Imagine Film Festival 2021 – Preview

Imagine Film Festival 2021 – Preview:
Jezelf onderdompelen in werelden van fantasie

door Bob van der Sterre

Imagine! Het festival van de genrefilm, met name horror en sciencefiction, maar ook met af en toe een absurd pareltje. Het duurt dit jaar van 7 tot en met 17 april en je kunt meedoen vanuit je eigen gerieflijke huiskamer. De kaartverkoop is al begonnen.

Waar vind ik het programma van en meer informatie over Imagine 2021?
Bekijk de website van Imagine voor het complete programma, per dag of in alfabetische volgorde.

New Order

Is alles online?
Ja, door de coronamaatregelen is alles online. Lees het bericht van Imagine erover.

Kan ik al kaartjes kopen voor de digitale voorstellingen en hoe gaat dat?
Ja, sinds 24 maart kan dat al. Imagine legt het zo uit: ‘Je gaat naar de gewenste film en klikt op tickets. Na het aanmaken van een account, kun je één of meerdere tickets aanschaffen. Er zijn verschillende type tickets, de meeste kan je direct kopen in het bestelproces.’ Lees de Faq van Imagine voor meer informatie over tickets kopen.

Kunnen voorstellingen uitverkocht raken ook al zijn ze digitaal?
Ja. Op sommige films zit een limiet. Daardoor kunnen de kaarten uitverkocht raken.

Zijn er speciale programma’s op Imagine 2021?
Ja. Het festival heeft afgezien van ruim 50 featurefilms en veel shorts ook een paar boeiende themaprogramma’s:

  • Geesten en demonen in de Indonesische genrefilm
  • Things to come: de menselijke maat van AI
  • Imagine expanded

Welke hoogtepunten kan ik verwachten?
Het programma heeft meestal geen echte krakers waar we al maanden naar uitkijken. Het is meer een ontdekkingstocht van wat we nog niet zo goed kennen.

Het Frans-Mexicaanse New Order is de openingsfilm. Verder was er al wat media-aandacht voor de terugkeer van Lloyd Kaufmans Troma met #Shakespearesshitstorm. Mandibules van Quentin Dupieux is ook al vertoond geweest bij het laatste IFFR.

Sommige films kennen we van andere festivals. Over Lapsis van Noah Hutton hebben we al tijdens LIFF 2020 geschreven en die kwam in mijn top tien van vorig jaar. De Nederlands-Taiwanese vampierenfilm Dead & Beautiful van David Verbeek is ook al op IFFR 2021 langs geweest.

Wat zijn jullie verwachtingen over dit festival?
De trailers beloven weer een gevarieerd en fantasierijk festival. Het wordt ongetwijfeld weer plezierig griezelen, lachen en in spanning zitten. De bevrijding van de artistieke genrefilm. Vervelen zit er niet in.

En kom, we zitten toch binnen, dus waarom niet weer een online festivalletje meepikken? Zelfs online kan de liefhebber Q&A’s bezoeken. En de themaprogramma’s klinken ook als een goede tijdsinvesteringen. Dus profiteer van de avondklok en bezoek het Imagine Film Festival in je eigen huis!

 

29 maart 2021

 
MEER FILMFESTIVAL

Ilyich’s Gate

*****
IFFR Unleashed – 1990: Ilyich’s Gate
Twintig zijn en opgroeien in de Sovjet-Unie

door Bob van der Sterre

Het leven van twintigers is niet zo makkelijk. In Mne dvadtsat let (I am Twenty, later Ilyich’s Gate) krijgen we dat in geuren en kleuren geschetst. Einde van de vrijblijvendheid, begin van ‘het serieuze leven’. Hoe blijf je jezelf?

We observeren het leven van drie vrienden: Sergej, een melancholicus; jonge vader Slava en versierder Nikolaj. Ook zijn er natuurlijk meisjes: Vera, de eigenwijze zus van Sergej; Ljoesja, partner van Slava en het meisje dat Sergej tegenkomt.

De flirt in de bus is groot. De blonde adonis Sergej staart naar de knappe Russische in een regenjas. Ze giechelt. Het is druk – Sergej moet het leuke meisje laten passeren. Als een echte heer, springt hij erachteraan en stalkt haar naar het nabijgelegen koffiebarretje, boekenstalletje, metro (Komsomolskaya) en haar huis. Waar hij zwaait. Later ontmoet hij haar (Anja) weer en hebben ze echt een gesprek: ‘Je zou een vrouw niet zo moeten achtervolgen, ik werd er bang van.’

Ilyich’s Gate

Het leven der twintigers
Ze leven het leven der twintigers: ‘Er is nog een halve fles over…’ ‘Is het feest nog steeds gaande?’ ‘Kom je de nacht doorbrengen?’ ‘Als je wilt.’ En op een vroege ochtend mijmeren ze: ‘Mannen en vrouwen, dat is de belangrijkste filosofische vraag.’

Bij het volwassen worden liggen depressies op de loer. Sergej – de hoofdrolspeler – krijgt ook last van de blues. Na zijn militaire tijd past hij zich aan als arbeider in een moderne fabriek. ‘Heb je geen spijt van al die verloren jaren?’ vraagt iemand hem. ‘Genoeg.’ Dezelfde vriend zegt zelf: ‘Elke morgen sta ik op, ga ik naar werk, koop ik sigaretten, eet, adem, ga naar de films en zie jullie. En dat is mijn leven. Ik kan het niet anders doen. Misschien is het een gewoonte? Ik wil mijn gewoonte niet veranderen.’

Sergej gaat met Anja op stap. In een museum ontmoeten ze een man. ‘Wie is dat?’ ‘Een vertaler. Die ook mijn echtgenoot is.’ Sergej wil weten welke mogelijkheden hun relatie heeft. Anja heeft daar moeite mee: ‘Ik ben geen harmonieus persoon.’ Een huis hebben, vindt ze niet zo belangrijk als hij. ‘De laatste tijd heb ik moeite met thuiskomen. Misschien komt omdat ik volwassen word.’ Haar vader schudt zijn hoofd: ‘Ik geloof niet in mensen die te jong al assertief zijn.’

Een rare geschiedenis
De hamvraag: wat doet een film uit begin jaren zestig bij de IFFR-films van 1990? Het is een rare geschiedenis. De film van Marlen Choetsijev begon al in 1960 met de productie via de Gorky Film Studio. Hij koos voor samenwerking met schrijver/dichter Gennady Shpalikov, die zelf pas 23 jaar was en dus goed kon aanvoelen in welke taal jongeren van die tijd spraken.

Partijleider Chroesjtsjov was geen fan van de films van Choetsijev (hij had er al twee gemaakt) en vond het maar een raar idee dat jongeren hun eigen leven konden leiden: ‘Iedereen weet dat zelfs dieren hun jongeren niet alleen laten.’

Dus greep de censor in en werd de film deels opnieuw gefilmd en flink ingekort (een derde ongeveer). De baas van Gorky Film Studio had wel eerder dit varkentje gewassen. Hij wist wat hij moest veranderen om de grote bazen te plezieren. Dus werd ook het einde – dat juist zo ongelooflijk mooi is maar waar Chroesjtsjov razend over werd – geofferd.

Rehabilitatie… vijfentwintig jaar later
In 1965 verscheen dan I am Twenty, de herziene versie van de film die in feite in 1962 al af was. Ironie: Chroesjtsjov werd afgezet in 1964. En deze versie won prompt de juryprijs bij het filmfestival van Venetië.

Fastforward naar perestrojka. In 1988 werd Ilyich’s Gate gerehabiliteerd. Choetsijev zag zijn kans schoon en maakte ook nog wat nieuwe edits. Die versie werd in 1990 naar Rotterdam gestuurd. In zekere zin duurde de productie van de film die je hier ziet dus dertig jaar.

Ilyich’s Gate

Beter laat dan nooit kun je zeggen… maar het niet verschijnen van Ilyich’s Gate betekende toch gederfde artistieke reputatie voor Choetsijev. Want het was een film die door zijn gedurfdheid wereldwijd succes en invloed had kunnen hebben. Later, ja, veel later, werd hij overladen met prijzen en onderscheidingen. Gebrek aan erkenning op het moment: een probleem waar wel meer Russische artistieke talenten mee te maken krijgen.

Toch jammer. Want ‘moreel ziek’, zoals Chroesjtsjov ze noemde, nou nee. Deze personages zijn niet rebels en verzetten zich niet echt. De film ontwapent eerder dan hij confronteert. Daarmee had de film het communisme eerder een goede zaak kunnen doen.

Warm en evenwichtig beeld van Moskou
De verbeterde Ilyich’s Gate duurt weliswaar bijna drie uur maar heeft zoveel variatie, zoveel tempo, zoveel beeld: knappe jongen die zich hierbij verveelt. (En dan heb ik het hier niet eens over het thema, de opvolging van generaties, dat voor het veelbesproken einde zorgt.) Geniet bijvoorbeeld van de warme en gevoelvolle filmstijl van cinematograaf Margareta Pilkhina. Spontaniteit met handheld camera’s wisselen strakke beelden in kaders af. Het close-upeffect wordt zeer met mate ingezet.

Ilyich’s Gate doet daardoor soms denken aan Godard (maar dan een Godard light), Alexander Kluge (Yesterday Girl) en zelfs een beetje Terrence Malick. Dat komt door de combinatie van experimentele montage en buitenbeelden. Een dialoog terwijl je alleen maar een camera in een park van links naar rechts ziet gaan. Beelden van de universiteit, voice-over van Sergej. Enzovoort.

Geen wonder: vanaf zijn eerste film (Vesna na Zarechnoy ulitse uit 1956) toonde Marlen Choetsijev al interesse in de nouvelle vague. Dat sloeg ook aan: die film trok 30 miljoen bezoekers. Choetsijev rijpte deze ‘Godard-light’-stijl met deze film en July Rain (1967), die als zijn twee meesterwerken worden gezien.

Soms is het zeer ingenieus gefilmd. Zoals de scène in de kantine waarbij Nikolaj twee gesprekken tegelijkertijd voert. Het feestje (let op de choreografie tijdens de discussie). Het ‘laten we zeggen waar het op staat’ gesprek op het bankje van de metro na een uur of twee is praktisch een korte film op zichzelf.

Fluïde montage
De film bevat soms, tot afgrijzen van Godard ongetwijfeld, ook een zeer prettige, fluïde montage. Iemand die van straat een huis binnenloopt, gaat zo snel dat je het bijna niet merkt. Snelle stukken met veel mensen en intieme stukken in huizen houden elkaar goed in evenwicht. Het heeft wat van een muzikale composities met adagio en lento. Ene moment een druk straatfeest, andere moment Sergej die ‘s nachts al rokend alleen over straat kuiert. Sfeervol shot in tram, seconde later een actie in een ijshockeywedstrijd.

Anders dan bij de Godards van de wereld domineert het experimentele niet. Een emotioneel evenwichtig verhaal over mensen is meestal het eerste dat sneuvelt bij de creatieve hemelbestormers. Dat had hier niet gekund. Drie uur experiment is simpelweg niet uit te houden. En het Sovjetsysteem had het niet toegelaten.

Ilyich’s Gate

Dwarsdoorsnede van Moskou
De film heeft ook historische waarde. De echte Russofiel geniet van dit beeld van de Russische maatschappij van de jaren zestig. Glazen op je lichaam als medicijn (vacuüm massage, nog steeds populair). Voordrachten van de gedichten en de hele zaal is geconcentreerd (deze scène duurde trouwens uren, de dichters waren beroemd, men liep te hoop bij dit theater). Overvolle woningen delen met familie. Een verwijzing naar het blad Ogonyok (dat afgelopen december na 100 jaar ter ziele ging). De barre Russische oorlogsgeschiedenis komt ook ineens bovendrijven als moeder voedselbonnen vindt.

En daarbij ook nog eens een liefdevol portret van Moskou van die tijd. Van Rode Plein tot theater, van high societyfeestjes tot fabrieken, van de tram tot het Poesjkin-museum, van nieuwskiosken tot metrostation, van een sloopmachine tot straatbarretje.

Niet alles is goud. Het minste punt zijn de schetsmatige karakters van Sergej (ook superarbeider) en Anja. Die held en eigenzinnige vrouw is een bekend stramien in Russische films (zoals de in deze film ook gememoreerde Girls). De ontmoeting tussen Katja en Nikolaj in de tram bevatte meer kansen voor iets oorspronkelijks.

Onbekende held
Wie was dan toch de man die hier zo indrukwekkend tekeer ging, de toch volledig onbekende Georgische regisseur Marlen Choetsijev, wiens film beroemder is dan hijzelf? Er is heel weinig over hem geschreven, hoewel er veel te vertellen is (hij was student van Boris Barnet, maakte maar zes films in 65 jaar tijd en helemaal niets meer na 1992, zijn laatste film over Tsjechov en Tolstoj is nooit afgemaakt). De liefhebber doet er goed aan twee goede stukken over hem te lezen: dit profiel van een Argentijnse criticus en dit stuk van Harvard Film Archive.

Choetsijev stierf twee jaar geleden, vlak na het overlijden van zijn vrouw. Zijn film heeft hem ondanks alles toch overleefd en oogt nu, weer dertig jaar na 1990, nog steeds fris. Dat heet artistieke rechtvaardigheid.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 12 mei 2021.

25 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Stop Making Sense

*****
IFFR Unleashed – 1985: Stop Making Sense
Van nerd naar funkbeest

door Alfred Bos

De klassieke concertfilm van Jonathan Demme is nog altijd even spectaculair als op de dag dat hij in 1985 verscheen. Dat komt volledig op het conto van Talking Heads en hun voorman David Byrne.

Stop Making Sense was bij verschijning in 1985 in Nederland – in de USA een jaar eerder – een baanbrekende concertfilm. Woodstock (1970) is de registratie van een historisch muziekfestival. The Last Waltz (1978) is de registratie van een concert, het laatste van The Band. Stop Making Sense is de registratie van een theatervoorstelling. Het documenteert een concept.

Stop Making Sense

In 1977 was Talking Heads een opvallende debutant, buitenbeentjes binnen een nieuwe lichting rockgroepen uit New York. Van die nieuwe golf werd Blondie wereldberoemd, The Ramones een punklegende, Television een gewaardeerde cult-act. De groep rond zanger David Byrne volgde een ander traject, het verlegde grenzen.

Avant-pop
Het keurslijf van de populaire muziek heeft David Byrne nimmer gepast. Hij is een observator à la Lou Reed, een conceptueel kunstenaar als Laurie Anderson. Onder zijn leiding ontwikkelde Talking Heads zich in luttele jaren van new wave-trio tot negenkoppig funk-orkest. Voor de muziekliefhebber was het adembenemend.

Begin jaren tachtig begon het rockcorset te knellen. Byrne maakte met de Britse studiovisionair Brian Eno een baanbrekend album dat preludeerde op sample-muziek. De andere twee van het oorspronkelijke trio, het echtpaar Tina Weymouth (bas) en Chris Frantz (drums), scoorde als Tom Tom Club internationale hits. Avant-garde en pop gaan bij Talking Heads hand in hand.

In 1983 kwamen ze terug met hun beste album, Speaking in Tongues, en een reeks opzienbarende optredens. De nieuwe show was geen traditioneel rockconcert, het was een concept waarin muziek, choreografie, kostumering, belichting en multimedia samenkwamen. Het werd door regisseur Jonathan Demme vastgelegd als de concertfilm Stop Making Sense.

Orgie van funk
Alles aan het optreden en de film is conceptueel. Byrne deconstrueert het fenomeen rockconcert door het te reconstrueren. De film opent met een close-up van een schaduw in de coulissen en eindigt met een blik vanaf het podium op een zaal met extatisch publiek. Doek. Tijdens de aftiteling zien we vanuit de verlaten zaal hoe toneelassistenten het decor afbouwen.

Het optreden opent met David Byrne op een leeg toneel. Hij begeleidt zichzelf op akoestische gitaar, geholpen door een ritmebox die vanaf een cassette uit een gettoblaster klinkt. Anderhalf uur later sluit het concert zinderend af met een orgie van funk. Op het scherm heeft zich de evolutie van de groep – dat wil zeggen, de emancipatie van David Byrne – ontrold.

In de tussentijd speelt de groep zeven van de negen nummers van Speaking In Tongues, aangevuld met een nummer van hun debuutalbum, drie van hun tweede album, twee van hun derde album, twee van hun vierde album en één nimmer opgenomen nummer. What a Day That Was is alleen hier te horen.

We zien de transformatie van David Byrne, van wereldschuwe nerd tot bezeten funkmeister. Treffend is Once in a Lifetime, waarin hij, compleet met bril, de extase van een Amerikaanse plattelandsdominee verbeeldt. Net als David Bowie, die andere theaterman van de rock, zingt hij zijn nummers niet, hij acteert ze. Zijn theater is, alweer als Bowie, tegelijkertijd naturel en conceptueel.

Stop Making Sense

Gortdroge registratie
Stop Making Sense, concertfilm en gelijknamig livealbum, markeerde het artistieke hoogtepunt van de groep. Na de tournee van 1983 zouden ze nooit meer optreden. Ze maakten nog drie albums, maar haalden nimmer het niveau van Speaking in Tongues en de daarop volgende concertfilm. De fut leek eruit en eind jaren tachtig was het voorbij.

Paolo Sorrentino liet zich door Stop Making Sense inspireren voor zijn This Must Be The Place, de film die voorafgaat aan La Grande Bellezza. Het gelijknamige nummer – David Byrne herhaalt in Sorrentino’s film zijn enscenering in de concertfilm – is in het nieuwe millennium uitgegroeid tot het populairste liedje van de groep, inmiddels meer dan veertig keer gecoverd.

Stop Making Sense inspireerde ook David Byrne. Regisseur Spike Lee filmde op diens verzoek Byrne’s Broadway-voorstelling American Utopia, een performance waarin muziek en choreografie samenvloeien. (De film was te zien tijden IDFA 2020 en verschijnt binnenkort in de Nederlandse bioscoop.)

Jonathan Demme’s concertfilm uit 1983 is gortdroog, het eerste publiekshot is op een uur en 24 minuten. Dat is een wijze aanpak, want de voorstelling is zo doordacht van opzet en uitvoering dat een simpele registratie genoeg is om er spektakel van te maken. En voor wie Talking Heads nog niet kent, is Stop Making Sense een overweldigende kennismaking met de beste band van de wave-generatie.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

16 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Sport en misdaad

Sport en misdaad

door Bob van der Sterre

Delitto al circolo del tennis ♦ The Basketball Fix ♦ Pilkarski Poker

 

Geen duo dat je snel verwacht. Toch is er verwantschap. Denk bijvoorbeeld aan de film I, Tonya. Of aan matchfixing. Zijn er ook obscure voorbeelden?

In Delitto al circolo del tennis (1969) heeft Riccardo Dossi, een belangrijke zakenman, een affaire met een jonge vrouw, Benedetta. Zij is de dochter van een vriend van Riccardo. Allen weet hij een ding niet: dat zij bevriend is met Riccardo’s eigen dochter (Lilla) en háár vriend (tennisleraar Sandro). En dat zij drieën een smerig afpersingsplannetje hebben bekokstoofd met Benedetta in de hoofdrol.

Afpersing
Alle ellende begint bij een tenniswedstrijd van Riccardo. Bij de kledingruimte ziet hij Sandro een afpersingsbrief met foto’s in zijn zak stoppen. Sandro zegt ertoe gedwongen te zijn en hij wil Riccardo graag helpen. ‘Laten we de politie bellen!’ zegt hij als hij toch al weet dat Riccardo antwoordt: ‘Nee, ben je gek!’

Het gaat van kwaad tot erger als Riccardo het huis van de directeur van de tennisclub leent voor een date met Benedetta. Ze krijgt het opeens heet en sterft in Riccardo’s handen. Riccardo snelt naar zijn vakantiehuisje om daar depressief te zijn. ‘Zij hield van mij. Ik hield van haar.’

Benedetta’s dood was nep natuurlijk en de drie houden hem in de gaten vanuit een soort bunker. Ze persen hem af via de immer ‘hulpvaardige’ Sandro. Die stookt het vuurtje op: ‘Het is een misdaad, weet je, om een stoffelijk overschot te verbergen.’ De drie houden alleen geen rekening met het feit dat Riccardo houdt van wandelen en koekeloeren.

De film begint met prachtige sixtiesbeelden en fijne muziek. Plastic stoelen, gordijnreepjes, vette close-ups: we gaan er even goed voor zitten. Zoals andere critici al hebben aangekaart, ontvouwt zich daarna een kletsfilm zonder weerga. De boot van een soort Charade op zijn Italiaans is snel vertrokken, de boot voor uiterst langzame dialogen (inclusief uitzinnige close-ups) meert juist aan.

Pas bij het bizarre einde leeft het weer op. Wat een finale! De maffe soundtrack van Peter Chilton en Peter Smith zorgde er niet voor dat ze méér soundtracks gingen maken. Was dat jammer? Een goede vraag.

Basketballer
Méér sport en misdaad in The Basketball Fix (1951). Johnny Long is helemaal geen onaardige collegebasketballer. Integendeel: hij heeft talent. Sportschrijver Pete Ferreday koppelt hem aan coach Nat Becker. Zo deden ze dat vroeger.

Op een locatie waar hij bijverdient als zweminstructeur, ontmoet hij niet alleen Pat, een leuke dame, maar ook ‘zakenman’ Mike Taft. Die laatste weet wel hoe hij Johnny Long uit de geldzorgen moet krijgen: ‘Je krijgt 500 dollar voor als je wat punten mist.’ Shaving points in jargon.

Johnny bedankt maar het zaadje in zijn hoofd is geplant. Hij wil ook werk maken van zijn relatie, hoewel dat voor Pat niet eens nodig is: ‘Johnny… er zit geen prijskaartje op mijn hoofd.’ Hij twijfelt maar zijn vriend blijkt het ook te doen. ‘Het is niet alsof je de wedstrijd verliest, het gaat er alleen om dat je wat punten morst.’

Johnny gaat overstag en voor hij het weet is hij ‘een investering’ van Taft. Die beschermt die investering, zelfs als hij die zelfde basketballer moet laten afrossen. Het wordt een kwestie van nog een wedstrijd en dan nooit meer. Is dat een wedstrijd te veel?

Een basketbal-noir? De film noir-saus is in elk geval onmiskenbaar aanwezig: de gekwelde held, de karakteristieke voice-over en gangsters met regenjassen. Als dat al niet frappant is, zijn dat wel de compleet blanke basketbalteams; de erg uitbundige glimlach van Pat; de wallen onder de ogen van John Ireland; de moddervette moraal (‘Ga niet in zee met matchfixers’).

De film is verder redelijk voorspelbaar afgezien van een running joke: het karakter Lily (Hazel Brooks) dat alsmaar over astrologie begint. ‘Ik ben niet moeilijk, ik ben waterman.’ ‘Pardon?’ ‘Ik ben onder de vis geboren.’ ‘Oh.’ Zij is hier de komische noot, maar eentje die weinig geluid maakt.

Polen in 1989
In de Poolse film Pilkarski Poker (1989) zien we in feite hetzelfde gebeuren. Deze directeurs van Poolse voetbalclubs pakken het alleen wat grondiger aan dan Mike Taft. Via scheidsrechters bepalen ze uitslagen in de hele competitie. Een soort voetbalkartel.

Ze toosten op hun wanstaltige onderneming, waarbij scheidsrechters omgekocht worden met prostituees, wodka en geld. Wedstrijden worden meer op de tribunes en in vage hotels, bars en striptenten beslist dan op het veld.

Hun favoriete kop-van-jut is de naïeve scheidsrechter Jan Laguna (rol van Janusz Gajos, bekend van Trois couleurs: Blanc van Krzysztof Kieślowski). Iedereen neemt zijn moment om hem te manipuleren. Zelfs vriendin Irena.

Op zeker moment krijgt Jan in de gaten dat er iets vreemds gaande is. Uiteraard is hij net de scheidsrechter van een belangrijke wedstrijd. Wat beslist hij als een jonge speler die scoorde hem met pure voetbalogen aankijkt?

Je raakt nooit uitgekeken op de Poolse cinema van de jaren zeventig en tachtig. Al die uitstekende films, goed presterende acteurs, scripts die je verbazen en fraaie cameravoeringen. Voor deze film kreeg regisseur Janusz Zaorski zelfs echte voetballers zo gek om mee te doen en het verhaal is tamelijk spottend en volks en zal wel in Polen een bepaalde snaar hebben geraakt.

Het aardige van deze film is het portret van het Polen van 1989, dus tijdens het jaar dat de Berlijnse Muur viel (op 4 juni van dat jaar won Solidarność de verkiezingen). Een ‘provinciaal Polen’ nog volgens Zaorski, met ranzige trekjes. Zoals de man die in een bar in een teug een een achtergelaten glas wodka soldaat maakt. De asociale familie. De lompe stripbar. Seks in een auto op een parkeerplaats (je moet toch wat doen als je de tijd moet doden).

1989 was geen gelukkig moment om een film uit te brengen in Polen en de film liep z’n publiek mis. In 1993 werd de film ineens weer populair toen Legia Warszawa het kampioenschap werd ontnomen. Bij ieder nieuw schandaal piekte de aandacht voor de film. Zoals toen in 2005 het Poolse voetbal werd opgeschrikt door een serieus corruptieschandaal.

Pilkarski Poker is intussen een cultfilm geworden, vertelt regisseur Janusz Zaorski in een interview. ‘Er zijn weinig wedstrijden en goals. Wel veel achterkamertjes, kantoren van presidenten, geheime vergaderingen. In principe is dit een misdaadfilm.’

Een vervolg kwam er nooit van, tot spijt van Zaorski. Helemaal zonde in een tijd dat wedkantoren bijna op ieder voetbalshirt te zien zijn, en matchfixing een groter probleem is dan ooit.

 

13 maart 2021

 

Pilkarski Poker

Alle Camera Obscura

Jan Verheyen over zijn boek: pulpfilms jaren 70

Jan Verheyen schreef boek over pulpfilm jaren zeventig:
“We zijn terug bij af”

door Alfred Bos

De Belgische regisseur Jan Verheyen heeft een boek geschreven over de pulpfilm van de jaren zeventig, van haaienfilms tot exploitatiecinema waarin nonnen worden gemarteld. “Ik vind het fascinerend. Dat is de rampentoerist in mij.”

“Er wordt op de genrefilm in het algemeen en de exploitatiefilm in het bijzonder nogal neergekeken. Films die in de jaren zeventig werden gelauwerd op festivals in Cannes of Berlijn, zijn verdwenen in de plooien van de filmgeschiedenis; ze zijn niet eens te vinden. Veel van de bizarre genrefilms uit die tijd zijn leverbaar in liefdevol uitgebrachte dvd-boxen. Tiens, dat is een interessante vaststelling.”

Jan Verheyen

Alle Remmen Los! heet het boek van Jan Verheyen over exploitation en de genrefilm van de jaren zeventig. “Er is in ons taalgebied geen enkel boek dat dit thema behandelt. Ernstige filmvorsers willen er niet mee geassocieerd worden”, zegt hij. Dus schreef hij een boek over ‘seks, sadisme en swastika’s, een afdaling in de riolen van de pulpcinema van de wilde jaren zeventig’, zoals de ondertitel luidt.

Jan Verheyen (Temse, 1963) is regisseur van beroep. Hij maakte een reeks films (waaronder Dossier K. en Het Vonnis), was programmadirecteur van de grootste commerciële televisiezender van België, VTM, presenteerde tv-programma’s en was – met Jan Doense, artistiek directeur van het Film by the Sea-festival – organisator van De Nacht van de Wansmaak, een evenement rond cultfilms. Eén wand van zijn werkkamer is gevuld met filmboeken, een ander met enkele duizenden dvd’s en videobanden: zijn eigen videotheek.

Verheyen is filmliefhebber. En liefhebber van pulpfilms. Dat zit elkaar niet in de weg. “Als er één uitdrukking is waar ik echt het vliegende schijt van krijg, dan is het wel ‘de betere film’. Veel films die in het boek aan bod komen zijn een kind van hun tijd of nogal amateuristisch. Daarnaast heb je films die wat mij betreft wel overeind zijn gebleven, om welke reden dan ook. Vaak heeft het ermee te maken dat het een film met een visie is en een regisseur die wist waar hij zijn camera moest neerzetten en hoe hij spanning moest opbouwen. Het overstijgt de beperking van zijn tijd. Dat heeft ook met de brutaliteit van zo’n film te maken, het van de pot gerukte Caligula is een spectaculair curiosum.”

Ilsa

Vrijheid van meningsuiting
Alle Remmen Los! verhaalt over losgeslagen nazi’s, mensenetende woestelingen, ontaarde tieners, ontketend natuurgeweld en een eindeloze reeks carnivoren, van haaien en slangen tot konijnen (!), kippen (!) en kikkers (!). En wormen, uiteraard. Het spectrum van Luigi Fulci’s Zombi 2 tot de reeks Mondo-shockumentaries van Gualtiero Jacopetti en Franco Prosperi, en alles wat daar tussen valt. Het is een hallucinante collectie curiosa.

“Ik kan alleen maar vaststellen dat we zijn teruggekeerd
naar de zelfcensuur van de jaren vijftig” 

Alle Remmen Los! is niet alleen een boek voor nerds en fans van pulp. Het is ook een liefdevolle blik op de jaren zeventig, volgens Verheyen de interessantste periode van de filmgeschiedenis. “Wat mij boeit is het idee dat in de jaren zeventig pulpfilms overal in grote bioscopen werden vertoond. Het was maatschappelijk aanvaardbaar dat je op zaterdagavond je mooie pak aantrok, in de auto stapte en naar de bioscoop reed om Ilsa: Wolvin van de SS te zien en na afloop nog een hapje ging eten. Op dezelfde cinemaboulevard draaiden op dat moment ook Jaws en The Godfather. Die dingen konden naast elkaar bestaan. Er werd door recensenten, als ze er al aandacht aanbesteden, weliswaar denigrerend over gedaan. Maar niet verontwaardigd.”

“Ik heb begrepen dat we nu in de meest vrijheidslievende, breeddenkende tijd van de mensheid leven waarin vrijheid van meningsuiting het hoogste goed is en wij allen kinderen van de verlichting zijn. Maar de helft van de films in het boek, als ze al gemaakt zouden worden, zouden onmiddellijk in de ban zijn geslagen. De opiniemakers zouden over elkaar heen struikelen om hun verontwaardiging te uiten. Ik vel geen oordeel. Ik kan alleen maar vaststellen dat we de facto zijn teruggekeerd naar de zelfcensuur van de jaren vijftig. We zijn terug bij af. Als je in alle ernst discussies krijgt of we Gone With the Wind nog wel kunnen vertonen zonder context of duiding, zijn we toch wel op een gevaarlijk hellend vlak beland.”

Jaws

Slechte films’
Wat boeit Jan Verheyen aan ‘slechte films’? Wat is er zo interessant aan wansmaak? “In het boek komen ook veel goede films ter sprake. Ik ben ook niet per definitie geboeid door ‘slechte films’. Ik ben alleen geboeid door slechte films die in de categorie so bad they’re good vallen. Veel van die films zijn slecht omdat – en dat is de grootste doodzonde die je als regisseur kunt begaan – vervelend zijn. Dus het moeten films zijn die op een bijzondere manier ‘slecht’ zijn. Of het moeten films zijn die provoceren, de grens van de goede smaak negeren, en vanwege hun rauwheid, hun bruutheid, binnenkomen. Dat zijn de films die me interesseren.”

“Ik ben heb een empathie met filmmakers in het algemeen, ik ben regisseur. Dus ik weet dat om zo’n slechte film te maken, die mensen moesten ook om half vijf opstaan om naar de set te rijden, waar ze in de mist hebben staan wachten tot ze konden beginnen en elke dag opnieuw al die obstakels hebben moeten overwinnen die je als filmmaker op je pad worden geworpen, om uiteindelijk maar dát over te houden. Ik vind dat tragisch.”

“Ook die mensen verdienen een minimum aan respect, ook al kan over het eindproduct van al hun inspanningen gezegd worden: ‘sorry, het is echt niet goed genoeg’. Geen van die mensen is naar de set getrokken met het idee: nu ga ik iets maken wat zo fucking slecht is dat ze over dertig jaar nog eens achter hun oren van zullen krabben. Vandaar dat ik een zekere clementie heb als ik naar zo’n film zit te kijken. Maar vaak zet ik het ook af, hoor.”

“Geen westerns, wel haaienfilms;
geen horror, wel kannibalenfilms” 

Specifiek voor de jaren zeventig
Verheyen typeert het onderscheid tussen de genrefilm en de exploitatiefilm – dat lang niet altijd even helder is – als volgt. Jaws is een genrefilm. Jaws of Death is een exploitatiefilm. Hoe heeft hij in Alle Remmen Los! de termen afgebakend, de grenzen bepaald?

“Mijn invalshoek is de jaren zeventig, een periode die ik als jonge tiener zeer bewust heb meegemaakt en waarvan ik me pas achteraf heb gerealiseerd hoe uniek die periode eigenlijk was. Daarna ben ik gaan kijken welke genres specifiek zijn voor die jaren zeventig, in de sfeer die ik wil beschrijven: het wegvallen van alle (zelf)censuur, wat heeft men daar mee gedaan? Dan vallen een aantal genres op, zowel grote als niche.” Dus geen westerns, wel haaienfilms – en ander ongedierte. Geen horror, wel kannibalenfilms.

When Time Ran Out

“Heel opvallend: de rampenfilm begint met Airport in 1970 en eindigt met When Time Ran Out uit 1980, om dan pas veel later door Roland Emmerich (Independence Day, The Day After Tomorrow) opnieuw te worden uitgevonden.”

“Een ander voorbeeld is de vrouwengevangenisfilm, terwijl die haaks staat op de tijdgeest. Dat genre is tot bloei gekomen in de tijd van beha-verbrandingen op het Leidseplein en de tweede golf van het feminisme. Meer contrasterend kunnen die dingen niet zijn. Ook dat is een genre dat alleen maar bestaat in de jaren zeventig.”

“Tiroler sekskluchten, de kannibalenfilms – het zijn genres die alleen voorkwamen in de jaren zeventig. Andere genres, zoals de wraakfilms en wat ik noem ‘barbaren in de bossen’ (Straw Dogs, Deliverence) hebben nog veel uitlopers. Het zijn min of meer tijdloze genres, die in de jaren zeventig een aantal sleutelfilms hebben opgeleverd.”

“De enige films waar toen enige controverse
over was, waren films over slavernij” 

“De enige films waar toen enige controverse over was – en dat is op zich ook interessant – waren films als Drum en Mandingo, films over slavernij. Dat vond men toch wel een stapje te ver. Als je naar Django Unchained van Tarantino kijkt, zie je beelden die letterlijk uit Drum en Mandingo en Goodbye Uncle Tom komen. De thematiek van keurige films als 12 Years a Slave en Birth of a Nation is identiek aan die controversiële films uit de jaren zeventig die werden gezien als exploitation. Dat heeft alles te maken met context en perceptie. Dat subgenre van de slavenfilm is de grote uitzondering op de regel.”

“Ik heb me niet angstvallig beperkt tot de jaren zeventig. Ik heb wel geprobeerd het zwaartepunt van de jaren zeventig te vatten in een aantal genres. Er zijn méér genres dan ik behandel, maar het aantal pagina’s dat een boek mag tellen, is nu eenmaal aan praktische grenzen gebonden. Dus de horror van The Omen en The Exorcist, de kungfu-films en de Italiaanse poliziotteschi (politiefilms) zijn afgevallen. Mocht er een vervolg komen, dan heb ik daar genoeg materiaal voor.”

Faces of Death

Vrouwen als accessoire
In de ogen van Jan Verheyen waren de jaren zeventig uniek. Na de culturele revolutie van de jaren zestig werden grenzen verkend, verlegd en verworpen. Het was de tijd waarin alles mogelijk leek en alles kon. “Van de weeromstuit begonnen de grote filmstudio’s in de jaren tachtig hun vertrouwde rol weer te spelen en was de anarchie van de jaren zeventig voorbij. Alle genrefilms zijn toen door de studio’s overgenomen, ze gingen chique horror en chique exploitation maken en de rest schoof door naar de videotheken, waar de pulpfilms van de jaren zeventig een tweede leven kregen.”

Films als Faces of Death zouden nu niet meer kunnen…

Verheyen: “Jacopetto en Prosperi stellen dat hun genre van de Mondo-films door internet overbodig zijn geworden. Al die dingen die in Faces of Death zitten, zijn nu clicks op het internet; je kunt ze bij wijze van spreken zelfs op de websites van kranten aanklikken. De wereld is nog veel cynischer geworden dan in de tijd van Faces of Death.”

Films over vrouwengevangenissen en subgenres als sadiconazista’s of nunsploitation bieden vooral geweld tegen vrouwen.

“Dat is een typisch element van de exploitatiefilm. Het is bijna altijd vrouwonvriendelijk. Er zijn natuurlijk ook mensen die dat niet vinden. Die zeggen: het hoofdpersonage is een sterke vrouw. Op die manier kun je natuurlijk alles herinterpreteren.”

“Die vrouwonvriendelijkheid van
exploitatiefilms moet je zien in de tijd” 

“Die vrouwonvriendelijkheid van exploitatiefilms moet je zien in de tijd. In Hollywoodfilms uit de jaren zeventig en tachtig, zelfs tot een deel van de jaren negentig, zijn vrouwelijke actiehelden zeldzaam. Vrouwen in films dienen als een soort accessoire voor de held. De exploitatiefilm zat niet in een vacuüm, het maakte deel uit van een groter geheel. Ook in de mainstreamfilm waren er veel minder sterke vrouwenrollen dan er nu zijn. Dat heeft de tijd wel gecorrigeerd.”

Godmother Pam Grier

Dit soort films is op een gegeven moment verdwenen. Waar is het misgegaan?

“Door een samenloop van omstandigheden. In de jaren zeventig was het klassieke Hollywood de voeling met het publiek kwijt, men wist het niet meer. Een nieuwe generatie regisseurs – George Lucas, Steven Spielberg. Martin Scorsese, Francis Ford Coppola, William Friedkin – nam de sleutels van de stad over. In de jaren zeventig lag de creatieve macht in de handen van de regisseurs.”

“Door blockbusters als Jaws en Star Wars beseften de studio’s dat er met film nog steeds geld viel te verdienen. Begin jaren tachtig was de macht teruggeschoven naar de studiobazen, die nadien de genres die het goed deden, zijn gaan kopiëren. In dit geval was de kopie beter dan het origineel omdat er meer middelen ter beschikking waren. De studio’s keken niet langer neer op genrefilms. Daarmee konden ze het jonge publiek naar de bioscoop krijgen.”

“Veel kleine producenten werden uit de markt gedrukt, omdat de zalen waar ze met hun product terecht konden, nu werden ingenomen door films van de grote studio’s. De markt verschraalde. De ontluikende videomarkt gaf de exploitatiefilm van de jaren zeventig voor even een tweede leven en er werd ook rechtstreeks geproduceerd voor video. Maar tegen de jaren negentig was het exploitation genre grotendeels verdwenen. Of herleid tot niche product voor video en kabelmarkt.”

“Films die technisch door de mand
vallen, bestaan anno nu niet meer” 

“Met de digitalisering werd het in de jaren negentig veel makkelijker om films te maken. De ontroerend slecht gemaakte films waarmee we ons in de jaren zeventig hebben geamuseerd, waren er ook niet meer. Films die technisch door de mand vallen, bestaan anno nu niet meer. Die charme is vanaf midden jaren negentig volledig verdwenen.”

Grindhouse

Het interessante is dat die ontwikkeling is begonnen met Jaws en Star Wars, beide genrefilms.

“De films die het in de jaren tachtig goed deden waren de Die Hards, de Lethal Weapons en de Rambo’s. Dat zijn in essentie ook genrefilms, alleen veel beter verpakt.”

Ook interessant: vanaf de jaren negentig gaan regisseurs de genrefilm als inspiratiebron gebruiken, denk aan Quentin Tarantino en Robert Rodriguez.

“Dat is de generatie regisseurs voor wie hun videotheek de filmschool was. Die hebben de genrefilms en de grindhouse van de jaren zeventig allemaal gezien.”

Geheime pret
In Alle Remmen Los! vraagt Verheyen een aantal Nederlandse en Vlaamse collega-regisseurs en pulpfilmfans naar hun guilty pleasure. Wat is de zijne?

“Laat ik dan toch maar Ilsa: She Wolf of the SS noemen. En Eden Lake als bewijs dat een film die zijn wortels in de genrefilm heeft toch geweldige cinema kan zijn.”

Alle Remmen Los! Seks, sadisme en swastika’s, een afdaling in de riolen van de pulpcinema van de wilde jaren zeventig, door Jan Verheyen, geïllustreerde paperback, 416 pagina’s, ISBN 978 90 8924 8534, prijs 35 euro.

 

22 oktober 2020

 

MEER INTERVIEWS

De toekomst van de bioscoop

Ondertussen, op de redactie:

De toekomst van de bioscoop

SJOERD:

Hallo allemaal,

De eerste opleving van de eerste golf van het coronavirus herinnert er weer aan dat de pandemie voorlopig aanblijft. Ondanks dat we in Nederland een belangrijkere discussie hebben te voeren (over de groepsimmuniteitstrategie van de Nederlandse overheid) roept dat toch de vraag op hoe het de cinema verder zal vergaan.

Tenet (2020)

Tenet (2020)

Tenet trok niet bijster veel bezoekers en onlangs werd de release van de nieuwe James Bond-film wederom uitgesteld. Dus zelfs de blockbusters waar de grote studio’s het van moeten hebben laten voorlopig op zich wachten. En komt er straks een inhaalslag met moordende concurrentie? In Nederland kampen de bioscopen met een flinke teruggang in omzet, vooral funest voor de kleinere bedrijven. Ondertussen spinnen de streamingdiensten er garen bij.

Voor The Guardian is e.e.a. aanleiding om een discussie te starten over de toekomst van de cinema, in het bijzonder de releasestructuur en de bioscoop als plek van vertoning: https://www.theguardian.com/film/2020/oct/08/the-future-of-cinema-seven-experts-on-industry-now

Filmcriticus Wolfgang M. Schmitt ziet ook donkere wolken en vreest voor de toekomst: https://www.youtube.com/watch?v=LI7LsGl4Khg

Hoe hebben jullie zelf de afgelopen maanden de bioscoop ervaren? Maken jullie je ook zorgen? Hoe straks verder met de cinema?

Zelf ben ik sinds het IFFR niet meer naar de bioscoop geweest en mijd ik liever de festivals aangezien online m.i. geen vervanger is.

 

TIM:

Bij je aanzet moet ik denken aan de Ondertussen die ik enkele maanden geleden startte naar aanleiding van de rol van filmkritiek tijdens en na (?) de Coronacrisis. Natuurlijk spraken we in dat kader ook al over het bredere verhaal: de filmbeleving in bioscopen en filmtheaters staat op zichzelf al geruime tijd onder druk. Dat geldt uiteraard helemaal voor festivals op locatie. Ik was tijdens het schrijven van een vooruitblik op het Nederlands Film Festival meer tijd kwijt aan het overdenken van de implicaties van een ‘hybride editie’ dan aan de films zelf.

Nu het beleid weer aantrekt, neemt de druk alleen maar verder toe, en ik vind het op zijn minst bijzonder dat ik afgelopen week de Gouden Kalf-winnaar ‘gewoon’ nog op een groot doek kon zien. Voor mij is het geen probleem het filmtheater weer te bezoeken, ook omdat ik voldoende in de gelegenheid ben om overdag te gaan en zo minder snel stuit op ‘volle’ zalen. Wel moet ik wennen aan het verplicht achterlaten van telefoonnummers (hoor ik nog iemand over AVG?, de ironie) en zie ik mezelf een stuk minder (of misschien helemaal niet meer) gaan als men in Nederland nog definitief zou zwichten voor een mondkapjesplicht in de zaal (dat is nu nog een ‘dringend’ advies voor de wandelruimtes). Dat meer mensen er zo over denken, hebben de uitbaters in België al moeten ondervinden, waar de omzet naar verluid flink terugliep toen men landelijk eenmaal had besloten dat het masker alleen nog maar af mocht voor een slok cola of een hap popcorn. In zo’n situatie worden streamingdiensten ineens toch weer extra aantrekkelijk, hoezeer ik mezelf ook een voorvechter van de bioscoopervaring noem :)

Buladó (2020), winnaar Gouden Kalf beste film

Buladó (2020), winnaar Gouden Kalf beste film

Ik spreek hierboven vooral over mijn eigen ervaring, maar de situatie is onmetelijk zorgelijk. De grote releases worden keer op keer uitgesteld en dat sloopt de uitbaters, zeker als titels nog vaker naar On Demand gaan verschuiven. Je kunt geen klassiekers blijven uitbrengen, en naarmate de crisis in een zogenoemde ‘tweede golf’ verder aantrekt zal het aanbod niet de enige reden zijn dat kijkers thuis (moeten) blijven.

 

ALFRED:

We kunnen sinds juni met beperkingen en sinds juli met iets minder (maar nog steeds) beperkingen weer naar de bioscoop, maar wat zien we daar?

Films uit de oude doos, hervertoningen van recente en minder recente klassiekers. En ‘derderangs arthousefilms die zonder corona nooit in Nederland zouden zijn uitgebracht’, aldus Martin Koolhoven, toen we voor de deur van Eye Filmmuseum een sigaretje stonden te roken. Ik had die dag het programma van mijn favoriete buurtbioscoop bestudeerd en knikte instemmend.

Voor de filmliefhebber is het ontbreken van een gevarieerd en boeiend filmaanbod een probleem, zij het een luxeprobleem. Voor de bioscoopexploitant is het een serieus probleem. Wanneer de nieuwe James Bond nóg een keer wordt uitgesteld dondert het bioscoopwezen in de afgrond, stelt een publicist in The Guardian. Engeland is Nederland niet, maar het is geen reden om je schouders op te halen. Wat als Disney – goed voor veertig procent van de filmmarkt – failliete bioscoopketens opkoopt en aldus niet alleen productie maar ook distributie controleert?

Streamingdiensten waren voor corona al een bedreiging voor de bioscopen en floreren in de huidige situatie. Ze zijn (voorlopig?) de winnaar op dit speelveld. Disney+, de streamingdienst van Disney, heeft een krankzinnig bedrag vrijgemaakt om de koning van de onlinefilm-en-tv-platforms, Netflix, van de troon te stoten. Zo dreigt de entertainmentmoloch zelf een virus te worden dat alles aanvreet.

Terug naar het bioscoopbezoek. Dat kon deze zomer weer, al was het aanbod, zoals opgemerkt, beperkt. Mijn buurtbios zal het wellicht overleven, ze zijn eigenaar van het pand. Er waren grappige ervaringen, zoals het stel giebelmiepen dat vlak voor aanvang van Shirley kwam binnen stommelen. Ze begrepen niet dat de rijen stoelen met rode stickers niet bedoeld waren om op te gaan zitten. Ze waren overduidelijk niet op hun plek. En, je zag het aankomen, na een kwartier stonden ze op en stommelden weer naar buiten. Binnenpretje bij deze kijker.

Vooraf reserveren? Geen probleem. Anderhalve meter in de bioscoop? Ook geen probleem, voor de bezoeker althans. De exploitant kan met die anderhalvemeterbeperking maximaal een kwart van zijn capaciteit benutten. Ik probeer drukke plekken en dito momenten zoveel mogelijk te mijden en zag Tenet om half een ’s middags in (bijna) mijn eentje.

Maar het kan ook misgaan, bijvoorbeeld als je domweg vergeet te reserveren. Zo kwam ik als allerlaatste toch nog een Keuze van Koolhoven-avond in Eye binnen omdat een gereserveerd kaartje niet werd opgehaald. In de pauze bietste Koolhoven een sigaret en vertelde ik hem over mijn bijna-misser. Hij was ook verbaasd over de toeloop. Zijn maandelijkse avond in de kleine zaal was snel uitverkocht en verplaatst naar de grote zaal, die vervolgens ook uitverkocht.

Into the Night (1985)

Into the Night (1985)

Het kan dus wel, volle zalen trekken in tijden van corona. Koolhoven had een zelden vertoonde jarentachtigfilm geprogrammeerd (Into the Night van John Landis) en hield er een – onderhoudend, deskundig en leerzaam – praatje bij. Dat is wellicht waar Delphine Lievens, box office analist, in The Guardian op doelt, wanneer ze stelt: ‘De industrie kan hier van groeien.’

Door een ander soort film te vertonen, buiten de blockbusters van Hollywood. Familiefilms, lokale (lees: niet-Amerikaanse studio) films, animatiefilms, documentaires, speciale voorstellingen. En door een inleiding of een Q&A of iets extra’s rond de film te programmeren, als meerwaarde die de streamingdiensten niet bieden. Inderdaad, door film te presenteren zoals Martin Koolhoven dat doet. Dus door de kijker als liefhebber te behandelen, niet als consument. Want die blijven thuis of lopen na een kwartier weg, leert corona.

 

COR:

Voor mij is er qua film kijken niet veel veranderd door corona. In onze plattelandsgemeente staat weliswaar een bioscoop, echter die programmering is niet zo aan mij besteed. Een filmpje pakken in een naburige stad kost mij inclusief reistijd een halve dag. Die tijd kan ik meestal beter besteden, bijvoorbeeld door het kijken van twee films!

Thuis heb ik een grote tv met aardig geluid. In mijn eigen huiskamer kijk ik een paar honderd films per jaar. Als hoofdredacteur van deze filmsite kan ik veel films al kijken voordat die in première gaan. Verder put ik volop uit mijn eigen filmcollectie, streamingdiensten en films die op andere wijzen worden aangeboden.

Een groot doek mag dan wel de filmbeleving versterken, echter ik was al nooit echt fan om schouder aan schouder in een afgeladen bioscoopzaal te zitten, met links krakende chipszakken, rechts iemand die regelmatig zijn veel te lichtgevende mobieltje checkt of iemand achter je die op foute momenten, of gewoon irritant, lacht. Ook pré-Corona ging ik het liefst ‘s middags naar een bioscoop: heerlijk die hele zaal bijna voor jou alleen!

In mijn thuisbioscoop (gordijnen dicht, lampen en telefoon uit) bepaal ik zelf wel wie ik uitnodig, hoe relaxed ik voor mijn scherm zit en wat ik nuttig. Ook is het handig om een film om wat voor reden dan ook op pauze te zetten. Voor de meeste interessante films – in mijn geval vooral films uit de vorige eeuw – heb ik sowieso weinig in het gros van de bioscopen te zoeken. Dat neemt niet weg dat ik het verschrikkelijk zou vinden als vooral de kleine filmtheaters de deuren moeten sluiten. Ik houd trouwens mijn hart vast voor heel veel andere culturele instellingen.

Beyond the Forest (1949)

Beyond the Forest (1949)

Uit een crisis kunnen prachtige initiatieven verrijzen. Ook ik denk dat de branche nog veel beter haar best zal moeten doen zich van de streamingdiensten te onderscheiden. Dan denk ik niet aan trillende stoelen en rook bij rampenfilms of de mogelijkheid om met je vrienden of vriendinnen vanuit een jacuzzi te kijken naar een zomerblockbuster, maar eerder aan vlotte inleidingen en interessante napraatsessies aan de bar. Ik denk echter dat zulke initiatieven aan woonplaatsen als de mijne zullen voorbijgaan, omdat filmliefhebbers die zich graag willen verdiepen een steeds kleinere minderheid vormen. De grote steden daargelaten, vrees ik dat de bioscoopbezoeker post-Corona een nog grotere eenheidsworst krijgt voorgeschoteld.

In mijn thuisbioscoop staan vandaag nog twee films op het programma: Beyond the Forest (1949) en Payment on Demand (1951). Dat boek over Bette Davis zal er toch vroeg of laat moeten komen! :-)

 

BOB:

Misschien kijk ik iets te ver dan het coronaheden maar waarom niet… Want corona kan best wel eens de nagel aan de doodskist van de cinema zijn.

Laatst las ik over een sombere regisseur die zei: ‘Bioscoopbezoek dreigt uit te sterven.’ Ik weet niet meer wie het was maar daar zit wel iets in. De bioscoopervaring wordt als het ware van alle kanten aangevallen, waarvan veel dingen al zijn genoemd: streamingdiensten, problemen door corona, hype van series, thuisbioscopen, downloaden, games die films steeds beter imiteren (je speelt zelf ook nog de hoofdrol), En ook van binnenuit: de industrie die steeds wanhopiger trekt aan allang dode paarden (superheldenfilms tjokvol voorspelbare actie en arthousedrama tjokvol voorspelbaar drama). Die twee keurslijven zijn niet echt bevorderlijk voor de ontwikkeling van nieuw eigenzinnig talent.

Wat is dan nog de meerwaarde van een bioscoopbezoek, vraag je je af.

Misschien is de bioscoop wel de LP van de toekomst, dacht ik toen.

Mooie dingen keren vaak terug. De vinylhype van vandaag de dag (wie had dat gedacht in pakweg 2002)… publiek dat zelfs toneel bezoekt op z’n Shakespeares… jaren 50’s Diners in de VS… wie wil er geen Alfa Romeo uit 1960 hebben? Eigenzinnige bioscopen voor filmliefhebbers, bioscopen met een eigen signatuur, met gevoel voor geschiedenis: daar is een markt voor, ben ik het met Alfred helemaal eens. Een Rotterdammer wist mij te vertellen dat Kino nu al zo’n soort plek is. Ik had zelf jaren geleden ook zo’n ervaring met een liefhebbersbioscoop in Brussel.

Dat zal groeien uit wat we nu hebben. We moeten nu alleen even door een tussenperiode, waarbij we het ‘ecosysteem van de film’ langzaam zullen zien inzakken, zoals in het artikel in The Guardian staat.

Bullitt (1968)

Bullitt (1968)

Na pak hem beet nog tien magere jaren gaan we in 2030 weer voor het eerst naar net geopende piepkleine zaaltjes met aftandse stoelen (maar nu met superieure naar het lichaam vormende kussens). Dan bezoeken we liefhebberijvoorstellingen gepresenteerd onder bezielende leiding van de duo’s Martin en Alfred (even avonden) en Sjoerd en Tim (oneven avonden). Cors filmcursussen zijn dan maanden van te voren uitverkocht en ja, als men mij vraagt wil ik ook wel een paar Camera Obscura-sessies doen. Tegen die tijd kan cinema ook profiteren van de ontwikkeling van techniek. Alle films gerestaureerd in super-ultra-HD-kwaliteit. En in zintuiglijk opzicht kan de cinema nog best vorderen. Als mensen het goed leren doen… dus als je het rubber in de achtervolging van Bullitt bijvoorbeeld echt ruikt, en het geluid van piepende banden echt goed hoort, wil ik daar straks mijn vrije avond in 2030 wel aan opofferen. 

 

12 oktober 2020

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Reis 12: 1992 | Het hachelijkste moment van je leven

Filmhuis van het Verleden | Reis 12: 1992
Het hachelijkste moment van je leven

door Axel F. Jomich 

Het is begin augustus 1992 als een dame in nood een nog grotere handschoen met vaseline krijgt aangemeten, zodat haar beoogde redder haar makkelijker in de afgrond kan laten vallen.

Ranger Gabe (Sylvester Stallone) moet jongedame Sarah (Michell Joyner) naar een helikopter in de lucht loodsen. Dat gebeurt via een touw van een hoge klif. Halverwege komt Sarah in de problemen. Ze kan nog net Gabes hand vastgrijpen. Pas na zo’n tien takes glijdt Sarahs handschoen soepel van haar hand en stort ze honderden meters naar beneden in de afgrond.

– Hè, hè, die zien we voorlopig niet meer terug! zegt regisseur Renny Harlin met een diepe zucht. Met een budget van 70 miljoen dollar hadden er toch wel een paar fatsoenlijke handschoenen vanaf gekund?

Hier in een Cinecittà-studio net buiten Rome kun je je bijna niet voorstellen dat de knullige actie van zojuist onderdeel is van één van de spannendste openingsscènes uit de filmgeschiedenis. De uitgekiende illusie van het even spectaculaire als ontroerende ongeluk ontstaat pas later in de montagekamer.

Michelle Joyner krabbelt op uit de kussens. Ze verlaat uitgeput de set. Sylvester Stallone daalt in zijn mouwloze hemdje en strakke shorts van de trap, voegt zich bij Harlin en mompelt, zoals gebruikelijk, iets onverstaanbaars. Ze kijken naar Stallones hand.

Ik sta op een meter of tien afstand met de beroemde Amerikaanse bergbeklimmer, Ron Kauk. Hij adviseert Stallone hoe die zich geloofwaardig op grote hoogte moet bewegen. Kauk is ook zijn double. Na mijn verbijsterende avontuur op de filmset van Groundhog Day had ik besloten om nog even te blijven in het jaar 1992, waaraan ik mooie herinneringen heb. Ik stuurde mijn DeLorean richting Italië, want in de studio’s van Cinecittà is altijd wel wat te beleven. Daar ontmoette ik toevallig Ron Kauk en vroeg hem of ik een paar weken met hem mocht optrekken. Ik zei dat ik een verhaal over hem wilde schrijven, maar in werkelijkheid verschaft hij mij nu de toegang tot Cliffhanger.

– Sly heeft een paar weken geleden tijdens een helikopterstunt in de bergen zijn hand geblesseerd, legt Kauk uit. Gehecht, nog steeds ontstoken helaas.
– Maar goed dat hij een uitstekende vervanger heeft.
Kauk vindt mijn geslijm helemaal niet raar en vertelt dat het altijd zo gaat.
– Ik hang met mijn kont honderden meters boven een ravijn in de besneeuwde Dolomieten. Meneer de filmster trekt zich terug in zijn warme trailertje.
– Hij heeft toch ook hoogtevrees?
– Tja, en die kou in de bergen is onze stoere Rambo natuurlijk niet gewend, grinnikt hij.

Kauk steekt zijn borst naar voren en begint zonder enige aanleiding, iets wat mensen in de filmwereld vaker doen heb ik gemerkt, anekdotes te tappen over zijn leven als stand-in. Zoals wat hij allemaal moest eten en aan bodybuilding moest doen om op Stallone te lijken. Vervolgens somt hij op waarom het budget van Cliffhanger zo uit de klauwen is gelopen.

– Noodweer in de Dolomieten. De productie lag een paar weken stil. Brand in de rekwisietenfabriek. O ja, die spontaan exploderende helikopter. Het meest triest vind ik wel die miljoenen die naar al die scriptschrijvers zijn gegaan. Jezus. Het plot van Cliffhanger is niet meer dan een slap aftreksel van Die Hard.

Na tien minuten onthullende achtergrondinformatie en openhartige meningen van Ron Kauk heeft bijna iedereen de studio verlaten. Nu ik de beroemde openingsscène heb gezien, besef ik dat die echt smeekt om parodieën, zoals later ook zal gebeuren in Ace Ventura: When Nature Calls en Spy Hard.

– Ik durf het bijna niet te vragen, maar mag ik ook even aan het touw hangen? vraag ik aan Ron Kauk.
– Lijkt mij geen goed idee, zegt Kauk terwijl hij mijn fysieke gesteldheid inschat.
– Ik ben namelijk benieuwd of ik wél de overkant kan bereiken, zeg ik met mijn breedste lach. Ik wil weten hoe je je voelt tijdens zo’n actie hoog boven de grond!

Na enig aandringen klimmen we de ladder op en staan we op het plateau dat de klif moet voorstellen. Kauk hijst mij in een gordel en zekert de veiligheidslijn met een karabijnhaak aan het touw, dat zo’n vier meter  boven de kussens is gespannen. Een indringende blik. Hij geeft vervolgens instructies hoe ik me met de katrol moet bewegen en hoe ik me zo dadelijk aan de overkant in de nephelikopter moet hijsen. Ik voel de spanning, mijn hartslag neemt toe, mijn ademhaling gaat steeds sneller.

– Ben je klaar voor het leukste ritje in het park? vraagt Kauk.
Ik moet proesten van de onbenullige tekst uit het script. Behoedzaam pak ik de handvatten van de katrol. Ik laat me zakken.
– Blijf naar mij kijken en denk alleen aan de overkant. Tel in jezelf bij ieder stukje. Bij acht ben je er al!
– Mag ik zo snel tellen als ik wil? roep ik even opgewonden als Michelle Joyner riep naar Sylvester Stallone toen zij aan dit touw hing.

Het verplaatsen met de handen blijkt zwaarder en duurt langer dan ik dacht. Ik had beter mijn colbertje kunnen uittrekken. Halverwege blokkeert de katrol. Ik zwaai wat heen en weer, maar het kreng zit vast.
Wow, dit is écht! Alsof ik nu zelf in Cliffhanger zit. Of liever gezegd: hang. Ik kijk op om te vragen wat ik nu moet doen. Maar waar is Ron Kauk heen?

– Ron!!
Geen antwoord.
– Ron??
Nog geen antwoord.
– Slechte grap, mister Kauk!

Deze hangende positie kan ik niet minutenlang volhouden.

Het licht in de studio flitst ineens uit. Ik word benauwd.

Dan glipt mijn mobieltje ineens uit mijn binnenzak. Ik wist dat ik dat ding niet moest meenemen in de DeLorean, wat je niet bij je hebt kun je niet kwijtraken, een oude tijdreizigerswaarheid, maar je wordt steeds laconieker. Mijn God, wat een blunder…

– Help! Help! Sly??
Ik hou het niet meer. Ik laat de handvatten los. Mijn val wordt gebroken door de veiligheidslijn en nu bungel ik een paar meter  boven de kussens. Het is een lullige hoogte maar ik kan geen kant op. Ik schreeuw nog een paar keer, maar geen enkele reactie. Niemand te zien in het duister. Ik bestudeer mijn klimgordel, maar kan niet zien hoe ik de lijn kan losmaken.

Na een kwartier tevergeefs brullen in deze donkere Cinecittà-studio, slaat de wanhoop helemaal toe.

– Always look on the bright side of life, mompel ik in mezelf.

Spijt slaat toe. Zelfhaat ontplooit. Waarom nam ik geen genoegen met mijn saaie leventje in de 21ste eeuw? Wat gebeurt er met mijn leven als ik hier sterf? Heb ik wel eens aan die risico’s gedacht? Wat voor verzekeringen kunnen tijdreizigers afsluiten?

Als minutenlang de meest verschrikkelijke gedachten door mijn hoofd schieten, hoor ik wat gestommel onder me aan de zijkant.
– Hallo? Is daar iemand?
Ik knijp mijn ogen zo fijn mogelijk samen als ik kan. Een grote kronkelende gestalte nadert langzaam, tot vlak onder mijn voeten. Ik voel een lichte aanraking en schrik. De gestalte is koud. Een geur van rotte eieren. Mijn keel wordt dichtgeknepen, mijn adem stokt…

Wordt vervolgd (?)

 


 

Bronnen en tips:
Film: Cliffhanger (1993), Ace Ventura: When Nature Calls (1995),Spy Hard (1996)
Websites: https://catalog.afi.com/Catalog/moviedetails/59493
https://www.eightieskids.com/hang-on-to-these-12-facts-you-probably-never-knew-about-cliffhanger/
https://www.imdb.com/title/tt0106582/trivia
https://www.dailyscript.com/scripts/cliffhanger_stallone.html

 

ALLE TIJDREIZEN

10 grensverleggende films

Tien grensverleggende films

10 grensverleggende films

Feitjes over films zijn altijd leuk. Nog leuker is om je te realiseren wat ze allemaal in gang hebben gezet. Tien mijlpalen in de filmgeschiedenis die de grenzen verlegden: van de allereerste speelfilm tot en met de eerste bewustwordingsfilm over voeding.

door Cor Oliemeulen

1. – The Story of the Kelly Gang (1906) – allereerste speelfilm

Niet Amerikanen of Europeanen maakten de allereerste speelfilm. Ene Charles Tait uit het Australische goudzoekersparadijs Castlemaine en twee van zijn broers vertoonden op 26 december 1906 het bijna zeventig minuten lange The Story of the Kelly Gang. Dit westerndrama gaat over de beruchte Ierse balling Ned Kelly, die na de moord op drie politiemannen vogelvrij werd verklaard. Veel fragmenten op de filmrol hebben de tand des tijds niet goed doorstaan of zijn simpelweg verdwenen. In de gerestaureerde versie zijn foto’s en teksten geplakt om de leemtes in het verhaal op te vullen. Wat opvalt is het gebruik van echte pistolen! Tijdens schermutselingen wordt er vaak bewust in de grond of in de lucht geschoten, waarna tegenstanders toch dood neervallen. Charles Tait kreeg negen kinderen en maakte geen tweede speelfilm.

2. – Nanook of the North (1922) – eerste documentaire

Robert J. Flaherty was goudzoeker aan de andere kant van de wereld, in het hoge noorden van Canada, en maakte daar prachtige natuuropnames met mens en dier. Op een dag knoeide hij sigarettenas op zijn kilometerslange, uiterst brandbare rollen celluloid en werden alle opnamen vernietigd. Flaherty, die een relatie met een Eskimofamilie had opgebouwd, begon weer vol goede moed aan zijn film over het leven van de Inuit. Maar wat bleek later? Sommige fragmenten waren in scène gezet, zoals de vangst van een zeehond – die al dood was toen die zogenaamd door Nanook en zijn gezin onder het ijs vandaan werd getrokken. De vraag is of Nanook of the North door het manipuleren van de werkelijkheid een echte documentaire is. In ieder geval schetst de film een authentiek beeld van de ongerepte natuur in het noordelijk poolgebied.

3. – La coquille et le clergyman (1928) – eerste surrealistische speelfilm

Het door de Franse schrijver André Breton in 1924 gepubliceerde Manifest van het Surrealisme predikte een levenshouding. Fantasierijk, volledige vrijheid, loslaten van het verleden en zich niets aantrekken van bestaande regels. De visuele verbeeldingskracht staat los van verstand en logica, en is toepasbaar op alle kunstvormen. De beroemdste vroege surrealistische film is Un chien andalou (1928), waarmee Luis Buñuel en Salvador Dalí de gevestigde orde schokten. Maar de allereerste surrealistische speelfilm verscheen eerder dat jaar. In La coquille et le clergyman (De zeeschelp en de priester) van regisseuse Germaine Durlac maken we kennis met de dromen en erotische fantasieën van een priester. Het zowel originele als maffe script is van Antoine Artaud, die later met de introductie van zijn Wrede Theater ‘te surrealistisch’ werd bevonden door Breton en consorten.

4. – The Ox-Bow Incident (1943) – eerste humane western

In westerns werden indianen als bloeddorstige barbaren afgeschilderd. Dat negatieve beeld veranderde met de revisionistische western, waarin indianen en Mexicanen juist als sympathieke mensen worden neergezet. Mooie voorbeelden zijn High Noon (1952), Little Big Man (1970) en Dances with Wolves (1990). Al in 1943 verscheen The Ox-Bow Incident van William A. Wellman dat een sleutelrol speelt in de geschiedenis van de western. Deze eerste humane western houdt een pleidooi voor de rechtstaat als fundament van de samenleving. Drie mannen worden verdacht van moord en zonder proces opgehangen door een hysterische menigte. Later blijken ze onschuldig. Eén van de terechtgestelden had nog een afscheidsbrief mogen schrijven. In de ontroerende finale leest het personage van Henry Fonda, één van de weinigen die de executies probeerde te verhinderen, de brief voor aan een saloon vol daders.

5. – Sommaren med Monika (1953) – eerste vrijgevochten film

De Zweedse filmmaker Ingmar Bergman genoot een strenge opvoeding (vader was luthers predikant), was bang voor de dood en twijfelde aan God en het geloof. Dat resulteerde in 1957 in het meesterwerk Det sjunde inseglet (Het Zevende Zegel). Vier jaar eerder zorgde Bergmans doorbraakfilm Sommaren med Monika (Zomer met Monika) al voor de nodige ophef. Een vrijgevochten meisje (Harriet Andersson), dat met haar vriendje vlucht voor haar burgerlijke ouders, gaat uit de kleren. In Amerika ging de schaar in Bergmans vernieuwende, realistische filmstijl, en bleven hoofdzakelijk beelden van het stoute meisje over. “In de buurt werd er gesproken over een naaktscène. Zoiets was destijds ongehoord in Amerikaanse films”, zei regisseur Woody Allen, die net als veel anderen pas later Bergmans werkelijke kwaliteiten zou ontdekken.

6. – L’avventura (1960) – eerste moderne filmvertelling

Naast Bergman plaveide Michelangelo Antonioni de weg voor Europese films in Amerika. Tijdens zijn hele oeuvre bestudeerde de Italiaanse maestro van de moderne cinema de zoektocht naar betekenis en toonde hij zijn personages niet conform de toen geldende filmwetten. Zo worden hartstochtelijke vrouwen en communicatief impotente mannen in een dialoog met de rug naar elkaar geplaatst om hun psychologische afstand te symboliseren. Vanaf L’avventura (1960) wordt het verhaal ondergeschikt aan de gevoelens en worden de personages geplaatst in een omgeving die hun gemoedstoestand benadrukt, soms heel nietig in een overweldigend landschap of als een stipje voor een gigantische muur. Tijdens de wereldpremière op het filmfestival van Cannes klonk veel gejoel. Het publiek vond de shots veel te lang en kon het niet verteren dat hoofdrolspeelster Anna zomaar verdwijnt om vervolgens niet meer terug te keren in het verhaal.

7. – Straw Dogs (1971) – eerste verkrachtingsscène

Nog voordat de Hays Code in de Verenigde Staten werd afgeschaft, trok een schietgraag overvalkoppel in Bonnie and Clyde alle ongecensureerde registers open. Seks, drugs en vooral geweld vulden vanaf 1967 het witte doek. Gevlucht voor de verruwing in zijn geboorteland betrekt een Amerikaanse astrofysicus met zijn Britse vrouw in Straw Dogs een groot huis op het Engelse platteland. Helaas loopt hun relatie met enkele ingehuurde werklieden niet van een leien dakje en duurt het niet lang voordat iemand zich aan de vrouw des huizes (Susan George) vergrijpt. Natuurlijk kende de filmgeschiedenis al suggestieve aanrandingen, maar zeker een regisseur als Sam Peckinpah wist wel raad met het schokkend in beeld brengen van de dubbele verkrachtingsscène (waarbij het lijkt alsof de vrouw aanvankelijk nog geniet). Het is aan manlief (Dustin Hoffman) om zich uiteindelijk over te geven aan een bloederige wraakorgie.

8. – Westworld (1973) – eerste film met CGI

Beste millennial. Er was een tijd dat een grote ruimte vol computerkasten minder capaciteit had dan een enkele chip in je telefoon. Tegenwoordig kan film elke illusie creëren en digitale animatie zie je in bijna elke game en Hollywoodproductie. Wat nu normaal is, was vroeger bijna lachwekkend. De eerste speelfilm waarin CGI (Computer Generated Imagery) werd toegepast, is Westworld (1973). In het sciencefictionverhaal van debuterend regisseur Michael Crichton slaan bij een ‘gunslingerrobot’ (Yul Brynner) in een futuristisch amusementspark de stoppen door. Gelukkig is zijn zicht – dat bestaat uit grove pixels (gemaakt door de computer) – wat beperkt. Hoe knullig de scène er nu ook uitziet, hij zette wel de deur open voor bijvoorbeeld de eerste volledig met de computer gemaakte film: Toy Story (1995).

9. – Festen (1998) – eerste Dogme 95-film

In het ontwaakte digitale tijdperk kregen filmmakers in Denemarken de behoefte terug te keren naar de basis. Lars von Trier en Thomas Vinterberg stelden een manifest met tien regels op. Je moest voortaan op 35mm filmen, op locatie met de camera in je hand, zonder extra belichting. De film mocht geen oppervlakkige actie bevatten en het manipuleren van beelden (effecten en filters) was natuurlijk uit den boze. Deze ‘eed van zuiverheid’ leidde tot de eerste zogenoemde Dogme 95-film: Festen (1998). Het beeld van de reünie waar de zestigste verjaardag van pa wordt gevierd, is korrelig, soms schokkerig, en oogt authentiek. Het drama is zo werkelijk dat Thomas Vinterberg tijdens de beroemde incesttoespraak een deel van de acteurs in het ongewisse hield over de afloop. Ondanks het nobele streven, was na een paar jaar weinig meer van Dogme 95 over.

10. – Food, Inc. (2008) – eerste bewustwordingsfilm over voeding

Terwijl in Nederland de meeste boeren hun best doen om een verantwoord product op tafel te zetten, nemen ze het in Amerika niet zo nauw. Food Inc. gaf als eerste film een interessant kijkje achter de façade van vrolijk huppelende koeien in groene weiden die op pakken zuivel staan afgebeeld. Overzee blijkt voedselproductie in handen van megagrote bedrijven die nauwelijks oog hebben voor dierenwelzijn en verantwoord bodemgebruik. Ze worden bovendien gesubsidieerd door de overheid, want op groente en fruit valt weinig winst te behalen. In hamburgers zit soms ‘vlees’ van tientallen runderen, waardoor de oorsprong van eventuele ziektekiemen moeilijk is te achterhalen. Ook documentaires als Super Size Me (2004), waarin je lekker onverantwoord kunt eten bij McDonalds, maakten de weg vrij voor een reeks bewustwordingsfilms over dierenonwelzijn, vet, suiker en tal van andere producten waarvan we het naadje van de kous niet wisten.

 

21 december 2019

 
Alle leuke filmlijstjes

Parasite

****
recensie Parasite

Breuk met armoede

door Suzan Groothuis

Met Parasite laat regisseur Bong Joon Ho opnieuw vakmanschap zien. Niet alleen laveert hij behendig tussen filmgenres, ook fileert hij de sociale lagen van de Zuid-Koreaanse maatschappij. Een film die verrast en, uiteindelijk, ook ontroert.

In Parasite draait het om het arme gezin Kim. Ouders, zoon en dochter leven in een soort kelder, waar ze profiteren van de internetverbinding van omringende restaurants. In de openingsscène valt het wifi-signaal weg. Paniek. Moeder verwacht een bericht van haar werk op de app en haar kinderen doen hun uiterste best om signaal te vinden. Een voorbode dat deze mensen, waar het eventjes kan, profiteren van anderen. Dat ze bovendien goede onderhandelaars zijn, blijkt wanneer er klachten zijn van het pizzabedrijf waar moeder werkt. Een bruikbare eigenschap voor wat later komen gaat.

Parasite

Als zoon Ki-woo via een vriend het aanbod krijgt om tijdelijk zijn plek in te nemen als bijlesleraar Engels, is er in eerste instantie twijfel. Hij is geen student en wat als het rijke gezin, waar hij komt te werken, daarachter komt? Volgens de vriend is een goede aanbeveling voldoende. En Ki-woo’s zus blijkt verdomd handig in het vervalsen van documenten, dus de benodigde certificaten zijn ook geregeld. 

Geleidelijke infiltratie
Wanneer Ki-woo onder de naam Kevin zijn intrede doet is hij overweldigd door de luxe die op hem afkomt. De gestileerde woning van de rijke Park en zijn aardige, naïeve vrouw Yeon-kyo vormt een groot contrast met zijn eigen woning waar kakkerlakken domineren. Hij weet Yeon-kyo voor zich te winnen en krijgt een aanstelling voor bijles aan haar tienerdochter. En van het een komt het ander: Ki-woo onderzoekt op slinkse wijze hoe hij zijn familie kan laten infiltreren als werknemers voor het rijke gezin. Dat gegeven voltrekt zich op humoristische en sardonische wijze. Vaste werknemers worden vakkundig uit de weg geruimd om plaats te maken voor Ki-woo’s gezinsleden. Het gezin Kim heeft bovendien oog voor stijl en klasse: ze bieden niet zomaar diensten aan, maar richten zich op een exclusief aanbod geschikt voor een goed gevulde portemonnee.

Wanneer Park met zijn vrouw en kinderen gaat kamperen, heeft het gezin Kim het huis voor zich alleen. Ze genieten van de zon in de tuin en doen zich tegoed aan dure whiskey, terwijl ze een discussie voeren over rijkdom. En dan krijgen ze ineens te maken met een situatie die alles op z’n kop zet. Vanaf dat moment is er een spel met filmgenres: het komische aspect, dat vanaf het begin voorop staat, krijgt een donker randje, waarbij Bong Joon Ho zelfs onvervalst bloedvergieten niet schuwt en afsluit met bezinnend drama.

Parasite

Doordacht en gelaagd
Pretentieus? Niet in de handen van Bong Joon Ho. De regisseur heeft inmiddels een indrukwekkend oeuvre opgebouwd: het indringende en verontrustende Memories of Murder, het psychologisch ontrafelende Mother, zijn eerste internationale treinthriller Snowpiercer en duistere kinderfilm Okja. Experimenteren met verschillende genres én daarin slagen mag je een prestatie noemen. En nu is daar Parasite, waarin de kijker verrast en op het verkeerde been gezet wordt. Niet alleen door de mengeling van filmgenres, maar vooral door hoe doordacht en gelaagd de film is opgebouwd.

Bovendien is er een boodschap, want nietsontziend fileert Bong Joon Ho de sociale klassen van Zuid-Korea. Met scherp oog geeft hij een inkijkje in de morele codes van arm en rijk. Dan weer lachwekkend, dan weer ironisch en dan weer met gevoel. De film sluit af als een droom waarin niets en alles mogelijk is. Of, in de woorden van vader Kim (Bong Joon Ho’s vaste acteur Kang-ho Song): “Het leven verloopt nooit volgens plan.”

 

26 november 2019

 

ALLE RECENSIES

De 6 beste rechtbankdrama’s

De 6 beste rechtbankdrama’s

Leden van de rechtbank, ik zal vandaag trachten de juridische significantie van de zes hieronder nader te behandelen films aan te tonen. De bewezenverklaring van deze significantie zal zich voltrekken in een per film individueel getrokken pleidooi waarbij ik verscheidene relevante rechtsbeginselen zal benoemen.

door Yordan Coban

Aangewezene ter terechtzitting
Niet alle rechtbankklassiekers verschijnen hier ter terechtzitting. Moge het de rechtbank behagen dat slechts een selectie van de zes beste films opgeroepen zijn. Rechtbankdrama’s draaien vaak om een enkele bijzondere afwijking in de procedure, of een verhaal dat een verrassende wending neemt bij elke procedurele stap.

Primal Fear

Er waren veel gegadigden voor mijn selectie, maar ik heb specifiek gekeken naar de belangrijkste juridische knooppunten die de films behandelen. Een film als A Few Good Men (1991) is buiten de selectie gelaten aangezien het slechts gaat om een getuigenverklaring. Zo ook de erg vermakelijke thriller Primal Fear (1993) omdat deze enkel gaat over de vraag of er sprake is van ‘een ziekelijke stoornis van verdachte zijn geestvermogens’. Ook Kramer vs. Kramer (1978) heeft de lijst net niet gehaald. Ondanks dat de film mij emotioneel erg aanspreekt acht ik deze juridisch toch net te weinig om het lijf hebben, en in de rechtszaal kan emotie niet de boventoon voeren.

Het Nederlandse recht
Verder heb ik overwogen de film Lucia de B. (2013) in mijn lijst op te nemen omdat deze gaat over een van de beruchtste missers van het Nederlands strafproces. Toch acht ik de film qua omvang niet doortastend genoeg om naast de andere grote namen in de banken te treden. Datzelfde geldt voor Mijn Vriend (1973) van Fons Rademaker. Een uiterst bijzondere zaak waarin een Belgische rechter veroordeeld wordt voor moord, diefstal en witwasserij. Echter klinkt het verhaal betreurend genoeg spectaculairder dan de uitvoering van de film.

Tot slot wens ik graag voor de rol benoemd te hebben dat ook JFK (1991) de revue gepasseerd is. De slotscène in de rechtszaal bevat één van de spectaculairste bewezenverklaringen in film, ondanks dat deze door de jury afgewezen wordt.

 

The People vs. Larry Flynt

6. – The People vs. Larry Flynt

Ik begin dit onderzoek ter terechtzitting met The People vs. Larry Flynt (1990). Deze liberale film van de pas overleden Milos Forman is een krachtig bepleiten voor de vrijheid van meningsuiting. Larry Flynt (gespeeld door Woody Harrelson) was wellicht meer opportunistisch dan principieel te noemen. Toch is zijn zaak essentieel voor de vrijheid van meningsuiting en een invloedrijke doorbreking van de preutsheid wat betreft pornografie in Amerika.

Mijn juridische hart gaat vooral sneller kloppen bij het pleidooi van de advocaat van Flynt (gespeeld door de nog jonge Edward Norton) voor het Hooggerechtshof van Amerika. De film stelt een aantal interessante vragen over de voorwaarden van strafbaarstelling en speelt zich af in een tijd waarin liberale sentimenten in wetgeving voet aan de grond krijgen. Deze zaak over de legaliteit van pornografie is niet alleen spraakmakend maar ook belangrijk voor de bepaling van de grenzen van het religieus paternalisme van de Amerikaanse staat.

 

Close-up

5. – Close-up

Met Close-up (1990) wijk ik enigszins af van mijn eigen opgestelde regels (wat contra legem heet in het recht). Deze Iraanse documentaireachtige film van Abbas Kiarostami gaat meer over kunst dan over rechten. Toch is er is een quote in Close-up die mij altijd bijgebleven is, die ik graag wil citeren. Het citaat bevat de definitie van het begrip kunst, op een wijze die ik als jurist erg kan waarderen. Juristen werken altijd met definities. Het enige echte gereedschap van de rechtswetenschap is taal. Definities zijn dus belangrijke hulpmiddelen bij het interpreteren en formuleren van rechtsregels.

Kunst wordt vaak erg vaag en klungelig omschreven, mede omdat het vrij omvattend is en juristen niet goed weten wat ze ermee aan moeten. Kiarostami leent zijn beschrijving van de Russische schrijver Tolstoj die het in zijn boek What is art? uitvoerig heeft over de betekenis van kunst. Indien de Hoge Raad of de wetgever nog op zoek is naar een definitie adviseer ik mee te schrijven: ”Art is the inner experience cultivated by the artist and conveyed to his audience.”

Deze definitie bevat een objectief en subjectief element. Het subjectieve zit in de emotie (inner experience), de niet meetbare ervaring van de artiest die hij hoopt over te brengen. Het objectieve zit in de zinsnede ‘audience’ die aangeeft dat kunst een publiek moet hebben. Wij bepalen per slot van rekening wat kunst is.

Kiarostami laat Hossein Sabzian, verdacht van bedrog, dit uit de grond van zijn hart in de rechtszaal verkondigen. Recht geeft ons de uiterste kaders van het legale menselijk handelen. Kunst geeft ons richtlijnen voor het menselijk handelen binnen deze kaders.

 

Anatomy of a Murder

4. – Anatomy of a Murder

Er zit een cruciale scène in Anatomy of a Murder (1959) waarin verdachte en tevens cliënt van advocaat Paul Biegler (gespeeld door James Stewart) vraagt hoe de jury de ingetrokken vraag kan vergeten? James Stewart antwoordt, bijna teleurgesteld, dat dat niet mogelijk is. In Nederland hebben we dan geen juryrechtspraak meer sinds 1813, maar bovenstaande probleem is ook in ons rechtssysteem niet geheel afwezig.

Rechtspsychologen waarschuwen al jaren voor het probleem dat ontstaat door onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, dat in sommige gevallen pas na kennisneming uitgesloten wordt van het dossier. Natuurlijk speelt het dan geen rol meer in de bewezenverklaring maar het kan wel degelijk de overtuiging van de rechter en het openbaar ministerie beïnvloeden. Ter waarborging zijn er sancties maar daar valt niet altijd genoegdoening mee te scheppen. Het is een complex fenomeen dat kan leiden tot tunnelvisie bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechter. In een rechtssysteem dient men continu wegingen te maken tussen de belangen van waarheidsvinding en de rechten van verdachten. Er zijn geen goede antwoorden, slechts verschillende afstellingen.

Anatomy of a Murder laat verder zien dat de complexiteit van de zaak bij een rechtbankdrama niet van doorslaggevend belang is. De uitvoering met uitvoerig uitgewerkte actoren kunnen elke zaak weven tot een wals van emotie en suspense. Regisseur Otto Preminger neemt je mee de rechtszaal in, zijn kijkers zitten daadwerkelijk in de banken en luisteren aandachtig mee bij elke getuigenverklaring tot elke frons van de rechter.

 

Paths of Glory

3. – Paths of Glory

Paths of Glory (1957) gaat over machtsmisbruik van de elite, en wel door middel van het recht. De grondwet is juist opgesteld ter bescherming van het volk tegen de overheid. Voor het bestaan van de grondwet bestond de overheid uit de adellijke stand en de koning die met tirannie over het volk heerste. In Stanley Kubricks Paths of Glory zien we deze machtsstructuur in volle glorie bij een militair tribunaal ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.

Een aantal soldaten worden berecht in een schijnproces, ter wraking van een gefaalde veldslag. Executie is de eis en vonnis lijkt onvermijdelijk. Het lot van de soldaten ligt in de handen van de verdediging van Colonel Dax (gespeeld door Kirk Douglas). Na een grandioos pleidooi waarin hij uit alle macht de menselijke waardigheid verdedigt, zien we de onverbiddelijkheid van een corrupt rechtssysteem.

Stanley Kubrick toont ons hoe cru de doodstraf is (in Nederland afgeschaft in 1870) op een wijze die doet denken aan hoe Lars von Trier de doodstraf demonstreert in Dancer in the Dark (2000). Maar primair vertoont Paths of Glory, op gelijke wijze als in In the Name of the Father (1993), het belang van een onafhankelijke rechtsprekende macht voor de bescherming van burgers tegen de tirannie van machthebbenden.

 

Judgement at Nurenberg

2. – Judgement at Nurenberg

Na alle bewonderenswaardige bovengenoemde pleidooien in rechtbankdrama’s is er één die er bovenuit spring: de verdediging van advocaat Hans Rolfe (gespeeld door Maximilian Schell) in Stanley Kramers Judgement at Nurenberg (1961). Dit personage belichaamt de legitimiteit en ethische complexiteit van de advocatuur in het recht. Ook stelt de film vragen over wat de waarde is van het geldende recht op papier ten opzichte van wat ethisch gezien voortvloeit uit het menselijke rechtvaardigheidsgevoel.

Martin Luther King stelde dat alleen rechtvaardig recht het werkelijke geldende recht zou moeten zijn. Toch heb je je aan de wet te houden en was het gelegaliseerde nazirecht, dat schuurt met elke menselijke waardigheid, de destijds geldende wet. Deze strijd tussen het geschreven positieve recht (wat ons rechtsbescherming biedt) en het ongeschreven natuurrecht (wat de bouwstenen van elk rechtssysteem vormt) leidt tot een fundamentele weging bij elke juridische discussie over legaliteit. In deze zaak brengt dat ons tot de rechtsfilosofische vraag of een officier die een onmenselijke, maar op dat moment geldende, wet volgt strafbaar is?
 
 
12 Angry Men

1. – 12 Angry Men

Elke grote filmliefhebber en elke goede jurist kent 12 Angry Men (1957), het meesterwerk van Sydney Lumet. De film draait om een van de meest fundamentele rechtsbeginselen van ons rechtssysteem: de onschuldpresumptie.

Een deel van de charme van de film zit in de eenvoud. Net zoals in My Dinner with Andre (1981), Rope (1948) en Rear Window (1954) speelt de hele film zich in één ruimte af. De jurykamer schikt zich gelijke een lege bladzijde waarop de twaalf mannen hun ideeën over de zaak kwijt kunnen. Als kijker luister je mee en volg je de debatten van een afstand. De camera staat aan het begin hoog, uitkijkend over de vergaderende koppen. Aan het einde van de film, als iedereen met passie zijn standpunten over de zaak verdedigt, is de camera onder de acteurs geplaatst. Zweetdruppels staan de mannen op het voorhoofd, de jasjes zijn uit en de hals is bevrijd van een stropdas. Zo betogen de acteurs driftig over de kijkers heen.

De cast is een indrukwekkend ensemble van gevestigde namen uit die tijd, met als voorman Henry Fonda, op dat moment primair bekend van The Grapes of Wrath (1940). Fonda is perfect gecast als het geweten van de evenwichtige, alles meewegende rechter. Een rol die alleen James Stewart of wellicht Tom Hanks ook zo beheerst zou hebben ingevuld. Hij staat, qua standpunten over de zaak, recht tegenover Lee J. Cobb, op dat moment bekend van zijn kwaadaardige rol in On the Waterfront (1954). Ook in die film is hij hard en onverbiddelijk, maar naarmate de discussie van de juryleden vordert, merk je dat hij niet per se kwaadaardig is, eerder koppig en onwetend.

Het feit dat je gedurende het debat over de zaak de personages alsmaar beter leert kennen, trekt je mee in het verhaal. Een verhaal van slechts twaalf pratende mannen in een zaal, maar doordat het verhaal met zijn personages zich langzaam openbaart, is het geen moment saai. In Dog Day Afternoon (1975) achttien jaar later zien we een bevestiging van hoe meesterlijk Lumet met spanningsbogen kan omspringen. De regisseur is een activist en zijn films zijn zowel inhoudelijk als stilistisch zo ingericht dat de kijker geen moment kan wegkijken.

De onschuldpresumptie is cruciaal voor een fatsoenlijk rechtssysteem. Zonder de onschuldpresumptie krijgen we een Kafkaëske wereld met vervolgingen, zoals beschreven staat in Kafka’s boek The Trial. Vervolgingen zonder rechten voor de verdachten en veroordelingen zonder bewijs.

Veroordeling dient in Nederland pas plaats te vinden bij het bereiken van een bewijsminimum en de persoonlijke overtuiging van de rechter. In Amerika kent men hiervoor de term ‘evidence beyond reasonable doubt’. Als alleen de overtuiging van de rechter (of in dit geval de jury) voldoende is voor veroordeling krijg je impulsieve gevoelsrechtspraak. Rechtszalen zitten vaak vol met emotie, intrige en drama, maar voor een rechtvaardig vonnis dat gelijk is voor iedereen dienen er objectieve waarborgen te zijn. Bij enige twijfel dient de verdachte het voordeel van de twijfel te krijgen. Het gaat hier namelijk wel om mensenlevens, predikt Fonda stellig tegen zijn jurygenoten. 12 Angry Men heeft niet voor niets de status van de beste rechtsfilm. Lumet mengt de emotie die triomfeert in kunst in een juridische vergadering en stelt zich tegelijkertijd principieel op in de zoektocht naar rechtvaardigheid.

 

30 november 2018

 
Alle leuke filmlijstjes