stellen). Wie wilde in die jaren twintig en dertig niet Chaplin voor zijn of haar karretje spannen?

Ineens zagen ze Chaplin als Verdoux bij de apotheek ‘twee ons chloroform’ kopen, een gifexperiment uitvoeren, en tijdens een rechtszaak een verbijsterende vergelijking maken tussen moord en oorlog (‘As a mass killer, I am an amateur by comparison’), om tot slot de economische crisis de schuld van alles geven (hij had overigens talent voor economie). En happy end ho maar. ‘Ze moesten wennen aan het feit dat Verdoux op geen enkele manier onder the tramp-boom viel.’

Dat was niet de film waar de Chaplinianen op hoopten, en de pers ook niet. De persconferentie drie dagen na de première leek wel veel op de ondervraging voor het House Committee on Un-American Activities een jaar later. Doorlopend Chaplin-gezeur in kranten, zijn scheidingen, de vermeende sympathie voor de Sovjets, en daarna deze film: de gewone man had even genoeg van hem.

Monsieur Verdoux werd een superflop. Chaplin zou de film zelf altijd ‘the cleverest and most brilliant film of my career’ blijven vinden. André Bazin, de Franse criticus, en Jean Renoir, regisseur, waren het hartgrondig met hem eens.

Hoe is de film voor kijkers in de cynische 21ste eeuw?
Monsieur Verdoux blijft een boeiende film. Al met al meer echt Chaplin dan vrijwel al zijn andere werken (afgezien van Limelight misschien). Achter de spottende komiek zit een bezorgde en cynische humanist, die zich achter alle grappen van de kleine zwerver langzaam evolueerde, en misschien wel echt werd met de beroemde speech in The Great Dictator.

Monsieur Verdoux (1947)

De film is bijna een bloederig verlengstuk van Modern Times: iedereen kan door het vreselijke systeem tot moorden aangezet worden. Daarom geeft Verdoux zich over op de dag dat hij beseft dat de mensheid met zijn bommen een veel grotere moordenaar is dan hij. Chaplin mikte hier dus meer op filosofie dan op geschiedenis.

Het is veelzeggend dat de film zowel in de VS niet goed werd begrepen (kapitalisme maakt van mensen moordenaars), maar ook door de Sovjet-Unie werd verboden (te pessimistisch voor een gedachte aan een heilstaat).

Toch biedt de film bijzondere momenten. De grappige shots van de alsmaar terugkerende treinwielen, een ander soort komisch effect dan voorheen. De keuze voor actrice Martha Raye die de scènes meer domineerde dan welke andere actrice eerder in zijn films. Ook de rol van tijd en plaats (een Engelstalig Parijs): het gaat alle kanten uit. Of hoe plotseling Mussolini en Hitler ineens verschijnen in de film. Het zal als een opluchting gevoeld hebben voor Chaplin: eindelijk eens een film maken zonder altijd weer die slapstickkettingen.

En natuurlijk de gedurfde luchtige en empathische visie op een moordenaar. Nu hebben we wel vaker series en films gezien die moordenaars (vaak huurmoordenaars) luchtig, humoristisch en sympathiek proberen neer te zetten. Denk aan de serie Dexter, ook een sympathieke killer. Toen was dat nog niet zo bekend.

Monsieur Verdoux is een film die hierdoor merkwaardig heen en weer golft van fysieke komedie naar zacht, sentimenteel drama, en dan weer naar grimmige thriller. Je merkt het vooral aan de romantische muziek. Die kleeft lastig op het cynisme van de inhoud. Kun je een versie aanzetten zonder score, dan is de film ineens een stuk huiveringwekkender. Zoveel filmconventies wilde Chaplin nou ook niet overboord zetten.

Dat is de kracht en de zwakte van Monsieur Verdoux. Zonder risico’s vaart niemand wel.

 

17 oktober 2021

 

THEMAMAAND CHARLIE CHAPLIN

Fugitive from the Past, A

****
IFFR Unleashed – 2005: A Fugitive from the Past 
Auteur zonder handtekening

door Alfred Bos

Tijdens een vliegende storm steken drie mannen in een roeiboot een zeestraat over en slechts één komt aan. Tien jaar later volgt de rekening. A Fugitive fom the Past (1965) van Tomu Uchida verhaalt over karma.

Ook Japan had in de jaren zestig zijn nouvelle vague, met Oshima, Imamura en Suzuki als de bekendste representanten. Een van de beste voorbeelden van nūberu bāgu, de Japanse new wave, is een drie uur durende politieprocedurefilm van een veteraan van de Japanse cinema. A Fugitive from the Past (Japanse titel: Kiga kaikyō) van Tomu Uchida is een toonbeeld van filmisch vakmanschap. Alleen een meester, sereen in zijn kunst, kan de regels zo moeiteloos naar zijn hand zetten. En breken.

A Fugitive from the Past

A Fugitive from the Past (1965) – naar de roman Straits of Hunger van Tsutomu Minakami – volgt de jacht op een misdadiger, het subgenre dat is geïnitieerd door Fritz Langs M. Evenals Akira Kurosawa in High and Low (1963) toont Uchida beide kanten van het verhaal, we volgen de dader en de autoriteiten. De schakel tussen de antagonisten is onderwerp van het middenstuk van de film. Het last heden aan verleden.

In The Third Murder (2017) van Hirokazu Koreeda staat het verhoor van de schurk centraal in de zoektocht naar de waarheid. Boeddhistische spiritualiteit vormt de kern van Kenji Mizoguchi’s Sansho the Bailiff (1954). A Fugitive from the Past doet beide, het is een door en door Japanse film.

Veelheid van stijlmiddelen
Voor de Tweede Wereldoorlog was Tomu Uchida (1898-1970) een in Japan veelgeprezen regisseur van films die vaak zijn gebaseerd op romans. De non-conformistische aanpak en de veelheid van stijlmiddelen – formeel én ad hoc, klassiek én modernistisch – die A Fugitive from the Past typeert, is eigen aan veel van zijn latere films.

Uchida behoort tot de pioniers van de Japanse cinema. Hij debuteert in 1922 met Aa, Konishi junsa (Police Officer Konishi); het is een coproductie met Teinosuke Kinugasa, de regisseur van het avant-gardistische Kurutta Ippēji (A Page of Madness, 1926) en het met een Gouden Palm bekroonde Jogokumon (Gate of Hell, 1953). Hij is een Japanse tegenhanger van Howard Hawks of John Ford.

Het overgrote deel van de meer dan veertig films die Uchida voor de oorlog regisseerde, in dienst van Japanse filmstudio’s, is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Dat is mogelijk een reden waarom de regisseur buiten Japan – waar zijn werk veel publiek trok – minder bekend is dan zijn generatiegenoten Ozu, Mizoguchi en Kinugasa. De belangrijkste reden is wellicht dat hij, naast zijn imponerende vakmanschap, geen kenmerkende eigen stijl of thema heeft. Uchida is een auteur zonder handtekening.

Het expressionistische Keisatsukan (Policeman, 1933), over twee jeugdvrienden, een gangster en een agent, is zijn enige stomme film waarvan een complete kopie bestaat. Van het sociaal geëngageerde Tsuchi (Earth, 1939) ontbreekt de laatste filmrol. De film is gesitueerd in de regeringsperiode van keizer Meiji (1868-1912), waarin de feodale Japanse samenleving in ijltempo moderniseerde naar westers model. Het persoonlijke drama van de straatarme boeren resoneert met de politieke situatie. In A Fugitive from the Past gebeurt iets dergelijks.

Open voor experiment
Het gemak waarmee Uchida van genre en stijl wisselt, kenmerkt zijn naoorlogse films. Na een afwezigheid van vijftien jaar keert hij in 1955 terug met Chiyari Fuji (Bloody Spear of Fuji Mountain), geproduceerd door zijn filmvrienden Ozu, Mizoguchi en Daisuke Itō, pionier van de chambara (samoeraifilm) en de bewegende camera. De film over een samoerai en diens knechten is jidai-geki (historisch drama), komedie en roadmovie ineen; de speersjouwer is hondstrouw én slimmer dan zijn meester. Cameravoering en mise-en-scène zijn streng formeel en tonen de invloed van kabuki (gestileerd dansdrama) en bunraku (poppentheater).

Kabuki en bunraka staan centraal in de verfilming van het volksverhaal Koi Ya Koi Nasuna Koi (The Mad Fox, 1962), dat animatie mengt met live action; het resultaat is hallucinant. Iets dergelijks deed Uchida drie jaar daarvoor in Naniwa No Koi No Monogatari (Chikamatsu’s Love in Osaka). Met een postmoderne truc voert Uchida de zeventiende-eeuwse poppenspeler Chikamatsu, auteur van het verfilmde toneelstuk, op als verteller én personage. Werkelijkheid en nabootsing vloeien over in elkaar.

A Fugitive from the Past is de meest modernistische film die een regisseur van de eerste generatie Japanse cineasten heeft gemaakt. Het is een bij vlagen avant-gardistische mix van klassiek formalisme en bevlogen experiment. Grootste probleem voor de regisseur is hoe hij het innerlijke leven van zijn personages zichtbaar maakt. Die visualiseert hij door beelden te solariseren, de tonen van zwart en wit om te keren; het kunnen herinneringen zijn, gedachten of ideeën. Ook de moraliteit van slecht en goed keert hij om.

Traditie versus moderniteit
De geluidsband wordt eveneens ingezet voor experiment. Er zijn flarden van elektronische muziek, in 1965 een embleem van modernisme. We horen een sirene (in de film) die zich mengt met percussie (op de soundtrack, buiten de film), het klinkt als een werkstuk van de avontuurlijke componist Edgard Varèse. Uchida maakte eerder op originele wijze gebruik van geluid: in Jibun No Ana No Naka De (A Hole of My Own Making, 1955) vervlecht hij constructiewerk met overvliegende straaljagers. Daar staat het voor vernieuwing, de moderne tijd en de Amerikaanse bezetters. Hier voor chaos, rampspoed en verwarring.

A Fugitive from the Past

De tegenstelling tussen traditie en het moderne Japan, zo typerend voor de gouden eeuw van de Japanse cinema, domineert de structuur van A Fugitive from the Past. De film bestaat uit twee delen die elkaar spiegelen. Het eerste deel speelt in 1947, kort na de oorlog, waarin Japan is bezet door de Amerikanen en de bevolking moet overleven in een verwoeste maatschappij. Het tweede deel speelt tien jaar later, wanneer het land is herbouwd tot moderne, op het westen georiënteerde samenleving.

Er is nog een derde deel, het middenstuk dat zich in een onbepaalde tijd tussen 1947 en 1957 afspeelt, de jaren van de wederopbouw. De nieuwe vrijheid – zonder anker, zonder traditie – leidt tot zielloos hedonisme en nihilisme. Plaats van handeling is Tokio, waar een gastvrouw (voormalige prostituee, nu geisha) weinig hoffelijk wordt behandeld door dronken Japanse nozems en Amerikaanse soldaten.

De Amerikaanse bezetter heeft een corrumperende invloed, de moderne wereld genereert nieuwe misdaad. Als de vrouw zich door de nachtelijke uitgaansbuurt verplaatst , zien we een van boven gefilmd crane shot van tientallen seconden lang. Het verbluffende shot lijkt de overgang van verleden naar heden te suggereren. De camera hangt als een brug boven de werkelijkheid.

De schaduw van het verleden
De hoofdpersoon, Takichi Inukai (gespeeld door de steracteur Rentarô Mikuni), wordt in 1947 verdacht van roofmoord en brandstichting; ook zou hij twee handlangers om het leven hebben gebracht. De politie zoekt hem en hij schuilt bij een prostituee, Sugito Yae (Sachiko Hidari), die hij een deel van de buit schenkt. Tien jaar later is Inukai een succesvol zakenman; hij heet nu Kyôichirô Tarumi. De vrouw, Yae, is hem nooit vergeten; door zijn geschenk heeft zij haar leven op orde gekregen. Wanneer ze in een krantenartikel over de zakenman Tarumi haar redder Inukai herkent, besluit ze hem op te zoeken. Het resultaat is fataal, Inukai/Tarumi doodt opnieuw twee mensen en ditmaal vindt de politie hem.

Net als in High and Low (1963) van Akira Kurosawa zoekt de politie in A Fugitive from the Past een misdadiger. Bij Kurosawa staat de tegenstelling tussen rijke industrieel en arme student centraal. Voor Uchida speelt een andere vraag, hoe lang is de schaduw van het verleden? Het personage van Inukai/Tarumi staat voor Japan: van zwervende sloeber tot geslaagde zakenman, van slachtoffer tot succes. Maar tegen welke prijs? Wanneer Yae hem na tien jaar heeft gevonden en hij haar in eerste instantie niet meent te herkennen, verzucht hij: “Ik ben de zin van het leven kwijt.”

Het derde deel van de film, dat speelt in 1957, stapelt ironie op ironie. Het toeval heeft Inukai/Tarumi een nieuwe toekomst gegeven, maar een daad van medeleven wordt zijn ondergang. Wat hij vreesde, gebeurt tien jaar later – gemotiveerd door liefde – alsnog. Het is niet het sterkste deel van de film. Het lange verhoor mist de dynamiek van de eerste twee delen. De spanning komt uit de dialoog, niet uit de beelden. Ook hier is het probleem van Uchida: hoe verbeeld ik het innerlijk van de personages? De film suggereert een boeddhistische boodschap – karma wint altijd – maar weet de motivatie van Inukai/Tarumi niet zichtbaar te maken.

Afwijkend filmformaat
Inukai/Tarumi spreekt over de armoede van het ontredderde Japan waarin hij en zijn moeder in ontbering moesten leven. De naoorlogse schaarste maakt Uchida terloops maar treffend zichtbaar. De detective die op zoek is naar Inukai, heeft last van zijn longen en zijn gezin ruziet over het gebrek aan voedsel. Er is een florerende zwarte markt en jongemannen zien ‘hun’ vrouwen ingepalmd door Amerikaanse soldaten. Tien jaar laten ruziën de zoons van de detective, tieners inmiddels, nog steeds.

A Fugitive from the Past is laatste grote film van Tomu Uchida en hoog geprezen in Japan. In het westen is hij, met een handvol andere films van deze begaafde maar weinig bekende regisseur, slechts beperkt te zien geweest. De film toont Uchida’s volmaakte beheersing van het medium; hij is vloeiend in een veelheid van filmidiomen.

A Fugitive from the Past

Gedraaid in zwart-wit-breedbeeldformaat en geschoten met een draagbare 16-millimeter camera (opgeblazen tot grofkorrelig 35 millimeter), maakt de regisseur optimaal gebruik van het afwijkende formaat. In de slotscène zit een moment waarop de vluchteling uit het verleden en de detectives verspreid staan over het dek van de veerboot tussen het Japanse hoofdeiland Honshu en het noordelijke Hokkaido. Na slingerwegen door Japan – en de tijd – eindigt de film waar hij begon en de compositie van het beeld met de speurder en diens prooi is even uitgebalanceerd.

Japanse nouvelle vague
A Fugitive from the Past opent in pseudo-documentairestijl en is politiefilm, thriller en gendaigeki (eigentijds drama) ineen. Er zijn goed gedoseerde en perfect geregisseerde dolly shots en crane shots. De montage is opvallend modern en sneller dan in 1965 gebruikelijk. Was de film indertijd in het westen uitgebracht, de nouvelle vague-regisseurs en Franse filmcritici zouden hebben gejuicht.

Het verleden spiegelt zich in het heden, wil A Fugitive from the Past vertellen. De film telt diverse beeldecho’s, situaties en scènes uit 1947 die zich herhalen in 1957. De kortstondige ontmoetingen tussen Inukai/Tarumi en Sugito Yae; de storm en het woeste water na de moorden; de schouwing van de doodskisten; de lijken die aanspoelen op de kust.

Maar in drie uur film – en tien jaar filmtijd – is er wel degelijk ontwikkeling. A Fugitive from the Past opent met beelden van woeste golven en sluit af met een serene zee. Daartussen speelt zich het leven af, van geboorte naar dood. De tijd laat zich niet vermurwen.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 26 mei 2021.

16 april 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Sport en misdaad

Sport en misdaad

door Bob van der Sterre

Delitto al circolo del tennis ♦ The Basketball Fix ♦ Pilkarski Poker

 

Geen duo dat je snel verwacht. Toch is er verwantschap. Denk bijvoorbeeld aan de film I, Tonya. Of aan matchfixing. Zijn er ook obscure voorbeelden?

In Delitto al circolo del tennis (1969) heeft Riccardo Dossi, een belangrijke zakenman, een affaire met een jonge vrouw, Benedetta. Zij is de dochter van een vriend van Riccardo. Allen weet hij een ding niet: dat zij bevriend is met Riccardo’s eigen dochter (Lilla) en háár vriend (tennisleraar Sandro). En dat zij drieën een smerig afpersingsplannetje hebben bekokstoofd met Benedetta in de hoofdrol.

Afpersing
Alle ellende begint bij een tenniswedstrijd van Riccardo. Bij de kledingruimte ziet hij Sandro een afpersingsbrief met foto’s in zijn zak stoppen. Sandro zegt ertoe gedwongen te zijn en hij wil Riccardo graag helpen. ‘Laten we de politie bellen!’ zegt hij als hij toch al weet dat Riccardo antwoordt: ‘Nee, ben je gek!’

Het gaat van kwaad tot erger als Riccardo het huis van de directeur van de tennisclub leent voor een date met Benedetta. Ze krijgt het opeens heet en sterft in Riccardo’s handen. Riccardo snelt naar zijn vakantiehuisje om daar depressief te zijn. ‘Zij hield van mij. Ik hield van haar.’

Benedetta’s dood was nep natuurlijk en de drie houden hem in de gaten vanuit een soort bunker. Ze persen hem af via de immer ‘hulpvaardige’ Sandro. Die stookt het vuurtje op: ‘Het is een misdaad, weet je, om een stoffelijk overschot te verbergen.’ De drie houden alleen geen rekening met het feit dat Riccardo houdt van wandelen en koekeloeren.

De film begint met prachtige sixtiesbeelden en fijne muziek. Plastic stoelen, gordijnreepjes, vette close-ups: we gaan er even goed voor zitten. Zoals andere critici al hebben aangekaart, ontvouwt zich daarna een kletsfilm zonder weerga. De boot van een soort Charade op zijn Italiaans is snel vertrokken, de boot voor uiterst langzame dialogen (inclusief uitzinnige close-ups) meert juist aan.

Pas bij het bizarre einde leeft het weer op. Wat een finale! De maffe soundtrack van Peter Chilton en Peter Smith zorgde er niet voor dat ze méér soundtracks gingen maken. Was dat jammer? Een goede vraag.

Basketballer
Méér sport en misdaad in The Basketball Fix (1951). Johnny Long is helemaal geen onaardige collegebasketballer. Integendeel: hij heeft talent. Sportschrijver Pete Ferreday koppelt hem aan coach Nat Becker. Zo deden ze dat vroeger.

Op een locatie waar hij bijverdient als zweminstructeur, ontmoet hij niet alleen Pat, een leuke dame, maar ook ‘zakenman’ Mike Taft. Die laatste weet wel hoe hij Johnny Long uit de geldzorgen moet krijgen: ‘Je krijgt 500 dollar voor als je wat punten mist.’ Shaving points in jargon.

Johnny bedankt maar het zaadje in zijn hoofd is geplant. Hij wil ook werk maken van zijn relatie, hoewel dat voor Pat niet eens nodig is: ‘Johnny… er zit geen prijskaartje op mijn hoofd.’ Hij twijfelt maar zijn vriend blijkt het ook te doen. ‘Het is niet alsof je de wedstrijd verliest, het gaat er alleen om dat je wat punten morst.’

Johnny gaat overstag en voor hij het weet is hij ‘een investering’ van Taft. Die beschermt die investering, zelfs als hij die zelfde basketballer moet laten afrossen. Het wordt een kwestie van nog een wedstrijd en dan nooit meer. Is dat een wedstrijd te veel?

Een basketbal-noir? De film noir-saus is in elk geval onmiskenbaar aanwezig: de gekwelde held, de karakteristieke voice-over en gangsters met regenjassen. Als dat al niet frappant is, zijn dat wel de compleet blanke basketbalteams; de erg uitbundige glimlach van Pat; de wallen onder de ogen van John Ireland; de moddervette moraal (‘Ga niet in zee met matchfixers’).

De film is verder redelijk voorspelbaar afgezien van een running joke: het karakter Lily (Hazel Brooks) dat alsmaar over astrologie begint. ‘Ik ben niet moeilijk, ik ben waterman.’ ‘Pardon?’ ‘Ik ben onder de vis geboren.’ ‘Oh.’ Zij is hier de komische noot, maar eentje die weinig geluid maakt.

Polen in 1989
In de Poolse film Pilkarski Poker (1989) zien we in feite hetzelfde gebeuren. Deze directeurs van Poolse voetbalclubs pakken het alleen wat grondiger aan dan Mike Taft. Via scheidsrechters bepalen ze uitslagen in de hele competitie. Een soort voetbalkartel.

Ze toosten op hun wanstaltige onderneming, waarbij scheidsrechters omgekocht worden met prostituees, wodka en geld. Wedstrijden worden meer op de tribunes en in vage hotels, bars en striptenten beslist dan op het veld.

Hun favoriete kop-van-jut is de naïeve scheidsrechter Jan Laguna (rol van Janusz Gajos, bekend van Trois couleurs: Blanc van Krzysztof Kieślowski). Iedereen neemt zijn moment om hem te manipuleren. Zelfs vriendin Irena.

Op zeker moment krijgt Jan in de gaten dat er iets vreemds gaande is. Uiteraard is hij net de scheidsrechter van een belangrijke wedstrijd. Wat beslist hij als een jonge speler die scoorde hem met pure voetbalogen aankijkt?

Je raakt nooit uitgekeken op de Poolse cinema van de jaren zeventig en tachtig. Al die uitstekende films, goed presterende acteurs, scripts die je verbazen en fraaie cameravoeringen. Voor deze film kreeg regisseur Janusz Zaorski zelfs echte voetballers zo gek om mee te doen en het verhaal is tamelijk spottend en volks en zal wel in Polen een bepaalde snaar hebben geraakt.

Het aardige van deze film is het portret van het Polen van 1989, dus tijdens het jaar dat de Berlijnse Muur viel (op 4 juni van dat jaar won Solidarność de verkiezingen). Een ‘provinciaal Polen’ nog volgens Zaorski, met ranzige trekjes. Zoals de man die in een bar in een teug een een achtergelaten glas wodka soldaat maakt. De asociale familie. De lompe stripbar. Seks in een auto op een parkeerplaats (je moet toch wat doen als je de tijd moet doden).

1989 was geen gelukkig moment om een film uit te brengen in Polen en de film liep z’n publiek mis. In 1993 werd de film ineens weer populair toen Legia Warszawa het kampioenschap werd ontnomen. Bij ieder nieuw schandaal piekte de aandacht voor de film. Zoals toen in 2005 het Poolse voetbal werd opgeschrikt door een serieus corruptieschandaal.

Pilkarski Poker is intussen een cultfilm geworden, vertelt regisseur Janusz Zaorski in een interview. ‘Er zijn weinig wedstrijden en goals. Wel veel achterkamertjes, kantoren van presidenten, geheime vergaderingen. In principe is dit een misdaadfilm.’

Een vervolg kwam er nooit van, tot spijt van Zaorski. Helemaal zonde in een tijd dat wedkantoren bijna op ieder voetbalshirt te zien zijn, en matchfixing een groter probleem is dan ooit.

 

13 maart 2021

 

Pilkarski Poker

Alle Camera Obscura

Hitchcock op de hielen

Hitchcock op de hielen

door Bob van der Sterre

Secret Defense ♦ Julie Darling ♦ Vivement Dimanche!

 

Hitchcock is al veertig jaar dood, maar zijn naam blijft doorleven. In hoeveel recensies wordt zijn naam nog wekelijks genoemd? De meester van de suspense kende zelf grote bewondering voor Henri-Georges Clouzot (Le Corbeau en Les diaboliques) maar kende zelf ook vele bewonderaars.

In Secret Defense uit 1998 duurt het heel lang voor de film op gang komt. Wat wil je, met een film van 2 uur en 45 minuten. We zien hele treinritten, acties in het laboratorium, mensen die voor zich uit staren.

Prettig traag
In dit rechttoe rechtaan verhaal komt Paul ineens binnen bij Sylvie. Hij heeft een foto. Oude bekende Walser staat daar op de achtergrond. Op de voorgrond: hun vader, vlak voordat hij vermoord wordt.

Sylvie en Paul willen uitzoeken hoe het zit. Aangezien Paul met een pistool op pad wil, gaat Sylvie net iets eerder. Ze schiet toch iemand neer, maar niet Walser. Wel zijn secretaresse die hem probeert te verdedigen.

Het verhaal loopt niet over van logica maar wel aardig is het prettige trage tempo voor een film uit 1998. In dezelfde tijd van Oliver Stones Natural Born Killers kwam ook deze slow cinema uit – lang voordat het een rage zou worden met series op Netflix.

Het suspensescript is van Pascal Bonitzer, die zelf ook wat films heeft geregisseerd, die meestal niet echt boven het gemiddelde uitsteken als je eerlijk moet zijn. Dit script – hij is een veelschrijver – kwam terecht bij Jacques Rivette, die de nouvelle vague kickstartte met Paris Nous Appartient (1961).

Hier en daar zijn er nog glimpen van die films te zien. Zoals de gek verlopende telefoongesprekken of hoe ongewoon relaxed iedereen is. Na een bekentenis van een moord, is iedereen twee tellen later alweer cool. Wel iets té cool voor Hitchcock, denk ik.

Hoofdrolspeelster Sandrine Bonnaire is veel in beeld (vooral moeilijk kijkend) maar Jerzy Radziwilowicz (Man of Marble en Man of Iron) alias Walser steelt de show.

Liefde voor paps
Hitchcock hield wel van gewaagde onderwerpen maar ik denk dat hij de onderwerpen in Julie Darling (1982) ook wel iets te gewaagd zou vinden: aanranding, incest, seks, moordende kinderen. Desalniettemin is de film duidelijk gemaakt in de geest van Hitchchock.

Julie aanschouwt op een dag hoe haar moeder (die haar lievelingsslang wegdeed) aangerand wordt door een boodschapjes afleverende jongeman. Ze heeft de gast op de korrel (immers de VS, iedereen loopt rond met wapens) maar doet niets. Haar moeder laat ze verongelukken en de jongeman ermee wegkomen.

Reden: haar te heftige liefde voor paps. Die zelf ook iets te lief is. ‘Pa, mag ik in je bed slapen?’ ‘Natuurlijk meisje!’

Later aanschouwt ze zichzelf als hij de liefde bedrijft met een nieuwe vrouw. Julie is vastbesloten dat zij de enige darling blijft van haar vader.

Deze thriller is best merkwaardig in zijn kwaadaardigheid. Fles in kruis van een man, aanranding, dubbelloops jachtgeweer… Een verbijsterende scène is als ze zichzelf in bed ziet vrijen met haar vader. Naast incest, biedt de film seks en politieke incorrectheid, maar niets op het gebied van stijl. Dat deed Hitchcock honderd keer beter.

De film scoort punten door de ijzige blik van dit horrorkind (rol van Isabelle Mejias). Ze weet zelfs de rol van de aanrander in haar schaduw te stellen. Mejias is een mysterieuze actrice die doorbrak in een Franse feministische softseksfilm (Le roi des cons), zelf twee films regisseerde én figureerde in Porky’s-kloons als State Park en Meatballs 2. Anthony Franciosa kennen we nog uit Dario Argento’s Tenebre. (Te toevallig om hier niet te noemen: beide hoofdpersonen speelden in afleveringen van de serie Alfred Hitchcock presents.)

Eerbetoon Truffaut
The Master of Suspense kende veel Franse bewonderaars. Zoals ‘de Franse Hitchcock’, Claude Chabrol, maar ook François Truffaut. Die maakte met de laatste film uit zijn leven in 1983 (een jaar later zou hij overlijden) een eerbetoon aan Hitchcock: Vivement Dimanche!.

Huizenverkoper Julien Vercel is net op jacht op dezelfde plek waar ene Massoulier vermoord wordt. Dezelfde avond, als hij terugkeert van het politiebureau, is zijn vrouw ook vermoord. Die had een affaire met Massoulier.

Zijn secretaresse gelooft in Vercels onschuld. Samen proberen ze te begrijpen wat er gebeurd is. Ze houden mensen in de gaten en sluipen kamers binnen. Dat is gevaarlijk. Want er is een connectie met een prostitutienetwerk.

Truffaut was groot kenner en liefhebber van het werk van Hitchcock. Hij schreef hem ooit een brief over die bewondering. Dat leidde tot een beroemde ontmoeting in 1962, waarbij Truffaut Hitchcock uithoorde over zijn films. Dát leidde tot een boek in 1966. En dát leidde tot een documentaire in 2015.

Dus vandaar de keuze voor zwart-wit én de look and feel van een klassieke film (jaren zestig), hoewel moderne dingen niet worden gemeden, zoals een telex of een digitaal horloge. Net als bij Hitchcock zie je hier ook wat man-vrouw-humor (grappige dialoog bijvoorbeeld als hij haar de wapen uit haar hand slaat én haar gelijk geeft).

En dan nog citaten uit Hitchcocks werk: de klap met het beeld (hier de Eiffeltoren), telefoon in een streep maanlicht, de autoscène, de kus in de portiek (‘Heb ik wel eens in een film gezien’), het gevecht in de kamer (van buitenaf gezien), de vrouw met mes in de rug die in de handen van een vreemde valt… Zelfs grappen over blondines (knipoog naar Hitchcock-actrices als Grace Kelly, Ingrid Bergman, Kim Novak). De hoeren zijn allemaal blond (‘Niemand wil met een brunette’) en de kersverse blonde secretaresse is ondanks haar tikken met een vinger goed genoeg (‘De baas houdt van blondines’).

Anders dan Hitchcock noemt zelden iemand Truffaut als lichtend voorbeeld. Toch is zijn lichtvoetige filmstijl een verademing om te zien. Deze film is gebaseerd op een Amerikaanse hard-boiled detective, ‘maar de dialogen en de humor zijn typisch Frans’, zei Truffaut.

Fanny Ardant (toenmalige vrouw van Truffaut) is in zijn handen ook voortreffelijk als secretaresse Barbara. Ze toont veel acteerplezier. Jean-Louis Trintignant is degelijk als Vercel. Hij speelde ook een rol die aanvankelijk was bedoeld voor Patrick Dewaere. Die had net zelfmoord gepleegd. Over Dewaeres zelfmoord had Hitchcock vast een mooie film hebben kunnen maken (‘A shocking, inexplicable end to friends, fans and family alike’ volgens zijn biografie) maar de meester van suspense was toen zelf al twee jaar dood.

Wie er niet genoeg van kan krijgen… bekijk de masterclass van de master of suspense zelf.

 

15 december 2020

 

Vivement Dimanche!

 
Alle Camera Obscura