Metropolis (1927)

De Herfst van de Stomme Film
Deze september blikken we in De Herfst van de Stomme Film terug op klassiekers uit de maanden voordat The Jazz Singer in oktober 1927 de geluidsfilm inluidde. Een laatste oogst van tien films voordat Hollywood begon te praten. Hieronder de derde film.

 

Metropolis (Duitsland, januari 1927)
De mens als machine

door Jochum de Graaf

Metropolis, het klassieke meesterwerk van Fritz Lang, kun je als hoogtepunt én als eindpunt van de stomme film zien. Hoogtepunt alleen al vanwege het feit dat de film met 310 draaidagen, 36.000 figuranten en een budget dat explodeerde naar 5,1 miljoen reichsmark de tot dan toe duurste productie ooit was. Eindpunt omdat in hetzelfde jaar The Jazz Singer werd uitgebracht, wat de doorbraak van de geluidsfilm betekende.

De Duitse filmmaatschappij UFA stak met deze superproductie Hollywood naar de kroon. Fritz Lang greep de gelegenheid aan om gebruik te maken van de meest geavanceerde technieken en special effects van die tijd. Hij zette de revolutionaire techniek van het Schüfftan-proces in, voorloper van het tegenwoordig onmisbare green-screen. Acteurs werden via een spiegel onder een hoek van 45 graden tegen de achtergrond van maquettes gefilmd, waardoor het leek alsof ze live tussen de wolkenkrabbers liepen.

Ook het camerawerk was voor die tijd bijzonder dynamisch. Met de ‘entfesselte’, ofwel ‘ontketende’, camera bewoog het beeld vrij door de imposante decors. Het verkeer in de straten werd met behulp van stop-motion frame voor frame handmatig verplaatst.

Metropolis (1927)

‘Ongeëvenaard stompzinnige plot’
Kenmerkend voor stomme films is ook de expressie van het individu. In Metropolis lag de nadruk op mensenmassa’s die zich ritmisch, mechanisch in een expressionistische choreografie bewegen. Lang maakte fraai gebruik van clair-obscur, sterke afwisseling tussen licht en donker, om de emoties van de acteurs uit te drukken. In de bovenklasse, onder de elite, is het haast paradijselijk, ruim en licht; bij de onderklasse, de arbeiders, is het beklemmend, mechanisch, meestal diep donker.

Maar de enorme productiekosten hadden UFA bijna naar de afgrond gebracht en toen werd de film commercieel een flop. Kort na de première in januari 1927 sabelde de legendarische sf-schrijver H.G. Wells de film volledig neer. Metropolis had een ‘ongeëvenaard stompzinnige plot’ en Wells beschuldigde Lang er zelfs van ideeën te hebben ontleend aan zijn eigen toekomstroman When the Sleeper Wakes.

Langzaam werd de film compleet
Paramount, de Amerikaanse distributeur, vond de film veel te lang en te ingewikkeld en bracht deze al kort na de première terug van ruim tweeënhalf tot bijna twee uur, wat aanleiding was voor UFA om ook in Duitsland een nieuwe versie gebaseerd op de Amerikaanse montage uit te brengen. Vervolgens raakten in de jaren daarna de originele negatieven en ongebruikte scènes verspreid en verloren of werden zelfs vernietigd.

Lange tijd werd de film als een soort entertainment gezien, een aardig voorbeeld van hoe er eind jaren twintig over de toekomst gedacht werd.

Na de Tweede Wereldoorlog vatte de opvatting post dat Metropolis een wat naïef of misschien wel gevaarlijk politiek pamflet was. De bekende criticus Siegfried Kracauer schreef in zijn veel geroemde boek From Caligari to Hitler dat Metropolis met zijn totalitaire esthetiek en de mystieke boodschap dat de tegenstelling tussen geest (het brein) en lichaam (de handen) door gevoel (het hart) moet worden overbrugd, onbewust vooruitwees naar de autoritaire mentaliteit die het nationaalsocialisme mogelijk maakte.

Maar de originele ongecensureerde versie van Fritz Lang was al decennialang niet meer te zien. Vanaf de jaren zestig, met de opkomst van filmwetenschap als academische studie, gingen filmhistorici op zoek naar kopieën en nog bewaard gebleven materiaal. Het duurde nog veertig jaar voordat de Friedrich-Wilhelm-Murnau-Stiftung in 2001 een digitale restauratie realiseerde, maar nog altijd bleef een kwart van de film onvindbaar. Tot in 2008 de vondst van een vrijwel complete versie in het Museo del Cine van Buenos Aires wereldnieuws werd. In 2010 ging na drieëntachtig jaar The Complete Metropolis op Filmfestival Berlijn met begeleiding van een live-orkest in première.

Begin van een nieuwe eeuw
In de loop der tijd is een enorme hoeveelheid literatuur, essays en documentaires over Metropolis verschenen. Een groot deel gaat in op de roemruchte geschiedenis van de film. Maar het belangrijkste boek is natuurlijk de gelijknamige roman Metropolis uit 1926 van Thea von Harbou, Fritz Langs echtgenote en coscenarist, waarop de film werd gebaseerd.

Kort samengevat speelt Metropolis zich af in een grote metropool, gesitueerd in de toekomst, het toen magische jaar 2000, begin van een nieuwe eeuw. De megastad, waar een rijke bovenlaag van industriëlen de dienst uitmaakt en een armoedige onderlaag van uitgebuite arbeiders in een machinestad de boel draaiende moet houden.

We volgen Freder Fredersen, zoon van de grootste industrieel en heerser over de stad Joh Fredersen, die na een ontmoeting met spiritueel leidster Maria afdaalt naar de benedenwereld en zich opwerpt om het arme volk te redden. De kwaadaardige uitvinder Rotwang ontwerpt een sterk op Maria lijkende robot met de bedoeling om chaos te veroorzaken. Er komt een overstroming en een opstand maar uiteindelijk volgt door bemiddeling van Freder een verzoening tussen zijn vader en de leider van de arbeiders.
Centrale boodschap: ‘Mittler zwischen Hirn und Hände muss das Herz sein!’ Het brein heeft betrekking op de elite, de denkers, heersers; de handen zijn de arbeiders, de doeners; en het hart moet bemiddelen. Freder is in die opzet een soort Messias-figuur die de twee werelden verbindt en de klassenstrijd doorbreekt.

De wolkenkrabbers van Manhattan
Fritz Lang was geïnspireerd en geïntrigeerd door Manhattan waar hij in de zomer van 1924 met de SS Deutschland aanlandde, op weg naar Hollywood om de Amerikaanse filmindustrie te bestuderen. “Wolkenkrabbers rezen op uit water als een verticaal zeil, fonkelend en ongelooflijk licht, hangend aan zwarte hemel om te verblinden en te hypnotiseren”, schreef hij in zijn dagboek. Hij was gefascineerd door de vraag wie die torens gebouwd hadden en wie erin woonden.

Lang maakte in 1931 M, zijn eerste geluidsfilm met een magistrale hoofdrol voor Peter Lorre dat als zijn beste film wordt beschouwd. Twee jaar later volgde Das Testament des Dr. Mabuse dat door de nazi’s verboden werd. Lang vertelde dat ondanks dit verbod Goebbels hem aangeboden had de leiding over de Duitse filmindustrie op zich te nemen, waarop hij in 1933 Duitsland ontvluchtte. Er volgde een succesvolle carrière in de VS. Hij maakte eind jaren vijftig nog een aantal films in West-Duitsland en overleed in 1976 in Beverly Hills.

Het huwelijk met Thea von Harbou was in 1933 al stukgelopen. Zij bleef in Duitsland, werd lid van de NSDAP en was succesvol als scenarioschrijfster onder het nazi-regime. Na de oorlog werd ze enige tijd geïnterneerd en kreeg ze een beroepsverbod.

Metropolis (1927)

Monumentaal ijkpunt in de filmgeschiedenis
Het is verleidelijk om met de ogen van nu te kijken wat uitgekomen is van de voorspellingen in Metropolis. Er is veel gefilosofeerd over de centrale boodschap van het brein, de handen en het hart en de onderliggende aanname dat klassenverzoening mogelijk is door mensen zoals Freder, die, met ellende geconfronteerd, een sterke drang hebben haar te willen beëindigen. Het is een eendimensionale boodschap die wat naïef is gebleken.

Maar Metropolis is afgezien daarvan met de imposante decors, de fraaie enscenering en de overtuigende manier waarop het verhaal in beeld wordt gebracht een monumentaal ijkpunt in de filmgeschiedenis. Kijk nog eens goed naar de scène waarin Freder afdaalt in de ondergrondse wereld en de massa arbeiders ziet die in moordend tempo de gigantische machine M bedienen. M raakt oververhit en ontploft, Freder gaat hallucineren en ziet de poorten van de machine transformeren tot een enorme, opengesperde muil. Bewakers drijven de arbeiders nu in eenzelfde letterlijk moordend tempo de machine Moloch binnen, naar de oudtestamentische god die kinderslachtoffers eiste. De ultieme verbeelding van de mens tot slaaf gemaakt van de machine.

De beroemdste scène is de transformatie van de Maschinenmensch door de perfide uitvinder Rotwang. De mechanische robot met het uiterlijk van Maria, Freders inspirator, moet de arbeiders in opstand laten komen. Maria ligt buiten bewustzijn opgebaard in een glazen capsule in een onderaards laboratorium omringd door allerlei installaties, reageerbuizen, uit het plafond komen bliksemschichten. Rotwang paradeert om haar heen, maakt woeste gebaren, prevelt formules. De robot is ingesnoerd op een stoel, ringen van neonlicht cirkelen op en neer in steeds straffer tempo en langzaam verandert het metaal van de robot in een Maria van vlees en bloed.

Dé blauwdruk voor sciencefiction
Naast het hoogtepunt van de stomme film geldt Metropolis vooral ook als dé blauwdruk voor sciencefiction, robot C-3PO in Star Wars is duidelijk gemodelleerd naar de Maschinenmensch, en ook het laboratorium in Frankenstein (1931) vertoont behoorlijke gelijkenis met Rotwangs lab. In The Matrix is hoofdpersoon Neo als The One net als Freder een soort Messias die de mensheid moet ontwaken en in zijn geval de breuk tussen de mensheid en de kunstmatige intelligentie moet herstellen. En Blade Runner: Rutger Hauer die doolt door een stad met gigantische wolkenkrabbers, is natuurlijk schatplichtig aan de door Fritz Lang gecreëerde megastad van een eeuw geleden.

Metropolis is de meesterlijkste van alle klassieke meesterwerken.

Deze film is gratis te zien op YouTube.

 

9 september 2026

 

THEMAMAAND ‘De Herfst van de Stomme Film’

It (1927)

De Herfst van de Stomme Film
Deze september blikken we in De Herfst van de Stomme Film terug op klassiekers uit de maanden voordat The Jazz Singer in oktober 1927 de geluidsfilm inluidde. Een laatste oogst van tien films voordat Hollywood begon te praten. Hieronder de eerste film.

 

It (Verenigde Staten, februari 1927)
Geboorte van de ‘It Girl’

door Cor Oliemeulen

Het zijn eerst die ogen. Groot, levendig, een tikje brutaal. Clara Bow hoeft in It nauwelijks iets te doen om je blik naar zich toe te trekken. En dat is nou precies waar deze film over gaat: een eigenschap die zich nauwelijks laat omschrijven, maar die je meteen voelt als je haar ziet.

Schrijfster Elinor Glyn noemde in haar novelle die eigenschap simpelweg It. Een soort X-factor avant la lettre, die volgens haar niets met schoonheid alleen te maken had. Een natuurlijke aantrekkingskracht en magnetische ‘sex appeal’, zonder dat je je daar zelf van bewust bent.

Clara Bow als de eerste It Girl.

De vrouw neemt het initiatief
De wat sullige Monty (William Austin) leest Glyns verhaal in de Cosmopolitan en begrijpt dat It dé eigenschap is waarmee iemand het andere geslacht aantrekt. Aha, dat geldt dus ook voor mannen, concludeert hij als hij zichzelf tevreden in de spiegel bekijkt.

Met het magazine in de hand loopt hij naar zijn vriend Cyrus (Antonio Moreno), de nieuwe baas van het immense warenhuis. Die heeft geen tijd om zich te laten beoordelen. Dan maar eens zoeken op de damesafdeling naar iemand met It. Monty blijft staan voor enkele verkoopsters, leest nog even een paar regels uit het verhaal en weet het zeker: verkoopster Betty Lou (Clara Bow) heeft ‘het’. Maar zij staat inmiddels in katzwijm te kijken naar Cyrus, die nu ook op haar afdeling is verschenen.

Terwijl Monty voorzichtig contact met haar zoekt, vangt Betty Lou op dat Cyrus die avond in de Ritz dineert. Ze laat zich snel door Monty uitnodigen om zo met haar baas in contact te kunnen komen. Of het eenvoudige meisje en de rijke directeur uiteindelijk bij elkaar komen, verklappen we natuurlijk niet.

Wat we wel kunnen verklappen, is dat de film – behalve het begrip It – nauwelijks iets van Glyns novelle overneemt. In dat verhaal is geen vrouw maar een succesvolle zakenman gezegend met It. De film draait dus de rollen om en maakt van het arme winkelmeisje Betty Lou de belichaming ervan: bruisend, energiek en brutaal. Iemand die niet afwacht tot ze wordt versierd, maar zelf het initiatief neemt. Ze gebruikt haar It-factor juist heel bewust om Cyrus te verleiden.

De wilde jaren 20
We zitten midden in de Roaring Twenties als ene Clarence G. Badger It regisseert. Een periode van economische groei, consumptie, auto’s, radio, jazz, stadsleven, film en een veranderende jeugdcultuur. Flappers, zo noemen ze jonge vrouwen die breken met normen over hoe zij zich horen te gedragen. Ze dragen kort haar en nog kortere jurken, dansen, roken, drinken, flirten en zijn zelfstandig.

Een actrice als Clara Bow had al in films met veelzeggende titels als Dancing Mothers en Mantrap een reputatie opgebouwd als een vrouw met een heel directe en levendige aanwezigheid. Heel anders dan de afstandelijke elegantie van Greta Garbo en het onschuldige imago van Mary Pickford oogde Bow spontaan, fysiek aanwezig, ondeugend en modern.

Met haar grote, donkere en sprekende ogen keek zij nieuwsgierig en vol zelfvertrouwen de wereld in. Haar sterk aangezette, hartvormige bovenlip werd een kenmerk van die wilde jaren. Bijna elke flapper had er een. Maar ook kapsels, kleding en gedrag werden massaal gekopieerd.

It (Verenigde Staten, februari 1927)

It werd een groot kassucces en Clara Bow was een sensatie. In datzelfde jaar speelde ze ook in Wings (augustus 1927). Dit spectaculaire oorlogsdrama, met het beroemde tracking shot waarbij de camera zich soepel over zes tafels in een afgeladen Folies Bergère beweegt, ging de geschiedenis in als de eerste winnaar van de Oscar voor beste film. Haar rol is daar kleiner – de film draait vooral om twee bevriende gevechtspiloten – maar ook als het verliefde buurmeisje Mary Preston spat Bow van het doek.

Filmstudio Paramount verkocht vooral die sprankelende persoonlijkheid. Bladen schreven voortdurend over haar privéleven. Haar kracht lag in het gevoel dat ze niet acteerde, maar dat ze gewoon was.

Meer dan je naam op een parfumflesje
Met die zwijgende romantische komedie uit 1927 werd Clara Bow wereldberoemd als de “It Girl”. Honderd jaar later is het begrip nog springlevend, maar flink gedevalueerd. Denk aan al die influencende modepoppen, zoals weet ik hoeveel Kardashians, waarbij het vooral draait om het verkopen van allerlei rotzooi aan jonge meiden van wie de eigen smaak zich nog moet ontwikkelen. Ooit betekende It dat iemand een ondefinieerbare aantrekkingskracht had. Tegenwoordig is het al genoeg als je maar vaak op een scherm verschijnt en er iemand staat te popelen om je naam op een parfumflesje of op een potje wondercrème te zetten.

Het leven van Clara Bow zou uiteindelijk een stuk minder zorgeloos verlopen dan haar verschijning op het witte doek deed vermoeden. De roem, schandalen en voortdurende belangstelling voor haar privéleven eisten hun tol. Al even populair was Bow in de vroege geluidsfilms, maar door het gebruik van microfoons kon ze minder vrij bewegen. Juist toen bleek pas goed dat haar lichamelijke manier van acteren, haar spontaniteit en die directe relatie met de camera waren gevormd door de stomme film.

Deze film is gratis te zien op YouTube.

 

3 september 2026

 

THEMAMAAND ‘De Herfst van de Stomme Film’

The Desert of the Real

****
recensie The Desert of the Real
Hoe weten we wanneer iets echt is?

door Ralph Evers

Nietzsche’s Overmens (Übermensch) wist het al: alles is relatief, er is geen vaste grond waar vanuit we de wereld waarnemen. De protagonisten in The Desert of the Real hebben allen de wereld vanuit een psychotische staat waargenomen. Kenmerkend voor een dergelijke ervaring is dat alle vaste waarheden vloeibaar worden.

The Desert of the Real (De woestijn van het ware) roept als titel een vraag op en maakt een statement. Wij postmodernen zijn al langere tijd aangekomen in de relatief ware wereld. Niemand heeft de absolute kennis in handen.

The Desert of the Real

Een documentaire over psychosen met een filosoof, Wouter Kusters, roept al gauw diepe vragen op. Terecht. Neem daarbij een kunstenaar, muzikant en een psycholoog, en je alledaagse denken wordt even goed op de helling gezet.

De titel roept een associatie op: The Desert of the Reel (De woestijn van de filmrol). De filmrol is de illusie en schijnwerkelijkheid bij uitstek. Het lijkt zo echt, het is zo nep. Ook documentaires ontkomen hier niet aan, door alleen dat te laten zien wat de boodschap wil overbrengen. Woorden, beelden, ervaringen, de wereld blijkt helaas zo complex, ze is nimmer te vangen. Een metapositie binnen een pararealiteit – van het Griekse para: afwijkend van; in dit geval: afwijkend van de alledaagse perceptie van ‘s werelds realiteit.

Denk opnieuw
Maar misschien ervaren we als mens iets van die complexe totaliteit, wanneer we in een psychotische staat geraken. Althans, dat vermoeden kon je weleens bekruipen wanneer je naar de mensen luistert die centraal staan in deze documentaire van Luuk Bouwman. Zes mensen komen aan het woord: filosoof Wouter Kusters, kunstenares Ine Poppe, muzikant Simon van den Berg, psycholoog Jan Gerrit Schuurman, ervaringsdeskundige Calypso Marengo en de psychiatrisch verpleegkundige Eloy Vos.

Tussen de openhartige onthullingen en interviews krijgen we prikkelende citaten uit Alice in Wonderland van Lewis Carroll en ensceneringen van de ervaringen die treffend resoneren bij de sterk idiosyncratische ervaringen van een ieders psychotische episode(n). Om dat eigene van ieders unieke ervaring van hun psychosen naar voren te brengen, worden de interviews afgewisseld met kleurrijke decors, Halsman-achtige droomtaferelen en Magritte-achtige logica. Die eindeloos complexe wereld, een stukje daarvan, temidden van de optimale optische illusie die film is, om een ervaring over te brengen. Daarin zou je een poging tot metanoia kunnen zien, wat vertaalt kan worden naar: denk opnieuw, een verandering van inzicht, perspectief.

Afwijken van ‘de norm’
Wat spreekt is de alledaagsheid van pech in het ontwikkelen van een psychose. Zo vertelt Ine hoe vrije seks bij haar leidde tot zwangerschap, waarna een nieuw vriendje losse handen had, haar financiële situatie noopte tot werken en haar jonge leeftijd van 22 haar deed denken: ‘Dat doe ik wel effe.’ Of Calypso, die van Suriname in Limburg neerstreek, uitblonk op het atheneum en geconfronteerd werd met de plotselinge dood van haar broertje. Of krijg je de verleiding als kijker om bij filosoof Wouter – die zulke grote verbanden en betekenissen zag dat alles wat er te zeggen valt over de wereld te vatten is in één punt – te denken: het zat er blijkbaar altijd al in! Of: wat een genie, toen al!

De regisseur, Luuk Bouwman, heeft nergens gepoogd deze documentaire als een objectief verslag van psychosen te maken. Dat lijkt me een juiste keuze en vorm. De focus ligt op de zes hoofdpersonen, de psychiatrie zelf komt slechts zijdelings aan bod. Meest nog de dubbelfunctie van de psychiatrie: enerzijds de patiënt beter maken, anderzijds de samenleving veilig houden.

Hier zou een klein uitstapje naar andere culturen ons kader kunnen verruimen. Een noodzakelijke verruiming te midden van een steeds benauwender omgang in onze maatschappij met dat wat afwijkt van ‘de norm’. Neem de toename aan ‘verwarde personen’, of ‘trauma’.

The Desert of the Real

‘Een psychose is een normale reactie op een gestoorde maatschappij’
Uit mijn studie psychologie herinner ik me dat in andere landen, zoals Japan en meerdere Afrikaanse landen, psychose in een heel ander perspectief wordt gezien. Zo zou je in Japan ‘geraakt’ zijn door een van de Goden uit hun pantheon en richt de behandeling zich meer op de ermee gepaard gaande angstklachten.

Eloy Vos – wiens leven langzaamaan ontregelde tot het zodanig in onbalans raakte dat hij psychotisch wordt – stelt: ‘Een psychose is een normale reactie op een gestoorde maatschappij.’ Ook Ine grossiert in ervaringen die je naast de psychotische ervaring in deze samenleving doet staan: ‘Je voelt je als mens mislukt als je wordt opgenomen.’

Het siert deze documentaire om aan deze mensen en hun ervaringen een stem te geven.

 

9 augustus 2026

 

ALLE RECENSIES

Camera Obscura Special: Berlijn

Camera Obscura Special:
Berlijnse cinema

door Bob van der Sterre

Berlijn is de stad waar de geschiedenis van afspat. De Berlijnse films weerspiegelen dan ook vaak de geschiedenis van de stad. Dit is de zevende Camera Obscura Special over films in wereldsteden.

Berlijn is met Parijs en Londen een van de meest gefilmde Europese steden. De Muur, het Olympiastadion, de Brandenburger Tor, Checkpoint Charlie, Alexanderplatz, Kurfürstendamm, de Siegessäule, Tempelhof. Die plaatsen met politieke geschiedenissen komen in menig film voor.

De beste films over en in Berlijn: Good Bye Lenin! (2003)

Berlijn is daardoor een unieke filmstad. De stad is getekend door de moderne geschiedenis en dat kwam ook terecht in films. Hierdoor besef je pas goed dat de Berlijnse geschiedenis verder gaat dan het zijn van een mooie filmsetting: het heeft tot op vandaag de dag invloed op de stad.

Het leven was er niet eenvoudig. Goede Duitse films over het Berlijnse leven van na de jaren zestig zijn spaarzamer dan je zou mogen verwachten. Pas na de Wende begint het een beetje te stromen en beseffen de Berlijners in wat voor rare stad ze hebben geleefd. De Oost-Berlijnse cinema, jarenlang grotendeels genegeerd, kreeg ook opeens weer wat meer belangstelling.

Tegenwoordig is de stad vooral een hip decor in blockbusters. The Bourne Supremacy, Spiderman, The Man from U.N.C.L.E., Valkyrie, Captain America: Civil War; allemaal hebben ze scènes in Berlijn opgenomen. Maar met het Berlijnse leven heeft het niet veel te maken.

Wat je daarin mist, zijn de wijken (de kiez). Er is bijna geen Europese hoofdstad te vinden waar de bewoners zo aan hun eigen wijken gehecht zijn: Kreuzberg, Friedrichshain, Prenzlauer Berg, Spandau, Mitte, Neukölln, Pankow, Schöneberg. Berlijners komen vaak amper hun eigen wijken uit – het zijn kleine steden binnen een grote stad.

Let op: dit zijn geen recensies of analyses van films. Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

Dit artikel is gratis. Graag hoop ik dat de lezer zich als tegenprestatie wil opgeven voor de nieuwsbrief, of zich verdiept in culturele longreads.

Bekijk ook de vorige episodes: Parijs, Amsterdam, New York, Londen, Rio de Janeiro en Tokio.

 

Berlin. Hallesches Thor (1896)

Berlin. Hallesches Thor (1896): Berlijn in de Pruisische tijd
In dit filmpje van Auguste en Louis Lumière rijden trammetjes langs. De een naar Nollendorfplatz, de ander naar Alexanderplatz. Je ziet mensen in en uit de rijdende tram springen, want trams reden nog niet zo snel. Ze werden ook nog regelmatig door paarden voortgetrokken.

Wat Berlijn allemaal te wachten stond in de komende eeuw!

Wil je meer zien van Berlijn in de Pruisische keizertijd? Er zit anderhalf uur documentaire op je te wachten, op het Berlin Channel op YouTube. Weinig bronvermelding maar wel context over het Berlijnse leven van ruim een eeuw geleden.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=2U8D-2cux6Y

 

Erste U-Bahn in Berlin (1902)

Erste U-Bahn in Berlin (1902): hoe je een metrotunnel bouwt
De Hochbahngesellschaft opende de eerste U-Bahn-lijn voor het publiek op 18 februari 1902. Dat is het traject tussen Stralauer Thor en Potsdamer Platz (wat nu de U1 is).

We zien een metro vertrekken bij een station en iemand die wil instappen, is net te laat en draait een pirouette. Dan zien we nog wat losse beelden van de bouwers die onder de grond de tunnel bouwen en een station.

Wie deze video heeft gemaakt en of die echt van 1902 is, kan ik nergens bevestigd vinden, maar het is wel interessant hoe herkenbaar het is; het is alsof deze metro er gisteren nog reed.

Ook aardig is dat de ‘geboorte’ van de beroemde S-Bahn van Berlijn ook in cinema is vastgelegd. In de film Die Verrufenen uit 1925, over arme Berlijners, zien de karakters die eerste S-Bahn rijden.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=6d_t3ZSR_dw
Meer lezen: https://www.morgenpost.de/berlin/article401495498/u-bahn-berlin-bahnhoefe-historisch-geschichte-fotos-postkarten.html

 

Schuhpalast Pinkus

Schuhpalast Pinkus (1916): even lachen tijdens de Eerste Wereldoorlog
Sally Pinkus, een flierefluiter, moet naar school, flirt met een meisje, komt te laat, faalt met gymnastiek en draagt alle boeken van meisjes mee naar huis tot zijn vader hem ziet en hem een draai om zijn oren geeft.

Zijn rapport staat vol termen als mangelhaft (slecht) en unbefriedigend (onbevredigend). Hij krijgt alleen een ‘goed’ voor zingen.

Ook in de schoenenzaak lapswanst hij de meeste tijd. Ontslag volgt. Krijgt een nieuwe baan in een schoenenwarenhuis. Hij heeft weer alleen interesse in vrouwelijke klanten en kietelt hun voeten als hij de kans krijgt. En hij faalt opwaarts want via een rijke vrouw wordt hij zelf een grote schoenenverkoper. Hij innoveert zelfs met een catwalk voor schoenen.

Deze tiende film van Ernst Lubitsch (toen pas vierentwintig) is een leuke curiositeit. Een mooi voorbeeld van de mild-satirische stijl die je later ook in de films van Lubitsch zal terugzien. Mooi om te zien hoe deze slapstick zou leiden tot een paar prachtige komedies, zoals bijvoorbeeld To Be or Not to Be en Ninotchka. Aardig: Lubitsch speelt Pinkus zelf.

Van Berlijn zien we niet veel meer dan wat anonieme straten. De schoenenwinkelscènes waren in een echt Berlijnse winkel: Emil Jacobi, op de hoek van de Friedrichstrasse en Taubenstrasse. Deze winkel van een joodse ondernemer zou de nazi’s niet overleven. Lubitsch zou dan zelf al lang in de VS zitten, gevlucht, zoals vele anderen.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=AGN4ZmOhS4w
Meer lezen: https://www.jstor.org/stable/j.ctv173f0pn

 

Berlin – Die Sinfonie der Großstadt (1927)

Berlin – Die Sinfonie der Großstadt (1927): het ritme van de stad
Eén Berlijnse dag in vijf akten. Rustig wakker worden. Al snel ontwaakt de stad, reist men naar een bestemming, gaat men werken. Daarna de lunch. Dan meer werk. Avond: tijd om uit te gaan. De broodbakkers, verkeersregelaars, arbeiders, horecaklanten, daklozen, krantenverkopers, kinderen: ze gaan mee in het ritme van de stad.

Berlin – Die Sinfonie der Großstadt loopt iets te lekker in de montage om allemaal echt te zijn. Mensen doen het echte leven na. De montage is wel van een hoog niveau. Zo zie je hoe beelden soms reageren op elkaar, zoals hoe de copieuze maaltijd overgaat naar een leeuw die op bot loopt te kluiven. En ja, regisseur Walter Ruttmann had het geluk dat allerlei partijen meewerkten aan deze artistieke vorm van stadsmarketing. Toch werden ook diverse beelden in het geniep gefilmd.

Ruttmann begon ooit als kunstenaar, maakte animaties (de eerste in de Duitse cinema) en de oudste abstracte film ooit: Opus I (1921). Hij stapte over op cinema. In Duitsland was die al jaren op een hoog niveau. Films als Metropolis van Fritz Lang en Der Letzte Mann van F.W. Murnau verlegden grenzen en zouden lang impact hebben.

Ruttmann hield ervan om snelheid weer te geven. Het was ook de tijd van de kunststroming genaamd het ‘futurisme’, dat ook draaide om dynamiek en snelheid. Deze film doet denken aan Dziga Vertovs Man with a Movie Camera van twee jaar later – een nog briljanter montagefeest – terwijl Ruttmann ironisch genoeg juist door hem beïnvloed was.

De film bevat veel beelden van rijdende auto’s in het donker, neonlichten, snelheid en machines. Die beeldtaal werd later vaak nagedaan in films. Op een gegeven moment zie je flitsende kranten in beeld en je denkt: hé, Citizen Kane. Zo invloedrijk is Ruttmanns film. In de Camera Obscura Special over Amsterdam kun je lezen hoe Regen van Joris Ivens door deze film was geïnspireerd.

Dit is vooroorlogs Berlijn: niet minder dan een derde van deze stad bestond niet meer na de oorlog. Hier zie je nog het Anhalter Bahnhof (komen we later nog tegen met acteur Peter Falk) of het beroemde hotel Excelsior. De algehele vibe, zoals je dat ervaart in deze film, was ook veel meer mondain, klassiek, meer Parijs-achtig. Dat is voor eeuwig verdwenen – behalve in deze film.

Ruttmann hield van het onderwerp, volgens het boek Berlin Replayed: “Berlijn, de interessantste stad van allemaal, omdat het de jongste is van alle metropolen ter wereld, omdat de stad nog steeds in wording is en niet al verstikt is geraakt achter de gevels, gebukt onder haar eigen monumentaliteit; Berlijn, een stad vol alomtegenwoordige ambitie, is het middelpunt, thema en de enige hoofdrolspeler van mijn symfonisch werk.”

Later maakte Ruttmann nog speelfilms én commerciële films. Hij begon ook aan Triumph des Willens, maar Hitler zette hem opzij omdat zijn versie te veel ging over de geschiedenis van de partij, en niet hemzelf (Hitler dus). De opdracht ging vervolgens naar Leni Riefenstahl, die aanvankelijk niet zoveel interesse had omdat ze al bezig was met een film.

Deze film, die je gerust een paar keer kunt zien, paste bij de glorietijd van de Duitse cinema. Het was de tijd van de chaotische Weimar-republiek, met grote problemen in de economie (hyperinflatie) en hoog niveau van kunst, die nog jaren de wereld zou beïnvloeden.

Houd je niet van oude films? Dan kun je ook terecht bij de 2001-versie van deze film, van Thomas Schadt, die Berlin: Sinfonie einer Großstadt heet. Ook al maakte Schadt duidelijk dat zijn film los stond van het origineel, lukte hem dat toch niet echt goed volgens het boek Berlin Replayed: “Schadts nadruk op de uiteenlopende stadsgezichten benadrukte het onherstelbare verlies van de metropool uit de jaren twintig alleen maar nog meer.”

Wie 4,5 uur de tijd heeft, kan terecht bij het cynische – en ook briljante – portret van deze tijd:Dr. Mabuse der Spieler (1922) van Fritz Lang. Speelt zich af in Berlijn maar je ziet vooral studio. Bekijk de film op YouTube. Als het je bevalt, kun je meteen Das Testament der Dr. Mabuse erachteraan kijken (werd in 1933 direct verboden door de nazi’s).

De Weimarrepubliek was een geweldige filmtijd. Maar het was niet alleen groots; sommige films gingen juist over het kleine:

• Der Letzte Mann (1924): de laatste hotelportier ziet zijn baan overbodig worden; vernieuwende klassieker van F. W. Murnau, met veel studio maar ook een paar straatscènes
• Varieté (1925): over een variététheater in het Wintergarten-Theater aan de Potsdamer Straße in Mitte (bestaat nog steeds)
• Zuflucht (1928): schetst het ondergrondse leven van de U-Bahn
• Asphalt (1929): een film noir-klassieker over misdaad in Berlijn van Joe May

Film: https://www.youtube.com/watch?v=MBCGTp3egbc
Meer lezen: https://difarchiv.deutsches-filminstitut.de/dt2tp0051.htm

 

Menschen am Sonntag (1930)

Menschen am Sonntag (1930): versieren in Berlijn

Locaties: Zehlendorff, Mitte

Vijf jonge, zorgeloze mensen op een vrije zondag. Een platenverkoopster, een extra in films, een wijnverkoper, een taxichauffeur en een model. Ze dollen met elkaar rondom het strand bij Wannsee – Nikolassee – minus het model dat in bed blijft liggen. En gaan weer naar huis.

Deze luchtige film is als het ware een vervolgstap na Berlin – Die Sinfonie der Großstadt. Dit is ook één dag in het bestaan van de levendige stad Berlijn. Maar luchtiger. Het schetst een zomerzondag, als de zorgen weg zijn en het flirten begint. Vier mensen genieten van een zonnige dag in een grote stad.

Van Berlijn zien we stations (Bahnhof Hausvogteiplatz, Zoo), kledingzaken (Julius Sachs Junior op de gevel), bushaltes, appartementen (boven en achter), begraafplaatsen, parken, musea (Museumsinsel), terrasjes, boten, fabrieken. Maar ook topattracties als de Siegessäule en de Brandenburger Tor. Uiteindelijk hebben ze lol bij een meer.

Een vriendelijke en ontspannen film met hier en daar wat onverwachte beelden. Na 44 minuten zien we bijvoorbeeld een prachtige reeks close-ups van badbezoekers. Glimlachende jochies. Een stuurs kijkende volwassen vrouw. Baby. Man met camera. Een vrouw die haar haar doet. Man die bierpul drinkt. Overgang naar foto’s. Overgang naar mannen en vrouwen in badpakken.

Wat een beetje frivoliteit al kan doen voor je carrière! Menschen am Sonntag trampolineerde de vijf betrokken filmmakers naar Hollywood. Regisseur Robert Siodmak had succes met Phantom Lady en The Killers; zijn broer en schrijver-regisseur Curt Siodmak met I Walked with a Zombie; Fred Zinnemann met High Noon en The Day of the Jackal; Billy Wilder met te veel films om op te noemen (zie de special op InDeBioscoop) en Edgar G. Ulmer met B-films met horrorlegende Bella Lugosi.

Zo opgewekt als deze film zou het niet lang blijven. De opkomst van de nazi’s in 1933 betekende een schok voor iedereen die iets met cultuur had. De bekendste Berlijnse film uit de jaren dertig is hierdoor Triumph des Willens: het portret van Leni Riefenstahl van de Olympische Spelen van 1936 met veel wapperende swastikavlaggen.

De meest interessante films zitten aan de vroegere kant van de jaren dertig, die samen met eind jaren twintig een bijzondere filmperiode vormen. Denk bijvoorbeeld aan: Emil und die Detektive (1931). Een veelgeroemde avonturenfilm voor kinderen van Gerhard Lamprecht. Of Kuhle Wampe (1932) waarbij een arbeidersgezin het moeilijk heeft met de crisis tijdens de Weimarrepubliek en hun Berlijnse appartement moet verlaten. Script van Bertolt Brecht. Werd in 1933 verboden door de nazi’s.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=1hg_vL6lQ6I
Meer lezen: https://canary.weimarcinema.org/essay/Isenberg

 

A Foreign Affair (1948)

A Foreign Affair (1948): lachen tussen de puinhopen van Berlijn
Een congreslid uit Iowa landt met andere congresleden in Berlijn. Haar doel: controleren of alles volgens de regels verloopt. Maar Amerikaanse soldaten hebben links en rechts illegale handeltjes en Duitse vriendinnetjes.

Ze wil één soldaat die een relatie heeft met een nachtclubzangeres ontmaskeren. Daarvoor vraagt ze kapitein John Pringle. Die heeft dan het probleem dat hij zichzelf moet ontmaskeren. Zijn oplossing: het congreslid kussen. Haar gedachte: romantiek.

Een romantische komedie à la de screwball comedy, die toen heel populair was. Ik heb me diverse keren rotgelachen om de scherpe en komische dialogen. “Kom mee naar naar mijn huis, het is maar een paar ruïnes verder.” “Waarom zakt die jurk niet af? Komt zeker door de Duitse wilskracht.” Er zitten ook heel wat satirische schimpscheuten in naar de Amerikaanse politiek.

De actrices stelen de show. Jean Arthur is ontzettend grappig als puriteins Republikeins congreslid. En ook Marlène Dietrich is erg vermakelijk als cabaretzangeres en ex-minnares van een hoge nazi. (Madeline Kahn zou er veel inspiratie uithalen voor haar rol als Lili von Shtüpp in Blazing Saddles (1974)). Voor beide actrices heeft Wilder zijn uiterste best moeten doen om over te halen – Jean Arthur was bijvoorbeeld al met acteerpensioen – en er zat ook wel wat competitie tussen de twee, maar het leverde heel veel moois op.

Het was iets na de oorlog en Berlijn was nog steeds een ruïne met 500.000 kapotte huizen en een serieuze zwarte markt. Deze passage uit de film met luchtopnamen laat zien hoeveel er kapot was. Regisseur Wilder en zijn crew maakten een maand lang opnamen op straat en veel daarvan kwam in de film terecht. De film is nu een slimme montage van studio-opnames en beelden op locatie.

In alles bevat de film de handtekening van de maker: Billy Wilder, wiens naam bijna synoniem is met de Berlijnse cinema. Wilder (geboren Samuel Wilder) werd geboren in een Pools stadje (Sucha Beskidzka), verhuisde later met zijn familie naar Wenen en ging daarna werken in Berlijn. Dat duurde tot de nazi’s het onmogelijk maakten en hij in 1934 naar de VS ging. Hij werkte in Berlijn dus voor de oorlog (Menschen am Sonntag), na de oorlog (A Foreign Affair) en tijdens de Koude Oorlog (One, Two, Three).

Wilder was de perfecte man voor de film. Iemand die de humor tegenover de ellende kon laten werken. Berlijn was maar liefst 26% van de bevolking verloren in WO II. Een op de vier bewoners was er dus niet meer. Verre van lollig, maar dat is nu juist de kern van komedies: je moet ze over ieder onderwerp kunnen maken.

De ruïnes van Berlijn inspireerden veel filmmakers:

• Die Mörder sind under uns (1946): wederom ruïnes van Berlijn (en studio) in wraakfilm over de oorlog
• Und über uns der Himmel (1947): drama van Josef von Báky, geeft een beeld van het overleven in naoorlogs Berlijn, met Hans Alders in de hoofdrol. Bekijk de indrukwekkende ruïnes op YouTube
• Germania anno zero (1948): beroemde maar ook wel hard aankomende film van Roberto Rossellini die het zware leven van Berlijners ná de oorlog schetst, met veel buitenscènes en ruïnes. De film staat op YouTube
• Berliner Ballade (1948): vermakelijke en soms satirische film over wat een veteraan die terugkeert in Berlijn allemaal meemaakt, van Robert A. Stemmie. Bekijk deze passage om een idee te krijgen

Meer lezen: https://offscreen.com/view/billy-wilders-a-foreign-affair

 

Berlin - Ecke Schönhauser (1958)

Berlin – Ecke Schönhauser (1958): rock-‘n’-roll in pré-Muur Berlijn

Locaties: Mitte (DDR) en Mitte (WDR)

De Schönhauser Allee verbindt het Rosa-Luxemburg-Platz in Mitte met Pankow in het noorden. Daar kwam de lokale ‘rebelse’ DDR-jeugd bijeen (in Nederland werden ze nozems genoemd). Beetje uitdagend rock-‘n-rolldansen op straat.

Een weddenschap over het kapotgooien van een straatlamp zet een keten van gebeurtenissen in actie. De Oost-Berlijnse volkspolitie (“vopo”) is er als de kippen bij. De hele groep wordt meegenomen naar het bureau. Wat is hun beroep, wat zijn hun plannen?

Twee van hen, Kohle en Angela, vinden elkaar interessant. Ze gaan uit. Dan steelt Karl-Heinz een Ausweis en Kohle krijgt de schuld. Wat te doen? Vluchten naar het westen. Daar is alleen maar ellende te vinden in de opvangplek waar ze in stapelbedden zitten. Mensen zijn ook nog onvriendelijk. En vrijheid is niet fijn als zijn vriendinnetje achterblijft…

In pré-Muur Berlijn woonden mensen in zones. De Franse, Amerikaanse, Britse en Russische zone. Met een beetje handigheid kon je wel naar de meeste zones maar van en naar de Russische zone hadden mensen een speciale ‘Ausweis’ nodig, wat in deze film een belangrijke rol speelt.

De film bevat subtiele propaganda. Het westen is hier vooral een onprettige zone, met misdaad en drukte. Karl-Heinz wil ook wel weer terug. Als we het Westen zien, begint dat met een druk winkelgebied rondom het station. En dan de ruïnes van de Kaiser-Wilhelm-Gedächtniskirche. Propaganda of niet, het was een populaire film waar bijna twee miljoen Oost-Duitsers heengingen in vier maanden tijd.

De opening rondom de Schönhauser Allee is sterk, later wordt het meer een indoorfilm, met veel kamertjes en deuren en mensen die naar elkaar op zoek zijn.

Zoals met meer Oost-Duitse films gingen er pittige discussies aan vooraf of het niet ‘té’ was. Filmmaken in Oost-Duitsland moet echt gevoeld hebben als een roulette. In dit geval won Gerhard Klein met zijn gok om de jeugd wat afstotend, rebels af te schilderen. Een paar maanden later waren er al meer dan een miljoen mensen heen gegaan. Het hielp dat er nog een film over jongeren werd gemaakt: Eine Berliner Romanze (1956), een romantische film uit Oost-Duitsland.

Overigens betekende dat niet dat Klein voor altijd de roulette had gewonnen: in 1965 kwam de film alsnog op de lijst van verboden films en na 1967 zou Klein nooit meer een film maken. Hij werd ziek en overleed in 1970.

Ook in de West-Duitse cinema zaten opstandige jongeren. In Die Halbstarken (1956) zien we een portret van een jeugdbende. Horst Buchholz, later beroemd acteur, brak hiermee door. Buchholz zien we in 1958 terug in Berlijn in de romantische film Endstation Liebe – ook over jongeren. En hij speelt ook de hoofdrol in Nasser Asphalt, een spannend journalistenverhaal in Berlijn. Typisch Berlijns is dit terloopse bezoekje aan ruïnes in die film, terwijl het al jaren na het einde van WO II is.

Veel meer Berlijn zien we in het merkwaardige Frühling in Berlin (1957). Een vaag verhaal over bankovervallers is een excuus voor een film boordevol mooie en kleurrijke straatbeelden van West- én Oost-Berlijn. Neem deze toeristische rondrit door West-Berlijn; elders rent een man over de Stalinallee in Oost-Berlijn. Eindelijk een film die alles laat zien: de Funkturm, Potsdam, Alexanderplatz, Zoologischer Garten, Olympisch stadion, Tempelhof, etc. Met metro’s, treinen, straten, woningen. Veel nog beschadigd door de oorlog (de Brandenburger Tor in de steigers). Aardig om te zien maar wat een stom verhaal! Der Spiegel zei het treffend: “Regisseur Arthur Maria Rabenalt produceerde een Berlijnse brochure in mooie kleuren.”

De completist mag ook de Berlijnse buitenscènes in The Man Between (1953) niet missen. Carol Reed en James Mason in een sfeervolle thriller met diverse scènes op locatie.

Meer lezen: https://germanhistorydocs.org/en/occupation-and-the-emergence-of-two-states-1945-1961/berlin-ecke-schoenhauser-a-defa-film-about-young-people-1957

 

Jahrgang 45 (1965/1990)

Jahrgang 45 (1965/1990) – scheiden in de DDR

Locaties: Prenzlauer Berg, Mitte

Het loopt niet meer tussen het getrouwde stel Alfred (Al) en Lisa (Li). Beiden zijn geboren in 1945. Hij is een monteur met vakantie (‘die nietsnut van boven’), zij verloskundige. Alfred vertelt tijdens een metrorit nonchalant dat hij op zichzelf gaat wonen. Vervolgens leest bijna iedereen hem de les, zijn vrienden, zijn moeder. Zelfs zijn vakbond.

Jahrgang 45 is een soort arthouse avant la lettre. Zij ligt op bed, hij nodigt haar uit om samen film te kijken, ze draait zich om. Hij rookt een sigaartje en verveelt zich. Hij leeft in het moment, daar gaat de film over. Een soort reclame voor De Kracht van het Nu van Eckhart Tolle.

Een mooie scène is de (illegale) opname als hij met twee vrienden op de trappen van de Gendarmenmarkt zit. Ze bekijken de toeristen, die hen weer observeren. Werelden apart.

Was deze film in 1965 in West-Duitsland gemaakt, dan had geen hond hem gezien en was het nu vermoedelijk vergeten. Maar dit is een film over Oost-Duitsers. Je ziet DDR-straten, DDR-metro’s, DDR-supermarkten, DDR-winkels, DDR-auto’s, DDR-huiskamers, DDR-motorjeugd, DDR-feestjes, DDR-milkshakes. Veel werd in guerrillastijl en zonder toestemming gefilmd.

Jürgen Böttcher was documentairemaker (eigenlijk schilder, maar daar viel helemaal geen eer aan te behalen) en je ziet die ervaringen terug in zijn enige speelfilm. Böttcher, jaren later in een interview: “Wij filmden die straatscènes heimelijk vanuit een bouwkeet, vandaar ook dat er bij die scène geen geluid is. Het is voor mij een erg dierbare passage want het geeft heel sterk het opgesloten gevoel in de DDR weer.”

Politiek komt er niet in voor, maar die ongecontroleerde stijl van filmen was een gruwel voor DDR-bureaucraten en de film kwam niet verder dan de planken van het filmarchief.

De communisten misten volgens mij een kans. Ze hadden dit verhaal kunnen gebruiken als propaganda hoe rustig het leven in de DDR was. Waar genieten mensen nog zo van het draaien van een plaat? Waar ter wereld wil je werkgever rustig praten over je privéleven? Zingen ze een liedje op een flat in aanbouw? Slow voor het een hype was.

In 1990 werd op het Berlijnse filmfestival Berlinale voor het eerst een werkkopie van deze film vertoond. Nu geldt de film als een buitenkansje om het leven in de DDR ‘te ervaren’. Diverse acteurs hebben de film helaas nooit zelf gezien. Acteur Rolf Römer die Alfred speelt (was eigenlijk generatie ‘35) overleed in 2000 en heeft nauwelijks iets met zijn passie voor acteren kunnen doen.

Dit lot gold voor meer Oost-Berlijnse films. Zoals Das Kaninchen bin ich (1965), een licht-kritische film over het Oost-Duitse rechtssysteem. Ook deze film kon je pas in 1990 in de bioscoop zien.

De jaren zestig boden uiteenlopende cinema over Berlijn. One, Two, Three (1961) is verreweg de meest komische Berlijn-film ooit gemaakt. Wie anders dan wederom Billy Wilder filmde dit verhaal over een manager van Coca Cola in Berlijn die de dochter van de baas, Wendell Hazeltine, op bezoek krijgt. Ze keert terug van een trip met Otto Ludwig Piffl, een communist (opnieuw Horst Buchholz). Dat levert hilariteit op in een tempo dat je geregeld naar adem doet happen.

Iets heel anders was Zwei unter Millionen (1961), een romantisch verhaal over twee Oost-Berlijners die naar het Westen vluchten pal voor de Muur wordt gebouwd. Zie hier hoe simpel dat ging. De film van Wieland Liebske en Victor Vicas legt ook uit dat hun leven ná de vlucht niet eenvoudig was.

Der Geteilte Himmel (1964) van Konrad Wolff was een DDR-film met invloeden uit de nouvelle vague. Kwam moeizaam tot stand maar was toch te zien in de DDR-bioscoop.

Noemenswaardig vind ik ook Der Kerl liebt mich – und das soll ich glauben? (1969). Een West-Duitse film over een jonge vrouw (Uschi Glas) die met een crimineel omgaat. Ze gaat van Berlijn naar München en weer terug. Met een mooie openingsscène in een kleurrijke 60’s flatwijk die ik niet kon identificeren.

Aan de andere kant had je Ein Lord am Alexanderplatz (1967): een Oost-Duitse film over een oplichter, met onder andere de Häckischer Höfe in de DDR-tijd.

En het was ook dé tijd voor… spionage.

Meer lezen: https://www.berliner-zeitung.de/archiv/interview-mit-juergen-boettcher-ein-zensierter-ddr-film-birgt-jede-menge-aktualitaet-li.576188 en https://www.youtube.com/watch?v=GrMkBfeDRW8

 

Special in een special: spionage in Berlijn
Met de verdeling van Berlijn in vier sectoren kwamen ook vier geheime diensten mee – en diverse andere. Een vaak spannende situatie. Vervolgens dachten schrijvers en filmmakers: dat is interessant. Het levert spannende cinema op met tunnels, grensovergangen, verboden bezoeken aan ‘de andere kant’, enzovoort. De stress van de verdeelde stad.

De beste spionagefilms over Berlijn verschenen allemaal in een tijdsbestek van drie jaar, toen de Koude Oorlog (al twintig jaar gaande op dat punt) vlak na de Cuba-crisis bijna bevroren was:

• The Spy Who Came in from the Cold (1965): is letterlijk wat er de eerste drie minuten gebeurt. Richard Burton is zo gedesillusioneerd als hij wordt ontslagen vanwege een mislukte operatie, dat hij voor veel geld een boekje open wil doen voor de vijand. “Ik geloof niet in de kerstman, God of Karl Marx.” Een stukje Scheveningen en Berlijnse Muur in de studio. Plotwendingen alom in het eerste boek van de beroemde spionageschrijver John Le Carré. Hij laat Burton zeggen: “Spionnen zijn ambtenaren die hun rottige levens willen opfleuren.”
• Funeral in Berlin (1966): Len Deighton was schrijver van talloze boeken over spionage. Harry Palmer was zijn Britse MI5-held. Michael Caine brengt Palmers eendimensionale stoere karakter tot leven: dit is de meerwaarde die acteurs kunnen hebben. Hij is de hoofdpersoon van vijf films (allemaal gespeeld door Michael Caine). Van die films zijn vooral Ipcress File en Funeral in Berlin interessant. In Funeral in Berlin zien we hem van het ene in het andere subplot terechtkomen rondom een Rus die wil overlopen. Warrig scenario, mooie Berlijnse decors. Ipcress File is ook prachtig voor de liefhebber van spionagefilms en nog vrij recent in een serie omgezet.
• The Quiller Memorandum (1966): mijn favoriet onder de Berlijnse spionagefilms komt wat traag op gang maar heeft sterke dialogen van Harold Pinter, oog voor sfeer en acteurs die wat kunnen, zoals George Segal, Alec Guinness, Senta Berger en Max von Sydow (excellente rol als spion October). Filmische Berlijnse locaties: Hausvogteiplatz, Kurfürstendamm en het fraaie U-Bahnstation Schlesisches Tor.
• Torn Curtain (1966): Hitchcocks spionagefilm in Berlijn is een van de mindere uit zijn oeuvre. Toch de moeite waard, al vind je niet veel van Berlijn zelf.
• Casino Royale (1967): spionageparodie, waar Billy Wilder, Ben Hecht én Woody Allen nog aan meeschreven. Bonds dochter moet naar Oost-Berlijn om te infiltreren. Ondanks alle schrijverspower is het niet echt een gelukte film.
• A Dandy in Aspic (1968): Kraznevin (Laurence Harvey) moet zichzelf omleggen in Berlijn. Mia Farrow komt hem als toerist vervolgens overal in Berlijn tegen. De film heeft onverwacht luchtige momenten: “Dit is een oud-Russisch spreekwoord, dat ik vanochtend heb verzonnen.” “Je was dood toen je geboren was, je dood zal alleen maar een formaliteit zijn.” We zien de Berliner Funkturm, de Kaiser-Wilhelm Gedächtniskirche aan de Kurfürstendamm, het oude AVUS-circuit en S-Bahnhalte Friedrichstraße (in werkelijkheid station Gleisdreieck). Reelstreets geeft alle locaties.

Belangrijk onderdeel in deze wereld was een spionnenbrug, waar spionnen werden uitgeruild, de Glienickebrug. Onderwerp van Bridge of Spies (2015) van Steven Spielberg. En natuurlijk moeten we dan ook de James Bond noemen die in Berlijn is opgenomen: Octopussy (1983). Wie een spionageverhaal van de andere kant wil ervaren, kan terecht bij de DDR-film Streng Geheim (1963).

 

Bildnis einer Trinkerin (1979)

Bildnis einer Trinkerin (1979) – drinkend de dag doorkomen

Locaties: Tiergarten, Zehlendorff

Een vrouw, knalrood gekleed, stapt het vliegtuig uit. Ze drinkt wijn in een casino. Cognac in een bar/bakkerij. Witte wijn in de hotelkamer. Champagne in het theater. Cognac en Jägermeister in een bar. Wijn op haar werk. Bier in een Berlijnse ‘Stube’.

Daarna ‘adopteert’ ze een dakloze vrouw als haar (drink)partner. Ondertussen komt ze overal drie moralistische vrouwen tegen die wél hun monden open doen. “Het loslaten van sluitingstijden opent de deur naar misdaad.” “De homoseksuele subcultuur is eigenlijk een recreatief tijdverdrijf.”

Deze extreem eigenzinnige film van Ulrike Ottinger (deed ook de cameravoering) is er eentje waarvoor je rustig moet zitten want er is weinig gids van een verhaal. Je moet dat loslaten en genieten van dingen als het gortdroge spel van actrice (en partner van Ottinger in die tijd) Tabea Blumenschein; de soms aan Jacques Tati herinnerende momenten (het begin met de onwillige deur); de vele surrealistische ideeën (de man met de broodjas, dromen met de kleine man). Ottinger heeft een geschiedenis als pop-art-kunstenares en dat zie je ook af aan het design.

Noemenswaardig zijn ook bijrolletjes van culthelden als Nina Hagen, Eddie Constantine, Günter Meisner en Magdalena Montezuma.

Van Berlijn zien we veel terloopse locaties, bars, tunnels, bruggen, winkels. Herkenbaar is alleen de Siegessäule. Wel is er een interessant stuk met de Wannsee en de Glienicker Brücke (de eerder genoemde spionnenbrug). De enorme sanering van die omgeving is vastgelegd in deze film. Ook filmisch is het stuk op het verlaten spoorwegemplacement.

Liefhebbers van queer- en feministische cinema kwamen sowieso in de jaren zeventig aan hun trekken in de Berlijnse cinema. Want regisseur Rosa von Praunheim maakte in de jaren zeventig een vergelijkbare film over de West-Berlijnse queergemeenschap. Die is al briljant vanwege de titel: Nicht der Homosexuelle ist pervers, sondern die Situation, in der er lebt (1971).

Dit decennium was verder mager vergeleken met de golf artistieke films in andere delen van de wereld; er verschenen vooral stapels seksfilms en misdaadfilms. En dan ook nog uit andere steden: Hamburg (Blutiger Freitag, Supermarkt, Rocker), Düsseldorf (Die Katze) en München (de tv-serie Derrick). Berlijn had de misdaadfilm Die Knacker (1974), waarbij een goedkope bankovervalfilm wordt onderbroken door klagende producers. De regisseur neemt de benen en wil een echte overval plannen. “Ik dacht dat ik met een misdaadfilm de tv’s kon laten springen! Wat wij maken, is eigenlijk slaapmiddel, kauwgom.” Véél Berlijn. Bahnhof Zoologischer Garten, hotels, bars, straten, taxi’s, auto’s, rondvaartboten. Het is zoals zo vaak in misdaadfilms allemaal vrij anoniem, kleurloos en onherkenbaar – met af en toe casual de Muur op de achtergrond.

Een uitzondering was Fassbinders Die Dritte Generation uit 1973. Maar weinig Berlijn. We kijken de hele tijd vanuit een flatgebouw uit op de Gedächtniskirche (lijkt op hetzelfde gebouw als in The Quiller Memorandum).

En de Oost-Berlijnse cinema? Die probeerde via menselijke films over het Berlijnse leven de communistische boodschap uit te dragen. Denk aan titels als He, du! (1970), Solo Sunny (1980), Liebeserklärung an Berlin (1977), Das Versteck (1978) en de opmerkelijke DDR-hippiefilm Die Legende von Paul und Paula (1973).

 

Der Himmel über Berlin (1987)

Der Himmel über Berlin (1987): het trauma van Berlijners

Locaties: Tiergarten, Mitte, Prenzlauer Berg

Engelen luisteren onze gedachten af. In dit Berlijn lopen twee engelen dat te doen. Hebben we nog hoop of zitten we in zak en as en moet de engel ingrijpen met een snufje optimisme? Er zijn nogal wat getroebleerde geesten om naar uit te kijken. Dat lukt vaak, maar niet altijd.

Ze hangen rond bij een circus, een bibliotheek en bij opnamen van een oorlogsfilm, waar de Amerikaanse acteur Peter Falk aan meedoet, die soms ook rondloopt (“Hé is dat Columbo?”). Of de engelen geloven in hun ‘werk’ leren we niet echt, maar het willen helpen is sterker dan henzelf.

Marion is als trapeze-artieste verkleed als engel. In zichzelf zegt ze: “Berlijn, ik ben een buitenstaander, en toch is het allemaal herkenbaar. Je kunt niet verdwalen want je loopt altijd tegen de Muur aan.” De engel krijgt gevoelens voor haar en zou graag weer ontengeld zijn.

Bijzondere film van Wim Wenders. De film mixt archiefbeelden, monologen en improvisatie zonder dat het ergens irriteert. En verweeft net zo knap de eigenzinnige met meer gewone, herkenbare scènes. Het script kwam van de schrijver Peter Handke, en dat geeft de film – door de zorgvuldig geformuleerde monologen – geregeld een literair gevoel. Zoals wanneer de twee elkaar bij de bar tegenkomen en zij eerst een immense monoloog houdt voor hij haar mag kussen.

Der Himmel über Berlin is met het gewandel door Berlijn een van de beste films met een cinematografische blik op de gebroken stad van toen. Een prachtpassage waarbij een oude man het oude gapende gat dat Potsdamer Platz heet bezoekt, inclusief Muur. Fascinerend is de weg die doodloopt op de Muur. Een blik op het verlaten Ostbahnhof. Peter Falk die bij de leftovers van het Anhalter Bahnhof loopt. De engel die onder de U-Bahn doorloopt. De bunker waar filmopnamen zijn (nu al jaren een galerie).

Het leven langs de Muur – dat is de route van de film – ging zijn gang. We zien mensen joggen, een Berlijnse nachtclub, een wasserette, een stadsbus, een metrostation, een concert van Nick Cave. Als romance is het even diep als romances gaan, maar het geeft wel energie aan de film.

De inventiviteit van Wenders’ cinema blijkt als de camera over de westerse kant van de Muur (met de iconische hoofden van Muurschilder Thierry Noir) naar de oosterse kant glijdt. Nette witte muren en Oost-Duitse grenssoldaten. Het duurt even voor je beseft dat dit niet kon in 1987. Een stukje Oost-Duitse muur werd nagebouwd in een studio. Maar er zitten wel echte clandestiene beelden in van Oost-Berlijnse straten van Prenzlauer Berg, gemaakt door cinematograaf Thomas Plenert. Je herkent ze aan de Trabantjes.

De film was een groot succes in 1987. Een Gouden Beer in Berlijn en een nog grotere status voor Wim Wenders, die toch niet misselijk was na Paris, Texas. Het is een verhaal over trauma, schrijft The Guardian in een analyse, met die naar verdriet luisterende engelen. En dat is ook wel logisch – gezien het feit wat Berlijners allemaal hebben moeten doormaken, dat leren we al uit alle voorgaande Berlijnse cinema.

Geschiedenis is volgens mij opzettelijk de rode draad in de film. Een grote rol voor de bibliotheek (een van mijn favoriete passages). “Iedere straat heeft zijn eigen grens”, hoor je op gegeven moment iemand zeggen. Er zijn archiefbeelden en de film switcht een paar keer van zwart-wit naar kleur.

Daarom vermoedelijk ook beelden van plaatsen die in Ruttmanns film Berlin – Die Sinfonie der Großstadt nog heel waren: Anhalter Bahnhof en Potsdamer Platz. “Ik kan Potsdamer Platz niet vinden”, zegt iemand. In 1993 verscheen een veel minder bekend vervolg van Wim Wenders: In weiter Ferne, so nah!. Met onder andere Willem Dafoe en… Horst Buchholz.

Films over Berlijn in de jaren tachtig waren pover in kwaliteit maar er kwamen wel wijken aan bod die zelden eerder in films te zien waren. De topproductie van het decennium was Berlin Alexanderplatz (1980), de serie van Fassbinder naar het boek van Doblin. Verder vind ik Cycling the Frame (1988) een aardige curiositeit. Actrice Tilda Swinton fietst langs de muur en uit gedachten. Film van Cynthia Beatt staat op YouTube. In 2009 deden ze de route opnieuw in The Invisible Frame.

 

Special in een special 2: Berlijn in crisis
De jaren tachtig waren zoals voor veel Europese steden ook een bleek decennium voor Berlijn. West-Duitsland wordt eind jaren zeventig getroffen door een heroïnegolf. Junkies worden onderdeel van het stadsbeeld. Ze bevinden zich in Berlijn vooral rondom het station Zoologischer Garten.

Christiane F.: Wir Kinder vom Bahnhof Zoo van Uli Edel was gebaseerd op memoires van de gelijknamige vrouw, die ze met journalisten had geschreven. Boek en film beschrijven hoe een generatie tieners verslaafd raakt aan harddrugs en zich prostitueerden rondom station Zoologischer Garten. De film ging voor realisme en de scènes met naalden in armen zijn bijna niet te tellen.

De echte Christiane F. en Detlev vind je op Wikipedia of in documentaires op YouTube. In 2021 is er ook een tv-serie over gemaakt, Wir Kinder vom Bahnhof Zoo.

Er waren meer typische 80’s-films over Berlijn zoals Neonstadt (1982) van Wolfgang Büld, Dominik Graf en Hans Schmid en Decoder (1983) van Muscha. Ze gaan alle drie over de muziek van die tijd. Opmerkelijk is dat Christiane F. bij alle drie de films betrokken was. In zekere zin past Possession (1981), een duistere monsterfilm van de Poolse regisseur Andrzej Żuławski over een huis bij de Muur, daar ook bij.

Niet letterlijk (want het was een Oost-Duitse film) maar de crisis zie je ook een beetje terug in Insel der Schwäne (1982). Een jongen verhuist van een klein stadje naar de Oost-Berlijnse flatwijk Marzahn en moet daar zien te overleven. Kanakerbraut (1983) schetst de sombere kant aan de andere kant van de Muur. De film van Uwe Schrader gaat over de Kreuzbergmicropolis van werkloze, arme en geregeld bezopen mensen. Enigszins vergelijkbaar is Wedding (1989): jongeren met schulden en gebroken families ontmoeten elkaar weer in de wijk waar ze opgroeiden: Wedding.

Eind jaren tachtig was Oost-Duitsland vrijwel failliet en stond er opeens alleen voor. Na een paar bizarre ontwikkelingen viel in november 1989 opeens de Muur – het symbool van de verdeelde stad die Berlijn was. In 1990 werd het land, en dus Berlijn ook, weer een.

 

Sonnenallee (1999)

Sonnenallee (1999): een Oost-Duitse straat vol spot

Locatie: Neukölln (studio)

Bij de uitkijk van de Sonnenallee staan de West-Berlijners te kijken naar de jonge Oost-Berlijners achter de muur. “Hé kijk, Ossi’s! Mag ik je voeren?” Op hun beurt rennen de Oost-Berlijners achter een toeristenbus aan met West-Duitse toeristen, om hen de stuipen op het lijf te jagen: “Honger! Honger!”

De Sonnenallee is een lange weg achter Tempelhof in de wijk Neukölln. Daar was in de DDR-tijd ook een checkpoint, zie deze kaart op Wikipedia. We volgen Micha en zijn vrienden. Hij is scholier, opstandig, verliefd op Miriam, voor wie hij alles over heeft.

Sonnenallee is een van die energieke jarennegentigfilms met jonge acteurs, geestige scripts en onvervalste satire. DDR-controle bij de grens: “Lychees! Moeten jullie dat eten in het Westen?” Een pijnlijke stilte als de wachtmeester op bezoek komt. DDR-drugs: pillen van de drogist fijnstampen en dan mengen met cola. Rudi Carrell op West-Duitse tv kijken: “Die dingen op de band moeten de mensen onthouden, en dan mogen ze die mee naar huis nemen.” (Totaal verbaasd:) “Mee naar huis nemen?” Een Stasibuurman die elke opmerking verdacht vindt.

Details krijgen veel aandacht. Posters, kleding, de ‘minetta’-radio, een onuitklapbare tafel, vreemde T-shirts, zelfkritiek op een FDJ-jongerendag (in outfit), Krönung-koffie, telefooncellen, auto’s, westerse muziek die jaren na dato publiek bereikt, etc..

Het kan bijna niet anders dan dat het een feest van herkenning was voor iedere Ossi. Negen jaar na de Wende zal het nog fris in het geheugen zijn geweest.

Het tempo ligt goed hoog, zoals het hoort bij een komedie. Deze zin is bijvoorbeeld erg humoristisch (in een discussie hoe vrij de Oost-Duitsers zijn): “In Thüringen mogen we overal gaan en staan waar we willen!” Het Oost-Duitse feest waarbij iedereen binnenloopt, is een van de grappigste passages. De acteurs werden goed geregisseerd in hun komische werk, de moeder, de oom, de illegale platenverkoper, etc.. De regie was van Leander Haußmann, ook bekend van Herr Lehmann en Stasikomödie.

Minder is dat de hoofdpersoon een naïeve jongen is die de hele tijd achter één populair meisje aanrent, wat vaak vaak heel wat minder grappig is dan de schrijvers zelf denken.

Sonnenallee (allemaal studio-Berlijn trouwens) is een van de vroegere films van de Ostalgie-golf in de Duitse cinema. Lang niet zo succesvol als de wat meer gelikte arthousekraker Good Bye Lenin! vier jaar later maar wel een stuk grappiger. Dat is ook niet in het minst te danken aan de hoofdrolspeler, Alexander Scheer. Bij ons vrijwel onbekend maar hij heeft een komisch talent. Nu speelt hij vooral beroemdheden, zoals David Bowie in de serie Wir Kinder vom Bahnhof Zoo (2021) en Andy Warhol in Fassbinders biopic Enfant Terrible (2020). De perfecte persoon voor de hoofdrol in Sonnenallee want hij was zelf ook achter de Muur in Oost-Berlijn geboren. “Het was niet beter, slechter, maar compleet iets anders”, zegt hij in dit interview.

De jaren negentig was de tijd van grote verandering in Berlijn. Zo kreeg de wijk Mitte opeens weer kleur op het gelaat want het kon na de val van de Muur weer aan elkaar geplakt worden. Dat betekende een heleboel bouw- en saneringsprojecten. Berlijn stond bekend als de grootste bouwput van Europa. Je krijgt een idee via de korte film (twee minuten) Neues Berlin op YouTube.

En ook de Berlijnse cinema veranderde. Spionage, Muur, spanning, Oost-Duitse films: allemaal opeens weg. Er was verandering. Eind jaren negentig was er wat meer geld om in de nieuwe hoofdstad te filmen. En zoals zo vaak, maakten die Berlijnse films creatief gebruik van de achtergrond die de stad bood:

• Die Mauer (1990): Jurgen Böttcher (van Jahrgang 45) maakte deze film over de afbraak van de Muur
• Berlin – Prenzlauer Berg (1990): de veranderingen in deze Oost-Berlijnse wijk gingen snel en Petra Tschörtner legde het vast
• Nie Wieder Schlafen (1992): drie vrouwen herontdekken herenigd Berlijn in een soort lokale Sex and the City
• Das Leben ist ein Baustelle (1997): slimme romantische komedie van Wolfgang Becker met de grote bouwprojecten in Berlijn als achtergrond
• Lola Rennt (1998): bekende arthousefilm in drie varianten waarin Lola de hele stad doorrent (film van Tom Tykwer)
• Die leere Mitte (1998): obscure film van Hito Steyerl over Mitte. Kwam pas in 2022 in de bioscoop
• Ich Chef, Du Turnschuh (1998): over een Armeense vluchteling die in de bouw gaat werken

Meer lezen: https://www.epd-film.de/filmkritiken/sonnenallee

 

Berlin is in Germany (2001)

Berlin is in Germany (2001): aanpassen is niet makkelijk

Locaties: Mitte, Friedrichshain

Martin – oud-Ossi – komt na elf jaar gevangenisperiode vrij. Martin wil zijn zoon weer zien, zoekt werk en doet aan therapie (schilderen). De wereld is anders. Er is vrijheid en techno. Maar ook Plattenbau (prefab-bouw) met racistische buren.

Zijn ex-vrouw (anders dan je vaak in films ziet) wil hem helpen. Ze is intussen onderdeel geworden van de culturele elite. Als hij op bezoek komt, weten de elitaire Berlijners niet wie hij is. “Heb jij gehoord wat hij deed? Nee ik dacht dat hij misschien een schrijver is.”

Hij kan bij een oude vriend in een seksvideotheek met liveshows werken. Daar ontstaat een warme relatie met seksartiest Ludmilla. Hij gaat studeren voor een taxi-examen. Dat is lastig want diverse straten in het oosten hebben andere namen gekregen. “Fritz Heckertstrasse is Engeldamm, Ho Chi Minh-strasse is Weissenseerweg, Helmut Juststrasse is Behmstrasse, Otto Grotewohlstrasse is Wilhelmstrasse…” Na zijn examen blijkt dat Martin met zijn strafblad geen taxichauffeur mag zijn. Wat nu?

Vriendelijke, menselijke film van Hannes Stöhr, die leunt op het overtuigende acteren van de hoofdrolspelers, vooral Jörg Schüttauf als Martin. Geen stereotype arthousedrama – daarvoor is het wat te onvoorspelbaar – maar gewoon een mooie film over een man die probeert om zijn leven op te pakken. Waarbij je ook veel van Berlijn ziet, met de Fernsehturm van Alexanderplatz als een Eiffeltoren aldoor op de achtergrond (net als in Good Bye Lenin! is het een soort permanent referentiekader). Het enige wat de film mist, is een plot om het rond te maken. Dat is wel spijtig.

In deze tijd ligt de nadruk wat minder op de stad Berlijn, maar zien we meer van de rauwe kant van het bestaan in diverse buurten:

• Die Unberührbare (2000): drama van Oskar Roehler
• Planet Alex (2001): verhalen rondom Alexanderplatz, veel buitenscènes, guerrillastijl
• Alltag (2003): met de grootste gemeenschap Turken buiten Turkije in Berlijn (vooral Kreuzberg), duurde het nog een tijd voor er een echte film over verscheen. Film van Neco Çelik
• Herr Lehmann (2003): amusant portret van Kreuzberg tijdens de jaren tachtig van Leander Haussmann (regisseur van Sonnenallee)
• Die fetten Jahre sind vorbei (2004): antikapitalisten bezoeken het rijke stadsdeel Zehlendorf en gaan mensen ontvoeren en de les lezen
• Sommer vorm Balkon (2005): aardige buurtfilm van twee vrouwen in Prenzlauer Berg
• Netto (2005): man in Prenzlauer Berg krijgt zoon in huis
• Knallhart (2006): een soort La Haine maar dan in Neukölln

Meer lezen: https://www.filmportal.de/film/berlin-is-in-germany_283c6c29d554490d9dda78e106ac4d6a

 

Laatste special in een special: Berlijn en geschiedenis
Nog een special? Ja! Want het moet. Berlijn is de ideale stad om te leren kennen via films. Duitsers hebben zelf al meer dan gemiddelde interesse in hun geschiedenis. Er is zelfs een (Poolse) film gemaakt over de konijnen die leefden in het niemandsland van de twee verdeelde steden: Rabbit à la Berlin (2009). Daarom deze laatste special:

• De Spartakusopstand in 1919 eindigt in een bloedbad onder communisten: Rosa Luxemburg (1986)
• De Weimarrepubliek van de jaren twintig levert bijzondere cultuur én economische chaos op: I am a Camera (1955), Cabaret (1972), Fabian (1980) en Comedian Harmonists (1997)
• Nazi-Duitsland verliest de oorlog en Berlijn wordt kapot geschoten in april en mei 1945: The Last Ten Days (1955), Hitler: The Last Ten Days (1973), The Death of Adolf Hitler (1973), The Bunker (1981) en Der Untergang (2004)
• In 1948 blokkeren de Sovjets de aanvoer naar de geallieerde zones in Berlijn en een luchtbrug wordt opgezet: The Big Lift (1950) en The Airlift (2005)
• De stad wordt vanaf 1949 verdeeld, in 1961 wordt de Muur gebouwd, en mensen proberen met gevaar voor eigen leven te ontsnappen: Escape from East Berlin (1962), Der geteilte Himmel (1964), Berlin Tunnel 21 (1981), Night Crossing (1982), The Innocent (1993), The Tunnel (2001) en West (2013)
• Oost-Duitsland is een dictatuur waarbij iedereen elkaar bespioneert: Das Leben der Anderen (2006)
• Berlijners leven decennialang gescheiden van elkaar en dat zorgde voor persoonlijk drama: Romance in Berlin (1956), Familie Rechlin (1982), Das Versprechen (1995), Der Himmel über Berlin (1987) en Salmonberries (1991)
• De Muur gaat neer in 1989 en Duitsland is weer een. De stad verandert in een grote bouwput: Boomtown Berlin (serie 1996 – 2003), Das Leben ist eine Baustelle (1997), Lola Rennt (1997) en Berlin Babylon (2001)
• En wordt dé partystad van Europa (Szenetriffen heet dat in onvervalst Berlijns): Angel Express (1998), Berlin Calling (2008) en Victoria (2015)
• Diverse Oost-Duitsers krijgen te maken met ‘Ostalgie’, Oost-Duitse cultuur: Sonnenallee (1999), Good Bye Lenin! (2003), Meine schönsten Jahre (2004) en Liebe Mauer (2009)
• Voor ‘Ossies’ is de aanpassing aan de stijl van het westen sowieso niet simpel: Die Unberührbare (2000), Berlin is in Germany (2001) en Du bist nicht allein (2007)
• Net als veel andere grote steden zien Berlijners hun huren stijgen in de 21ste eeuw: Welcome Goodbye en Mietrebellen (beide 2014)

Deze unieke Berlijnse geschiedenissen bieden natuurlijk ook kansen voor series die personages langere tijd volgden. Met name in de 21ste eeuw verschenen ze aan de lopende band. We gaan er verder niet op in, maar de liefhebber van series bingen én Berlijnse geschiedenis heeft keuze genoeg:

• Liebling Kreuzberg (1986 – 1991)
• Dogs of Berlin (2018)
• Babylon Berlin (2017 – 2025)
• Berlin, Berlin (2002 – 2005)
• Deutschland 83 / 86 / 89 (2015, 2018, 2020)
• Ku’damm 56 / 59 / 63 / 77 (2016, 2018, 2021, 2025)

Houd je meer van gamen? Dan kun je al spelend de Berlijnse geschiedenis meemaken via de game The Berlin Apartment.

 

Kortom…
De schatkamer van de Berlijnse cinema – en de geschiedenis van de stad – is bijna onuitputtelijk. Er zijn altijd nisjes waar je nog niet eerder had gekeken. De website Filmfriend.de heeft bijvoorbeeld nog allerlei oudere films over Duitsland en Berlijn, zie de links hieronder.

Ondertussen blijft het gekke Berlijn zelf ook steeds weer veranderen van karakter. Het is een van de weinige steden die cultureel enorm veel te bieden heeft, zelfs in tijden dat de huizenprijzen stijgen. Het is bijna een blinde liefde die je tussen kijker en maker voelt: als Berlijn in een film voorkomt, dan móet het wel iets moois zijn…

 

Overige bronnen

• Filmfriend over Oost-Duitse films: https://www.filmfriend.de/en/collections/once-upon-a-time-in-east-germany
• Filmfriend over Berlijnse films: https://www.filmfriend.de/en/collections/berlin-film-ballads
• The Guardian en top 10: https://www.theguardian.com/travel/2011/aug/17/top-10-films-set-in-berlin
• Video-essay op YouTube: https://www.youtube.com/watch?v=rjFf41DePhk
• Wikipedia: https://en.wikipedia.org/wiki/List_of_films_set_in_Berlin
• Boek: Brigitta B. Wagner: Berlin Replayed, University of Minnesota Press

 

30 juli 2026

 

 

Deel 1: Camera Obscura Special: Parijs
Deel 2: Camera Obscura Special: New York
Deel 3: Camera Obscura Special: Londen
Deel 4: Camera Obscura Special: Tokio
Deel 5: Camera Obscura Special: Amsterdam
Deel 6: Camera Obscura Special: Rio de Janeiro

Boek over Spaanse cinema

‘Een Spaanse Affaire’

Een Spaanse Affaire is een boek over de Spaanse cinema en haar nauwe verwevenheid met de geschiedenis van het land. Een thematische verkenning van hoe film in Spanje reageerde op macht, geloof, geweld, censuur en vrijheid.

De Spaanse Burgeroorlog en de daaropvolgende dictatuur hebben diepe sporen nagelaten in de cultuur. Ook in de cinema. Soms werden deze spanningen openlijk verbeeld, vaak juist via omwegen. Films fungeerden als commentaar, als schuilplaats en als stille vorm van verzet. Veel van de beste Spaanse films zijn ontstaan tegen deze achtergrond.

Een Spaanse Affaire – Spaanse filmgeschiedenis in 15 thema’s

Overhandiging van het eerste exemplaar aan Joaquín Durán (rechts), cultureel attaché van de Spaanse ambassade (foto: Chris Angelovski).

In vijftien filmthema’s verkent filmjournalist Cor Oliemeulen de ontwikkeling van de Spaanse cinema. Van de vroege film tot hedendaagse producties. Van surrealisme tot film noir en Netflix-mysteries. Van toonaangevende filmmakers als Luis Buñuel, Carlos Saura en Pedro Almodóvar tot acteurs als Fernando Fernán Gómez, Javier Bardem en Penélope Cruz. Makers, stijlen en motieven worden steeds geplaatst binnen hun culturele en historische context.

Een Spaanse Affaire – Spaanse filmgeschiedenis in 15 thema’sHet boek benadert film niet als een op zichzelf staande kunstvorm, maar als onderdeel van het maatschappelijke en culturele leven. Thema’s als macht, propaganda, religie, misdaad, corruptie, vrijheid, democratie en passie lopen als een rode draad door het boek. De toon is essayistisch en toegankelijk, bedoeld voor lezers met interesse in film, filmgeschiedenis, Spaanse cultuur en Europese cinema.

Waar te koop?
Wil je de auteur extra steunen? Bestel Een Spaanse Affaire dan rechtstreeks via Brave New Books (plus verzendkosten). Ook kun je terecht bij Bol.com en andere webshops (meestal gratis verzending). Liever lokaal? Geef dan het ISBN: 9789465383095 door aan je boekhandel.

No Other Choice

*****
recensie No Other Choice
Wanhopig herstel van mannelijkheid

door Zoë van Leeuwen

Je baan verliezen is klote. Maar leg dat concept in handen van Oldboy-regisseur Park Chan-wook, en je krijgt No Other Choice. Een film die werkloosheid omzet in een surrealistische en absurde thriller die wederom bewijst dat Park een verdomd goede regisseur is.

Yoo Man-su (Lee Byung-hun) heeft alles. Een mooie vrouw, twee kinderen, een indrukwekkend huis met twee honden die in de tuin rondrennen, en het belangrijkste: een langdurige carrière bij een papierfabriek, waar hij zo ontzettend trots op is. Wanneer hij na vijfentwintig jaar trouwe dienst plots wordt ontslagen door bezuinigingen vanuit een Amerikaans bedrijf valt zijn leven in diggelen.

No Other Choice

Regisseur Park Chan-wook staat vooral bekend om zijn visueel verbluffende wraakverhalen, waarin morele dilemma’s en donkere humor hand in hand gaan. Waar hij in de Vengeance Trilogy (waaronder Oldboy, 2003) kijkers meenam in een wereld van gewelddadigheid, duikt hij ditmaal een meer satirische hoek in. No Other Choice is een bewerking van de roman The Ax uit 1997, geschreven door Donald Westlake. Een boek dat in 2005 al werd verfilmd door Costa-Gavras. Toch voelt het werk van Park niet repetitief en geeft de Zuid-Koreaanse regisseur zijn welbekende absurdistische draai aan het verhaal, wat No Other Choice tot een van zijn grappigste films maakt.

Existentiële crisis
‘Waarom neem je niet gewoon een andere baan?’, vraagt zijn vrouw Yoo Mi-ri (Son Ye-jin) wanneer Man-su het zoveelste sollicitatiegesprek verpest. Maar hij houdt wanhopig vast aan het verleden en weigert van de carrièreladder af te dalen, omdat hij daar nou eenmaal zo hard voor heeft gewerkt. Maar naarmate de maanden verstrijken, begint hij meer te verliezen dan alleen zijn zelfrespect. De honden worden weggehaald, Netflix wordt afgesloten en het ouderlijk huis moet misschien worden verkocht. Ook zijn vrouw moet weer aan het werk, iets wat Man-su zich nog meer als een nutteloze man laat voelen.

De film gaat hiermee dieper in op de specifieke druk van de Koreaanse mannelijkheid. Man-su’s ‘keuze’ wordt gedreven door een wanhopige behoefte om zijn rol als hoofd van het huis te behouden. Hij laat zien (al dan niet op extreme wijze) dat mannen gevangen zitten in een systeem dat hen dwingt tot geweld om hun loyaliteit en ‘mannelijkheid’ te bewijzen, omdat het anders leidt tot een sociale dood. Een thema dat Park al sinds Joint Security Area (2000) aan de orde stelt, al ruilt Park nu het leger in voor het bedrijfsleven.

De kritiek op het kapitalisme druipt van de film af. Door de harde Amerikaanse kapitalistische cultuur zit hij zonder baan, en het hiërarchisch bedrijfsleven in Zuid-Korea voorkomt dat hij een nieuwe baan van hetzelfde niveau vindt. Man-su zit in een vicieuze cirkel en het licht aan het einde van de tunnel lijkt niet bereikbaar. Na meer dan een jaar werkloosheid besluit Man-su dat er maar één logische manier is om de concurrentie uit te schakelen: door ze daadwerkelijk uit te schakelen.

Absurde wanhoop
Hij plaatst een valse vacature in de krant om zijn concurrentie te lokken, maar een einde aan hun leven maken is makkelijker gezegd dan gedaan. Bij zijn eerste kans stuntelt hij met het pistool, wat resulteert in een chaotische en absurd hilarische schreeuwpartij tussen hem en zijn slachtoffer, terwijl op de achtergrond keiharde muziek klinkt. Die absurde en donkere humor zien we keer op keer terug, zo ook wanneer Man-su op het punt staat een nieuw slachtoffer te vermoorden. Hij staat met een vaas boven zijn hoofd op een dak, wanneer de bewoonster plots de deur van haar dakterras opendoet.

No Other Choice

Toch voel je als kijker nog steeds enige sympathie voor Man-su, want hoewel zijn acties nogal dramatisch zijn, kun je als kijker begrijpen waar hij vandaan komt. Het voelt wel wat vreemd, want je hoort natuurlijk niet te lachen om een moordenaar. Het gestuntel van Man-su doet denken aan Parks Oldboy waar het hoofdpersonage in de bekende vechtscène in de gang struikelt over wapens en af en toe even op adem moet komen. Met dit soort momenten toont Park het absurde van situaties waarin personages zich bevinden.

Typisch Park Chan-wook
Met de tweede moord verandert de film weer in een klassiek Park Chan-wook-project. Man-su lijkt deze keer meer berekenend en meedogenloos. Lee Byung-hun maakt de wanhoop van zijn personage zo realistisch dat je als kijker bijna gaat geloven dat de moorden gerechtvaardigd zijn. Park creëert een wereld waarin het op brute wijze vermoorden van je concurrenten lijkt op een wanhopige laatste poging om jezelf te redden, in plaats van de gruwelijke misdaad die het in werkelijkheid is.

Ook visueel verandert er veel in de tweede helft. Terwijl Man-su en zijn familie aan het begin van de film genieten van de stralende zon, vormen zich op de achtergrond donkere wolken. Het kleurenpalet van de film wordt steeds grauwer. Verder zit No Other Choice vol dynamisch camerawerk en een enorme hoeveelheid aan gedetailleerde decors, zoals we van Park gewend zijn.

Het einde van No Other Choice laat zowel Man-su als de kijker met een dubbel gevoel achter. Het is duidelijk dat je het verleden niet terug kan halen en dat zijn acties hem zullen blijven achtervolgen. Met zijn jongste film laat Park zien dat hij kan vernieuwen en tegelijkertijd enorm zichzelf kan blijven. De vernieuwing lijkt te werken, want bij het kijken van dit moderne meesterwerk verveel je je geen minuut.

 

4 februari 2026

 

ALLE RECENSIES

Titanic: De onzinkbare film

Titanic na 25 jaar nog intenser te beleven
De onzinkbare film

door Paul Rübsaam

‘Unsinkable’ zou het destijds grootste passagiersschip ter wereld zijn, maar na een aanvaring met een ijsberg op 15 april 1912 ging het verrassend snel ten onder. Het merendeel van de opvarenden kwam om het leven. De op de scheepsramp gebaseerde, geromantiseerde speelfilmkolos Titanic (James Cameron, 1997) lijkt als publiekstrekker tegen alle stormen bestand. In 2012, honderd jaar na de ramp, verscheen Titanic al in 3D. Ter gelegenheid van de 25e verjaardag van de film wordt deze nu in 4K HDR 3D uitgebracht.

Veel is bekend over de oorzaken, vooral na de vondst van het scheepswrak op 3800 meter diepte op de bodem van de Atlantische Oceaan in 1986. Op de avond van 14 april 1912 was men zich te laat bewust van het gevaar van de ijsbergen op de vaarroute van Southampton naar New York. Datzelfde geldt voor de half mislukte poging van de stuurman om de ijsberg nog te ontwijken. De volautomatisch sluitbare compartimenten van de Titanic waren verantwoordelijk voor het vollopen van het voorste deel van het schip na de aanvaring. Dat werd topzwaar, zodat de gigant met zijn iconische vier in tweeën brak en snel zonk. De perfectionistische cineast James Cameron maakte dankbaar gebruik van deze gegevens, maar ook van de documentatie over de bouw van het schip en de passagierslijsten. 

Titanic 25th Anniversary

Dijk van een draak
Camerons Titanic maakt indruk op bijna iedereen die hem gezien heeft. Al valt de film met de soms al te tranentrekkende liefdesgeschiedenis van Rose DeWitt Bukater (Kate Winslet) en Jack Dawson (Leonardo DiCaprio) en de stereotiepe bij de ramp betrokken goede, slechte en ambivalente karakters misschien wel te typeren als ‘draak’. Nog altijd is het dan een dijk van een draak, een cinematografische megaconstructie die ondanks zijn hemeltergende lengte van 190 minuten staat als een huis.

Titanic is geen romantisch drama met een vleugje rampenfilm, of het omgekeerde. Beide bestanddelen komen tot volledige wasdom, maar zijn zo kundig in elkaar gelast dat je die meer dan drie uur niet eens ervaart als een heel lange zit. Cameron bewerkstelligt dit onder andere door het begin van de plotfase van het romantische drama samen te laten vallen met de voorbodes van de ramp. De ijsberg dient zich juist dan aan als Rose en Jack zich volledig bevrijd hebben van de benauwenis van hun standsverschillen. Op de vlucht voor de lijfwacht van Rose’ s akelige verloofde Caledon Hockley (Billy Zane) darren ze als verliefde grote kinderen rond door de ruimen, zalen, vertrekken en gangen van het immense vaartuig.

Listig heeft de regisseur met de saffierblauwe diamant ‘Le Coeur de la Mer’ nog een derde verhaallijntje gezekerd. Dit fictieve peperdure onderdeel van de kroon van Lodewijk XVI mag niet alleen even hangen om de hals van de naakte, door Jack getekende Rose, maar legt ook een spannende route af via een kluis en verschillende jaszakken, tot en met de 101-jarige Rose (Gloria Stuart: Poor Little Rich Girl, 1936) in het heden van 1997.   

Come, Josephine…
Titanic is niet alleen een dijk van een draak, maar was anno 1997 ook een block van een buster. De productiekosten bedroegen meer dan de helft van de kosten van de bouw van het schip. Een immense nieuwe studio met diverse waterbassins maakte deel uit van investeringen. Toch wist de film met een recette die in de miljarden liep meer dan het tienvoudige op te brengen, in schril contrast met de uiteraard verliesgevende onderneming waar rederij White Star Line zich destijds aan waagde.

Minder goed kwantificeerbaar zijn de opbrengsten van Titanic voor de carrières van Kate Winslet en Leonardo DiCaprio. De Britse actrice en de Amerikaanse acteur waren destijds nog relatief onbekend, hoewel Winslet zich al had onderscheiden met haar rol in Heavenly Creatures (Peter Jackson, 1994) en DiCaprio in What’s Eating Gilbert Grape (Lasse Hallström, 1993).

In Titanic oogt het duo jong en fris. Geloofwaardig bewegen de zeventienjarige eersteklaspassagier en ‘poor little rich girl’ Rose DeWitt Bukater en de twintigjarige vrijbuiter, arme sloeber, tekenaar en derdeklaspassagier Jack Dawson zich tussen de bemanningsleden en overige passagiers. Het haar van Winslet in haar rol van Rose is rood en ze heeft zelfs nog wat puppyvet. Ze kan haar bovenlip optrekken voor een spottend glimlachje, zoals rijke meisjes dat doen wanneer ze iets als vulgair zouden moeten veroordelen, maar eigenlijk juist spannend vinden. En het is natuurlijk de dappere schelm Jack, bijna een jochie nog, die al het onderdrukte in Rose boven weet te halen.

Titanic 25th Anniversary

Titanic heeft de voorspoedige loopbanen van Winslet en DiCaprio mede geschraagd doordat de film ze in staat stelde hun onderlinge chemie te demonstreren. Zo laat Rose laat zich met haar ogen dicht door Jack begeleiden naar de reling van de achtersteven. Dezelfde reling die het tweetal later, als het schip al half gezonken en in tweeën is gebroken, nog een laatste houvast zal bieden. Ze klimt op de reling terwijl Jack haar stevig vasthoudt en zachtjes het liedje ‘Come, Josephine in My Flying Machine’ (Fred Fisher, Alfred Bryan, 1910) in haar oor zingt. Dan opent ze haar ogen en spreidt haar armen als vleugels. ‘I’m flying’. Ook Jack spreidt zijn armen, een kus en tenslotte een wide shot van het schip, de zee en de twee ‘vogels’ (of vliegtuigen) als boegbeeld op de achtersteven. Alleen kijkers met een hoge zwijmeldrempel kunnen hier onberoerd onder blijven.

Scherper en dieper
Toen Titanic in 2012 in 3D werd uitgebracht, hoopte Cameron dat zijn toch al overspoelende film daarmee nog meer uit het scherm zou spatten. Volgens het destijds uitgegeven persbericht zou de kijker zich nadrukkelijker zelf op het schip aanwezig kunnen voelen, de scènes van de ramp intenser kunnen beleven en emoties op een nog persoonlijker niveau kunnen ervaren. En nu verschijnt Titanic dan in 4k HDR 3D in de bioscopen, wat wil zeggen: met nog scherper beeld en nog meer diepte.

Het schip was in 1912 tot zinken gedoemd. Zelfs het door bacteriën al half weg gevreten scheepswrak zal volgens deskundigen de tand des tijds niet kunnen doorstaan. Maar met de voortschrijdende beeldtechnologie moet Titanic ook een jonger publiek aan zich kunnen binden en zal het uitgebalanceerde filmgevaarte van James Cameron eens te meer behoed worden voor het wegzakken in de diepten van de oceaan der vergetelheid.

 

7 februari 2023

 


ALLE ESSAYS

Als de kraanvogels overvliegen

****
recensie Als de kraanvogels overvliegen
Vervlogen geluk

door Tim Bouwhuis

Een idyllisch beeld: kraanvogels nemen een vlucht boven Moskou terwijl twee gezworen minnaars de liefde vieren. En dan de oorlog, als ruwe verstoorder van “te mooi om waar te zijn”. Als de kraanvogels overvliegen wordt vandaag de dag geëerd als het vroegste hoogtepunt van de Russische nieuwe golf (1957-1968).

Hij moet gaan, zij blijft achter. De plot van Als de kraanvogels overvliegen (Letjat zjoeravli) is er één uit het boekje, maar de filmische uitwerking is een huzarenstuk van regie en camera. Bijna vijfenzestig jaar na dato ligt het blijvende belang van deze productie dan ook vooral besloten in de stilistische kenmerken en het toenmalige momentum van verschijnen.

Als de kraanvogels overvliegen

De twee geliefden van de film, Veronika en Boris (rollen van glorieuze debutante Tatyana Samoylova en Aleksey Batalov), belichamen namelijk een kruispunt in de Russische (film)geschiedenis. Eens Stalin (1878-1953) begraven was (bekijk zeker de dit najaar uitgebrachte archiefdocumentaire State Funeral), ontstond er geleidelijk een sociaal-cultureel klimaat waarin met een andere blik kon worden teruggekeken op het recente (oorlogs)verleden. Dat klimaat mocht nooit een utopie worden: films als Dear Comrades! (Andrey Konchalovskiy, 2020) laten duidelijk zien dat er ook onder Nikita Chroesjtsjov (aan de macht tussen 1953 en 1964) beslist geen heilstaat werd gecreëerd. Toch presenteert Als de kraanvogels overvliegen een bijzonder open en kritische beschouwing van de Russische oorlogsinspanning en de visie die daar mede aan ten grondslag ligt.

Perpectieven
De films van Michail Kalatozov (na Als de kraanvogels overvliegen maakte hij De brief die nooit verzonden werd, die ook gerestaureerd is), hoe rijk aan propaganda ook (zie het verleidelijke meesterwerk Soy Cuba, dat zonder geld van de Sovjet-overheid nooit gemaakt had kunnen worden), wijken qua benadering af van de meer collectief georiënteerde films van het tijdperk Stalin. De beste filmmakers (Sergei Eisenstein, Vsevolod Pudovkin en anderen) van die periode moesten te allen tijde rekening houden met de straffe censuur en eisen van het regime.

Een van de pijlers van de communistische heilstaat was de arbeider, die zich onvoorwaardelijk in dienst stelde van het ideaal en als zodanig opging in de massa. Vertaald naar de periode van de Tweede Wereldoorlog betekende dat dat mannen zonder pardon gescheiden werden van hun geliefden, en dat het vooral een eer moest heten om voor het vaderland ten strijde te trekken.

Het tijdperk Chroesjtsjov was zogezegd geen onvervalst positieve perestrojka (‘herbouwing’), maar er ontstond wel ruimte om (onder andere door middel van film) andere perspectieven op de Russische beleving van oorlog en maatschappelijke verandering uit de doeken te doen. Terwijl Boris de wapens opneemt aan het oostfront, heeft Kalatozov alle aandacht voor de ervaringen van Veronika in een verscheurd Moskou. Het wordt haar bepaald niet makkelijk gemaakt om de terugkeer van haar geliefde eerbiedig af te wachten: haar neef (een rol van Aleksandr Shvorin) staat te trappelen om Boris’ plek in te nemen. Veronika loopt gekwetst weg als haar baas in het ziekenhuis (waar ze tijdelijk dienst doet als verpleegster) schande spreekt van vrouwen die hun heroïsche echtgenoten niet onvoorwaardelijk opwachten. Haar neef slaat ze wanhopig van zich af, maar ondertussen schuift de vrees voor een tragisch lot als een schaduw voor de horizon. De kraanvogels worden in dat licht dubbelzinnige symbolen: ze zijn richtpunten van zowel hoop als vervlogen geluk.

Als de kraanvogels overvliegen

Visuele motieven
Een film als I am Twenty (Marlen Khutsiev, 1965), deze zomer nog terecht onder de aandacht gebracht door het IFFR (in het online 50/50 programma van Unleashed), is in zijn lyrische weergave van liefde in vrije tijden duidelijk geïnspireerd door Als de kraanvogels vliegen. De film van Kalatozov combineert de anticipatie van een meer optimistische toekomst (die nog veel zichtbaarder is in I am Twenty) met een overheersend gevoel van rouw ten aanzien van het verleden. Deze spanning tussen uitersten heeft ook betrekking op de persoon van Andrej Tarkovsky, die in I am Twenty figureert als een beleerde student maar een paar jaar daarvoor doorbrak met De Jeugd van Ivan (1962, in 2019 nog in de Nederlandse zalen).

Als de kraanvogels overvliegen en De Jeugd van Ivan zijn niet alleen vergelijkbaar in hun kernachtige pacifisme, maar ook in hun dynamische beeldvoering en onorthodoxe camerastandpunten. Sergey Urusevskiy, een vaste medewerker van Kalatozov in zijn beste werk, combineert zijn gedurfde gevoel voor perspectief (de zogeheten ‘high angle’-shots zou hij later perfectioneren in Soy Cuba) met duizelingwekkende tracking shots die menigmaal eindigen in dramatische close-ups.

De stilistische keuzes en filmlocaties zijn cruciaal, aangezien Kalatozov betekenis uitdrukt via slimme visuele motieven die in een andere context plots een andere lading krijgen. Zo zijn de kraanvogels te zien op twee contrastrijke momenten. Een doodgewone trappengalerij verandert in oorlogstijd in een brandende ruïne. En de lange sprint naar boven, een eindeloze opwaartse spiraal, eindigt pas als het de tragische held aan het front langzaam zwart wordt voor de ogen.

Als de kraanvogels overvliegen zou in de gerestaureerde versie vanaf 2 december in een aantal bioscopen draaien, maar wegens de huidige coronamaatregelen is dat uitgesteld. De film is momenteel te zien op YouTube. De nieuwe versie is inmiddels verschenen op Criterion.

 

30 november 2021

 

ALLE RECENSIES

10 grensverleggende films

Tien grensverleggende films

10 grensverleggende films

Feitjes over films zijn altijd leuk. Nog leuker is om je te realiseren wat ze allemaal in gang hebben gezet. Tien mijlpalen in de filmgeschiedenis die de grenzen verlegden: van de allereerste speelfilm tot en met de eerste bewustwordingsfilm over voeding.

door Cor Oliemeulen

1. – The Story of the Kelly Gang (1906) – allereerste speelfilm

Niet Amerikanen of Europeanen maakten de allereerste speelfilm. Ene Charles Tait uit het Australische goudzoekersparadijs Castlemaine en twee van zijn broers vertoonden op 26 december 1906 het bijna zeventig minuten lange The Story of the Kelly Gang. Dit westerndrama gaat over de beruchte Ierse balling Ned Kelly, die na de moord op drie politiemannen vogelvrij werd verklaard. Veel fragmenten op de filmrol hebben de tand des tijds niet goed doorstaan of zijn simpelweg verdwenen. In de gerestaureerde versie zijn foto’s en teksten geplakt om de leemtes in het verhaal op te vullen. Wat opvalt is het gebruik van echte pistolen! Tijdens schermutselingen wordt er vaak bewust in de grond of in de lucht geschoten, waarna tegenstanders toch dood neervallen. Charles Tait kreeg negen kinderen en maakte geen tweede speelfilm.

 

2. – Nanook of the North (1922) – eerste documentaire

Robert J. Flaherty was goudzoeker aan de andere kant van de wereld, in het hoge noorden van Canada, en maakte daar prachtige natuuropnames met mens en dier. Op een dag knoeide hij sigarettenas op zijn kilometerslange, uiterst brandbare rollen celluloid en werden alle opnamen vernietigd. Flaherty, die een relatie met een Eskimofamilie had opgebouwd, begon weer vol goede moed aan zijn film over het leven van de Inuit. Maar wat bleek later? Sommige fragmenten waren in scène gezet, zoals de vangst van een zeehond – die al dood was toen die zogenaamd door Nanook en zijn gezin onder het ijs vandaan werd getrokken. De vraag is of Nanook of the North door het manipuleren van de werkelijkheid een echte documentaire is. In ieder geval schetst de film een authentiek beeld van de ongerepte natuur in het noordelijk poolgebied.

 

3. – La coquille et le clergyman (1928) – eerste surrealistische speelfilm

Het door de Franse schrijver André Breton in 1924 gepubliceerde Manifest van het Surrealisme predikte een levenshouding. Fantasierijk, volledige vrijheid, loslaten van het verleden en zich niets aantrekken van bestaande regels. De visuele verbeeldingskracht staat los van verstand en logica, en is toepasbaar op alle kunstvormen. De beroemdste vroege surrealistische film is Un chien andalou (1928), waarmee Luis Buñuel en Salvador Dalí de gevestigde orde schokten. Maar de allereerste surrealistische speelfilm verscheen eerder dat jaar. In La coquille et le clergyman (De zeeschelp en de priester) van regisseuse Germaine Durlac maken we kennis met de dromen en erotische fantasieën van een priester. Het zowel originele als maffe script is van Antoine Artaud, die later met de introductie van zijn Wrede Theater ‘te surrealistisch’ werd bevonden door Breton en consorten.

 

4. – The Ox-Bow Incident (1943) – eerste humane western

In westerns werden indianen als bloeddorstige barbaren afgeschilderd. Dat negatieve beeld veranderde met de revisionistische western, waarin indianen en Mexicanen juist als sympathieke mensen worden neergezet. Mooie voorbeelden zijn High Noon (1952), Little Big Man (1970) en Dances with Wolves (1990). Al in 1943 verscheen The Ox-Bow Incident van William A. Wellman dat een sleutelrol speelt in de geschiedenis van de western. Deze eerste humane western houdt een pleidooi voor de rechtstaat als fundament van de samenleving. Drie mannen worden verdacht van moord en zonder proces opgehangen door een hysterische menigte. Later blijken ze onschuldig. Eén van de terechtgestelden had nog een afscheidsbrief mogen schrijven. In de ontroerende finale leest het personage van Henry Fonda, één van de weinigen die de executies probeerde te verhinderen, de brief voor aan een saloon vol daders.

 

5. – Sommaren med Monika (1953) – eerste vrijgevochten film

De Zweedse filmmaker Ingmar Bergman genoot een strenge opvoeding (vader was luthers predikant), was bang voor de dood en twijfelde aan God en het geloof. Dat resulteerde in 1957 in het meesterwerk Det sjunde inseglet (Het Zevende Zegel). Vier jaar eerder zorgde Bergmans doorbraakfilm Sommaren med Monika (Zomer met Monika) al voor de nodige ophef. Een vrijgevochten meisje (Harriet Andersson), dat met haar vriendje vlucht voor haar burgerlijke ouders, gaat uit de kleren. In Amerika ging de schaar in Bergmans vernieuwende, realistische filmstijl, en bleven hoofdzakelijk beelden van het stoute meisje over. “In de buurt werd er gesproken over een naaktscène. Zoiets was destijds ongehoord in Amerikaanse films”, zei regisseur Woody Allen, die net als veel anderen pas later Bergmans werkelijke kwaliteiten zou ontdekken.

 

6. – L’avventura (1960) – eerste moderne filmvertelling

Naast Bergman plaveide Michelangelo Antonioni de weg voor Europese films in Amerika. Tijdens zijn hele oeuvre bestudeerde de Italiaanse maestro van de moderne cinema de zoektocht naar betekenis en toonde hij zijn personages niet conform de toen geldende filmwetten. Zo worden hartstochtelijke vrouwen en communicatief impotente mannen in een dialoog met de rug naar elkaar geplaatst om hun psychologische afstand te symboliseren. Vanaf L’avventura (1960) wordt het verhaal ondergeschikt aan de gevoelens en worden de personages geplaatst in een omgeving die hun gemoedstoestand benadrukt, soms heel nietig in een overweldigend landschap of als een stipje voor een gigantische muur. Tijdens de wereldpremière op het filmfestival van Cannes klonk veel gejoel. Het publiek vond de shots veel te lang en kon het niet verteren dat hoofdrolspeelster Anna zomaar verdwijnt om vervolgens niet meer terug te keren in het verhaal.

 

7. – Straw Dogs (1971) – eerste verkrachtingsscène

Nog voordat de Hays Code in de Verenigde Staten werd afgeschaft, trok een schietgraag overvalkoppel in Bonnie and Clyde alle ongecensureerde registers open. Seks, drugs en vooral geweld vulden vanaf 1967 het witte doek. Gevlucht voor de verruwing in zijn geboorteland betrekt een Amerikaanse astrofysicus met zijn Britse vrouw in Straw Dogs een groot huis op het Engelse platteland. Helaas loopt hun relatie met enkele ingehuurde werklieden niet van een leien dakje en duurt het niet lang voordat iemand zich aan de vrouw des huizes (Susan George) vergrijpt. Natuurlijk kende de filmgeschiedenis al suggestieve aanrandingen, maar zeker een regisseur als Sam Peckinpah wist wel raad met het schokkend in beeld brengen van de dubbele verkrachtingsscène (waarbij het lijkt alsof de vrouw aanvankelijk nog geniet). Het is aan manlief (Dustin Hoffman) om zich uiteindelijk over te geven aan een bloederige wraakorgie.

 

8. – Westworld (1973) – eerste film met CGI

Beste millennial. Er was een tijd dat een grote ruimte vol computerkasten minder capaciteit had dan een enkele chip in je telefoon. Tegenwoordig kan film elke illusie creëren en digitale animatie zie je in bijna elke game en Hollywoodproductie. Wat nu normaal is, was vroeger bijna lachwekkend. De eerste speelfilm waarin CGI (Computer Generated Imagery) werd toegepast, is Westworld (1973). In het sciencefictionverhaal van debuterend regisseur Michael Crichton slaan bij een ‘gunslingerrobot’ (Yul Brynner) in een futuristisch amusementspark de stoppen door. Gelukkig is zijn zicht – dat bestaat uit grove pixels (gemaakt door de computer) – wat beperkt. Hoe knullig de scène er nu ook uitziet, hij zette wel de deur open voor bijvoorbeeld de eerste volledig met de computer gemaakte film: Toy Story (1995).

 

9. – Festen (1998) – eerste Dogme 95-film

In het ontwaakte digitale tijdperk kregen filmmakers in Denemarken de behoefte terug te keren naar de basis. Lars von Trier en Thomas Vinterberg stelden een manifest met tien regels op. Je moest voortaan op 35mm filmen, op locatie met de camera in je hand, zonder extra belichting. De film mocht geen oppervlakkige actie bevatten en het manipuleren van beelden (effecten en filters) was natuurlijk uit den boze. Deze ‘eed van zuiverheid’ leidde tot de eerste zogenoemde Dogme 95-film: Festen (1998). Het beeld van de reünie waar de zestigste verjaardag van pa wordt gevierd, is korrelig, soms schokkerig, en oogt authentiek. Het drama is zo werkelijk dat Thomas Vinterberg tijdens de beroemde incesttoespraak een deel van de acteurs in het ongewisse hield over de afloop. Ondanks het nobele streven, was na een paar jaar weinig meer van Dogme 95 over.

 

10. – Food, Inc. (2008) – eerste bewustwordingsfilm over voeding

Terwijl in Nederland de meeste boeren hun best doen om een verantwoord product op tafel te zetten, nemen ze het in Amerika niet zo nauw. Food Inc. gaf als eerste film een interessant kijkje achter de façade van vrolijk huppelende koeien in groene weiden die op pakken zuivel staan afgebeeld. Overzee blijkt voedselproductie in handen van megagrote bedrijven die nauwelijks oog hebben voor dierenwelzijn en verantwoord bodemgebruik. Ze worden bovendien gesubsidieerd door de overheid, want op groente en fruit valt weinig winst te behalen. In hamburgers zit soms ‘vlees’ van tientallen runderen, waardoor de oorsprong van eventuele ziektekiemen moeilijk is te achterhalen. Ook documentaires als Super Size Me (2004), waarin je lekker onverantwoord kunt eten bij McDonalds, maakten de weg vrij voor een reeks bewustwordingsfilms over dierenonwelzijn, vet, suiker en tal van andere producten waarvan we het naadje van de kous niet wisten.

 

21 december 2019

 
Alle leuke filmlijstjes

Vinden jullie 2019 ook zo’n slecht filmjaar? (deel 1)

Ondertussen, op de redactie:

Vinden jullie 2019 ook zo’n slecht filmjaar? (deel 1)

COR:  

Van de 220 films die in de eerste helft van 2019 in de bioscoop verschenen, heb ik er veertig gezien. Ik vraag me af waarom zo weinig. Waarschijnlijk ben ik selectiever gaan kijken. Ik hoef niet meer per se de laatste film van François Ozon of Mike Leigh te zien en ook Climax van Gaspar Noé brengt mij niet tot een hoogtepunt, omdat ik bij voorbaat weet dat die niets aan mijn persoonlijke ontwikkeling of verbeelding zal toevoegen.

Ik kijk zelden trailers, maar baseer mijn keuze om te gaan kijken puur op mijn gevoel, hoewel namen van de filmcrew altijd wel een rol spelen. De volgende films vond ik prima te verteren: The Favourite, Stan & Ollie, At Eternity’s Gate, Vice, Lazzaro Felice, Anna’s War, Another Day of Life en An Elephant Sitting Still. De rest ben ik gelukkig al vergeten (daarom collega’s, ben ik zo slecht in filmkwissen geworden ;-) ).

The Favourite (Yorgos Lanthimos, 2018)

The Favourite (Yorgos Lanthimos, 2018)

Ik mis originaliteit, diepgang, visie en zeggingskracht. Mensen die in deze tijd opgroeien, zijn meer dan ooit overgeleverd aan marketing, oppervlakkigheid, eenheidsworst en de waan van de dag. Alleen een universele revolutie kan het tij keren. Met weemoed grijp ik dan maar weer eens terug naar de cinema uit vervlogen tijden. Zo word ik intens gelukkig van de indringende zwaarmoedigheid van Ingmar Bergman, laat ik me heerlijk meeslepen door screwball comedies van Preston Sturges en beschouw ik bijna elke willekeurige film van het Italiaanse Neorealisme als een verrijking van de ziel – om maar een paar voorbeelden te noemen.

Natuurlijk kijk ook ik weleens een ongecompliceerde actiefilm (de oeuvres van Jason Statham en Steven Seagal zijn mij niet vreemd, en gisteravond nog zag ik Venom, het zoveelste vermakelijke, maar luidruchtige, Avengers-avontuur), maar het voelt alsof de tijd begint te dringen. Misschien ga ik me wel wagen aan mijn eigen uitgave van ‘1000 films die je gezien moet hebben’, hoewel ik me realiseer dat ik dan nog zeker even zoveel films ‘moet’ gaan kijken. Buiten kijf staat dat ik weer eens diep in de filmgeschiedenis ga duiken. Dat betekent dat ook de tweede helft van 2019 niet op mij hoeft te rekenen.

 

YORDAN:  

Ik, als product van deze tijd, ben het eigenlijk volledig met je eens. Er zijn heel weinig filmmakers nu waar ik zeker voor naar de bioscoop wil. Ik denk dat de commercialisering van film zijn grenzen begint te bereiken. Film wordt een karikatuur van zichzelf, en we weten het allemaal. Men gaat naar films, al wetende dat men het niks gaan vinden… Het is wachten op het moment dat we dat niet meer doen, we niet meer om deze grap kunnen lachen.

Ik persoonlijk geef de schuld aan kapitalisme. Het lijkt op elk gebied de grens te bereiken. Het beschadigt democratie, milieu, sociaal gemeenschappelijk leven en zo ook cultuur. Ik zie een duidelijke tendens naar oppervlakkigheid in muziek en film. Maar goed, dat is mijn politieke invulling. Ik heb ook moeite met het zien van veel films van dit jaar, vooral ook omdat ik nog véél meer klassieke films moet zien ;)

 

ALFRED:

Dank voor jullie berichten. Het is een steuntje in de rug, want ik voel me nu minder alleen, ha!

Dit wordt dus een Ondertussen van de treurige soort, want: 1) we zijn het eens, en 2) de kwestie is deprimerend.

Enkele maanden geleden vroeg ik me af waarom ik recentelijk een duidelijke dip in mijn bioscoopbezoek kon constateren, waarom ik aanmerkelijk minder gebruik maak van mijn Cinevillepas dan vorig jaar of de jaren daarvoor. En als ik dan een film selecteer, is het negen van de tien keer een oude(re) film. Het percentage oude(re) films in mijn filmconsumptie is de afgelopen jaren gestaag gestegen. Harder dan het aanbod.

De oorzaken hebben jullie al aangegeven: het marketinggeweld, de verplatting van de cultuur (die eigenlijk niet meer bestaat en nu, mede dankzij de marketeers, als lifestyle door het leven gaat), de infantilisering van de samenleving, het gebrek aan lef (want risicomijdend gedrag wordt beloond en afwijkend gedrag bestraft met uitsluiting) en bijgevolg de voorspelbaarheid … van alles eigenlijk, van de politiek, de media, maar ook zeker de films.

Cinevillepas

Het publiek slikt het braaf. Met jonge mensen kun je lastig in discussie gaan, want wie het niet bij voorbaat met hen eens is, is een racist, vrouwenhater, homohater, (vult u maar in) of op zijn minst een ingekakte dinosaurus van het blanke, hoogopgeleide en mannelijke soort. Dus bij voorbaat de schuld van alles wat er mis is met de wereld. Waar in de ogen van veel jonge mensen die ik niettemin spreek niet zoveel mee mis is, behalve dat er ingekakte dinosaurussen van het blanke, hoogopgeleide en mannelijke soort in rondlopen. Verder alles kits en dat nieuwe Instagramfilter dat vlinders op je gezicht tovert is helemaal de bom. Wat, ken je die nog niet?

Je kunt het inderdaad heel kernachtig wegschrijven op het krediet van het kapitalisme. Het voert veel te ver om daar in dit verband omstandig op in te gaan, maar in de grond komt het daar wel op neer.

Ik heb er eind vorig jaar al voor gekozen om voor InDeBioscoop minder films te bespreken en me meer te richten op interviews en achtergrondverhalen. Nu begrijp ik dat jullie eveneens een zekere malaise ervaren. Hollywood heb ik al lang opgegeven, maar CinemAsia was dit jaar ook minder dan daarvoor, daarnaast bleek een genrefestival als Imagine dit jaar eveneens voornamelijk gevuld met voorspelbare middelmaat, en loop ik al een paar jaar met een grote boog heen om wat ik de ‘festival-arthousefilm’ noem, het soort film dat keurig alle hokjes afvinkt om door de ballotage van de filmfestivals wereldwijd te komen en vervolgens – gelukkig slechts beperkt – in het filmhuis wordt vertoond. Ik wil maar zeggen, de malaise is structureel en wereldwijd. Uitzonderingen daargelaten, uiteraard. Maar, en dat is het verontrustende, die uitzonderingen lijken ook steeds zeldzamer te worden.

Help! Wat nu? Ik heb dezelfde oplossing gekozen als Cor: ik laat het nieuwe werk grotendeels lopen en stel mijn eigen cinema-universum samen uit het menu van films die de distributeurs ons voorschotelen. Ik ben, als inwoner van Amsterdam, in de gelukkige omstandigheid dat ik wekelijks kan kiezen uit meer dan 100 films (vaak zo’n 130, 140), waaronder een groeiend aantal hervertoningen van oude(re) films. Want het goede nieuws is dat – in Amsterdam, ten minste, en elders wellicht ook – een aantal programmeurs heeft bedacht dat er om nieuwe releases heen een reeks van hervertoningen kan worden gepresenteerd. Voorbeeld: nieuwe Tarantino komt er aan, daaraan voorafgaand zijn alle Tarantino’s nog eens te zien. Ik kom steeds vaker themaprogramma’s tegen rond Ghibli Studio, sciencefictionfilm, bepaalde regisseur of acteur/actrice, (deel)genre, of verzin het maar. Ik weet het, ook dat is ingegeven door marketing.

Dus geen nood, ik moet nog een enorme berg aan oude(re) films inhalen of opnieuw zien en gelukkig worden ze steeds vaker geprogrammeerd. En zo niet? Ik heb van YouTube al een vracht film noir geplukt, waaronder enkele films van Fritz Lang die niet op video of dvd zijn te vinden.

Aldus kom ik ook op ideeën voor achtergrondstukken, bijvoorbeeld voor InDeBioscoop. Of ik ze ooit schrijf, zal de tijd leren. Maar de nieuw Avengers mis ik niet, want ik laat ‘m lopen. De nieuwe Gaspar Noé idem dito. Ik wentel me in weelde.

Het is raar gesteld: vroeger, in de jaren zeventig, had je vrijwel iedere week een nieuwe spraakmakende film, maar die kon je alleen op dat moment zien, want video, dvd, hervertoningen en filmfestivals bestonden nog niet. Nu komen we om in de streamingdiensten, gespecialiseerde festivals, rereleases van klassieke films, dvd-boxen uit alle hoeken en gaten van de filmhistorie en een jaarlijks groeiend aantal films dat in de Nederlandse bioscoop is te zien—en is het met het aanbod nieuwe spraakmakende films droef gesteld.

Het is ook nooit goed! Troost je, het is nooit goed geweest.

 

YORDAN:

Ik wil toch even wat zeggen over het economische systeem. Je ziet gewoon dat bepaalde sectoren niet goed functioneren op een markt gericht op massaproductie. Sommige maatschappelijke fenomenen verdrinken nou eenmaal op onze markt. Dit geldt onder andere voor de zorg, onderwijs en cultuur.

Ik zie dit persoonlijk zelfs in het strafrecht, waar men zijn geld verdient aan hetgeen het eigenlijk moet voorkomen. Dezelfde paradox zien we in film: hoe kan een studio volgens de bedrijfskundige modellen investeren in een film die iets onbekends wil vertellen? Iets dat nooit gedaan is? Dat is zo prachtig tegenstrijdig aan het maken van een veel slechtere remake. Het teert op de culturele waarde die geschapen is door het origineel zonder zelf iets toe te voegen. Dat is totaal niet duurzaam, het remaken van remakes houdt een keer op.

Climax (Gaspar Noé, 2018)

Climax (Gaspar Noé, 2018)

Ik vind het succes van Nolan typerend voor deze tijd. Films die draaien om een “vet verhaal” maar geen menselijke personages hebben of überhaupt iets echts te vertellen. Het is als Hitchcock zonder de psychoanalyse, slechts de plottwist om de consument een achtbaanritje te geven. Het is seks zonder liefde of bier zonder alcohol. Dit verklaart voor mij mede de opkomst van series. In series draaien het niet echt om menselijke personages maar om cliffhangers en de plotselinge dood van een personage. Het is wat in Alphaville (ja ik heb hem eindelijk gezien!) zo goed beschreven wordt; de rationaliteit wint het van de emotie. Dit gebeurt overal om ons heen.

Het internet brengt gelukkig zoals Alfred terecht beschrijft wel meer mogelijkheden met zich mee om van alles te kunnen kijken. Men moet alleen nog weten hoe je door de bomen het bos nog kunt zien. Daar zijn wij voor. Dus misschien maar strenger recenseren? Ik had Climax namelijk wel een ster minder moeten geven achteraf gezien… Noé had niks te vertellen.

Misschien is het een idee om een aantal grote films van deze tijd naast, qua thema, vergelijkbare grote films van vroeger te leggen en aan te wijzen op welke gebieden ze nu vlakker zijn geworden?

Een hoopvol perspectief om mee af te ronden is wellicht dat in de toekomst films steeds goedkoper gemaakt kunnen worden en dat dat doorgang kan geven aan originele en nieuwe ideeën.

 

BOB:

Eindelijk weer een onderwerp naar mijn hart: klagen over hedendaagse films. Ik ben echt een hipsterklager; ik klaagde al menigmaal in mijn jaaroverzichten over het feit dat ik vaak maar nauwelijks tot een top 5 kon komen. Bewijzen staan op InDeBioscoop.

In een net zo relativerende bui denk ik dan wel eens: was het in 1987 beter? Of in 1981? Ik heb jaarboeken van cinema vol recensies maar als je daardoorheen bladert, is het ook een feest van vergetelheid. Films die vooral voor de economie werden gemaakt en niet voor liefhebbers van artiesten.

Niet elk decennium kan even geweldig zijn als de jaren twintig, veertig, zeventig. We moeten niet vergeten dat cinema een eeuw lang is geëvolueerd – en dat het na al die evolutie soms best moeilijk is om nog met iets nieuws te komen. Ideeën herhalen zich makkelijker dan genieën.

Cinema heeft het denk ik ook moeilijk met de opkomst van series, games en zelfs video-art. Elders vindt nu de vernieuwing plaats en valt geld te verdienen. Yordan heeft het over de economische factor: dat is het. Overleven! Die jonge generatie overbluffen met weer een nieuwe hysterisch gemonteerde superheldenfilm. Want anders: geen bezoekers, geen geld, geen vernieuwende films. Ik snap Yordans kritiek op Nolan dan ook helemaal.

Cu mâinile curate (Sergiu Nicolaescu, 1972)

Cu mâinile curate (Sergiu Nicolaescu, 1972)

Ik ben al lang bevrijd van de terreur van de hedendaagse film. De oplossing: geschiedenis! Ik ben blij dat Cor Preston Sturges aan het verslinden is, want ja, zo maken ze niet meer, die komedies. En Alfred heeft kennelijk een film noir-fase. Zou Ralph nou eens Wajda’s meesterwerken hebben ontdekt?

Ja, tijdreizen naar films uit andere tijden maakt mij immens gelukkig. Ik ga zo bijvoorbeeld weer terug naar Cu mâinile curate, genieten van Roemeense misdaad uit 1972. Dat biedt meer filmplezier tegenwoordig dan ‘de nieuwe Nolan’ of ‘de nieuwe Tarantino’.

 

TIM:

Een vraag naar m’n hart – ik moet oppassen dat ik niet in herhaling treed, en met het vingertje ga wijzen naar factoren die in jullie eerdere berichten al benoemd zijn.

Ik denk niet dat de cinema dood is. Het schrijven van mijn Lazzaro Felice-recensie was een geluksdaad, omdat Alice Rohrwacher heden en verleden begrijpt en de magie van film kan inzetten om daar iets over te vertellen. Even goed herinner ik me dat ik na het kijken van Bi Gan’s absolute tour de force Long Day’s Journey Into Night (in de grootste zaal van Pathé Schouwburgplein – dat kan alleen tijdens het IFFR) enthousiast met twee filmvrienden sprak over Wong Kar-Wai, Tarkovsky en de relatie tussen dromen en herinneringen. Die film, ik zeg het maar, werd op 4 juli door EYE uitgebracht in het Previously Unreleased-programma.

Wat is het tekenend dat zo’n extern programma nodig is om een titels als Long Day’s Journey alsnog uit te brengen. En wat is het bizar – maar tegelijkertijd ook komisch-ironisch – dat Chinese exploitanten de film alleen verkocht kregen door via de poster een zwoel liefdesdrama te impliceren. Was gelogen, natuurlijk.

Long Day's Journey Into Night (Gan Bi, 2018)

Long Day’s Journey Into Night (Gan Bi, 2018)

In zekere zin blijft kritiek altijd een noodzaak. Guy Debord begreep in de jaren ’60 al dat ‘verschijnen’ het grootste goed is van de spektakelmaatschappij waarin we nog steeds leven. Onder het credo ‘alles wat verschijnt is goed, en alles wat goed is verschijnt’, vernietigt de industrie zichzelf, en er is geen vorm van kritiek die daartegen is opgewassen.

Verschijningsvormen zullen evalueren tot bioscoopsimulaties, het werk voor onze hersens doen, en we enkel nog ‘oeh’ en ‘aah’ mogen roepen. Oh ja, wacht, dat gebeurt nu al.

Soms wil ik me echter ook op m’n rug kunnen draaien en de schoonheid omarmen die er nog wél is. Laat dat dan ook direct maar mijn credo zijn.

 

SJOERD:

Tot op zekere hoogte kan ik me vinden in het pessimisme over de huidige staat van cinema.

Dankzij een wereld waar productiviteit het enige is wat telt gaat de kunst achteruit. Efficiëntie dicteert een industriële benadering van cultuur waar eindeloze variaties op eenzelfde thema van de lopende band komen. Het geeft daarmee mede een werkelijkheid vorm waar niet meer anders dan instrumenteel kan worden nagedacht.

Daarom is er een vergaande standaardisatie van cinema. Termen als ‘B-film’ vormen een kunstmatig onderscheid om een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Het zogenaamde ‘arthouse’-segment ontkomt daar niet aan, met plichtmatig behandelde maatschappelijk verantwoorde thema’s en standaard trucjes zoals het ‘dicht op de huid’ zitten of een mooi berglandschapje.

Nu wil ik in het bijzonder de opkomst van Netflix hierbij benoemen. Nieuwe producties lijken soms welhaast door algoritmes in elkaar te zijn geflanst, op basis van wat mensen eerder vermakelijk vonden. Dat lijkt mij te verklaren waren regisseurs als de gebroeders Coen daar hun nieuwe werk uitbrengen. Men wil blijkbaar Tom Waits, James Franco, westerns en de Coens. Zo blijft alles veilig.

Ook de filmacademie draagt bij aan deze standaardisering. Het lijkt in het curriculum eerder om vakkundig vertellen te gaan dan een oprecht verhaal. Films als Take Me Somewhere Nice zijn weliswaar solide gemaakt, maar het komt ook te ingestudeerd over. Werk van de Nederlandse filmacademie is vaak van mijlenver te herkennen in ieder geval.

Het is allemaal symptomatisch voor een onbesproken crisis van deze tijd: de crisis van de verbeelding. Door alle calculatie is de mens gedomesticeerd en ontbreekt het avontuur. Men kan niet meer buiten het systeem denken (zie bijvoorbeeld het Nederlandse klimaatakkoord). Het is blijkbaar gemakkelijker het einde van de wereld voor te stellen.

The Beach Bum (Harmony Korine, 2019)

The Beach Bum (Harmony Korine, 2019)

Als ik cinema echter vergelijk met mijn andere favoriete medium popmuziek, dan valt het in eerstgenoemde nog wel mee. Binnen de muziek wacht ik al sinds Joanna Newsom’s Ys (2006) op het volgende meesterwerk. Dit heb ik bij cinema nog niet. Zo is The Beach Bum net als Spring Breakers weer opzwepend spiritueel en hilarisch tegelijk. Harmony Korine is een van de grote regisseurs van deze tijd die laat zien dat de verbeelding bij cinema nog levend is, als je maar goed kijkt.

Over goed kijken gesproken een uitsmijter. Netflix lijkt ook verantwoordelijk voor een kwalijk fenomeen in de trein. Mensen kijken op hap-slik-weg wijze film en tv op hun smartphone, alsof op een klein scherm tijdens spitsuur die esthetische ervaring mogelijk is. Dat laat zien dat buiten de productiekant om ook sprake is van de teloorgang van het kijken zelf. Zoals David Lynch daarover zegt: Get real!

PS: Buiten The Beach Bum om zijn er geen andere meesterwerken dit jaar voor zover ik weet. Dragged Across Concrete, The House That Jack Built, An Elephant Sitting Still en At Eternity’s Gate zijn in ieder geval andere favorieten uit 2019.

 

21 juli 2019

 

Lees hier deel 2 (slot).

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’