Communistische gangsterfilms

Communistische gangsterfilms

door Bob van der Sterre

Cu mâinile curate ♦ Vabank ♦ Dögkeselyü

 

Al die bergen gangsterfilms uit de VS, Verenigd Koninkrijk, Hongkong of Japan. Is het niet leuk om een keer gangsterfilms uit Roemenië, Hongarije en Polen te gaan kijken? Drie communistische gangsterfilms die de ogen van de liefhebber kunnen openen.

In Cu mâinile curate (1972) zien we wat Roemeense misdaad eind jaren veertig behelsde: met een tank een bank overvallen. Maar eerst naar het begin: Mihaj Roman krijgt de functie van hoofdcommissaris toegespeeld. Daar heeft hij maar weinig zin in. Zo komt hij in contact met de bestrijders van de harde misdaad, waaronder commissaris Miclovan. Een eigenzinnig maar eerlijk figuur.

Zoveel moois
De misdaad tierde hevig in de jaren veertig. Gangsters die vanuit een juwelier schieten met machinegeweren. Ze zijn omsingeld door de politie… En dan… ‘Godverdomme, een tank.’ ‘Waar komt die vandaan?’ ‘Misschien lieten de Duitsers die achter.’

Een commissaris blijkt ineens niet zo fris te zijn geweest in de oorlog. ‘Je liet me vier dagen en nachten niet slapen.’  ‘Ik deed mijn werk.’ ‘Je werk?’ ‘Jij haat mij, ik ben onverschillig tegenover jou.’ Later zegt Roman het zo: ‘Als mens zal ik je nooit vergeven. Als commissaris heb ik me verkeerd tegen je gedragen.’ De man moet hem helpen op jacht naar topcrimineel Scortea.

Er is zoveel moois aan deze film. Alleen al dat regisseur Sergiu Nicolaescu echt deed waar hij plezier uit haalde: het maken van stijlvolle misdaadfilms. Hij speelt zelf Miclovan, maar heeft hier een bijrol naast de rechtschapen Roman – die fraai wordt neergezet door Ilarion Ciobanu. Er is meer. Het fraaie portret van de armzaligen in de bar. Achtervolgingen op straat met Roemeense jazzmuziek.

Dan heb je nog het tweede deel van Cu mâinile curate: Ultimul Cartus (1973). En de fan is dan nog niet uitgekeken! Zo zijn er nog de prima misdaadfilms Un Comizar Acuza (1974) en Duelul (1981). Het knappe was dat Nicolaescu zijn films politiek min of meer neutraal houdt in plaats van dat het communistische pamfletten worden. Dat maakt de films op gekke manier juist realistisch.

Zwijgzame bankkraker
In Vabank (1981) komen we terecht in de jaren dertig in Warschau. De befaamde kluizenkraker Henryk Kwinto komt vrij. Slecht nieuws voor bankpresident Kramer, een oude vriend die Kwinto destijds heeft aangegeven bij de politie.

Kramer wil het goed maken met geld maar Kwinto is uit op wraak. Temeer Kramer naar hij vermoedt zijn oude vriend Tadeusz uit het raam heeft laten gooien. Het moest zelfmoord voorstellen maar Kwinto weet wel beter.

Kwinto, type zwijgzame bankkraker, vindt nieuwe medecriminelen – bewonderaars van hem. Hij wil nog een grote kraak doen in Kramers bank. Die schept immers op dat zijn bank onberoofbaar is. Zoals in elke heistfilm maakt dat de uitdaging voor Kwinto en zijn makkers er alleen maar groter op.

In Vabank is stukken meer aandacht aan stijl dan in je doorsnee-gangsterfilm. Zo hoort film te zijn, met aandacht voor cinematografie, setdecoratie, mode, muziek, details! Een stijlvolle vorm van escapisme.

Denk aan de briljant gefilmde zelfmoordpoging (vanuit het perspectief van een ondersteboven kijkende straatacrobaat); de handheldcamera met verrassende close-ups af en toe; de geweldige acteurs (Jan Machulski als Kwinto; Leonard Pietraszak als Kramer; vrijwel alle bijrollen).

Met de oude auto’s, hoeden en bossen krijg je al snel flashbacks naar een Poolse versie van Miller’s Crossing. Zouden de Coen-broers die tien jaar later hun film maakten deze film ook hebben gezien? Ze kunnen ook het vervolg uit 1985 hebben gezien: Vabank 2. Hoe dan ook: fans van misdaadfilms kunnen deze film simpelweg niet negeren. De film van Juliusz Machulski (ruim tien jaar geleden overleden) is té goed. Machulski schreef het script, speelt Kwinto en lijkt daarmee een soort Poolse variant van Nicolaescu. Ook weer persoonlijk betrokken en stijlvol.

Oude, stelende dametjes
Na Roemenië en Polen laat ook Hongarije zien dat het ten tijde van het communisme een beste misdaadfilm kon produceren. Dat gebeurt met Dögkeselyü (1982).

Een taxirit in een Lada. Het laatste wat je verwacht van twee oude kletsende dametjes is dat ze de taxichauffeur (Simon) zijn geld ongemerkt stelen. En dat terwijl hij schulden heeft.

De politie neemt Simons probleem niet zo serieus. Net zo min als zijn collega’s. Maar hij heeft het geld nodig. Met wat geslepen detectivewerk achterhaalt hij wie de oude dametjes zijn. Via chantage wil hij ze straffen, onder andere met de ontvoering van de dochter van een van de twee dames.

Spektakel. Achtervolgingen door de straten van Budapest (inclusief Naked Gun-sirene), autodiefstal, ontvoering. Simons verhaal valt ook samen met de tragische verhalen van de andere karakters, die ook in 1982 proberen te overleven in de Hongaarse maatschappij. De een met seks, de ander met kaartspelletjes, een volgende met puur verdriet.

Dögkeselyü oogt modern. De film van Ferenc András (die een keer niet in de film zelf speelt) zou ook nu nog wel succes hebben in het filmhuis. Coole Hongaren, zonnebrillen en zomerhoedjes, barretjes. Check bijvoorbeeld de prachtige, coole poster. Die is helemaal van deze tijd.

Maar ook het gewaagde subthema van ongelukkige Hongaren raakt als het drama van een moderne film. De film doet zelfs een beetje denken aan een Hongaarse versie van Falling Down. Het is dezelfde boosheid die hetzelfde drama teweegbrengt.

Wie had dat gedacht, dat communistische misdaadfilms eigenlijk verrassend goed zijn? Wie zijn vinger opsteekt, jokt, of is een echte fijnproever.

 

13 september 2019

 

Alle Camera Obscura

Rojo

****
recensie Rojo

Warme kleuren, koude wereld

door Michel Rensen

Rojo toont een samenleving in verval waar men de scheuren ziet, maar vooral wil volhouden dat alles normaal is. De film werpt een kritische blik op de Argentijnse geschiedenis en de gevaren van maatschappelijke onverschilligheid.

1975. Het jaar voor de militaire coup in Argentinië. Advocaat Claudio (Darío Grandinetti) wacht in een volgeboekt restaurant op zijn vrouw. Hij krijgt ruzie met Diego die het absurd vindt dat de advocaat een tafel bezet houdt, terwijl hijzelf daardoor moet wachten tot er plaats is. De ruzie loopt volledig uit de hand en aan het eind van de avond belandt Diego levensgevaarlijk gewond op de achterbank van Claudio’s auto. In plaats van hem bij een ziekenhuis af te leveren, dumpt Claudio de man in de woestijn, wetende dat hij zal sterven. Diego is expliciet een buitenstaander, geen onderdeel van Claudio’s samenleving en zal dus door niemand gemist worden. Het dedain van Claudio is sterk voelbaar in deze zwart-humoristische openingsscène, die sterk doet denken aan Damián Szifróns Wild Tales, waarin Darío Grandinetti ook te zien is.

Rojo

Maatschappij in verval
Drie maanden later gaat het leven van de advocaat en zijn familie door alsof er niets aan de hand is. Uitbundige, elitaire feesten gaan hand in hand met onderhandse corruptie. Alles om de status quo in stand te houden. Het incident lijkt door iedereen vergeten te zijn, totdat privédetective en tv-persoonlijkheid Sinclair verschijnt, een wederom fenomenale Alfredo Castro (Tony Manero, Desde allá, El Club) die ondanks zijn geringe lengte in elke scène een dominante positie inneemt. Diego a.k.a ‘El hippie’ bleek familie van een goede kennis van de advocaat en die heeft op zijn beurt de detective ingeschakeld om erachter te komen wat er met zijn zwager gebeurd is. Plotseling blijkt de illusie van normaliteit waar de advocaat zich aan vasthoudt zeer fragiel. 

Rojo toont een maatschappij in verval. De film richt een kritische blik op de bourgeoise middenklasse die in het belang van stabiliteit gruwelijkheden accepteert en waar nodig uitvoert. Een politieke chaos is nadrukkelijk aanwezig, maar voor deze elite is het allemaal ver weg; en dat houdt ze graag zo. Wegkijken is de norm. Zolang je eigen leven, werk en familie het goed hebben, is er immers niks om je zorgen om te maken. Claudio’s medeplichtigheid aan de dood van ‘El hippie’ lijkt hem weinig te deren. Pas als zijn sociale status erdoor in het geding komt, breekt het zweet hem uit.

Rojo

Warme esthetiek
Rojo oogt als een film uit de jaren 70 met een nagemaakte korrelige celluloid-look vol verzadigde kleuren, met name de kleur rood (zoals de titel al doet vermoeden) die uiteraard ook symbolisch verwijst naar de (ongeziene) bloederige politieke crisis. Naast het nabootsen van analoge film, versterkt ook het gebruik van split-focus diopters, waarmee de camera op twee verschillende dieptes kan scherpstellen, het jaren 70-gevoel van de film. De prachtige visuele stijl van de film wordt gecomplementeerd met een even briljante soundtrack van de Nederlandse componist Vincent van Warmerdam (Borgman, De Noorderlingen).

In tegenstelling tot de vele recente nostalgische verwijzingen naar het verleden – denk bijvoorbeeld aan Stranger Things – zet regisseur Benjamín Naishtat deze esthetiek kritisch in. Het warme kleurenpalet vormt een scherp contrast met de kille wereld waarin intermenselijke relaties verstoord zijn. Men leeft niet samen, maar langs elkaar heen. Rojo kijkt niet met sentiment naar het verleden terug, maar zet een kritische noot bij een beladen geschiedenis door zich te richten op de ‘gewone man’, de middenklasse die zich schuldig maakt aan gruwelijke daden voordat een totalitair regime deze institutionaliseert. Een boodschap die resoneert in het huidige politieke landschap.

 

10 september 2019

 

ALLE RECENSIES

Ragazza nella nebbia, La

***
recensie La ragazza nella nebbia

Wachten op het laatste puzzelstukje

door Cor Oliemeulen

Een vijftienjarig meisje uit een diepreligieuze familie verdwijnt spoorloos. Een curieuze detective stort zich op de zaak en kan al vrij snel een verdachte leraar aanhouden. Maar is deze wel verantwoordelijk voor de vermissing? La ragazza nella nebbia vraagt veel geduld van de kijker.

Donato Carrisi was al een tijdje actief als producer en scenarist. Aangezien niemand zijn script van de thriller La ragazza nella nebbia (Het meisje in de mist) wilde verfilmen, maakte hij er een boek van en besloot uiteindelijk zijn misdaadverhaal zelf op het witte doek te brengen. Carrisi’s sfeervolle regiedebuut is vooral ambitieus door de vele plotwendingen, waardoor de kijker pas in de allerlaatste minuut de puzzel kan oplossen.

La ragazza nella nebbia

Suspense
In een interview zegt de Italiaan dat hij een verhaal altijd begint met een complex eind. Hij vermijdt elke vorm van geweld en toont nooit bloed, want een suspensefilm heeft dat volgens hem niet nodig. De toeschouwer weet bovendien meer dan de filmpersonages, maar bang zijn hoeft ook weer niet. Nu is Donato Carrisi geen Alfred Hitchcock, want die hield de kijker voortdurend bij de les zonder te vervallen in onnodige zijpaden, stemmingswisselingen en kunstzinnige shots om de boel wat op te leuken.

Carrisi valt in de kuil van menig debuterend filmmaker: teveel willen, uiteindelijk te weinig brengen. Het zoveelste bewijs dat boekverfilmingen (en gekunstelde puzzelverhalen) vaak niet goed uit de pixels komen. Denk bijvoorbeeld aan het vrij recente misdaadverhaal The Snowman (2017), hoewel Donato Carrisi het lang niet zo bont maakt als de Zweedse regisseur Tomas Alfredson die eveneens kon beschikken over een prachtige omgeving en een cast met grote namen.

La ragazza nella nebbia

Atmosfeer en cast redden film
Naast de verdienstelijke donkere thrilleratmosfeer zijn het de acteurs die La ragazza nella nebbia van de grijze middelmaat redden. Toni Servillo (La grande bellezza, 2013) is uitstekend op zijn plek als de mysterieuze detective Vogel die zoals zo vaak bijna geen gelaatsspier vertrekt en acteert alsof hij een dubbele agenda heeft. Ook de verdachte leraar (hij is op de dag van de verdwijning van de scholiere gewond geraakt aan zijn hand en zijn jeep is in de buurt gezien) vertolkende Alessio Boni (La meglio gioventù, 2003) blijft ondoorgrondelijk, zelfs nadat hij zijn baard heeft afgeschoren. Jean Reno (Léon, 1994) als psychiater hoeft slechts wat op afstand te brommen om geloofwaardig te zijn. Ook over de rest van de cast valt weinig te klagen.

Het zijn niet alleen de puzzelstukjes die de kijker op de goede plaats dient te leggen, enige maatschappijkritiek blijft in La ragazza nella nebbia niet achterwege. Bijna elke misdaadzaak wordt tegenwoordig tot in den treure in de media belicht en niemand kijkt meer op hoe cameraploegen zich als een zwerm bijen op verdachten en hun omgeving storten en hoe publieksgeile reporters proberen eeuwige roem te vergaren zonder welk ander belang dan ook in ogenschouw te nemen. Belangen zijn er ook bij de opsporende macht: een zondebok is snel gevonden om persoonlijke en politieke ambities te kunnen waarmaken of om je eerdere falen te verhullen. Je zou bijna vergeten dat ook verdachten en hun advocaten zich vandaag de dag uitstekend in die constellatie weten te bewegen.

 

31 augustus 2019

 

ALLE RECENSIES

Ruben Brandt, Collector

****
recensie Ruben Brandt, Collector

Schilderachtige nachtmerries

door Ralph Evers

Wat krijg je wanneer je de remmen van je fantasie, gekanaliseerd door topstukken uit de westerse kunstgeschiedenis, loslaat? Eén van de betere animatiefilms van de afgelopen jaren. Een feest voor de liefhebber qua verwijzingen en ach, voor hen die nauwelijks notie hebben van de veelal Europese culturele identiteit, je hebt in ieder geval een eigenzinnig misdaadverhaal. 

Eén van de toevoegingen van Dalí aan de kunst is de methode van kritische paranoia. Het verhaal gaat dat hij met een theelepeltje in de hand dat boven een kopje zweefde zich in een siësta dutte en bij het ontwaken van het klingelende geluid de beelden die hij op het scherm van zijn derde oog geprojecteerd zag naar het canvas vertaalde. Zoiets lijkt Milorad Krstić, de Sloveense regisseur van Ruben Brandt, Collector ook gedaan te hebben. Deze animatie is niet alleen intelligent, geestig, verrassend, maar bovenal visueel overdonderend, idiosyncratisch en om in herhaling te vervallen eigenzinnig.

Ruben Brandt, Collector

Het vervallen is herhaling is overigens niet voor niets, want deze Hongaarse film slechts één keer zien is een garantie voor een groot gemis. De film zit zo boordevol verwijzingen naar kunst, popcultuur en filmverwijzingen, waar tevens een deel van de lol in zit, dat een enkele keer te weinig is. Ruben Brandt is de geanimeerde variatie op György Pálfi’s Final Cut – Hölgyeim És Uraim. Een film verteld aan de hand van iconische momenten uit de wereldcinema.

Zinnenprikkelend tuig
Animatie moet eigenlijk maar een ding doen en dat is het scheppen van niet alledaagse werelden. Nu, daarin is Ruben Brandt uitermate goed geslaagd. De film kent weliswaar een vrij gestructureerd verhaal over, verrassing, Ruben Brandt. een psychotherapeut, wiens vader werkte met subliminale boodschappen in film en deze testte op de jonge Ruben. Als volwassene wordt hij achtervolgd in zijn nachtmerries door de personages uit topstukken als Jean Moulin, de postbode van Van Gogh of een van de prinsesjes van Velazquez. Zijn oplossing? Deze werken stelen, in eigen bezit hebben en daarmee hun demonische uitwerking op hem onschadelijk maken. Het lukt hem met een viertal illustere en ongeëvenaarde criminelen. Als gezochte topcrimineel krijgt Brandt een bonte verzameling premiejagers achter zich aan.

Een eerste associatie die de stijl oproept, is die van Jean-François Laguionie, maar met de gestyleerde Man from U.N.C.L.E.-opening gaat de lieflijkheid van Laguionie overboord. Overigens doet het tempo van Ruben Brandt meer denken aan een nieuwe Guy Ritchie. Een achtbaanrit zonder veiligheidsgordels, een hallucinante trip die ook wel doet denken aan Ari Folmans The Congress, waar talloze historische figuren hun opwachting maken. Maar waar Folman een meer filosofische insteek heeft, kiest Krstić prominenter voor een esthetische pastiche. Vorm boven inhoud zou je kunnen klagen, of eendimensionale personages, maar de stijl heeft hierin ook bewust iets karikaturaals, zoals Sylvain Chomets Les Triplettes de Belleville. De film is met al deze verwijzingen nog wel het best te omschrijven als een jazzcompositie, zoiets als The Bad Plus weet te doen met zijn covers van bijvoorbeeld Nirvana’s Smells like teen spirit. Jazz ook omdat er her en der een heerlijke noir-feel opsteekt.

Ruben Brandt, Collector

Ogen te kort
Een smet op dit feest van verbeeldingskracht is dat de plot wat te rechtlijnig is. Hoewel er voldoende bizarre wendingen in de omgevingen en nachtmerries van Ruben zitten. Oh, en niet te vergeten de bijzondere, spelen-met-Picasso gezichten (meerdere ogen, neuzen, oren) en andere menselijke kenmerken, blijft het van a tot z verteld verhaaltje wat mat. Zoals gezegd, de personages zijn eendimensionaal (en in één geval tweedimensionaal) en de vaart zit er, op de slak na, aardig in. Het narratieve aspect was sterker uit de verf gekomen mocht er een spanningsboog, een tegenslag, een verwarrend Lynchiaanse component aan toegevoegd zijn. Edoch, de focus ligt hoofdzakelijk op de liefde van Krstić voor film-, pop- en kunstgeschiedenis en daarin is reeds genoeg te genieten.

 

16 juli 2019

 

ALLE RECENSIES

Terra dell’abbastanza, La

****
recensie La terra dell’abbastanza

M & M vermalen door misdaadmores

door Alfred Bos

Sterke debuutfilm van Italiaanse tweeling over jeugdvrienden aan de onderkant van de Romeinse samenleving. Ook daar is het leven één groot theater.

La terra dell’abbastanza is de debuutfilm van de Italiaanse tweelingbroers Daminio en Fabio D’Innocenzo, geboren in 1988; ze zijn naast de regie verantwoordelijk voor het script. Het is sociaal realisme vermomd als misdaaddrama, een soort Pasolini voor de eenentwintigste eeuw. Bij vluchtige kennismaking presenteert het relaas van de opkomst en ondergang van twee jonge krabbelaars in de buitenwijken van Rome zich als een generieke genrefilm. Maar zoals de ironische titel, het land van genoeg, al suggereert, is er meer aan de hand.

La terra dell'abbastanza

Manolo (Andrea Carpenzano) en Mirko (Matteo Olivetti) kennen elkaar vanaf de kleuterklas. In de grabbelton van het leven schurken ze tegen de bodem aan. Ze zitten op de horecavakschool en wonen nog thuis. Manola bij zijn vader (Max Tortora, Loro), die verblijft in een soort garagebox. Mirko bij zijn moeder (Milena Mancini) in het type naoorlogse woonkazerne dat de rafelranden van elke Europese grootstad, ook Rome, markeert. Het zijn enige kinderen van gebroken gezinnen, opgegroeid met geldgebrek en culturele armoede. Scharrelen om te overleven is hun tweede natuur.

Ze hebben geen voorbeelden en geen ambities. Ze zijn kansloos en hebben géén idee, ook niet hoe kansloos ze zijn. Tot zover is La terra dell’abbastanza Ken Loach op zijn Italiaans. Of eigenlijk Shane Meadows en diens This is England verplaatst van de Britse Midlands naar de eeuwige stad.

Oneindig krediet
Maar dat verandert wanneer de vrienden, met Mirko achter het stuur, op een verloren avond een voetganger doodrijden. Mirko, wiens morele besef nog niet is versteend, raakt in paniek. De meer berekenende Manolo verkiest niet te biechten bij de politie, maar bij zijn vader, een kleine knoeier. Die weet te achterhalen dat het slachtoffer een ondergedoken verklikker is, gezocht door de lokale boeven. Op slag zijn de kansloze kneuzen knapen met aanzien in de schaduweconomie, er gloort een loopbaan in de misdaad. Denken ze, en dat is het moment waarop La terra dell’abbastanza de afslag richting Pasolini neemt.

La terra dell'abbastanza

Met filmische middelen maakt de D’Innocenzo-tweeling zichtbaar wat er zich in de hoofden van de jeugdvrienden afspeelt. Telelens en close-ups tonen ogen waarin verwarring (Mirko) dan wel leegte (Manolo) schemert. Ook de aandacht voor het marginale milieu staat in dienst van de personages en hun morele keuzes, de scènes rond de kibbelende gabbers worden aangevuld met daden die hun ware ik tonen.

In de beste scène van de film weet Mirko het verjaardagsfeest van zijn halfzusje – dat hij nauwelijks kent – te verstieren door ongevraagd binnen te vallen als de kerstman met oneindig krediet. Hij heeft, net als zijn vervreemde vader, geen besef van wat hij aanricht, zijn moeder wel. Mirko is de impulsieve emotie tegenover de gewiekste list van Manolo. Hij weet Mirko – die klust als pooier en gaandeweg ook zijn vriendin Ambra (Michela De Rossi) als hoer ziet – te paaien voor een lucratieve opdracht. Er moet iemand worden omgelegd.

Distantie en betrokkenheid
Tegenover de naïeve bravoure van het tweetal staat het arglistige cynisme van de beroepscriminelen en hun capo, Angelo (Luca Zingaretti, inspecteur Montalbano uit de gelijknamige tv-serie). Milieu en karakter komen opnieuw fraai samen wanneer M & M tijdens een buurtdiner worden gerekruteerd voor de beraamde moord. Ook aan de onderkant van de samenleving is het leven één groot theater.

La terra dell'abbastanza

Met de wijze waarop de moordaanslag in beeld is gebracht, etaleren de D’Innocenzo-broers hun talent. De scène bestaat uit twee delen: een exterieur totaalshot met terloopse details, scherp gesneden naar interieur wanneer de handeling is voltooid. Resultaat: distantie van de filmmakers tegenover hun personages, betrokkenheid bij de filmkijker die aan de hand van de suggestie het verhaal zelf moet invullen. Zo wordt de toeschouwer de film ingezogen. En het typeert de psychologie van de personages: ze zijn er eigenlijk niet.

Na dat hoogtepunt verliest de ballon aan spanning en loopt langzaam leeg; het kernconflict is vervlogen, de keuzes gemaakt, het krediet op. Maar een sterke epiloog zet een uitroepteken achter dit veelbelovende speelfilmdebuut. “Wat ga je maken? Wat er is.” En zo is het. Wie in de film kanttekeningen bij het neoliberale kapitalisme wil zien, komt aan zijn trekken. Wie uit is op een röntgenfoto van de ongeletterde ziel, wordt ruim bediend. Wie Dogman kon waarderen, zal La terra dell’abbastanza ook bevallen.

 

18 juni 2019

 

ALLE RECENSIES

House That Jack Built, The

***
recensie The House That Jack Built

De Seriemoordenaar en de Kunsten

door Suzan Groothuis

Een nieuwe Von Trier staat gegarandeerd voor controverse. Helemaal als het gaat om The House That Jack Built die verhaalt over een seriemoordenaar. Von Trier duikt in zijn binnenste en er ontvouwt zich een continu spel met de kijker, provocatief maar ook gortdroog. Helemaal geslaagd is The House That Jack Built niet, maar het lukt Von Trier wel om de kijker te ontregelen.

Half Cannes liep weg bij de vertoning van Von Triers The House That Jack Built. Daarmee belooft de film controverse en provocatie, net zoals Hereditary het predicaat “engste film ooit!” kreeg. Ok, The House That Jack Built is controversieel. Maar dat is iedere Von Trier-film. In al zijn films zoekt de Deen de grenzen op.

The House That Jack Built

Zoekende, ongelukkige mensen
Hij toont zoekende, ongelukkige mensen. In The Idiots zoeken normale mensen de idioot in zichzelf op. Ter ontsnapping aan een dwingende, eisende maatschappij. In Breaking The Waves offert een naïeve, kwetsbare vrouw zichzelf op. In Melancholia zien we het einde van de wereld naderen, waarbij de ene zus dat accepteert en de ander zich overgeeft aan angst. In Antichrist hoopt een koppel nader tot elkaar te komen, maar de natuur beslist gruwelijk anders. En in The House That Jack Built duiken we in de geest van een seriemoordenaar.

Matt Dillon speelt Jack en is met zijn strakke gelaat en dwingende ogen perfect gecast. Hij vertelt zijn verhaal in vijf hoofdstukken, ofwel incidenten. Kenmerkend voor Von Trier, die graag structuur aanbrengt in zijn films. Hoofdstukken zijn hem eigen en werken altijd toe naar een dwingende catharsis. Terwijl Jack vertelt hoe hij seriemoordenaar is geworden en hoe hij geleidelijk aan gedreven werd tot grootse werken, is hij in dialoog met Verge (Bruno Ganz). In de openingsscène horen we klotsend water, alsof de twee ergens doorheen ploegen. Later leren we waar ze zijn.

Duistere iconen
In Incident 1 zien we Jacks eerste moord. Hij ontmoet een dame (Uma Thurman) met autopech, die hem om hulp vraagt. Haar krik is kapot en moet gerepareerd worden. Met zichtbare tegenzin brengt Jack haar naar de dichtstbijzijnde monteur. Terwijl ze rijden confronteert ze hem misschien wel een seriemoordenaar te zijn. “Me getting in this car with you. You might as well be a serial killer. Sorry, but you do kind of look like one”. Een voorbode van wat komen gaat. En met een knipoog naar de krik (jack in het Engels) als moordwapen.

The House That Jack Built

Met de incidenten die volgen, worden Jacks daden intenser en gruwelijker. Hij leert om goed te wurgen. En zijn dwangmatigheden nemen af. Hij heeft niet meer de neiging om de plaats van het misdrijf tot in de puntjes te reinigen en eindeloos op bloedvlekken te controleren. In een vriezer vol pizza’s bergt hij zijn slachtoffers. Ondertussen blijft bij in dialoog met de mysterieuze Verge, die we niet zien maar horen. Ze hebben het over zijn OCD en wat hem dreef om te moorden. Maar het gaat ook over kunst, architectuur en filosofie. Volgens Verge is er zonder liefde geen kunst. Jack denkt er anders over: “The old cathedrals often have sublime artworks hidden away in the darkest corners for only God to see. The same goes for murder.”

De dialoog culmineert in een discussie over iconen, waaronder Jack ook zichzelf schaart. “As disinclined as the world is to acknowledge the beauty of decay it’s just as disinclined to give credit to those… no, credit to us, who create the real icons of this planet. We are deemed the ultimate evil. All the icons that have had and always will have an impact in the world are for me extravagant art.” Hij haalt verschillende voorbeelden aan, zoals de Stuka uit de Tweede Wereldoorlog. Een vernietigende duikbommenwerper, berucht om zijn snerende sirenes, die de bijnaam “Trumpets of Jericho” kregen.

Hoogmoedig epos
Als Verge Jack vervolgens uitmaakt voor Antichrist, schieten beelden van films van Von Trier voorbij. Hoogmoed? Misschien, maar ook een spel met de kijker. En dat is wat Von Trier met The House That Jack Built steeds lijkt te doen. Van expliciet geweld (vooral vrouwen moeten het ontgelden) tot een overdadig tableau vivant: hij duikt op extreme maar ook gortdroge wijze in de diepste krochten van de menselijke ziel. Von Trier speelt met een combinatie van ironie, zwarte humor en schokkend geweld. Zo is er een briljante scène waarbij Jack ontsnapt uit de handen van een agent. Terwijl zijn bloedrode busje wegrijdt, slingert er een lijk achteraan, een lange rode streep achterlatend. Fame van Bowie schalt uit de speakers.

The House That Jack Built

Toch wringt er iets bij The House That Jack Built. Want wat wil Von Trier nu precies zeggen? Er is een kritische blik op Trumps “Make America Great Again”, getuige de rode petjes die Jack en een gezin dragen en het lugubere gevolg dat dit familie-uitje krijgt. Vrouwen zijn Jacks voornaamste slachtoffers en worden niet bepaald vleiend neergezet: irritant, simpel en makkelijk voor te liegen. Kansloze, lege zielen in Jacks handen en totaal tegenovergesteld aan de empathische verbeelding van het lijden van vrouwelijke personages als Bess McNeill uit Breaking the Waves en Selma uit Dancer In The Dark. En dan is er het solistische betoog van Jack, dat overeenkomsten laat zien met Von Trier zelf. Beiden meesters in het manipuleren van hun publiek, perversiteiten niet schuwend.

Goddelijke Komedie
Met The House That Jack Built heeft Von Trier zijn eigen Goddelijke Komedie gemaakt, waar de megalomanie soms van af druipt. Tegelijkertijd weet je: het is Von Trier, hij speelt een spel met de kijker. En net wanneer je denkt dat hij er met het einde een potje van maakt, verrast hij weer.

Dit epos vol kunst, verderf, pijn en verdriet is uiteindelijk een zoektocht naar verlossing. Een zwart-komische zoektocht welteverstaan, waarbij Von Trier de kijker constant bespeelt. Zoals ook Jack zijn omgeving bespeelt. Dan weer briljant en dan weer potsierlijk; het is een film die verdeeldheid geeft maar wel stof tot nadenken levert. En dat kan je tegenwoordig niet van veel films zeggen.

 

8 januari 2019

 

ONDERTUSSEN, OP DE REDACTIE: Lars von Trier: gek of geniaal?

 

ALLE RECENSIES

Widows

***
recensie Widows

Vechten op drijfzand

door Alfred Bos

Oscar-winnaar Steve McQueen komt na zijn doorbraakfilm 12 Years a Slave met een atypische genrefilm, waarin de personages veelvuldig in de spiegel kijken. Wat is liefde waard in een samenleving die alles in geld uitdrukt?

Vertrouwen is wat mensen – een huwelijk, een gemeenschap, een samenleving – bijeen houdt. Wantrouwen is wat criminelen hun volgende verjaardag doet halen en Steve McQueen, de met een Oscar gelauwerde regisseur van het geëngageerde 12 Years a Slave, gebruikt de mal van de misdaadfilm om een punt te maken over menselijke verhoudingen in de wereld van vandaag. Door clichés en vaste patronen vanuit een ander gezichtspunt te belichten, morrelt hij niet zozeer aan conventies, hij trekt de vloer onder onze (schijn)zekerheden weg. Het werkt, maar ook weer niet.

Widows

De keerzijde van vertrouwen is verraad en bedrog is de zuurstof – of is het de stikstof? – waar de plot van Widows op draait. Veronica (Viola Davis) is de echtgenote van een crimineel, Harry Rawlings (Liam Neeson). Wanneer zijn bende bij een kraak gruwelijk aan zijn eind komt, draait zij op voor Harry’s openstaande schulden. Ze ronselt de weduwen van Harry’s kornuiten om de klus tegen de klippen op te klaren. Handleiding zijn Harry’s aantekeningen voor zijn volgende karwei. Widows is een heistfilm, maar niet volgens het boekje.

Politiek is business
De vrouwen weten niet van elkaars bestaan en de film maakt veel werk van hun wantrouwen tegenover Veronica en hun weerstand om met haar samen te werken. Widows telt een aanzienlijk aantal personages die elk qua psychologie net voldoende worden getypeerd om als individu herkenbaar te zijn. Van het kwartet weduwen krijgt de geestelijk en fysiek mishandelde blondine Alice (Elizabeth Debicki) naast Veronica de meeste aandacht; Linda (Michelle Rodriguez), die haar boetiek verliest, en Amanda (Carrie Coon) zijn vluchtiger geschetst. Ze worden bijgestaan door de kapster Belle (Cynthia Erivo), die eveneens haar man verloor door politiegeweld. Veronica cum suis vechten voor hun leven, op drijfzand.

Hun tegenstrevers zijn mannen, Jamal Manning (Brian Tyree Henry), de misdadiger die een politiek ambt nastreeft, en diens jongere broer en rechterhand Jatemme (Daniel Kaluuya), een psychopaat die spreekt via mes en pistool. Mannings concurrent in de verkiezingen voor een functie in het stadsbestuur is Jack Mulligan (Colin Farrell), zoon van een oligarch op leeftijd (Robert Duvall), die anders dan zijn vader meent dat politiek méér is dan zakendoen. Achter Jack staat een ambitieuze vrouw, Siobhan (Molly Kunz). Het knappe van Widows is dat het verhaal helder blijft en al die personages uit de verf komen, met een glansrol voor Farrell.

Widows

Surrealistische kronkels
Widows is gebaseerd op de gelijknamige tv-serie uit 1983 van de Britse misdaadauteur Linda de la Plata, die, in alle eerlijkheid, geen hoogvlieger in het genre is; wel populair. Het verhaal is verplaatst van Londen naar Chicago, wat de vermenging van misdaad, racisme en politiek (‘Ignorance is the new excellence’) actueel maakt; begin vorig jaar publiceerde het Amerikaanse ministerie van Justitie een vernietigend rapport over het politiekorps van de stad. Toch ontkomt de film niet aan een zekere emotionele vlakheid, die wordt versterkt door het simpele feit dat de personages hun ware emoties niet uitspreken, doch indirect tonen via machinaties en intrige. Niet alleen de filmkarakters weten niet wat ze aan elkaar hebben, dat weet de kijker ook niet.

Personages goed neergezet, enerverende opening waarin handeling en karakters knap worden geïntroduceerd via listige montage, interessante premisse—en toch blijft het allemaal een beetje bloedeloos. Het euvel zit in het script, waarvoor McQueen heeft samengewerkt met Gillian Flynn, de schrijfster van Gone Girl. De twist van Widows is in psychologisch opzicht net zo ongeloofwaardig als de surrealistische kronkels van de succesfilm die David Fincher naar haar boek maakte.

In 2012 verpakte Andrew Dominik snoeiharde kritiek op de Amerikaanse samenleving (‘America is not a country. It’s a business.’) in een bloedsterke genrefilm, Killing Them Softly. Een vergelijkbaar engagement schemert in Widows, het komt er alleen onvoldoende uit. Widows meet zich een pak aan dat net een maatje te groot is. Het wil te graag publieksfilm zijn.

 

19 november 2018

 

ALLE RECENSIES

Eerste- en tweedeklas oplichters

Eerste- en tweedeklas oplichters

door Bob van der Sterre

Opasen char ♦ Masque ♦ Mijn vriend

 

Oplichters heb je in vele vormen. Ze inspireren moderne films nog steeds, met Catch Me If You Can als goed voorbeeld. Wat hebben obscure films te brengen op dit gebied?

De echte, pure oplichter is Gencho Gunchov. Dat is geen Bulgaarse vertaling van Lucky Luke maar de hoofdpersoon in de Bulgaarse komedie Opasen char (1984). En wat voor een oplichter! Een accountant die zijn baan verruilt om charmante zwendelaar te zijn, die precies weet wat vrouwen aantrekkelijk vinden: champagne, juwelen, lieve woordjes. Hij bespeelt eenzame vrouwen zoals een ander een gitaar.

Bulgaarse kameleon
Soms dreigt hij gesnapt te worden maar hij wisselt eenvoudig van gedaanten. Een gepassioneerde architect, een arme verkoper, een kruier, een politieagent; het gaat hem allemaal even gemakkelijk af. De politie arresteert hem zelfs. Het helpt niets. Hij doet of hij ziek is en vlucht naar de havenstad Burgas om zijn praktijken voort te zetten.

Toch hebben oplichters ook emoties. Als ‘Moonlight Sonata’ van Beethoven klinkt, breekt de beste man. Dan gaat hij letterlijk geld in de lucht gooien. En wat als je echt verliefd wordt als oplichter? Gunchov worstelt ermee.

Destijds was Opasen Char een hit in Bulgarije. De Bulgaren beschouwen de film zelfs als een van de beste komedies ooit gemaakt. Todor Kolev is dan ook sensationeel geestig in zijn rol als Gencho Gunchov. Zijn maniertjes als oplichter zijn een voorbeeld van hoe je zo’n rol moet spelen: droogkomisch zonder effectbejag. Misschien dat iemand als Marcello Mastroianni het had gekund? Dustin Hoffman in zijn beste jaren?

Voor ons vermakelijk zijn de plaatjes van Sofia en Burgas in 1984, met een paar fascinerende opnamen van parkjes, straten, trams. En een snackbar, waar de door Gunchov gestolen worst wordt afgepakt door een andere dief. Film is van Ivan Andonov, een van de weinige Bulgaarse regisseurs die ook buiten Bulgarije nog wel eens een prijs won.

Showmaster Philippe Noiret
In Masques (1987) zien we showmaster Christian met zijn prachtige plastic glimlach à la Fred Oster. Hij deelt op televisie reizen uit aan zingende oudjes. ‘Het leven is een spel en ik ben de baas van de speelgoedafdeling’, oordeelt hij over zijn geluk.

Op een dag nodig Christian schrijver Wolf uit op zijn landhuis. Hij mag zijn biografie schrijven. Daar zijn ook een aantal andere gasten. Onder andere een wijnkenner, een masseuse en een chagrijnig manusje-van-alles (zowel kok als chauffeur). Maar ook een zieke peetdochter genaamd Catherine.

Men zit lekker aan de dis en babbelt met elkaar. Christian steelt elke show met zijn charisma. Alleen Catherine is voortdurend humeurig. Wolf wil haar beter leren kennen. Ze worden al snel intiem.

Op een dag ontdekt Wolf dat Catherine niet over haar eigen geld mag beschikken. Bovendien gelooft ze hardnekkig dat ze ziek is. Christian maant haar dan ook aldoor om voorzichtig te zijn. Dan vindt Wolf papieren waaruit blijkt dat de showmaster plannen heeft om haar fikse erfenis te stelen met een doortrapte vorm van oplichterij.

De film van Claude Chabrol oogt stilistisch wat lomp, zoals de meeste van zijn films, maar een plus is dat de film erg relaxed oogt voor een thriller. Zelfs tegen het plot aan is men nog allervriendelijkst tegen elkaar. Dat geeft deze thriller een evenwichtig gevoel. Doet zelfs weer een beetje denken aan het betere werk van Chabrol eind jaren zestig, begin jaren zeventig.

Philippe Noiret is daarvoor de perfecte acteur. Vriendelijk, vrolijk, begripvol voor de hele wereld – een beetje over de top – maar dat past wel bij een showmaster. Anne Brochet als de gekwetste Catherine had je ook nauwelijks beter kunnen casten. En Robin Renucci, wiens hele voorkomen het jaar 1987 schreeuwt, is degelijk in de rol als Wolf (die ik overigens nergens ook maar iets zie schrijven).

Masques is geen film om lang over na te denken – maar als je er wel over nadenkt, stel je jezelf de vraag: waarom nodigde Christian die Wolf eigenlijk uit als hij dat geheim had te verbergen?

Vlaams of Hollands?
In Mijn vriend uit 1979 zien we een andere man met een plastic glimlach: sjacheraar Jules Depraeter. Depraeter is een Gentse ‘zakenman’, een meestermanipulator, een typische con man. Vlotte babbel, Porsche, ‘vrienden’ bij de politie en rechtbank. Hij kent iedereen dus neemt iedereen aan dat de vrijheden die hij neemt geoorloofd zijn.

Depraeter verpatst ondertussen een onzinproduct: Ozopur. Daarmee wil hij onderzoeksrechter Jensens inpalmen want diens zoontje heeft tbc. Waar het om te doen is? Een ton ‘investering’ aftroggelen.

De beloofde Ozopurfabriek is geen velden en wegen te bekennen maar het belet Jensens niet om nog geld te pompen in ‘zijn vriend’. Ondertussen troggelt Depraeter ook geld af van een voormalige operazangeres. Depraeter kan zijn eigen oplichterij nauwelijks meer volgen. Het is wel duidelijk dat Jensens de fall guy van Depraeters misdaden gaat worden. Als Jensens vrouw plotseling sterft, komt alles in een stroomversnelling.

Een typisch Belgische politieke affaire, echt gebeurd. Leent zich goed voor een spannend verhaal. Die Depraeter bedenkt zulke ingewikkelde plannen – dat laat zich wel filmen.

Mijn vriend

Het probleem hier: Peter Faber. Hij zegt soms ‘salut’ en ‘gij’ en ‘nondeju’. Voor de rest is hij zo Hollands als het maar kan. Onderzoeksrechter John Jensens (André van den Heuvel) is ook al zo Hollands als het maar kan. Regisseur Fons Rademakers en scriptschrijver Gerard Soeteman zijn zo Hollands als het maar kan. Voor een Vlaming moet zoiets overkomen als wanneer Stijn Coninx een film zou maken met Jules Decleir als Amsterdammer.

Dit had gewoon een compleet Vlaamse film moeten zijn, met echte Vlamingen in de rol van Depraeter en Jensens. Shots als twee paarden die seks gaan hebben of de orale seksscène aan het begin maken meteen duidelijk dat dit een Nederlandse film is. Meer subtiliteit is niet aan ons besteed.

Een Vlaams politiek schandaal is iets om van te smullen, maar dan moet er wel een goede kok aan het gasfornuis staan, niet een groep Hollandse oplichters die doen alsof hun gerecht door-en-door Vlaams is.

 

11 augustus 2018

 

Alle Camera Obscura

Que Dios Nos Perdone

****

recensie Que Dios Nos Perdone

Ambigue rechtvaardiging

door Suzan Groothuis

In een zinderend Madrid speelt een moordzaak, waarop twee detectives worden gezet. Twee uitersten, maar beiden complex. Een grimmige kijk op de Spaanse recherchewereld, waarin rechtvaardigheid een relatief begrip is als je eigen demonen je in de weg zitten.

2011, Madrid in een loeihete zomer. De film opent met straten die worden schoon gespoten, begeleid door een dreigend klinkende soundtrack. Het vuil en de viezigheid van de straat gespoeld, maar daarmee is de Spaanse hoofdstad niet rein. Er is namelijk net een oude vrouw dood in haar portiek gevonden. Een val, lijkt het. Maar bij nader onderzoek blijkt ze verkracht en vermoord.

Que Dios Nos Perdone

Detectives Velarde en Alfaro worden op de zaak gezet, beiden twee uitersten, zoals we dat wel vaker in politiefilms zien. Alfaro is een opgewonden standje, die twee maanden uit de roulatie is geweest dankzij een geweldsincident op het werk. Twee maanden therapie moeten hem tot een mak lammetje maken, maar de kijker voelt allang dat dit een typische good cop/ bad cop is. Alfaro gaat af op zijn gevoel van rechtvaardigheid en schuwt niet zijn mond open te trekken of zijn vuisten te gebruiken als dat nodig is. Zijn partner Velarde lijkt zijn tegenpool, altijd strak in het pak, timide en stotterend, maar met een ingehouden agressie.

Brute moorden en pauselijk bezoek
De twee ontdekken dat er zes maanden eerder een vergelijkbare moord was. Er is een seriemoordenaar actief en de verwachting is dat hij snel weer zal toeslaan. Terwijl de hitte toeneemt en de stad in afwachting is van de komst van de paus, tast het rechercheteam in het duister over de identiteit van de moordenaar. Daarbij geschiedt het onderzoek in volledige discretie, want de gruwelijke waarheid omtrent de dodelijke ongevallen mag niet naar buiten worden gebracht. De media zijn gericht op het bezoek van de paus, niet op bejaarde dames die bruut en onwaardig om het leven zijn gebracht.

Het is niet de seriemoordenaar die centraal staat in Que Dios Nos Perdone; regisseur Rodrigo Sorogoyen (vooral bekend van tv-series) focust op de twee partners en de bureaucratie van de recherche. Er zijn wetten en regels en die zijn er ook weer om te omzeilen of zelfs te breken. En Alfaro en Velarde, beiden outsiders binnen hun team, hebben ook zo hun eigen innerlijke demonen.

Onconventionele aanpak
Que Dios Nos Perdone roept qua sfeer het Zuid-Koreaanse Memories of Murder op, waarin een rechercheteam belast is met de zoektocht naar een seriemoordenaar. Een onderzoek dat onconventioneel en chaotisch verloopt en emotioneel zijn tol eist van de rechercheurs, die ook niet zonder gebreken zijn. Het impulsieve en lompe komt ook terug in Que Dios Nos Perdone. Wanneer de zoon van een van de slachtoffers ondervraagd wordt door Alfaro en Velarde en zijn ergernis over de gang van zaken laat blijken, laat Velarde zich ineens ontvallen dat ze alleen maar de verkrachter van zijn moeder willen vinden. De man ontgoocheld achterlatend.

Que Dios Nos Perdone

En wanneer er dan uiteindelijk zicht op de meedogenloze moordenaar is, volgt een woeste achtervolging die gepaard gaat met dwingende, staccato soundtrack. In de verhitte stad, waar mensen samenstromen om de paus te zien, beuken Alfaro en Velarde zich een weg door de menigte om de dader te vinden. Hij is als een speld in een hooiberg, maar de honger om hem te pakken is zo groot dat de twee alles op alles zetten. Dat ze tijdens de achtervolging een spoor van vernieling achterlaten, deert hen niet.

Rauwe dierlijkheid
De rauwe dierlijkheid van de twee rechercheurs is geloofwaardig in beeld gebracht. Bij Alfaro (een intense rol van Roberto Álamo, The Skin I Live In) is die expliciet en explosief, bij Velarde (Antonio de la Torre, die ook in het vergelijkbare La Isla Mínima te zien was) kil en onderhuids. Naarmate het onderzoek vordert voel je de spanning bij de twee oplopen, zeker wanneer hun privéleven steeds meer wankelt.

Que Dios Nos Perdone is een film die niet typisch hoopvol eindigt, maar die de vraag oproept wat zuiver en rechtvaardig is. Er ligt net zo’n schaduw op communiejongens als op de woeste honden van de recherche. Een grimmige, ambigue wereld waarin kwaad en dwalingen niet eenduidig zijn en iedereen zijn zonden heeft. Niets en niemand is onbevlekt.
 

10 juli 2018

 
MEER RECENSIES

Third Murder, The

*****

recensie The Third Murder

De waarheid is een olifant

door Alfred Bos

Wat is de derde moord en wie is daarvan het slachtoffer? De moordenaar zelf? De waarheid? De Japanse regisseur Hirokazu Koreeda speelt een verfijnd spel met schijn en werkelijkheid in de psychologische triller The Third Murder.

De Japanse regisseur Hirokazu Koreeda (vier lettergrepen: ko-re-e-da) wordt wel de eigentijdse pendant genoemd van Yasujirō Ozu, de maker van subtiel registrerende films over familierelaties. Achter een onthechte, schijnbaar objectief observerende blik schuilt empathie met het menselijke onvermogen. Die onthechting is geen arrogantie of desinteresse, het scherpt juist de focus zodat de patronen zichtbaar worden in de ruis van het dagelijkse leven, dat in feite een burleske van misverstanden is.

The Third Murder

Koreeda’s oeuvre zit er vol mee, met mensen die zichzelf in de weg zitten omdat ze niet goed luisteren of voorbij hun neus kunnen kijken. Emoties maken de mens, maar kunnen hem ook breken. De antiheld van zijn voorlaatste film, The Third Murder – die vorig jaar in première ging tijdens het filmfestival van Venetië en nu in de Nederlandse bioscoop is te zien – weet zijn emoties te mennen met zijn intellect en volbrengt een huzarenstukje. Dat hij zijn doel, het ontkennen van zijn bestaan, bereikt door via moord het bestaan van een ander te bevestigen, zegt genoeg over de diepgang en pyschologische verfijning van de film.

Roofmoord
The Third Murder is een buitengewoon rijke film. Het is ook een fijntjes opgebouwde en in psychologisch opzicht ongekend subtiele film. Zo subtiel dat veel kijkers, en blijkens de reacties en vragen tijdens Koreeda’s persconferentie in Venetië ook veel professionele filmkijkers, de pointe missen. Ja, het is een psychologische thriller, maar dan van het Zen-filosofische soort. Nee, het is geen Rashomon-achtige boutade over de onmogelijkheid om de waarheid te kennen. De waarheid ligt voor je neus, aldus Koreeda. Maar je moet hem wel zien.

Shimiru, de held van The Third Murder (gespeeld door de Japanse popster en acteur  Masaharu Fukuyama), is jurist; hij moet voor zijn cliënt een adequate verdedigingsstrategie ontwikkelen. De cliënt is Misumi (Kôji Yakusho), de antiheld, die zal worden berecht voor roofmoord; daarop staat de doodstraf. Hij geeft grif toe zijn voormalige werkgever, de baas van een fabriek waar voedsel wordt verwerkt, vanwege gokschulden te hebben beroofd en vermoord, om vervolgens het lijk te verbranden. De advocaat gaat op onderzoek; als hij de aanklacht van beroving kan weerleggen is de doodstraf mogelijk te vermijden.

The Third Murder

Spiegelbeelden
Wat volgt is een gang door het labyrint van het leven, een warboel van suggesties, leugens, intenties en feiten; een ruis van details en trivia. In de voedselfabriek blijken alleen marginale types te werken die elders niet terecht kunnen; ze worden door hun baas onderbetaald, of uitgebuit. Misumi werkte daar na zijn ontslag uit de gevangenis. Hij heeft een straf van dertig jaar uitgezeten voor tweevoudige moord op woekeraars die hem geld hadden geleend, geld dat hij door gokschulden niet kon terugbetalen. Zijn dochter was toen zes jaar oud, sindsdien heeft hij haar niet meer gezien.

Misumi is voor die dubbele moord tot dertig jaar celstraf veroordeeld door de vader van zijn advocaat, een inmiddels gepensioneerde rechter. Die twijfelt nu openlijk of hij er niet verkeerd aan heeft gedaan om Misumi destijds niet ter dood te veroordelen; hij heeft immers opnieuw gemoord. Zijn zoon probeert precies het tegenovergestelde te bewerkstelligen: hij wil Misumi van de doodstraf redden. Het is het eerste spiegelmotief dat regisseur Koreeda opzet in een film vol gespiegelde personages en motieven.

Een tweede spiegelbeeld zijn Misumi’s dochter (die we nimmer te zien krijgen) en de dochter van de vermoorde fabriekseigenaar, Sakie (Suzu Hirose). Beiden zijn gehandicapt, hebben een mank been. Heeft Sakie iets met de moord te maken?

Schuivend perspectief
Het perspectief op de moord – wat er is gebeurd en waarom – verschuift voortdurend. Elk detail dat het onderzoek aan het licht brengt doet het beeld kantelen. Is het wel roofmoord? Is het mogelijk een liefdesmoord? Of moord in opdracht? Misumi past voortdurend zijn verhaal aan naar de nieuwe feiten waar zijn advocaat hem mee confronteert. Gaandeweg begint de filmkijker te beseffen, hier is meer aan de hand. En de kernvraag stelt Misumi zelf aan zijn verdediger: wat is mijn ware motief?

Voor de oplettende kijker wordt het allengs duidelijk wat Misumi drijft, waarom hij de moord op de fabriekseigenaar heeft gepleegd en wat hij daarmee wil bereiken. Ook dat doel is dubbel, hij vervult met de moord een diepe emotionele wens en brengt – op zijn eigen, gebrekkige maar in feite geniale manier – gerechtigheid waar het recht het laat afweten; hij slaat zelfs drie vliegen in één klap. Alle elementen die nodig zijn om antwoord te geven op de vraag, wat wil Misumi, worden in de film gegeven. Doorgaans terloops, als terzijdes, net als in het leven zelf waar de hoofdzaken verdwijnen in de ruis van triviale kwesties en de waan van het moment.

The Third Murder

(On)betrouwbare verteller
Maar voor zijn verdediger, de advocaat Shimiru, blijft de moordenaar een mysterie. In de bloedsterke slotscène kantelt Koreeda het perspectief een laatste maal. Met een techniek die direct is ontleend aan het slot van Akira Kurosawa’s politiethriller High and Low laat hij held en antiheld van plaats verwisselen. Dat gebeurt, het kan niet anders in een film vol spiegelingen, met een spiegeleffect.

The Third Murder is een klassieke Koreeda-film en wellicht een van zijn beste. Familierelaties staan centraal in de plot en motieven van de personages. De poëzie schuilt in de details en de subtiele observaties. In de film wordt de Indische gelijkenis over de zes blinden en de olifant aangehaald: ze ‘zien’ allemaal iets anders, want de een betast de slurf en de ander de staart. De waarheid is een olifant en advocaat Shimiru is door vooringenomenheid niet in staat het complete beeld – de waarheid achter Misumi’s handelen  – te zien.

Koreeda wilde aanvankelijk romanschrijver worden, maar koos voor de cinema. In Venetië gaf hij te kennen dat de film eigenlijk alleen met een alwetende verteller is te realiseren, maar dat vond hij een onelegante aanpak. Zijn oplossing voor dat verteltechnische probleem is briljant: Misumi is de ogenschijnlijk onbetrouwbare verteller die als enige in de film alwetend is en in de slotscène verschijnt hij via een spiegeleffect als betrouwbare verteller. Het zou verbazen als er dit jaar een betere film verschijnt. Op de nieuwe Koreeda na dan, verwacht in december.
 

17 juni 2018

 
MEER RECENSIES