Camera Obscura Special: Filmstad Amsterdam

Camera Obscura Special:
Filmstad Amsterdam

door Bob van der Sterre

In de Camera Obscura-specials over steden mag onze eigen filmstad Amsterdam niet ontbreken. De meest gefilmde stad van Nederland… maar zelden met écht artistieke flair. Gelukkig zijn er ook uitzonderingen op de regel.

Amsterdam als stad heeft cinema altijd geweldige mogelijkheden geboden. De mensen, de larger than life karakters; de stad zelf, van verpaupering naar elitair; en alles wat Amsterdam Amsterdam maakt: de grachten, trams, karaktervolle buurten.

Amsterdamned (1988) - de beste en mooiste films in en over Amsterdam

Het slechte nieuws: veel van deze mogelijkheden zijn gemist. Er is geen Amsterdamse variant van The Naked City, Buffet Froid of Tokyo Story (zie de vorige episoden van Camera Obscura Special). Na het kijken van alles wat er over Amsterdam te vinden is, vind ik de documentaires over de stad beter te pruimen dan de speelfilms.

Het heeft ermee te maken dat de Nederlandse film – als je eerlijk bent – te vaak accenten legde op boekverfilmingen, knullige actiefilms en dertien-in-een-dozijn-drama. De charme van de stad zelf kreeg minder aandacht. De sjeu van de filmstijl leek vaak niet te boeien. Denk aan hoe saai een film als Advocaat van de Hanen is opgenomen.

Een andere merkwaardige rode draad in de Amsterdamse cinema is dat het heden vaak ontbreekt. Zoveel kansen gemist in de jaren zeventig en tachtig! Nederlandse films verzuimden om ‘de andere kant van Amsterdam’ te laten zien.

Het goede nieuws: er blijven genoeg films over om van elk decennium toch een passende film te kunnen kiezen.

Let op: dit zijn geen recensies of analyses van films. Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

Dit artikel is gratis. Graag hoop ik dat de lezer zich als tegenprestatie wil opgeven voor de nieuwsbrief, of zich verdiept in culturele longreads.

Bekijk ook de vorige episodes: Parijs, New York, Londen en Tokio.

 

Coronation of Queen Wilhelmina of Holland (1898)

Coronation of Queen Wilhelmina of Holland (1898): een kroning in vier minuten

Locatie: Centrum (Dam, Rokin)

Wilhelmina is een van de belangrijkste vorsten die Nederland gekend heeft. Ze was een halve eeuw koningin en speelde een belangrijke rol in de Tweede Wereldoorlog. Bij deze kroning in 1898 zien we haar in allerlei herkenbare locaties: Centraal Station (net gebouwd!), Dam, Nieuwe Kerk en het Paleis op de Dam.

De kroning verloopt ordentelijk. Heel anders dan bij het huwelijk van Beatrix en Claus in 1966 en de inhuldiging van Beatrix in 1980 zou zijn.

Regisseur en producent van de film was de van oorsprong Duitse filmpionier Franz Anton Nöggerath sr. Hij was eigenaar van een variététheater (Variété Flora). Films kijken deed men toen nog in ‘reisbioscopen’ op kermissen of via voorstellingen in variététheaters. In 1912 kwamen de eerste vaste bioscopen in Nederland.

Film: https://youtu.be/IslPj5k2NeE
Meer lezen:
https://filmdatabase.eyefilm.nl/collectie/filmgeschiedenis/persoon/fa-n%C3%B6ggerath-sr

 

De Mésaventure van een Fransch heertje zonder pantalon aan het strand te Zandvoort (1905)

De Mésaventure van een Fransch heertje zonder pantalon aan het strand te Zandvoort (1905): wie ontkleedt zich op het strand!

Locatie: Zandvoort

De oudste bewaard gebleven Nederlandse speelfilm (vijf minuten) speelde zich af op een luttele afstand van Amsterdam: Zandvoort. Tegenwoordig ook wel Amsterdam Beach genoemd. Alhoewel Haarlem Beach logischer zou zijn. Dichtbij genoeg om mee te mogen doen aan deze lijst.

Het Franse heertje uit de titel wordt na een dutje verrast door vloed. Hij doet zijn pantalon uit om hem niet nat te laten worden. Wat een schandaal! De politieagent ter plekke gaat hem meteen achterna. En niet alleen hij: maar ook alle andere badgasten. Knoop hem op vanwege die blote benen!

Het publiek bestaat uit veel mensen die ter plekke werden opgeroepen om mee te doen aan de film. Je ziet ze in de film gein hebben met wat ze doen. Dat was een commerciële zet van regisseur Willy Mullens. Die hoopte dat mensen naar de film zouden gaan om zichzelf te zien. Later kwam het incident in diverse kranten, die niet begrepen dat het in scène was gezet.

De film is om allerlei redenen de moeite waard om even te bekijken.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=HrPPWNXcGhk
Meer lezen
: https://filmdatabase.eyefilm.nl/en/collection/film-history/film/de-m%C3%A9saventure-van-een-fransch-heertje-zonder-pantalon-aan-het-strand en https://historiek.net/willy-mullens-kangoeroe-film-cinema/127482/

 

Genie tegen Geweld (1916)

Genie tegen Geweld (1916): diamanten maken niet gelukkig

Locatie: Centrum (de Beurs, Vondelpark)

Diamanten (koh-i-noor II) worden gestolen uit de onkraakbare safe van Van Duylen. Diverse mensen zijn dood. Een zekere Landman wordt verdacht. Diens dochtertje bezoekt een detective. Die wil helpen. Hij achterhaalt wie de boeven zijn (een leeuwentemmer en een acrobaat). Hij gaat ze overal achterna.

Genie tegen Geweld is een misdaadverhaal als vele anderen maar… wat een buitenscènes! De Beurs herken je meteen. De ingang van het Vondelpark… Andere dingen zijn lastiger te herkennen. Kades, grachten, krottenwoningen. Honderd jaar is veel tijd voor een stad, maar mogelijk figureren hier ook andere steden als Amsterdam.

Grappig dat wat je normaal wel ziet, je hier juist niet ziet: de diefstal van de diamanten. Het kan zijn dat dit stuk van de film ontbreekt. De film is niet compleet.

De film verrast met Buster Keaton-achtige trucs die toen in de cinema vast heel spannend werden gevonden. De truc met de hoge ladder is knap werk – net als de verrassende episode met de trein. Na honderd jaar ziet dat er nog overtuigend uit.

Theo Frenkel sr. is een van de eerste Nederlandse filmregisseurs. Hij maakte ook in 1919 De Duivel in Amsterdam, een (vermoedelijk) vermakelijke film over Amsterdam. We zullen het nooit weten want de film is spoorloos. Frenkel werkte ook veel in het buitenland. Lees zijn biografie op de website van Eye.

Meer zien van Amsterdam een eeuw geleden? Deze film heeft talloze interessante journaal- en documentairebeelden uit de periode 1914-1927.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=27fABcWdz2Q
Meer lezen: https://filmdatabase.eyefilm.nl/collectie/filmgeschiedenis/film/genie-tegen-geweld

 

Regen (1929)

Regen (1929): artistieke druppels op Amsterdamse straten

Locatie: Centrum (Kalverstraat, Rokin, Dam, IJ)

Een regenbui in Amsterdam. We kijken naar artistiek gefilmde beelden van wind, straten, regen, plassen, paraplu’s.

Dichter Mannus Franken had een mooi idee voor cineast Joris Ivens: om via de regen een portret te schetsen van de stad. De stad dicteert het ritme van de film. Er is geen verhaal. De film werd (pas in 1941) gesteund door een passende score van Hanns Eisler.

We hebben dit vaker gezien in expressionistische zwijgende Duitse en Russische films. Het is ook niet gek die link: Ivens heeft immers gestudeerd in Berlijn. Keerde in 1926 terug naar Amsterdam en raakte enthousiast over cinema.

Een jaar later maakte Walter Ruttmann de film Berlin – Die Symphonie der Groszstadt. Inspiratie voor Ivens en de zijnen. Regen druppelde voort uit deze ideeën.

Het idee van een scenarioloze film over een regenbui opende de kans om te spelen met gekke perspectieven. De shots zijn kort en abstract. Veel stoepen, plassen, vormen. Een van de sterke dingen van de film is dat het uiteindelijk slechts twaalf minuten cinema opleverde. Precies goed.

We mogen onze handen wel dichtknijpen met deze film. We zien de Dam, Rokin, Kalverstraat en nog veel meer. Dat beeld van de Kalverstraat is trouwens geschoten uit het raam van de foto- en filmzaak van Ivens’ vader: CAPI. De rest ging nogal nouvellevaguerig volgens onderstaand artikel in Ons Amsterdam: ‘Ze monteerden een camera op de fiets en filmden uit een auto.’

Het artikel van Ons Amsterdam citeert een journalist van de Nieuwe Rotterdamsche Courant uit die tijd: ‘Men moet er zich aan overgeven met de rust van een opiumschuiver, die de gevolgen van zijn bedwelming afwacht.’ Nog steeds een goed advies.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=eNNI7knvh8o
Meer lezen: https://onsamsterdam.nl/negentig-jaar-geleden-verschenen-de-eerste-films-over-amsterdam-als-moderne-metropool

 

De Jantjes (1934)

De Jantjes (1934): terug naar de Jordaan

Locatie: Centrum (Jordaan)

De Jantjes – drie mariniers – komen terug van hun dienst in Nederlands-Indië naar Amsterdam. Dat nieuws komt ook binnen in het Jordanese café van de familie van Bet. Daar heb je de zoon Leen, die verliefd is op Blonde Greet, die weer met Dries is. En pleegdochter Doortje heeft weer een oogje op Leen. Geruchten gaan rond.

De Jantjes is dé Hollandse kaskraker van de jaren dertig, de (net niet) eerste Nederlandse talkie. Het was een serieuze productie met bekende artiesten als Heintje Davids, Sylvain Poons en Louis Davids. En acteurs van naam als Johan Kaart, Willy Costello en Fien de la Mar.

Ook al bestond de talkie net, de film heeft veel aandacht voor geluid en zang. Oorspronkelijk was het een toneelstuk (zo oogt de film ook een beetje) en niet voor niets is het decennia later nog steeds superpopulair als musical.

De film werkt goed voor de liefhebber van meezingen. ‘Draaien, altijd maar draaien!’, dat krijg je niet meer uit je hoofd. Net als ‘Dat zijn de Jantjes! Dat zijn de Jantjes!’

Soms geeft het een mooi tijdsbeeld van de jaren dertig. Zoals Jans die zegt: ‘Ik ben uit geweest met een fijne meneer.’ En daarna legt ze uit wat eten met een gangenmenu is. ‘Aardappelen? Dat is niet deftig.’ Of deze: ‘Een dubbeltje? Kan het niet voor 7,5 cent?’ Interessant is ook de vrijgevochten vrouw Jans, rol van Fien de la Mar. Die wordt net zo bewonderd als misprezen. Het laat haar koud. ‘Dat is mijn Studebaker’, zegt ze lachend over haar auto.

Van Amsterdam zien we vooral de studio waar alles is opgenomen. De eerste vijf minuten zien we wel allerlei shots van de stad (Noord is nog zo plat). En er volgen nog een paar buitenopnamen, waaronder een optreden op een gracht.

Bizar is het slotstuk, dat oogt als een De Jantjes part two in tien minuten.

In de jaren dertig werd ook de zwijgende film Zeemansvrouwen van Henk Kleinman gemaakt, waarin ook diverse buitenshots zijn te zien. Een melodrama over een Amsterdamse vrouw. Met flink wat experiment (beelden over elkaar gemonteerd, split screens, etc.). De film is via Eye gratis te zien op YouTube.

Het moest de eerste talkie van Nederland zijn maar werd de laatste zwijgende film omdat het geld op was. In 2003 kreeg de film alsnog omgevingsgeluiden, werden teksten ingesproken (met hulp van liplezers) en kwam er een score van Henny Vrienten. Beter laat dan nooit. Lees het verhaal in de Filmkrant.

Film en meer lezen: https://player.eyefilm.nl/nl/films/de-jantjes

 

Een koninkrijk voor een huis! (1949)

Een koninkrijk voor een huis! (1949): kamers huren op de Apollolaan

Locaties: Centrum, Zuid (Apollolaan)

Het is vlak na de oorlog en de huizencrisis is losgebarsten. Anders dan nu werden rijke families gedwongen (door de oorlog) om andere families op te nemen. Een familie die rijk werd in de textiel móet kamers op Apollolaan 17 vrijgeven voor huurders.

Marktkoopvrouw Heintje Blom (Heintje Davids) heeft connecties waardoor ze eerder op de hoogte is dan de rest. Ze gaat er wonen met haar broer Kobus en dochter Daisy. ‘Dat is toch niet uw stand?’ Zij: ‘Dan ga ik maar eens onder mijn stand wonen.’

Bij de Apollolaan is de ontvangst lauw. ‘Mag ik me bekendmaken? Ik ben…’ ‘Volkomen overbodig! Agent, wilt u deze individuen onmiddellijk verwijderen!’ Natuurlijk krijgen ze toch de kamer. Het levert uiteraard de nodige verwarring op, zeker tussen Daisy en Rob, zoon van de textielbaron.

Verwacht geen Nederlandse Philadelphia Story. Piet Bakker, schrijver van Ciske de Rat, en Jaap Speyer, regisseur van De Jantjes, waren geen Donald Ogden Stewart en George Cukor, en hun acteurs waren geen Cary Grant, Katherine Hepburn of James Stewart. Amerikaanse films uit dezelfde tijd als Holiday, My Man Godfrey en Palm Beach Story zijn lichtjaren grappiger. In die films werd het thema arm/rijk met veel beter schrijfwerk uitgewerkt en gaven talentvolle komedianten de finishing touch aan de teksten.

Waar het meer aan doet denken: een Flodder avant-la-lettre. Leuke volkse mensen versus de onhandige bekakte mensen (altijd de klos in Nederlandse cinema). Alleen Rob de Vries (vader van acteur Edwin de Vries) heeft nog een paar komische momenten, voor de rest is het oubollig.

De film compenseert het gebrek aan humor met liedjes. Met Heintje Davids krijg je dat nogal snel. Bijvoorbeeld als ze in een jeep vol koffers over het Damrak (Centraal Station op de achtergrond) rijden en zingen: ‘We gaan verhuizen naar de Apollolaan…’

Van Amsterdam zien we niet veel meer dan dat stukje. En wat shots van de Apollolaan, dat eruit ziet als Bloemendaal. Alleen aan het begin is het genieten. Een opvolging van beelden van de stad, vogelperspectief, vanuit een boot, vanaf de weg. Honderden fietsers op het Rokin en de Stadhouderskade. Dat doet denken aan Regen maar dan met goed weer.

Het ergste is dat het thema van deze film eigenlijk helemaal niet gedateerd klinkt. Wanneer worden opnieuw woningen aan de Apollolaan geclaimd?

Film: https://youtu.be/dDDG7LUJv6I?si=Hg6KvECEdNboJEX8
Meer lezen: https://filmdatabase.eyefilm.nl/collectie/filmgeschiedenis/film/een-koninkrijk-voor-een-huis/p

 

Operation Amsterdam (1959)

Operation Amsterdam (1959): met diamanten dwars door de stad scheuren

Locaties: IJmuiden, Centrum, diverse wijken

Het is 1940 en de Duitsers vallen Nederland binnen. De Britten willen voorkomen dat de Amsterdamse diamanten in Duitse handen vallen. Ze sturen er drie man op af. Twee Nederlandse diamantairs en een straffe Britse kolonel.

Zo gemakkelijk gaat dat natuurlijk niet. De stad is al half in oorlog. Haast is geboden om de diamanten te verzamelen.

Het verhaal van Operation Amsterdam wordt spannend verteld. Aldoor klokken in beeld en drums op de achtergrond. Niet alles is geloofwaardig. In 1960 werd al in The New York Times afgevraagd: moet je echt met je diamanten in een open auto dwars door een stad scheuren?

De taal is wel een probleem, zoals zo vaak in oudere niet-Nederlandse films. Zo is het volgens deze film doodnormaal dat we in een café onderling Engels praten. Als er geschoten wordt, roepen we ‘Take cover!’ De zogenaamd Amsterdamse Eva Bartok valt ook niet op Nederlands te betrappen, wel op vloeiend Engels (en ze is Hongaars). Peter Finch – Nederlander in de film – begroet zijn eigen pa in het Engels. As you do.

Er zitten meer rare dingen in de film (die zich onverwachts ontvouwt als een kraakfilm) maar wel aardig is dat je een inkijkje krijgt van Amsterdam ten tijde van de oorlog. Niet zo vaak zie je de stad midden in de vuurlinie. Soldaten die zich in portieken verschansen en lopen te schieten. Eva Bartok maait er zelf ook op los met haar machinegeweer als een vroege Bonnie & Clyde.

Operation Amsterdam heeft wel wat opnamen op locatie. Van Amsterdam zien we pleinen, gebouwen, grachten, bruggen. De Prins Hendrikkade is het meest herkenbaar. De andere zijn lastiger te onderscheiden en zijn vooral ‘Amsterdams decor’. De Vredenburgerbrug (bij de Oudezijds Voorburgwal) heeft nog wel een mooie rol in een scène. De brug ziet er vandaag de dag precies hetzelfde uit.

Een andere must see uit de jaren vijftig is de documentaire Amsterdam, stad van het water. Film van Max de Haas die de Amsterdamse grachten en havens in een etmaal vastlegde.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=DQwJAT2qHCY
Meer lezen: http://www.thysockersenfilms.com/TOF/FilmFun_files/FilmFun73.pdf

 

Fietsen naar de maan (1963)

Fietsen naar de maan (1963): drie broers, een meisje en veel fietsen

Locatie: Centrum (Waterlooplein, Kalverstraat, Reguliersgracht, Jodenbreestraat, Huidenstraat, e.v.a.)

Drie broers leiden verschillende levens. De joviale metaalhandelaar Dick; agent Kees; schilder Evert, vader van Joost. Wilma kent ze alle drie en valt voor Dick.

Ze krijgen ook met elkaar te maken. Dick duwt fietsen in de gracht en vist ze er later weer uit. Zo creëert hij een aardige verzameling. Levert geld op. Op zeker moment spant hij Wilma en de vermoeide Evert (‘Jouw kunst is niet meer in de mode’) voor zijn karretje. En Kees weet niet of hij ze moet arresteren.

De film moet het niet van een plot hebben maar is wel verrassend goed. Je ziet een normaal verhaal, normaal acteerwerk en een paar voorzichtige nouvelle vague-stapjes. ‘Een zachtaardige komedie’, volgens criticus Henk van Gelder. En dat klopt. Nergens gegil, godverdomme’s, met deuren slaan, borsten en billen.

Een ten onrechte onderschatte film van Jef van der Heyden, wiens hele oeuvre (vier films) je in een avond zou kunnen zien. In de film zien we bekende acteurs als Ton Lensink, Lex Goudsmit en Jeroen Krabbé (zijn debuut: hij is maar een minuutje in beeld). Schrijver Simon Carmiggelt – vermoedelijk de meest Amsterdamse chroniqueur van alle schrijvers – is ook even te zien.

De film bestond lang uit een ingekorte versie maar is sinds 2015 in ere hersteld. In het Stadsarchief werd het originele materiaal gevonden. Daardoor kunnen we nu kijken naar allerlei dagelijkse dingen uit die tijd. Reclameschilders, pruikenmodellen, Perry van der Kar (voorloper van Perry Sport), kroegen en snackbars uit die tijd (‘patat frites en ijs’), een karretje met iemand op een piano, ga zo maar door. Verrukkelijk.

Van het nouvelle vague-stijltje moet je niet veel verwachten. Af en toe hoor je stemmen bij beelden waarbij je geen mensen ziet. Nachtelijke fietsers. Fietsers die door de Raadhuisstraat razen. Dat maakt de film minder vernieuwend maar ook wat beter om uit te zitten dan de radicaalheid van menig nouvelle vague.

Fietsen naar de maan is ook een zeldzaamheid omdat de film grossiert in locaties van Amsterdam. De Brouwersgracht (waar Dick zijn fietsen in de gracht flikkert); Herengracht; Rapenburg; Sint Antoniebreestraat; Leidseplein; Reguliersgracht (pakhuizen De zon en De maan); Lindengracht; Kromboomsloot; KNSM-eiland; Valkenburgerstraat (Dicks schroothandel). En een prachtig stuk over het Waterlooplein.

Een stad die nog te maken had met armoede en verpaupering. En je ziet soms al de kiertjes naar de rebelse jaren die hierna gaan komen. Bijvoorbeeld met de studenten die de agent uitlachen. Lees meer over de context van de film in het stuk in Ons Amsterdam. En voor het tijdsbeeld mijn eigen artikel over Amsterdam in 1962.

Wil je vol voor de ‘polder-nouvelle vague’ gaan? Dan ben je beter af met de vroege films van ‘Pim en Wim’: Pim de la Parra en Wim Verstappen. Zoals De minder gelukkige terugkeer van Joszef Katús naar het land van Rembrandt. ‘Het jammerlijke van de film is dat ik niets te zeggen heb’, zegt een karakter dat inderdaad verder niets zegt. Echt interessant wordt het niet, dit verhaal over provo, maar wel veel beelden van Amsterdam in 1966. Jongens Jongens wat een meid van een jaar eerder is beter te pruimen (en korter). Het wordt nog iets Truffautistischer in hun al even Amsterdamse Liefdesbekentenissen uit 1967 – met Ramses Shaffy als manipulerende versierder.

De jaren zestig had een aantal sterke Amsterdamse documentaires die de tijdgeest weergeven:

  • Rondom het Oudekerksplein (Roeland Kerbosch, ook van Namens… de kinderen van De Pijp)
  • Omdat mijn fiets daar stond (Louis van Gasteren met Jan Wolkers)
  • Beppie (Johan van der Keuken filmt een brutaal Amsterdams meisje van tien jaar)
  • Big Ben (ook van Johan van der Keuken, over saxofonist Ben Webster die in Amsterdam-Zuid bij een hospita woont)

En voor de liefhebber zijn er een paar aardige maar ook wat gedateerde misdaadfilms:

  • Rififi in Amsterdam (John Korporaal)
  • 10:32 (ook een John Korporaal-productie, met een jazzbar)
  • Het gangstermeisje (Frans Weisz)
  • Kermisgasten (Jaap Speyer)

Film: https://player.eyefilm.nl/nl/films/fietsen-naar-de-maan (te huur voor € 3,50)
Meer lezen:
https://onsamsterdam.nl/vijftig-jaar-oude-speelfilm-geeft-prachtig-tijdsbeeld

 

De Inbreker (1973)

De Inbreker (1973): een klussie met een luggie

Locatie: Centrum (Damstraat)

In De Inbreker is het duidelijk wie er inbreekt: Willem ‘Glimmie’ Burg. Deze semiprofessionele inbreker moet voor de poen een klusje aannemen waar een luchtje aan zit (in de taal van deze film: een klussie waar een luggie aan zit). Hij moet de dochter van ene Van Borsen zien te vinden. Dat doet hij samen met zijn maat Bonk.

Burgs instinct geeft hem gelijk. Het zaakje stinkt. En ze belanden van het ene drama in het andere. Ze vinden de dochter. Die moet afkicken, sommigen willen haar dood hebben, en dan ook maar meteen Glimmie. Met inbreken heeft het weinig meer te maken.

Wat een ongelooflijk warrig script! Inbraak, hoeren, achtervolging, moord… Neem nu de ingewikkelde ontwikkelingen tijdens de rechtszaak. Moeder gaat met beste vriend van Glimmie en Glimmie heeft iets (of niets?) met een meisje van zestien. Dan is er nog de auto die in de gracht rijdt en ontploft.

Toch is de film genietbaar. Waar anders zie je de Zeedijk, Brouwersgracht, Damstraat in 1973? De trams, de interieurs, de bars, de Amsterdammers? Deze film is rijkelijk gevuld met scènes in de stad.

En dan de acteurs. Rijk de Gooyer, routineus de ster spelend; Frits Lambregts, aardig als rechercheur met hands-on-mentaliteit; Sylvia de Leur in een vermakelijke bijrol (kopie van Wat zien ik; Ronnie Bierman uit die film zit hier ook in). En een sfeervolle score van Ruud Bos. Het knullige spel van Jon Bluming en Jennifer Willems kijk je doorheen. Past ook wel bij de luchtige sfeer van de film, die Frans Weisz heel aardig voor elkaar krijgt.

Een jaar later maakte hetzelfde team het net zo Amsterdamse Naakt over de schutting. Rijk de Gooyer is nu een dappere duivenmelker. Hij gaat achter gangsters aan die iets met een seksfilm willen. Dat doet hij samen met een karatekampioen (uiteraard Jos Bluming) en diens leerling (uiteraard Jennifer Willems). Verder zien we 70’s sterren als Sylvia Kristel, Adele Bloemendaal (‘Lulll’) en Ko van Dijk als rechercheur. Van Amsterdam zien we de Damstraat, Brouwersgracht, Paradiso, Rokin en Weteringschans.

De twee films lijken zo op elkaar dat je ze in je geheugen door elkaar gaat halen.

Dit verhaal van Rinus Ferdinandusse is te warrig om te kunnen vergelijken met grote internationale producties. Aan de andere kant wordt het niet Amsterdamser dan een achtervolging met trams, mensen die in de gracht geworpen worden, een solex die door de Oudemanhuispoort crost en mensen die dus naakt klimmen over een schutting.

Film (gratis): https://player.eyefilm.nl/nl/films/naakt-over-de-schutting
Meer lezen: https://www.vprogids.nl/cinema/lees/artikelen/specials/2022/naakt-over-de-schutting-op-eye-film-player.html

 

Special in een special: het gouden filmdecennium van Amsterdam
Eind jaren zestig werd Amsterdam opeens een populaire bestemming voor jonge mensen. Dat kwam vooral door de toegankelijkheid van softdrugs in de stad. En de reputatie van een liberale, tolerante stad. Daar kwam de prostitutie in de rosse buurt bij als ‘attractie’ waarvoor men naar Amsterdam kwam.

Ook de films kregen een nieuw elan. Een nieuwe generatie regisseurs en acteurs brak door. Maar liefst vier Amsterdamse films uit deze tijd staan bij de tien best bezochte Nederlandse films ooit: Turks Fruit, Keetje Tippel, Blue Movie en Wat zien ik?.

Het zal er wel iets mee te maken hebben dat films sinds de jaren zeventig vol zaten met naakt en seks. Een soort ‘groeifase’ van de toch wat knullige Nederlandse (Amsterdamse) film. Bloot in films werd bijna een soort zelfvervullend cliché.

Dan denk je aan Nederlandse/Amsterdamse films als…

  • Turks Fruit (Paul Verhoeven; met de beroemde fietsscène over het Rokin, Vijzelgracht, Albert Cuyp)
  • Nacht zonder zegen (Jan Dorresteyn)
  • Blue Movie, Mens erger je niet en Alicia (Wim Verstappen)
  • Frank en Eva (Pim de la Parra; dit grachtengordelseksdrama is een favoriet van Quentin Tarantino)
  • Quelle strane occasioni (komediant Paolo Villaggio als sekswerker in eerste segment, regisseur Nanni Loy vond het zo slecht dat hij zijn naam er niet aan wilde verbinden)
  • Grijpstra en De Gier (een soort Nederlandse versie van Freebie and the Bean van Wim Verstappen)
  • Andy, bloed en blond haar (cultfilm van Frank Wiering over een moordende Tukker die naar Amsterdam gaat; lees het interview met de regisseur op Indebioscoop.com)

Nederlandse/Amsterdamse films uit die tijd hadden een vreemde obsessie met ‘gezellige’ Amsterdamse prostituees. Denk aan films als:

  • Wat zien ik (Paul Verhoeven, naar het boek van Albert Mol)
  • Keetje Tippel (Paul Verhoeven)
  • Rooie Sien (Frans Weisz)
  • Geen Paniek (Ko Koedijk, scenario Kees van Kooten: met ‘massagesalon’ van tante Toetje)

Amsterdam figureerde ook in een aantal ‘gewone’ films:

  • Zwaarmoedige verhalen voor bij de centrale verwarming (drie regisseurs naar boek van Heere Heeresma)
  • Rufus (Samuel Meyering)
  • VD (Wim Verstappen)
  • Het jaar van de kreeft (Herbert Curiel)
  • Daniel (Erik Terpstra, deze aardige film bespot de seksuele vrijheden juist)

Internationale actiefilms zagen vooral kansen in de Amsterdamse grachten:

De filmsnob kon terecht bij een paar ‘auteurs’ die op hun eigen manier Amsterdam observeerden:

  • Trafic (Jacques Tati, misschien wel de beste film over Nederlandse gewoonten, met hoofdrol voor de RAI)
  • Alice in the Cities (Wim Wenders)
  • Sweet Movie (maffe film van Dusan Makavejev met beelden van de Nassaukade)

Een gouden filmperiode dus – die heeft vastgelegd wat nu door de loop der tijd ongrijpbaar is geworden: Amsterdam als stad waar alles kan.

 

De Witte Waan (1983)

De Witte Waan (1983): drugs, pakhuizen en surrealisme

Locaties: Centrum, Oost (Veemkade)

Lazlo, kunstenaar, haalt zijn drugs op een schip bij een kerel genaamd Fuji. Lazlo zegt niet veel. Hij mediteert bovenop spoorbruggen. Tegelijkertijd is er een oudere vrouw bij een villa die doet alsof ze praat met iemand: zijn moeder. Daar heeft hij niet veel mee. ‘Mijn moeder is een dode tuin.’

Na een ongeluk komen ze toch nader tot elkaar. De vader blijkt de sleutel te zijn geweest tot hun onverwerkte ellende.

Dit was de laatste film van regisseur Adriaan Ditvoorst voor hij een einde aan zijn leven maakte. Zeehondjes die worden doodgeknuppeld, een jogger, shots van leguanen, een bizarre geluidsmachine, een gitaarkoffer waar duiven uitkomen, een arts die staart en je hoort het geluid van zweepslagen, Lazlo die de Gezangen van Maldoror van De Lautréamont leest. De film zit ramvol surrealistische verwijzingen. De muziek van Clous van Mechelen past er goed bij.

Bijna on-Hollands hoe symbolisch en surrealistisch deze film wel is. Doet soms denken aan Bertrand Blier – maar net niet. De film is losjes gebaseerd op de roman De Moeder van David S. van Yvonne Keuls. Dat is toch wat anders dan Bliers geestige en filosofische scripts. Lazlo is ook nauwelijks meer dan een karikatuur.

Dan is de film ook traag – een uur had beter gewerkt. En krijg je zoals altijd het irritante ‘theatertoontje’. Zelfs de koele Lazlo klinkt als iemand van de theateracademie. Dieptepunt was de cameo van ‘verslaafde’ Theo van Gogh: ‘Ik moet scoohoooreeuuh!’

De beelden van pre-hip Amsterdam zijn een bonus. De Veemkade als de Londense Docklands in The Long Good Friday. Een oude fabriek waar Lazlo werkt als schilder. Verlaten schepen. Verder zien we het AMC, de Bijlmerbajes en de metro. (Ik twijfel over de brug waar Lazlo bovenop zit: lijkt de Demka-spoorbrug in Utrecht. Hoe hebben ze dat gefilmd?)

Het is een portret van een periode dat de stad, net als andere grote steden, werd geplaagd door drugshandel en drugsverslaafden.

Méér drugsgebruik zien we in Hanna D. la ragazza del Vondelpark. Meteen een waarschuwing: dit is een verschrikkelijke exploitatiefilm. Volop spuiten in armen en dubieuze seksscènes. Een soort Christiane F. maar nóg smakelozer. De smakeloosheid zie je ook terug in de ongepaste bontjassen die iedereen draagt (je kunt het geeneens meer sluikreclame noemen).

Deze film zou je niet aan je ergste vijand tippen. Waarom toch noemen? Omdat Italianen altijd gretig buiten filmen. De film toont meer locaties dan onze eigen films: de Heineken Hoek (nu net gesloopt), Zeedijk, een molen bij de Indische buurt, de oude pont, een rommelig Centraal Station, de PH-kade, havens, het schaatspleintje op het Leidseplein en een paar ruïne-achtige gebouwen waarvan ik zeker weet dat ze alleen in deze film zijn vastgelegd. Ook was het om cynische redenen (kijk, Amsterdam!), een Nederlandse film zie je dit niet doen.

Deze twee films kun je de schaduwkant noemen van de seks & drugs-vrolijkheid van de jaren zeventig. De jaren tachtig waren een pittig decennium voor de hoofdstad. Sanering, leegstand, krakersrellen, heroïnegolven, graffiti, vandalisme. De stad was onherkenbaar anders dan de stad waar mensen nu miljoenen voor appartementen betalen. Lees mijn eigen interview over dit onderwerp. Of bekijk deze aflevering van Andere Tijden.

Andere 80’s films met hier en daar sfeerbeelden van de stad:

  • Amsterdamned (Dick Maas)
  • Een zaak van leven en dood (George Schouten)
  • Hoge hakken, echte liefde (Dimitri Frenkel Frank)
  • De Schorpioen (Ben Verbong)
  • Max & Laura & Henk & Willie (Paul Ruven)
  • Lost in Amsterdam (Paul Ruven)

Het waren wederom de documentaires die deze turbulente jaren het beste vastlegden:

  • Een fotograaf filmt Amsterdam (Ed van der Elsken)
  • Amsterdam global village (Johan van der Keuken)
  • Allemaal rebellen (Louis van Gasteren)
  • Amsterdam Huilt (Derk Sauer)

Een speciale vermelding voor Waar de ratten koning zijn. Deze film van Barbara den Uyl (inderdaad dochter van de beroemde PvdA-politicus) ging over de Staatsliedenbuurt. Dat is de buurt waar ik opgroeide. De getoonde Rioolrat was bij ons om de hoek. Ik heb nog gekeken of ik zelf als kind in de achtergrond zat te knikkeren, maar dat was niet zo. Heb je de komende 55 minuten niets te doen? Bekijk dan de film op YouTube.

Meer lezen: https://8weekly.nl/recensie/film/adriaan-ditvoorst-ditvoorst-het-complete-oeuvre-cinematografische-geschiedenis-prachtig-bewaard/

 

Hufters & Hofdames (1997)

Hufters & Hofdames (1997): luchtige romantiek in 90’s Jordaan

Locatie: Centrum (Jordaan)

Dimitri weet niet hoe hij vrouwen moet versieren. Hij wil wat met Esther maar is door haar ‘gefriendzoned’. Met vrouwen praat hij graag over blindschaken en Zuidoost-Azië. Zijn vriend Maarten raadt hem dat af. ‘Je moet je meer als een hufter gaan gedragen, dat is wat die wijven willen.’

Tegelijk kruist een hufter telkens zijn pad: Gino. Die probeert juist zijn agressie te beheersen en meer als Dimitri te worden. Als vriendje haalt hij meer onvoldoendes dan voldoendes. Maar hij is wel een vriendje.

Zoals de Fransen Cédric Klapisch hebben, hebben wij Eddy Terstall. Ook Nederlanders kúnnen lichtvoetige films maken: Hufters en Hofdames is een heel aardig voorbeeld. Een voor Nederlandse begrippen grappige film over twintigers.

Terstall schreef en regisseerde de romantische komedie, werd door vijf omroepen afgewezen, haalde op eigen houtje 40.000 gulden binnen, en maakte in zestien dagen deze luchtige film. Een creatieve revanche.

Het kleine team deed dat onbetaald en soms met draaidagen van 18 uur. De kleinheid is hier vermoedelijk ook de kracht, zoals Terstall zelf ook vond. ‘Werken met een kleine crew maakt je flexibel, waardoor het makkelijker wordt om zeg tien scènes per dag op te nemen. Op een gegeven moment kom je in een soort roes.’

De kracht van de film zit hem (net als bij Cédric Klapisch) in de goedlopende dialogen en de komische timing. Geestige gesprekken over liefde, relaties. De monologen van Maarten maken ze al snel maf (inclusief verwijzingen naar de apenwereld). Halverwege switcht de film naar het perspectief van ‘hufter’ Gino. Aardig idee maar je krijgt iets te vaak hetzelfde te zien. Op het einde zijn de ideeën op; ik denk dat de film ook wat korter had gekund.

De film kijkt ook prettig weg omdat het werd gemaakt door een groep vrienden die de toon van de film snapten. Daan Ekkel en Marc van Uchelen (die in 2013 trouwens een einde aan zijn leven maakte); Arthur de Boer (‘Heey, Alzheimer!’); Nadja Hüpscher en Rifka Lodeizen (hun eerste rollen). Een film die bij ondergetekende destijds close to home komt.

Van Amsterdam zien we onder andere de Egelantiersgracht, Leidseplein, Leidsestraat en Vondelpark. De Jordaan heeft hier een vergelijkbare rol met het 11e arrondissement in Klapisch’ een jaar oudere film Chacun Cherche son Chat. Veel zien we er niet van.

Wel leuk: de typisch Amsterdamse dingen uit de 90’s als clubs als Soulkitchen, Roxy, Richter; junks met vlapakken; fietsendieven; thuisteelt; koffie verkeerd; poolcentra; enz.

De film paste in een boeiend golfje van luchtige, kleinschalige tragikomedies van jonge filmmakers:

  • Zusje (Robert Jan Westdijk)
  • De Jurk (Alex van Warmerdam)
  • Babylon (wederom Eddy Terstall)
  • Siberia (wederom Robert Jan Westdijk)
  • Jezus is een Palestijn (Lodewijk Crijns)

En er waren ook nog een paar meer reguliere speelfilms met beelden van Amsterdam:

  • Advocaat van de Hanen (Gerrit van Elst)
  • Do not Disturb (Dick Maas)
  • Naar de klote (Aryan Kaganof)
  • Vrijmarkt (Hans Hylkema)

Meer lezen: https://filmkrant.nl/recensies/hufters-hofdames/

 

Lek (2000)

Lek (2000): misdaaddrama met Amsterdamse branie

Locaties: Centrum, Oost, havens

Agent Eddy heeft een vreemde vriendschap met een crimineel. Hij wordt geronseld door de CID om ‘een informant’ hoewel hij daar helemaal geen zin in heeft. En dan zit er ook nog eens een lek bij de politie. Hoe lost Eddy dat op? Hij neemt zijn maat in vertrouwen.

Lek was de eerste Nederlandse misdaadfilm in tijden die me verraste met flair en acteerwerk. Acteurs die mógen acteren. Victor Löw flink over de top als labiele crimineel Jack. Gijs van Scholten Aschat had in The House of Cards gekund. Ton Kas doet denken aan Dobermann. Een niet-slappe Nederlandse film: een zeldzaamheid.

Aan het begin zie je hoe populair de films van Quentin Tarantino toen waren. Al schlagers zingend iemands lot bezegelen – het is bijna een Nederlandse variant van een Tarantino-scène. Het verhaal wordt vaardig verteld. De film heeft geen inkakmomenten.

Lek geef ik een goed cijfer voor flair. Het verhaal is iets anders. De film worstelt tussen the power of cinema of een serieus politieverhaal vertellen. Dat verhaal knipoogt zoals de Filmkrant in 2000 schreef naar de IRT-affaire. De keuzes tegen het einde nekken Lek een beetje want de plotwendingen worden steeds vreemder.

Wel genieten van de shots op buitenlocaties: Amsterdam-Oost (Javaplein, Muiderpoort), Centraal Station & de pont, Rapenburg, de havens. En natuurlijk de kebabzaak om de hoek.

Film: https://npo.nl/start/serie/lek/seizoen-1/lek_5/afspelen (via NPO-Plus-account)
Meer lezen: https://filmkrant.nl/recensies/lek/

 

Kortom…
De meest ‘Amsterdamse’ films werden grofweg in de periode van 1967 tot 1982 gemaakt. Diverse cineasten werden gestimuleerd door collega’s in het buitenland om ook hun grenzen te verleggen. De Inbreker, Naakt over de schutting, Wat zien ik, Turks Fruit. En curieuze films als Daniel, De Verloedering van de Swieps, Andy.

De jaren tachtig is voor mij het decennium van de gemiste kansen. Commerciële films als Spetters, Flodder, Joep Meloen, Amsterdamned. Oncommerciële minimal-films van Paul Ruven. Niets ertussenin.

Waarom geen ijzersterke thriller? Of een duistere trip door de onderwereld? Een hilarische komedie van losers? De perfecte decors waren er: de stad was een volgegraffiteerde ruïne. Laten we maar zwijgen over gemiste kansen in steden als Rotterdam, Utrecht of waar dan ook in Nederland.

De jaren 90 waren beter maar sindsdien is het wisselend. Amsterdam is nu vooral een cinematografische ansichtkaart. Vaak gladde buitenlandse producties die de romantiek van de stad verkopen. Ze missen een ding enorm: Rijk de Gooyer die ergens in de film ‘Krijg het lazarus’ zegt.

 

3 maart 2023

 

Lees ook deel 1: Camera Obscura Special: Parijs
Lees ook deel 2: Camera Obscura Special: New York
Lees ook deel 3: Camera Obscura Special: Londen
Lees ook deel 4: Camera Obscura Special: Tokio

Zone of Interest, The

*****
recensie The Zone of Interest
Beter dan andere mensen

door Jochum de Graaf

Tien jaar na Under the Skin komt de Britse regisseur Jonathan Glazer met een nieuw meesterwerk. The Zone of Interest kreeg de Grand Prix in Cannes en is genomineerd voor de Oscar als beste niet-Engelstalige film. Een ijzingwekkend goede film die langzaam maar zeker onder je huid kruipt.

Rudolf Höss loopt licht beneveld door het lege trappenhuis, het feest onder in de balzaal is nog in volle gang. Op de voorafgaande conferentie heeft hij een voor hem uiterst belangrijke opdracht gekregen. Middenin de nacht belt hij euforisch zijn vrouw Hedwig: ‘ik wilde even je stem horen.’

Auschwitz
Hij wordt plaatsvervangend inspecteur van alle kampen en moet daarvoor naar Oranienburg, dichtbij Berlijn, verhuizen. Maar Hedwig voelt er niet zo voor om mee te gaan. Aan de oever van de rivier hebben ze een indringend gesprek, zoals tegenwoordig in ieder geëmancipeerd gezin zou kunnen plaatsvinden. Ze wonen nog niet zo lang in de mooie speciaal gebouwde villa en de kinderen zijn net aan school gewend in de nieuwe omgeving. Het is er zo heerlijk wonen. Ze hebben een paradijselijke tuin, geweldige broeikas met bijzondere groenten, de kinderen doen het goed, veel personeel en een fijne vriendenkring van andere Duitse kampfunctionarissen.   

The Zone of Interest

The Zone of Interest, losjes gebaseerd op de gelijknamige bestseller van Martin Amis (die opmerkelijk genoeg vlak voor de première in Cannes vorig jaar overleed), volgt het verhaal van Rudolf Höss en zijn gezin die in mei 1940 een speciaal voor hen gebouwde villa bij Auschwitz betrekken. In het vernietigingskamp (79 jaar geleden bevrijd) zouden rond 1,1 miljoen mensen, merendeels Joden, worden omgebracht. Höss stond er goed op bij de nazi-top, maakte snel carrière in de SS en na zijn bevordering naar Oranienburg werd hij in mei 1944 teruggeroepen naar Auschwitz om het transport naar en de verspreiding van 700.000 Hongaarse Joden over de kampen, ‘Aktion Höss’, te leiden. Het is de reden dat hij aan het eind van de film zo euforisch door het trappenhuis doolt.

Verschrikkingen buiten beeld
Van het uitgestrekte kampcomplex krijg je niets te zien; ja, wanneer grootmoeder op bezoek is en door de tuin wordt rondgeleid, valt opeens de wachttoren die uittorent boven de betonnen afscheidingsmuur op. Wanneer een bak met as over een bloemperkje wordt uitgestrooid, is de macabere suggestie van menselijke as onmiskenbaar. De verschrikkingen in de kampen worden echter zorgvuldig buiten beeld gehouden. De familie Höss geniet van het buitenleven, ze mogen graag vissen en zwemmen in de beken en meren van het idyllische Poolse platteland. Als vader Rudolf botresten of zwartgeblakerde deeltjes ontwaart in de rivier die van de kant van het kamp afstroomt, roept hij op stel en sprong de kinderen uit het water en beveelt ze zich snel thuis schoon te wassen.

Op zekere dag komt een hoge delegatie van SS’ers met bouwkundige ingenieurs op werkbezoek in de villa. Op tafel wordt een bouwtekening uitgespreid. Een nieuw revolutionair ontwerp voor verbrandingskamers, ‘ladingen’ kunnen voortaan uiterst efficiënt worden verwerkt. ‘Branden, koelen, ontladen, herladen, continu!’, klinkt het, het lijkt pijnlijk logisch, vanzelfsprekend, heel normaal.

Jonathan Glazer laat heel effectief het beeld en geluid het werk doen. De camera registreert meestal van een afstand, er komt slecht een enkele close-up voorbij. Met het niet vertonen van de wreedheden wordt niet zozeer de nieuwsgierigheid opgewekt, maar bekruipt je meer en meer het unheimische gevoel dat het allemaal van een groteske alledaagsheid was. Hoe kan het dat mensen uiteindelijk zo handelen en functioneren? Het is in optima forma de ‘banaliteit van het kwaad’, in de veelbesproken woorden van Hannah Ahrendt.

The Zone of Interest

Soundscape
Een essentiële rol speelt daarbij ook de soundtrack, beter gezegd de soundscape, waarvoor net als in Under the Skin, Glazers meesterwerk van tien jaar geleden, Mica Levi tekent. Achter de gewone huis-, tuin- en keukengeluiden horen we geblaf van honden, soms ijselijk gegil van mensen, marcherende soldaten, bevelen. En let dan ook eens op het begin van de film. Het beeld nog op zwart en een symfonie van een kleine twee minuten waar heavy metal langzaam overgaat in vogeltjesgefluit. Hel en hemel liggen vlak bij elkaar.

De verbijstering en het ongemak nemen in de loop van de film meer en meer toe, vooral ook door het fenomenale spel van hoofdrolspelers Christian Friedel (hij was de schoolmeester in Das weisse Band) en Sandra Hüller (terecht met een Oscar genomineerd voor Anatomy of a Fall). Ze kleuren hun rol opvallend onopvallend in. Friedel met hoog opgeschoren schedel, vette plak haar, ambitieuze doorsnee-nazi zoals er zovele waren. Hüller met een bundel vlechtjes in het haar, een kapsel dat bij de Bund Deutsche Mädel populair was. Ze geeft Hedwig gestalte als lompe, onbehouwen vrouw, die het personeel afsnauwt, maar tegelijkertijd zorgzaam is voor haar kinderen.

In een interview met Het Parool vertelde Sandra Hüller hoe ze zich voorbereidde op de rol: ‘veel ziel was er niet’. Volgens haar wilde Jonathan Glazer deze vorm van ongemak bereiken. ‘Hij wil dat mensen zich op een vreemde manier met Rudolf en Hedwig kunnen identificeren. Niet door ze menselijk te maken of door ze allerlei gevoelens en drama mee te geven, maar door naar hen te kijken terwijl ze hun leven leiden.’ (…) ‘Zij (Hedwig) en Rudolf namen de beslissing om zichzelf op de eerste plaats te zetten. Ze besloten dat ze beter waren dan andere mensen. Dat ze beter verdienden en dat de anderen moesten sterven. Het is een menselijke keuze en juist dat maakt het zo gevaarlijk.’

 

31 januari 2024

 

ALLE RECENSIES

Titanic: De onzinkbare film

Titanic na 25 jaar nog intenser te beleven
De onzinkbare film

door Paul Rübsaam

‘Unsinkable’ zou het destijds grootste passagiersschip ter wereld zijn, maar na een aanvaring met een ijsberg op 15 april 1912 ging het verrassend snel ten onder. Het merendeel van de opvarenden kwam om het leven. De op de scheepsramp gebaseerde, geromantiseerde speelfilmkolos Titanic (James Cameron, 1997) lijkt als publiekstrekker tegen alle stormen bestand. In 2012, honderd jaar na de ramp, verscheen Titanic al in 3D. Ter gelegenheid van de 25e verjaardag van de film wordt deze nu in 4K HDR 3D uitgebracht.

Veel is bekend over de oorzaken, vooral na de vondst van het scheepswrak op 3800 meter diepte op de bodem van de Atlantische Oceaan in 1986. Op de avond van 14 april 1912 was men zich te laat bewust van het gevaar van de ijsbergen op de vaarroute van Southampton naar New York. Datzelfde geldt voor de half mislukte poging van de stuurman om de ijsberg nog te ontwijken. De volautomatisch sluitbare compartimenten van de Titanic waren verantwoordelijk voor het vollopen van het voorste deel van het schip na de aanvaring. Dat werd topzwaar, zodat de gigant met zijn iconische vier in tweeën brak en snel zonk. De perfectionistische cineast James Cameron maakte dankbaar gebruik van deze gegevens, maar ook van de documentatie over de bouw van het schip en de passagierslijsten. 

Titanic 25th Anniversary

Dijk van een draak
Camerons Titanic maakt indruk op bijna iedereen die hem gezien heeft. Al valt de film met de soms al te tranentrekkende liefdesgeschiedenis van Rose DeWitt Bukater (Kate Winslet) en Jack Dawson (Leonardo DiCaprio) en de stereotiepe bij de ramp betrokken goede, slechte en ambivalente karakters misschien wel te typeren als ‘draak’. Nog altijd is het dan een dijk van een draak, een cinematografische megaconstructie die ondanks zijn hemeltergende lengte van 190 minuten staat als een huis.

Titanic is geen romantisch drama met een vleugje rampenfilm, of het omgekeerde. Beide bestanddelen komen tot volledige wasdom, maar zijn zo kundig in elkaar gelast dat je die meer dan drie uur niet eens ervaart als een heel lange zit. Cameron bewerkstelligt dit onder andere door het begin van de plotfase van het romantische drama samen te laten vallen met de voorbodes van de ramp. De ijsberg dient zich juist dan aan als Rose en Jack zich volledig bevrijd hebben van de benauwenis van hun standsverschillen. Op de vlucht voor de lijfwacht van Rose’ s akelige verloofde Caledon Hockley (Billy Zane) darren ze als verliefde grote kinderen rond door de ruimen, zalen, vertrekken en gangen van het immense vaartuig.

Listig heeft de regisseur met de saffierblauwe diamant ‘Le Coeur de la Mer’ nog een derde verhaallijntje gezekerd. Dit fictieve peperdure onderdeel van de kroon van Lodewijk XVI mag niet alleen even hangen om de hals van de naakte, door Jack getekende Rose, maar legt ook een spannende route af via een kluis en verschillende jaszakken, tot en met de 101-jarige Rose (Gloria Stuart: Poor Little Rich Girl, 1936) in het heden van 1997.   

Come, Josephine…
Titanic is niet alleen een dijk van een draak, maar was anno 1997 ook een block van een buster. De productiekosten bedroegen meer dan de helft van de kosten van de bouw van het schip. Een immense nieuwe studio met diverse waterbassins maakte deel uit van investeringen. Toch wist de film met een recette die in de miljarden liep meer dan het tienvoudige op te brengen, in schril contrast met de uiteraard verliesgevende onderneming waar rederij White Star Line zich destijds aan waagde.

Minder goed kwantificeerbaar zijn de opbrengsten van Titanic voor de carrières van Kate Winslet en Leonardo DiCaprio. De Britse actrice en de Amerikaanse acteur waren destijds nog relatief onbekend, hoewel Winslet zich al had onderscheiden met haar rol in Heavenly Creatures (Peter Jackson, 1994) en DiCaprio in What’s Eating Gilbert Grape (Lasse Hallström, 1993).

In Titanic oogt het duo jong en fris. Geloofwaardig bewegen de zeventienjarige eersteklaspassagier en ‘poor little rich girl’ Rose DeWitt Bukater en de twintigjarige vrijbuiter, arme sloeber, tekenaar en derdeklaspassagier Jack Dawson zich tussen de bemanningsleden en overige passagiers. Het haar van Winslet in haar rol van Rose is rood en ze heeft zelfs nog wat puppyvet. Ze kan haar bovenlip optrekken voor een spottend glimlachje, zoals rijke meisjes dat doen wanneer ze iets als vulgair zouden moeten veroordelen, maar eigenlijk juist spannend vinden. En het is natuurlijk de dappere schelm Jack, bijna een jochie nog, die al het onderdrukte in Rose boven weet te halen.

Titanic 25th Anniversary

Titanic heeft de voorspoedige loopbanen van Winslet en DiCaprio mede geschraagd doordat de film ze in staat stelde hun onderlinge chemie te demonstreren. Zo laat Rose laat zich met haar ogen dicht door Jack begeleiden naar de reling van de achtersteven. Dezelfde reling die het tweetal later, als het schip al half gezonken en in tweeën is gebroken, nog een laatste houvast zal bieden. Ze klimt op de reling terwijl Jack haar stevig vasthoudt en zachtjes het liedje ‘Come, Josephine in My Flying Machine’ (Fred Fisher, Alfred Bryan, 1910) in haar oor zingt. Dan opent ze haar ogen en spreidt haar armen als vleugels. ‘I’m flying’. Ook Jack spreidt zijn armen, een kus en tenslotte een wide shot van het schip, de zee en de twee ‘vogels’ (of vliegtuigen) als boegbeeld op de achtersteven. Alleen kijkers met een hoge zwijmeldrempel kunnen hier onberoerd onder blijven.

Scherper en dieper
Toen Titanic in 2012 in 3D werd uitgebracht, hoopte Cameron dat zijn toch al overspoelende film daarmee nog meer uit het scherm zou spatten. Volgens het destijds uitgegeven persbericht zou de kijker zich nadrukkelijker zelf op het schip aanwezig kunnen voelen, de scènes van de ramp intenser kunnen beleven en emoties op een nog persoonlijker niveau kunnen ervaren. En nu verschijnt Titanic dan in 4k HDR 3D in de bioscopen, wat wil zeggen: met nog scherper beeld en nog meer diepte.

Het schip was in 1912 tot zinken gedoemd. Zelfs het door bacteriën al half weg gevreten scheepswrak zal volgens deskundigen de tand des tijds niet kunnen doorstaan. Maar met de voortschrijdende beeldtechnologie moet Titanic ook een jonger publiek aan zich kunnen binden en zal het uitgebalanceerde filmgevaarte van James Cameron eens te meer behoed worden voor het wegzakken in de diepten van de oceaan der vergetelheid.

 

7 februari 2023

 


ALLE ESSAYS

Movies that Matter 2022 – Openingsfilm Navalny

Movies that Matter Festival 2022:
Navalny: de enige serieuze bedreiger van Poetin

door Jochum de Graaf

Navalny, de openingsfilm van het Movies that Matter Festival 2022, was de publieksfavoriet op het afgelopen Sundance Festival. De documentaire laat niet alleen de opkomst van de meest prominente uitdager van Poetins macht zien, maar toont ook onthullend hoe pervers dat regime werkt.

Het verhaal van Navalny is redelijk bekend: de activist, advocaat die zich kandidaat stelde voor het burgemeesterschap van Moskou en in 2016 als presidentskandidaat een serieuze uitdager van de zittende macht van Poetin werd. In de loop der jaren mocht hij zich meer en meer verheugen in de speciale aandacht van de FSB, de geheime dienst waarin Poetin opgeleid werd, tegenwerking, intimidatie, arrestaties, gevangenschap. In juni 2020 wordt hij op studiereis in Siberië ernstig ziek, hij blijkt vergiftigd met novitsjok, een dodelijk gif dat al vaker op tegenstanders van het Poetin-regime werd ingezet, zoals de voormalige inlichtingenofficier Skripal die naar Salisbury was uitgeweken.

Navalny

Herstel van vergiftiging
Dankzij bemiddeling van Angela Merkel mag Navalny naar een kliniek in Berlijn worden overgebracht, herstelt langzaam in de luwte van een blokhut in het Zwarte Woud en besluit uiteindelijk om in januari 2021 toch weer terug naar Rusland te gaan. Aangekomen in Moskou wordt hij onmiddellijk in de boeien geslagen en na een showproces tot 9 jaar strafkamp veroordeeld; door nieuwe wetgeving hangt hem 20 jaar extra boven het hoofd.

De Canadese regisseur Daniel Roher laat op overtuigende wijze zien hoe Navalny uit kon groeien tot de grootste uitdager van de macht in Rusland, de enige serieuze bedreiger van Poetin. We zien de grote rally’s door het hele land, de onverschrokken Navalny die grote menigten op de been krijgt, hen opzweept: ‘De machthebbers zijn corrupte dieven. Wie is Vladimir Poetin?’ ‘Dief!’, scanderen ze terug ‘Poetin?’, ‘Dief! Dief!’. Bij Navalny’s terugkeer staat op vliegveld Sjeremetjevo een grote menigte hem op te wachten, zijn arrestatie groeit uit tot de grootste protestgolf in jaren.

IJzersterke thriller
Navalny is met de ontrafeling van het waargebeurde complot, de verpletterende werkelijkheid die soms sterker is dan de goed bedachte fictie, vooral ook een ijzersterke thriller. Christo Grozev, Bulgaars onderzoeksjournalist van het befaamde Bellingcat – dat ook in de Oekraïense oorlog een aantal spraakmakende onthullingen op zijn naam heeft staan – brengt samen met Maria Pevtsjiech, hoofdonderzoeker van Navalny’s Anti-Corrupt Foundation, in kaart hoe meest waarschijnlijk de FSB achter de aanslag zit en het ook niet anders kan dat Poetin zelf daar op z’n minst van geweten moet hebben, zo niet de opdracht heeft verstrekt. Zoals het een goed rechercheonderzoek betaamt, zien we foto’s van alle betrokkenen en verdachten en hun onderlinge dwarslijnen aan de muur gepind, Poetin bovenaan als hoofdverdachte.

In december 2020 zit Navalny met Grozev en Pevtsjiech aan de keukentafel van een blokhut in het Zwarte Woud, waar hij met zijn familie een aantal dagen uitrust van de aanslag. Grozev heeft drie FSB-agenten geïdentificeerd die al een aantal jaren Navalny schaduwen en hem vermoedelijk het novitsjok hebben toegediend. Vrouw en kinderen liggen nog te slapen als Navlny ze alle drie belt, maar de FSB-ers hangen snel op wanneer ze de stem aan de andere kant van de lijn herkennen. En dan besluit hij, zich voordoend als een ongeduldige ondergeschikte van Poetin die dringend informatie nodig heeft, nog een chemicus te bellen die ook betrokken is. Tot verbijstering en schrik van iedereen vertelt deze Konstantin Koedrjavtsev precies hoe het gebeurde: ‘we deden het precies zoals gepland, de manier waarop we het vaak hebben geoefend’ en ‘ja, het gif kan het beste via de onderbroek worden ingebracht’.

De film legt ook de ongelooflijke perversiteit bloot, het systeem van desinformatie dat nu al decennialang kenmerkend voor Rusland is.

Navalny

Vakkundig monddood
Navalny
vertelt ook het verhaal van zijn vader die dichtbij Tsjernobyl woonde ten tijde van de kernramp en door de Sovjet-autoriteiten gedwongen werd om aardappelen te poten, een publicitaire poging om aan te tonen dat er zogenaamd niets aan de hand was. Navalny zegt dan dat hij toen hij voor het eerst het gezicht van Vladimir Poetin op tv zag, gelijk wist hoe dit soort leugens in elkaar gestoken worden. Poetin op zijn beurt noemt zijn rivaal nooit bij naam, heeft het over ‘deze patiënt in een Berlijnse kliniek’.

Navalny kon door zijn uitgekiende gebruik van social media en de gelikte filmpjes waarmee hij de corruptie van het Poetin-regime onthulde zich lang onaantastbaar wanen. De onthullende virtuele rondleiding door het exorbitante geheime paleis van Poetin in Sotsji aan de Zwarte Zee is wereldwijd miljoenen keren bekeken. De film speculeert erop dat Navalny’s dood hem tot een formidabele martelaar zou uit doen groeien.

Navalny zelf is aan het eind van de film positief en vastberaden over zijn missie en roept de Russen op vol te houden: ‘geef nooit op!’ Maar de cyberoorlog die parallel aan de oorlog in Oekraïne gevoerd wordt, de afsluiting van het internet, het verbod op voor Rusland ‘onvriendelijke’ informatie waarmee Navalny vakkundig monddood gemaakt wordt, doen het ergste vrezen.

Alle voorstellingen van Navalny zijn uitverkocht.

 

8 april 2022

 

Movies that Matter Festival 2022 – Activisten
Movies that Matter Festival 2022 – Judas and the Black Messiah
Movies that Matter Festival 2022 – Les choses humaines is genuanceerde bijdrage #MeToo
Movies that Matter Festival 2022 – Sovjet- en post-Sovjetfilms
Movies that Matter Festival 2022 – Het Grote Verzwijgen

 


MEER FILMFESTIVAL

Wat The Shining niet laat zien

Kubrick versus King
Wat The Shining niet laat zien

door Alfred Bos

Op 30 oktober 1980 verscheen The Shining in de Nederlandse bioscoop, de film van Stanley Kubrick naar de roman van Stephen King. Cinema is een ander medium dan literatuur. Zit daar Kings probleem met de film van Kubrick of is er meer aan de hand?

The Shining is, zoals meer films van Stanley Kubrick, gebaseerd op een boek. Na Barry Lyndon, de film uit 1975 naar de roman van de negentiende-eeuwse Engelsman William Makepeace Thackeray, wilde Kubrick de archetypische griezelfilm maken, de gouden standaard voor het horrorgenre. Hij pakte een stapel boeken en koos voor de derde roman van een jonge Amerikaanse auteur, Stephen King.

The Shining

King was op dat moment al verfilmd (Carrie: boek 1974, Brian De Palma-film 1976) en zijn romans en verhalen zouden nadien nog talloze malen worden vertaald (hertaald) naar beeld; anno 2020 staat de teller op veertig. The Shining, boek én film, hebben sinds hun verschijning een reputatie verworven, maar de schrijver heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij geen bewonderaar van de film is. Dat nodigt uit om het boek te lezen en vervolgens de film – opnieuw – te zien.

Waarschuwing: spoilers!

Tussen boek en verfilming zit altijd spanning. Een tekst kun je woord voor woord en zin voor zin omzetten in een andere taal, maar een boek kun je niet een-op-een ‘vertalen’ in film. Cinema is een ander medium dan literatuur en de ‘vertaling’ is op zijn best een hertaling naar een ander medium. Schuilt daar Kings probleem met de film van Kubrick of is er meer aan de hand?

Het bovennatuurlijke en het buitennatuurlijke
Stephen King is er trots op een horrorauteur te zijn en The Shining staat in een lange traditie. De gothic novel (griezelroman) is sinds zijn ontstaan in de achttiende eeuw altijd populair gebleven, met pieken eind achttiende eeuw, rond 1900 en nu. King, met 350 miljoen verkochte boeken wellicht de meest gelezen auteur ter wereld, past in een lijst van klassieke auteurs die nog jaarlijks nieuwe lezers vinden: Mary Shelley (Frankenstein), Edgar Allen Poe (Tales of Mystery and Imagination), Joseph Sheridan Le Fanu (Carmilla), Arthur Machen (The Great God Pan), Bram Stoker (Dracula), M.R. James (Collected Ghost Stories), H.P. Lovecraft (At the Mountains of Madness). En dat zijn slechts de meest bekende namen. Horror is king en King is horror.

Ann Radcliffe, de schrijfster van de nog steeds gelezen gothic novels The Mysteries of Udolpho (1794) en The Italian (1797), maakt in een essay uit 1826 onderscheid tussen terror en horror. Terror staat voor het gevoel van dreigend onheil, het gaat vooraf aan de afschrikwekkende ervaring; tegenwoordig zouden we het suspense noemen. Horror is het gevoel van walging dat volgt op de afschrikwekkende ervaring.

H.P. Lovecraft, de reus van de weird fiction, ziet in zijn essay Supernatural Horror in Literature de angst voor het onbekende als de oudste en krachtigste emotie. Bij hem gaat de walging vooraf aan de afschrikwekkende ervaring: zijn horror valt samen met de terror. Niet alleen daarom is Lovecraft een buitenbeentje, hij creëerde een nieuwe griezelcategorie: kosmische horror en verboden kennis van zaken die niet boven, maar buiten de natuurlijke orde staan.

Levende heggenbeelden
Stephen King is, zoals vrijwel elke nog levende horror auteur, bewonderaar van Lovecraft. In The Shining (het boek) vinden we geen kosmische horror of verboden kennis, maar een scala van bovennatuurlijk fenomenen. King stelt in zijn essaybundel Danse Macabre dat horror de afwijking is van het normale, de routine. Dat is een echo van de Franse filosoof George Bataille, voor wie horror de extase is die het alledaagse transcendeert. En dat gaat weer terug op een idee uit de Romantiek: het sublieme als het ontzagwekkende. Of het groteske.

De griezelroman kent diverse variaties op het bovennatuurlijke. Ondoden staan de sterveling naar het leven: spoken of geesten, demonen (kwade geesten), vampiers; de zombie is een twintigste-eeuwse toevoeging met wortels in de voodoo van Haïti. Daarnaast is er het simulacrum (nabootsing) dat een eigen leven gaat leiden: het spiegelbeeld, de dubbelganger, schaduwen die loskomen, het beeld dat blijkt te leven, het portret dat uit de lijst stapt. En dan zijn er de monsters en de shapeshifters, wezens die van gestalte veranderen, zoals weerwolven.

The Shining

The Shining (het boek) gebruikt alle categorieën. Het gaat over een vader, Jack, een moeder, Wendy, en hun zoontje met bovennatuurlijke gaven, Danny, die verblijven in een afgelegen hotel in de Rocky Mountains. Ze zijn geïsoleerd, door sneeuwstormen afgesneden van de buitenwereld.

De setting is de oertroop van de gothic novel: het afgelegen kasteel (later: landhuis, hier: hotel) waar zich onbetamelijke en onverklaarbare zaken afspelen. Zoontje Danny beschikt over paranormale talenten, de shining: hij ‘ziet’ dingen en gedachten, en heeft een denkbeeldig vriendje, Tony; een dubbelganger, want Danny is Tony. Het hotel is een wespennest – en die metafoor is niet toevallig – van demonen die het op Danny hebben voorzien. Vader Jack is hun instrument, hij transformeert tot monster. Rond het hotel staat een haag van struiken die zijn gesnoeid in de vorm van leeuwen en honden. Ze komen tot leven en bedreigen de personages.

Verwijzingen naar traditie
King is zich ervan bewust in welke traditie hij schrijft. The Shining geeft diverse verwijzingen naar illustere voorgangers, via metaforen en directe referenties. Danny’s paranormale momenten – de termen hallucinaties of visioenen zijn te beperkt – worden beschreven in beeldspraak die is ontleend aan Lewis Carrolls Alice’s Adventures in Wonderland (door het konijnengat vallen) en Through the Looking-Glass (door de spiegel in een andere werkelijkheid stappen).

De setting is die uit de allereerste gothic novel, The Castle of Otranto (1764) van Horace Walpole: het afgelegen oord waar het spookt, en King verwijst naar schrijver en boek (pagina 168 van de geel gekafte filmeditie uit 1980). Er zijn expliciete referenties naar Shirley Jackson (pagina 281), de schrijfster van The Haunting of Hill House (1959), dat in 1963 door Robert Wise is verfilmd als The Haunting. Naar de Engelse auteur van spookverhalen en weird fiction, Algernon Blackwood (pagina 264); naar de gothic novel The Monk (1796) van Matthew Lewis (pagina 298); naar Treasure Island (1883) van Robert Louis Stevenson, de auteur van Strange Case of Dr Jeckyll and Mr Hyde, een roman over een gespleten persoonlijkheid (pagina 372); naar de Frankenstein-film uit 1931 van James Whale (pagina 327). En er zijn meerdere toespelingen op het verhaal The Masque of the Red Death van Edgar Allen Poe.

Het Overlook Hotel waar Danny, Jack en Wendy hun nachtmerrie beleven, is gesitueerd achter de spiegel van Lewis Carroll. Het is een oord waar de tijd anders functioneert, waar het verleden nog leeft en zich indringt in de werkelijkheid van nu. Waar de historie van het hotel, een litanie van liederlijkheid en misdaad, zich heeft verdicht tot destructieve kracht. Wanneer Jack er met vrouw en kind neerstrijkt, om het gesloten hotel tijdens het winterseizoen als huismeester te beheren, wacht hen een verrassing.

The Shining

Metaforen en monologue intérieur
Het boek van King is subtiel van psychologie. De ouders kunnen in het hotel niet aan hun verleden ontsnappen. Jack, kind van een alcoholische en gewelddadige vader, heeft zijn baan als onderwijzer verloren omdat hij een leerling heeft geslagen. Hij heeft de alcohol afgezworen en hoopt in de winterse afzondering zijn loopbaan als schrijver weer op te pakken. Hij werkt aan een toneelstuk dat zijn schoolincident spiegelt.

Wendy is bezorgd over haar huwelijk, over Jack, over haar zoontje Danny (wiens arm door Jack in een beschonken woedeaanval werd gebroken), maar vooral over zichzelf als moeder. Ze meent doorlopend dat ze tekortschiet, ze is emotioneel beschadigd door de eeuwige verwijten van háár moeder. Ze begint te beseffen dat ze haar moeder spiegelt.

Danny begrijpt zijn paranormale gaven niet en trekt zich terug in zichzelf wanneer zijn ouders ruziemaken en elkaar hun zwakheden verwijten; ze overwegen een scheiding. Als de spanning toeneemt, krijgt Danny een boodschap door: ‘redrum’, murder in spiegelbeeld.

Stephen King bouwt de psychologie van zijn personages en hun sluipende destabilisering secuur op. Hij gebruikt monologue intérieur en flashbacks om het innerlijk van de personages te schetsen. Dat innerlijke leven kan de film niet laten zien. De film toont de buitenkant, blijft aan het oppervlak.

Een voorbeeld van Kings aanpak: wanneer Jack het dak van het hotel repareert, vindt hij een wespennest. Hij rookt het uit en geeft het Danny cadeau; zelf heeft hij van zijn vader ooit een leeg wespennest gekregen. Maar het nest blijkt niet leeg en Danny wordt ’s nachts aangevallen. Het schijnbaar verlaten nest dat nog steeds actief is—het is een metafoor voor het Overlook Hotel. Het ontbreekt in de film.

Roman als matroesjka
Wat de film niet kan bieden en het boek wel: de zorgvuldige opgebouwde achtergrond van de personages en het spookhotel. Verleden en heden spiegelen, thema’s herhalen zich op verschillende niveaus. Het boek leest als een matroesjka, de Russische pop waarin een reeks kleinere en identieke poppen zit verstopt.

De roman is semi-autobiografisch. Stephen King deed de inspiratie op tijdens een vakantie in de herfst van 1974, toen hij en zijn vrouw de enige gasten waren in het Stanley Hotel in Colorado. Ze aten in een verlaten restaurant, net als Jack en Wendy in het boek. En hij dronk aan een lege bar, bediend door een barman genaamd Grady. Barman en Grady komen in het boek terug. Net als het romanpersonage Jack is King een ex-alcoholist die van zijn pen probeert te leven. Als kind is Kings arm gebroken door een agressieve vader. Het autobiografische element voegt een extra matroesjka toe: feit en fictie verstrengeld.

Het is het belangrijkste thema van The Shining: de kracht van verbeelding. Jack en Wendy creëren hun problemen door te piekeren, hun gedachten werpen blokkades op, worden obsessies die hun werkelijkheid vervormen. Danny’s paranormale gaven zijn zijn redding, maar hij begrijpt zijn talent niet. Fantasie is een tweesnijdend zwaard. Fictie heelt. En vernietigt.

The Shining

Labyrint
In het boek is Jack een getroebleerde, maar liefhebbende vader die door de kwalijke invloed van het hotel langzaam ontspoort. Stanley Kubrick heeft van hem een boeman gemaakt, het toonbeeld van wat tegenwoordige giftige mannelijkheid heet.

Spiegelt het boek het verleden in het heden van de personages, Kubricks film maakt handig gebruik van spiegels. Vroeg in de film zit Danny voor de spiegel van de badkamer, hij is zijn denkbeeldige vriendje Tony. Danny/Tony spreekt met een hoog stemmetje en beweegt zijn wijsvinger op en neer als Tony praat. (Steven Spielberg zag The Shining vijfentwintig keer en leende de wijsvinger voor E.T. the Extra-Terrestial: ‘phone home’.) Kubrick opent verschillende scènes met een spiegelbeeld, om vervolgens uit te zoomen.

De heggen die zijn gesnoeid als groene dieren, ontbreken in de film. Kubrick heeft ze vervangen door het labyrint, een klassieke troop van de gothic novel en een sterke vondst. Het doolhof bestaat uit groene heggen, als in het boek, en spiegelt de verwarring van de personages, zoals het boek innerlijk van de karakters en uiterlijk van de situatie spiegelt. In het hotel staat een maquette van het doolhof (simulacrum, een horrortroop) en we zien een droneshot – gemaakt toen er nog geen drones waren – van Wendy en Danny in het labyrint.

Het labyrint is de setting van de climax en daarin wijkt de film sterk – en volgens de auteur zelfs op cruciale wijze – af van het boek. Jack vriest dood in het doolhof, Wendy en Danny ontsnappen via de sneeuwmobiel, het hotel blijft leeg achter. Stephen King heeft het Overlook Hotel een ander einde toebedacht. Het hotel is inherent instabiel, de verwarmingsketel in de kelder is verouderd en moet dagelijks handmatig worden bijgesteld om oververhitting te voorkomen. Tijdens de climax van het boekverhaal explodeert de ketel en gaat het hotel – het wespennest – in vlammen op.

Vrieskist
Zoals Stephen King heeft opgemerkt: in het boek eindigt het hotel als een brandende hel, in de film als ijzige vrieskist. Je kunt je afvragen of Stanley Kubrick het boek heeft begrepen. Hij heeft het zeker gelezen, de filmdialogen komen uit de roman en veel details zijn verwerkt in het script. Maar Kubrick heeft weinig zicht op de psychologie van de boekpersonages.

Kubrick maakt van Jack een gestoorde bruut en verandert daarmee de motivatie van diens gedrag: in het boek komt het kwaad van buiten, niet uit Jack. Daardoor blijft de sinistere invloed van het hotel onduidelijk en is de film soms onbegrijpelijk. Ook maakt Kubrick van Tony, Danny’s denkbeeldige vriendje, een boze geest. Dat slaat nergens op en vertroebelt het verhaal.

Kings opmerking over de vrieskist versus de hel snijdt hout. The Shining van Stanley Kubrick is een kille, onbarmhartige film. De cinematografie is fraai, er zitten verschillende klassieke ‘Kubrick-shots’ in: Jack in de pantry, Wendy en Danny in het doolhof, de waterval van bloed. In de woorden van King: een prachtige auto zonder motor. Een esthetische film zonder hart.

Stephen King is gepokt en gemazeld in het genre van de griezelroman en kent diens rijke geschiedenis. Stanley Kurbick is een belezen regisseur, die ter voorbereiding van The Shining psychologische studies las. Bruno Bettelheims The Uses of Enchantment, een Freudiaanse uitleg van sprookjes, is geen Castle of Otranto. Hoe goed de film ook moge zijn, het boek is beter.

The Shining (40th Anniversary Extended Edition) draait sinds 28 oktober in de bioscoop.

 

29 oktober 2020

 
ALLE ESSAYS

10 grensverleggende films

Tien grensverleggende films

10 grensverleggende films

Feitjes over films zijn altijd leuk. Nog leuker is om je te realiseren wat ze allemaal in gang hebben gezet. Tien mijlpalen in de filmgeschiedenis die de grenzen verlegden: van de allereerste speelfilm tot en met de eerste bewustwordingsfilm over voeding.

door Cor Oliemeulen

1. – The Story of the Kelly Gang (1906) – allereerste speelfilm

Niet Amerikanen of Europeanen maakten de allereerste speelfilm. Ene Charles Tait uit het Australische goudzoekersparadijs Castlemaine en twee van zijn broers vertoonden op 26 december 1906 het bijna zeventig minuten lange The Story of the Kelly Gang. Dit westerndrama gaat over de beruchte Ierse balling Ned Kelly, die na de moord op drie politiemannen vogelvrij werd verklaard. Veel fragmenten op de filmrol hebben de tand des tijds niet goed doorstaan of zijn simpelweg verdwenen. In de gerestaureerde versie zijn foto’s en teksten geplakt om de leemtes in het verhaal op te vullen. Wat opvalt is het gebruik van echte pistolen! Tijdens schermutselingen wordt er vaak bewust in de grond of in de lucht geschoten, waarna tegenstanders toch dood neervallen. Charles Tait kreeg negen kinderen en maakte geen tweede speelfilm.

 

2. – Nanook of the North (1922) – eerste documentaire

Robert J. Flaherty was goudzoeker aan de andere kant van de wereld, in het hoge noorden van Canada, en maakte daar prachtige natuuropnames met mens en dier. Op een dag knoeide hij sigarettenas op zijn kilometerslange, uiterst brandbare rollen celluloid en werden alle opnamen vernietigd. Flaherty, die een relatie met een Eskimofamilie had opgebouwd, begon weer vol goede moed aan zijn film over het leven van de Inuit. Maar wat bleek later? Sommige fragmenten waren in scène gezet, zoals de vangst van een zeehond – die al dood was toen die zogenaamd door Nanook en zijn gezin onder het ijs vandaan werd getrokken. De vraag is of Nanook of the North door het manipuleren van de werkelijkheid een echte documentaire is. In ieder geval schetst de film een authentiek beeld van de ongerepte natuur in het noordelijk poolgebied.

 

3. – La coquille et le clergyman (1928) – eerste surrealistische speelfilm

Het door de Franse schrijver André Breton in 1924 gepubliceerde Manifest van het Surrealisme predikte een levenshouding. Fantasierijk, volledige vrijheid, loslaten van het verleden en zich niets aantrekken van bestaande regels. De visuele verbeeldingskracht staat los van verstand en logica, en is toepasbaar op alle kunstvormen. De beroemdste vroege surrealistische film is Un chien andalou (1928), waarmee Luis Buñuel en Salvador Dalí de gevestigde orde schokten. Maar de allereerste surrealistische speelfilm verscheen eerder dat jaar. In La coquille et le clergyman (De zeeschelp en de priester) van regisseuse Germaine Durlac maken we kennis met de dromen en erotische fantasieën van een priester. Het zowel originele als maffe script is van Antoine Artaud, die later met de introductie van zijn Wrede Theater ‘te surrealistisch’ werd bevonden door Breton en consorten.

 

4. – The Ox-Bow Incident (1943) – eerste humane western

In westerns werden indianen als bloeddorstige barbaren afgeschilderd. Dat negatieve beeld veranderde met de revisionistische western, waarin indianen en Mexicanen juist als sympathieke mensen worden neergezet. Mooie voorbeelden zijn High Noon (1952), Little Big Man (1970) en Dances with Wolves (1990). Al in 1943 verscheen The Ox-Bow Incident van William A. Wellman dat een sleutelrol speelt in de geschiedenis van de western. Deze eerste humane western houdt een pleidooi voor de rechtstaat als fundament van de samenleving. Drie mannen worden verdacht van moord en zonder proces opgehangen door een hysterische menigte. Later blijken ze onschuldig. Eén van de terechtgestelden had nog een afscheidsbrief mogen schrijven. In de ontroerende finale leest het personage van Henry Fonda, één van de weinigen die de executies probeerde te verhinderen, de brief voor aan een saloon vol daders.

 

5. – Sommaren med Monika (1953) – eerste vrijgevochten film

De Zweedse filmmaker Ingmar Bergman genoot een strenge opvoeding (vader was luthers predikant), was bang voor de dood en twijfelde aan God en het geloof. Dat resulteerde in 1957 in het meesterwerk Det sjunde inseglet (Het Zevende Zegel). Vier jaar eerder zorgde Bergmans doorbraakfilm Sommaren med Monika (Zomer met Monika) al voor de nodige ophef. Een vrijgevochten meisje (Harriet Andersson), dat met haar vriendje vlucht voor haar burgerlijke ouders, gaat uit de kleren. In Amerika ging de schaar in Bergmans vernieuwende, realistische filmstijl, en bleven hoofdzakelijk beelden van het stoute meisje over. “In de buurt werd er gesproken over een naaktscène. Zoiets was destijds ongehoord in Amerikaanse films”, zei regisseur Woody Allen, die net als veel anderen pas later Bergmans werkelijke kwaliteiten zou ontdekken.

 

6. – L’avventura (1960) – eerste moderne filmvertelling

Naast Bergman plaveide Michelangelo Antonioni de weg voor Europese films in Amerika. Tijdens zijn hele oeuvre bestudeerde de Italiaanse maestro van de moderne cinema de zoektocht naar betekenis en toonde hij zijn personages niet conform de toen geldende filmwetten. Zo worden hartstochtelijke vrouwen en communicatief impotente mannen in een dialoog met de rug naar elkaar geplaatst om hun psychologische afstand te symboliseren. Vanaf L’avventura (1960) wordt het verhaal ondergeschikt aan de gevoelens en worden de personages geplaatst in een omgeving die hun gemoedstoestand benadrukt, soms heel nietig in een overweldigend landschap of als een stipje voor een gigantische muur. Tijdens de wereldpremière op het filmfestival van Cannes klonk veel gejoel. Het publiek vond de shots veel te lang en kon het niet verteren dat hoofdrolspeelster Anna zomaar verdwijnt om vervolgens niet meer terug te keren in het verhaal.

 

7. – Straw Dogs (1971) – eerste verkrachtingsscène

Nog voordat de Hays Code in de Verenigde Staten werd afgeschaft, trok een schietgraag overvalkoppel in Bonnie and Clyde alle ongecensureerde registers open. Seks, drugs en vooral geweld vulden vanaf 1967 het witte doek. Gevlucht voor de verruwing in zijn geboorteland betrekt een Amerikaanse astrofysicus met zijn Britse vrouw in Straw Dogs een groot huis op het Engelse platteland. Helaas loopt hun relatie met enkele ingehuurde werklieden niet van een leien dakje en duurt het niet lang voordat iemand zich aan de vrouw des huizes (Susan George) vergrijpt. Natuurlijk kende de filmgeschiedenis al suggestieve aanrandingen, maar zeker een regisseur als Sam Peckinpah wist wel raad met het schokkend in beeld brengen van de dubbele verkrachtingsscène (waarbij het lijkt alsof de vrouw aanvankelijk nog geniet). Het is aan manlief (Dustin Hoffman) om zich uiteindelijk over te geven aan een bloederige wraakorgie.

 

8. – Westworld (1973) – eerste film met CGI

Beste millennial. Er was een tijd dat een grote ruimte vol computerkasten minder capaciteit had dan een enkele chip in je telefoon. Tegenwoordig kan film elke illusie creëren en digitale animatie zie je in bijna elke game en Hollywoodproductie. Wat nu normaal is, was vroeger bijna lachwekkend. De eerste speelfilm waarin CGI (Computer Generated Imagery) werd toegepast, is Westworld (1973). In het sciencefictionverhaal van debuterend regisseur Michael Crichton slaan bij een ‘gunslingerrobot’ (Yul Brynner) in een futuristisch amusementspark de stoppen door. Gelukkig is zijn zicht – dat bestaat uit grove pixels (gemaakt door de computer) – wat beperkt. Hoe knullig de scène er nu ook uitziet, hij zette wel de deur open voor bijvoorbeeld de eerste volledig met de computer gemaakte film: Toy Story (1995).

 

9. – Festen (1998) – eerste Dogme 95-film

In het ontwaakte digitale tijdperk kregen filmmakers in Denemarken de behoefte terug te keren naar de basis. Lars von Trier en Thomas Vinterberg stelden een manifest met tien regels op. Je moest voortaan op 35mm filmen, op locatie met de camera in je hand, zonder extra belichting. De film mocht geen oppervlakkige actie bevatten en het manipuleren van beelden (effecten en filters) was natuurlijk uit den boze. Deze ‘eed van zuiverheid’ leidde tot de eerste zogenoemde Dogme 95-film: Festen (1998). Het beeld van de reünie waar de zestigste verjaardag van pa wordt gevierd, is korrelig, soms schokkerig, en oogt authentiek. Het drama is zo werkelijk dat Thomas Vinterberg tijdens de beroemde incesttoespraak een deel van de acteurs in het ongewisse hield over de afloop. Ondanks het nobele streven, was na een paar jaar weinig meer van Dogme 95 over.

 

10. – Food, Inc. (2008) – eerste bewustwordingsfilm over voeding

Terwijl in Nederland de meeste boeren hun best doen om een verantwoord product op tafel te zetten, nemen ze het in Amerika niet zo nauw. Food Inc. gaf als eerste film een interessant kijkje achter de façade van vrolijk huppelende koeien in groene weiden die op pakken zuivel staan afgebeeld. Overzee blijkt voedselproductie in handen van megagrote bedrijven die nauwelijks oog hebben voor dierenwelzijn en verantwoord bodemgebruik. Ze worden bovendien gesubsidieerd door de overheid, want op groente en fruit valt weinig winst te behalen. In hamburgers zit soms ‘vlees’ van tientallen runderen, waardoor de oorsprong van eventuele ziektekiemen moeilijk is te achterhalen. Ook documentaires als Super Size Me (2004), waarin je lekker onverantwoord kunt eten bij McDonalds, maakten de weg vrij voor een reeks bewustwordingsfilms over dierenonwelzijn, vet, suiker en tal van andere producten waarvan we het naadje van de kous niet wisten.

 

21 december 2019

 
Alle leuke filmlijstjes

Andrey Tarkovsky. A Cinema Prayer

*****
recensie Andrey Tarkovsky. A Cinema Prayer

Zo vader, zo zoon

door Ralph Evers

33 jaar na de dood van zijn vader, komt zoon Andrej A. Tarkovski met een hommage aan zijn vader, de grootste cineast die de filmgeschiedenis gekend heeft, Andrej Tarkovski. Een oogstrelend portret en een intieme ontmoeting met de familie Tarkovski.

Zou het toeval zijn, 33 jaar? De leeftijd waarop Jezus zijn spirituele geboorte (of wederopstanding in het hart, de zetel van de ziel) beleefde. Er is aanleiding genoeg om dit soort verbanden te leggen. De kunst, zo zei de cineast Tarkovski, is de taal om het hogere mee te verbeelden of verwoorden.

Andrey Tarkovsky. A Cinema Prayer

“Alle grote kunstenaars, of het nou Shakespeare, Leonardo of Bach is, uiteindelijk zijn ze allen poëten. Daar kan de filosofie met haar analytische neigingen niet bij komen. We hebben een andere taal nodig om uitdrukking te geven aan dit hogere. Dat we contingente creaties van grote kunstenaars niet kunnen bevatten is omdat ze een wonder zijn en dit wonder leidt ons tot God. Zouden er geen poëten meer zijn, dan gaat een samenleving ten onder.” 

Het zijn een aantal citaten die in A Cinema Prayer uit de mond van vader Andrej Tarkovski opgetekend worden. Deze citaten zijn verbonden aan filmfragmenten, interviews, beeldmateriaal als foto’s en polaroids en door zoon Andrei geschoten natuuropnames van de plekken waar vader en grootvader Tarkovski resideerden.

Gebed
Gebed lijkt vooral een ander woord voor contemplatie en verstilling. Een relatie die de innerlijke ziel met de buitenwereld, de Ander, aangaat. “Het je ergens niet op je gemak voelen is je ziel die te weinig expansie of expressieruimte ervaart.” Er is in ons leven voortdurend een op weg naar huis zijn en een bezieling of afstomping gaande. De tijd, zo mijmert Tarkovski de cineast, wordt in onze tijd te snel geleefd. Een zeventiende-eeuwer zou verpletterd worden in onze tijdsdruk.

En prompt toont zowel vader als zoon het medicijn: verstilde natuurlandschappen, zoals een ondergaande zon die door een takkenbrij heen prikt over een met lichte mist bedekt landschap. Of de opening van Nostalghia. Een mistig landschap in sepia-tinten met zoekende, melancholische blikken, die gevangen lijken te zitten in een onbekend lijden.

Tarkovski schurkt tegen Helmut Plessners idee van Heimatlosheit aan. De mens is altijd onderweg, maar nimmer thuis. De ziel echter zoekt naar expressie, hetgeen vrijheid is. Vrijheid huist over het algemeen beter in onderdrukkende regimes, volgens vader, dan in vrije democratieën. In onderdrukkende regimes wordt een beroep gedaan op de eigen persoonlijke, uniek vrijheid. Dit is vruchtbare grond voor creativiteit. Waarop de cineast autocratisch de set tracht te bedwingen, maar we ook zien hoeveel vrijheid hij aan zijn acteurs laat. Uiteindelijk wint vertrouwen het van controle, als knipoog naar Lenin.

Spiegels
Collega-recensent Alfred Bos schreef in zijn beschouwing over Solyaris het nodige over spiegels: de spiegel dient als nabootsing van het leven, wat een volstrekt onkenbaar wezen en onvoorspelbaar verloop heeft. De spiegel kadert, waar het leven zich buiten kaders onvoorstelbaar voor onze geestelijke vermogens voortbeweegt. We kunnen ons een stoel inbeelden, maar de wereld? Dat is teveel. Zo ook het hogere, God, de ziel. Woorden voor ervaringen die alleen gemankeerd kunnen verwoorden, als prothese van iets ongrijpbaars.

Andrey Tarkovsky. A Cinema Prayer

Zal het de gemiddelde bioscoopbezoeker opvallen dat beeldpoëten als Tarkovski de camera gebruiken als pneuma? De levensadem die het getoonde tot leven brengt, de Qi uit de Chinese filosofie of Allah zo u wilt. Dat ondoordringbare dat alle verschijningen op aarde beroert, van opkomst tot verval en slechts gedeeltelijk gevangen kan worden in woorden of beeld, want dat kent een grens. De mens zonder grens is verloren. De persoonlijke vrijheid schept grenzen in een wezenlijk onkenbaar universum.

In de dichtkunst, zo lijkt de Tarkovski-dynastie te zeggen, treffen we een opening waarmee we uitdrukking kunnen geven aan dat wat niet gekend kan worden. Het verbaast in deze niet dat de cineast geïnspireerd raakte door het zenboeddhisme, die in haar haiku’s met de kunst van het weglaten juist iets krachtigs uitdrukt (hetgeen ook in de Chinese en Japanse schilderkunst emergeert).

Levensbeschouwelijke beeldbiecht
A Cinema Prayer dompelt je onder in een levensbeschouwelijke beeldbiecht, liefst als in het Bagno Vignoni uit Nostalghia: verstild, vertraagd en mistig. Zoonlief weet evenals zijn vader een film te maken die breekt met de conventies van hoe we film doorgaans ervaren. Kop, romp, staart. Hier is het eerder water, wind, lucht en vuur en meest nog ether, de kwintessens, het ongrijpbare, de lege ruimte die opening laat voor het ervaren en verschijnen.

Er dient zich nog een associatie aan: de heilige drie-eenheid, opa, vader, zoon, dichter, beelder, herder. De wind voert ons mee en kijkt nog eenmaal vanuit de hemel op ons thuis, de aarde, die in staat is adem te materialiseren, waarna hij wegvliegt naar onbekende bestemming. Amen.

 

23 november 2019

 

ALLE RECENSIES

Vinden jullie 2019 ook zo’n slecht filmjaar? (deel 1)

Ondertussen, op de redactie:

Vinden jullie 2019 ook zo’n slecht filmjaar? (deel 1)

COR:  

Van de 220 films die in de eerste helft van 2019 in de bioscoop verschenen, heb ik er veertig gezien. Ik vraag me af waarom zo weinig. Waarschijnlijk ben ik selectiever gaan kijken. Ik hoef niet meer per se de laatste film van François Ozon of Mike Leigh te zien en ook Climax van Gaspar Noé brengt mij niet tot een hoogtepunt, omdat ik bij voorbaat weet dat die niets aan mijn persoonlijke ontwikkeling of verbeelding zal toevoegen.

Ik kijk zelden trailers, maar baseer mijn keuze om te gaan kijken puur op mijn gevoel, hoewel namen van de filmcrew altijd wel een rol spelen. De volgende films vond ik prima te verteren: The Favourite, Stan & Ollie, At Eternity’s Gate, Vice, Lazarro Felice, Anna’s War, Another Day of Life en An Elephant Sitting Still. De rest ben ik gelukkig al vergeten (daarom collega’s, ben ik zo slecht in filmkwissen geworden ;-) ).

The Favourite (Yorgos Lanthimos, 2018)

The Favourite (Yorgos Lanthimos, 2018)

Ik mis originaliteit, diepgang, visie en zeggingskracht. Mensen die in deze tijd opgroeien, zijn meer dan ooit overgeleverd aan marketing, oppervlakkigheid, eenheidsworst en de waan van de dag. Alleen een universele revolutie kan het tij keren. Met weemoed grijp ik dan maar weer eens terug naar de cinema uit vervlogen tijden. Zo word ik intens gelukkig van de indringende zwaarmoedigheid van Ingmar Bergman, laat ik me heerlijk meeslepen door screwball comedies van Preston Sturges en beschouw ik bijna elke willekeurige film van het Italiaanse Neorealisme als een verrijking van de ziel – om maar een paar voorbeelden te noemen.

Natuurlijk kijk ook ik weleens een ongecompliceerde actiefilm (de oeuvres van Jason Statham en Steven Seagal zijn mij niet vreemd, en gisteravond nog zag ik Venom, het zoveelste vermakelijke, maar luidruchtige, Avengers-avontuur), maar het voelt alsof de tijd begint te dringen. Misschien ga ik me wel wagen aan mijn eigen uitgave van ‘1000 films die je gezien moet hebben’, hoewel ik me realiseer dat ik dan nog zeker even zoveel films ‘moet’ gaan kijken. Buiten kijf staat dat ik weer eens diep in de filmgeschiedenis ga duiken. Dat betekent dat ook de tweede helft van 2019 niet op mij hoeft te rekenen.

 

YORDAN:  

Ik, als product van deze tijd, ben het eigenlijk volledig met je eens. Er zijn heel weinig filmmakers nu waar ik zeker voor naar de bioscoop wil. Ik denk dat de commercialisering van film zijn grenzen begint te bereiken. Film wordt een karikatuur van zichzelf, en we weten het allemaal. Men gaat naar films, al wetende dat men het niks gaan vinden… Het is wachten op het moment dat we dat niet meer doen, we niet meer om deze grap kunnen lachen.

Ik persoonlijk geef de schuld aan kapitalisme. Het lijkt op elk gebied de grens te bereiken. Het beschadigt democratie, milieu, sociaal gemeenschappelijk leven en zo ook cultuur. Ik zie een duidelijke tendens naar oppervlakkigheid in muziek en film. Maar goed, dat is mijn politieke invulling. Ik heb ook moeite met het zien van veel films van dit jaar, vooral ook omdat ik nog véél meer klassieke films moet zien ;)

 

ALFRED:

Dank voor jullie berichten. Het is een steuntje in de rug, want ik voel me nu minder alleen, ha!

Dit wordt dus een Ondertussen van de treurige soort, want: 1) we zijn het eens, en 2) de kwestie is deprimerend.

Enkele maanden geleden vroeg ik me af waarom ik recentelijk een duidelijke dip in mijn bioscoopbezoek kon constateren, waarom ik aanmerkelijk minder gebruik maak van mijn Cinevillepas dan vorig jaar of de jaren daarvoor. En als ik dan een film selecteer, is het negen van de tien keer een oude(re) film. Het percentage oude(re) films in mijn filmconsumptie is de afgelopen jaren gestaag gestegen. Harder dan het aanbod.

De oorzaken hebben jullie al aangegeven: het marketinggeweld, de verplatting van de cultuur (die eigenlijk niet meer bestaat en nu, mede dankzij de marketeers, als lifestyle door het leven gaat), de infantilisering van de samenleving, het gebrek aan lef (want risicomijdend gedrag wordt beloond en afwijkend gedrag bestraft met uitsluiting) en bijgevolg de voorspelbaarheid … van alles eigenlijk, van de politiek, de media, maar ook zeker de films.

Cinevillepas

Het publiek slikt het braaf. Met jonge mensen kun je lastig in discussie gaan, want wie het niet bij voorbaat met hen eens is, is een racist, vrouwenhater, homohater, (vult u maar in) of op zijn minst een ingekakte dinosaurus van het blanke, hoogopgeleide en mannelijke soort. Dus bij voorbaat de schuld van alles wat er mis is met de wereld. Waar in de ogen van veel jonge mensen die ik niettemin spreek niet zoveel mee mis is, behalve dat er ingekakte dinosaurussen van het blanke, hoogopgeleide en mannelijke soort in rondlopen. Verder alles kits en dat nieuwe Instagramfilter dat vlinders op je gezicht tovert is helemaal de bom. Wat, ken je die nog niet?

Je kunt het inderdaad heel kernachtig wegschrijven op het krediet van het kapitalisme. Het voert veel te ver om daar in dit verband omstandig op in te gaan, maar in de grond komt het daar wel op neer.

Ik heb er eind vorig jaar al voor gekozen om voor InDeBioscoop minder films te bespreken en me meer te richten op interviews en achtergrondverhalen. Nu begrijp ik dat jullie eveneens een zekere malaise ervaren. Hollywood heb ik al lang opgegeven, maar CinemAsia was dit jaar ook minder dan daarvoor, daarnaast bleek een genrefestival als Imagine dit jaar eveneens voornamelijk gevuld met voorspelbare middelmaat, en loop ik al een paar jaar met een grote boog heen om wat ik de ‘festival-arthousefilm’ noem, het soort film dat keurig alle hokjes afvinkt om door de ballotage van de filmfestivals wereldwijd te komen en vervolgens – gelukkig slechts beperkt – in het filmhuis wordt vertoond. Ik wil maar zeggen, de malaise is structureel en wereldwijd. Uitzonderingen daargelaten, uiteraard. Maar, en dat is het verontrustende, die uitzonderingen lijken ook steeds zeldzamer te worden.

Help! Wat nu? Ik heb dezelfde oplossing gekozen als Cor: ik laat het nieuwe werk grotendeels lopen en stel mijn eigen cinema-universum samen uit het menu van films die de distributeurs ons voorschotelen. Ik ben, als inwoner van Amsterdam, in de gelukkige omstandigheid dat ik wekelijks kan kiezen uit meer dan 100 films (vaak zo’n 130, 140), waaronder een groeiend aantal hervertoningen van oude(re) films. Want het goede nieuws is dat – in Amsterdam, ten minste, en elders wellicht ook – een aantal programmeurs heeft bedacht dat er om nieuwe releases heen een reeks van hervertoningen kan worden gepresenteerd. Voorbeeld: nieuwe Tarantino komt er aan, daaraan voorafgaand zijn alle Tarantino’s nog eens te zien. Ik kom steeds vaker themaprogramma’s tegen rond Ghibli Studio, sciencefictionfilm, bepaalde regisseur of acteur/actrice, (deel)genre, of verzin het maar. Ik weet het, ook dat is ingegeven door marketing.

Dus geen nood, ik moet nog een enorme berg aan oude(re) films inhalen of opnieuw zien en gelukkig worden ze steeds vaker geprogrammeerd. En zo niet? Ik heb van YouTube al een vracht film noir geplukt, waaronder enkele films van Fritz Lang die niet op video of dvd zijn te vinden.

Aldus kom ik ook op ideeën voor achtergrondstukken, bijvoorbeeld voor InDeBioscoop. Of ik ze ooit schrijf, zal de tijd leren. Maar de nieuw Avengers mis ik niet, want ik laat ‘m lopen. De nieuwe Gaspar Noé idem dito. Ik wentel me in weelde.

Het is raar gesteld: vroeger, in de jaren zeventig, had je vrijwel iedere week een nieuwe spraakmakende film, maar die kon je alleen op dat moment zien, want video, dvd, hervertoningen en filmfestivals bestonden nog niet. Nu komen we om in de streamingdiensten, gespecialiseerde festivals, rereleases van klassieke films, dvd-boxen uit alle hoeken en gaten van de filmhistorie en een jaarlijks groeiend aantal films dat in de Nederlandse bioscoop is te zien—en is het met het aanbod nieuwe spraakmakende films droef gesteld.

Het is ook nooit goed! Troost je, het is nooit goed geweest.

 

YORDAN:

Ik wil toch even wat zeggen over het economische systeem. Je ziet gewoon dat bepaalde sectoren niet goed functioneren op een markt gericht op massaproductie. Sommige maatschappelijke fenomenen verdrinken nou eenmaal op onze markt. Dit geldt onder andere voor de zorg, onderwijs en cultuur.

Ik zie dit persoonlijk zelfs in het strafrecht, waar men zijn geld verdient aan hetgeen het eigenlijk moet voorkomen. Dezelfde paradox zien we in film: hoe kan een studio volgens de bedrijfskundige modellen investeren in een film die iets onbekends wil vertellen? Iets dat nooit gedaan is? Dat is zo prachtig tegenstrijdig aan het maken van een veel slechtere remake. Het teert op de culturele waarde die geschapen is door het origineel zonder zelf iets toe te voegen. Dat is totaal niet duurzaam, het remaken van remakes houdt een keer op.

Climax (Gaspar Noé, 2018)

Climax (Gaspar Noé, 2018)

Ik vind het succes van Nolan typerend voor deze tijd. Films die draaien om een “vet verhaal” maar geen menselijke personages hebben of überhaupt iets echts te vertellen. Het is als Hitchcock zonder de psychoanalyse, slechts de plottwist om de consument een achtbaanritje te geven. Het is seks zonder liefde of bier zonder alcohol. Dit verklaart voor mij mede de opkomst van series. In series draaien het niet echt om menselijke personages maar om cliffhangers en de plotselinge dood van een personage. Het is wat in Alphaville (ja ik heb hem eindelijk gezien!) zo goed beschreven wordt; de rationaliteit wint het van de emotie. Dit gebeurt overal om ons heen.

Het internet brengt gelukkig zoals Alfred terecht beschrijft wel meer mogelijkheden met zich mee om van alles te kunnen kijken. Men moet alleen nog weten hoe je door de bomen het bos nog kunt zien. Daar zijn wij voor. Dus misschien maar strenger recenseren? Ik had Climax namelijk wel een ster minder moeten geven achteraf gezien… Noé had niks te vertellen.

Misschien is het een idee om een aantal grote films van deze tijd naast, qua thema, vergelijkbare grote films van vroeger te leggen en aan te wijzen op welke gebieden ze nu vlakker zijn geworden?

Een hoopvol perspectief om mee af te ronden is wellicht dat in de toekomst films steeds goedkoper gemaakt kunnen worden en dat dat doorgang kan geven aan originele en nieuwe ideeën.

 

BOB:

Eindelijk weer een onderwerp naar mijn hart: klagen over hedendaagse films. Ik ben echt een hipsterklager; ik klaagde al menigmaal in mijn jaaroverzichten over het feit dat ik vaak maar nauwelijks tot een top 5 kon komen. Bewijzen staan op InDeBioscoop.

In een net zo relativerende bui denk ik dan wel eens: was het in 1987 beter? Of in 1981? Ik heb jaarboeken van cinema vol recensies maar als je daardoorheen bladert, is het ook een feest van vergetelheid. Films die vooral voor de economie werden gemaakt en niet voor liefhebbers van artiesten.

Niet elk decennium kan even geweldig zijn als de jaren twintig, veertig, zeventig. We moeten niet vergeten dat cinema een eeuw lang is geëvolueerd – en dat het na al die evolutie soms best moeilijk is om nog met iets nieuws te komen. Ideeën herhalen zich makkelijker dan genieën.

Cinema heeft het denk ik ook moeilijk met de opkomst van series, games en zelfs video-art. Elders vindt nu de vernieuwing plaats en valt geld te verdienen. Yordan heeft het over de economische factor: dat is het. Overleven! Die jonge generatie overbluffen met weer een nieuwe hysterisch gemonteerde superheldenfilm. Want anders: geen bezoekers, geen geld, geen vernieuwende films. Ik snap Yordans kritiek op Nolan dan ook helemaal.

Cu mâinile curate (Sergiu Nicolaescu, 1972)

Cu mâinile curate (Sergiu Nicolaescu, 1972)

Ik ben al lang bevrijd van de terreur van de hedendaagse film. De oplossing: geschiedenis! Ik ben blij dat Cor Preston Sturges aan het verslinden is, want ja, zo maken ze niet meer, die komedies. En Alfred heeft kennelijk een film noir-fase. Zou Ralph nou eens Wajda’s meesterwerken hebben ontdekt?

Ja, tijdreizen naar films uit andere tijden maakt mij immens gelukkig. Ik ga zo bijvoorbeeld weer terug naar Cu mâinile curate, genieten van Roemeense misdaad uit 1972. Dat biedt meer filmplezier tegenwoordig dan ‘de nieuwe Nolan’ of ‘de nieuwe Tarantino’.

 

TIM:

Een vraag naar m’n hart – ik moet oppassen dat ik niet in herhaling treed, en met het vingertje ga wijzen naar factoren die in jullie eerdere berichten al benoemd zijn.

Ik denk niet dat de cinema dood is. Het schrijven van mijn Lazzaro Felice-recensie was een geluksdaad, omdat Alice Rohrwacher heden en verleden begrijpt en de magie van film kan inzetten om daar iets over te vertellen. Even goed herinner ik me dat ik na het kijken van Bi Gan’s absolute tour de force Long Day’s Journey Into Night (in de grootste zaal van Pathé Schouwburgplein – dat kan alleen tijdens het IFFR) enthousiast met twee filmvrienden sprak over Wong Kar-Wai, Tarkovsky en de relatie tussen dromen en herinneringen. Die film, ik zeg het maar, werd op 4 juli door EYE uitgebracht in het Previously Unreleased-programma.

Wat is het tekenend dat zo’n extern programma nodig is om een titels als Long Day’s Journey alsnog uit te brengen. En wat is het bizar – maar tegelijkertijd ook komisch-ironisch – dat Chinese exploitanten de film alleen verkocht kregen door via de poster een zwoel liefdesdrama te impliceren. Was gelogen, natuurlijk.

Long Day's Journey Into Night (Gan Bi, 2018)

Long Day’s Journey Into Night (Gan Bi, 2018)

In zekere zin blijft kritiek altijd een noodzaak. Guy Debord begreep in de jaren ’60 al dat ‘verschijnen’ het grootste goed is van de spektakelmaatschappij waarin we nog steeds leven. Onder het credo ‘alles wat verschijnt is goed, en alles wat goed is verschijnt’, vernietigt de industrie zichzelf, en er is geen vorm van kritiek die daartegen is opgewassen.

Verschijningsvormen zullen evalueren tot bioscoopsimulaties, het werk voor onze hersens doen, en we enkel nog ‘oeh’ en ‘aah’ mogen roepen. Oh ja, wacht, dat gebeurt nu al.

Soms wil ik me echter ook op m’n rug kunnen draaien en de schoonheid omarmen die er nog wél is. Laat dat dan ook direct maar mijn credo zijn.

 

SJOERD:

Tot op zekere hoogte kan ik me vinden in het pessimisme over de huidige staat van cinema.

Dankzij een wereld waar productiviteit het enige is wat telt gaat de kunst achteruit. Efficiëntie dicteert een industriële benadering van cultuur waar eindeloze variaties op eenzelfde thema van de lopende band komen. Het geeft daarmee mede een werkelijkheid vorm waar niet meer anders dan instrumenteel kan worden nagedacht.

Daarom is er een vergaande standaardisatie van cinema. Termen als ‘B-film’ vormen een kunstmatig onderscheid om een zo groot mogelijk publiek te bereiken. Het zogenaamde ‘arthouse’-segment ontkomt daar niet aan, met plichtmatig behandelde maatschappelijk verantwoorde thema’s en standaard trucjes zoals het ‘dicht op de huid’ zitten of een mooi berglandschapje.

Nu wil ik in het bijzonder de opkomst van Netflix hierbij benoemen. Nieuwe producties lijken soms welhaast door algoritmes in elkaar te zijn geflanst, op basis van wat mensen eerder vermakelijk vonden. Dat lijkt mij te verklaren waren regisseurs als de gebroeders Coen daar hun nieuwe werk uitbrengen. Men wil blijkbaar Tom Waits, James Franco, westerns en de Coens. Zo blijft alles veilig.

Ook de filmacademie draagt bij aan deze standaardisering. Het lijkt in het curriculum eerder om vakkundig vertellen te gaan dan een oprecht verhaal. Films als Take Me Somewhere Nice zijn weliswaar solide gemaakt, maar het komt ook te ingestudeerd over. Werk van de Nederlandse filmacademie is vaak van mijlenver te herkennen in ieder geval.

Het is allemaal symptomatisch voor een onbesproken crisis van deze tijd: de crisis van de verbeelding. Door alle calculatie is de mens gedomesticeerd en ontbreekt het avontuur. Men kan niet meer buiten het systeem denken (zie bijvoorbeeld het Nederlandse klimaatakkoord). Het is blijkbaar gemakkelijker het einde van de wereld voor te stellen.

The Beach Bum (Harmony Korine, 2019)

The Beach Bum (Harmony Korine, 2019)

Als ik cinema echter vergelijk met mijn andere favoriete medium popmuziek, dan valt het in eerstgenoemde nog wel mee. Binnen de muziek wacht ik al sinds Joanna Newsom’s Ys (2006) op het volgende meesterwerk. Dit heb ik bij cinema nog niet. Zo is The Beach Bum net als Spring Breakers weer opzwepend spiritueel en hilarisch tegelijk. Harmony Korine is een van de grote regisseurs van deze tijd die laat zien dat de verbeelding bij cinema nog levend is, als je maar goed kijkt.

Over goed kijken gesproken een uitsmijter. Netflix lijkt ook verantwoordelijk voor een kwalijk fenomeen in de trein. Mensen kijken op hap-slik-weg wijze film en tv op hun smartphone, alsof op een klein scherm tijdens spitsuur die esthetische ervaring mogelijk is. Dat laat zien dat buiten de productiekant om ook sprake is van de teloorgang van het kijken zelf. Zoals David Lynch daarover zegt: Get real!

PS: Buiten The Beach Bum om zijn er geen andere meesterwerken dit jaar voor zover ik weet. Dragged Across Concrete, The House That Jack Built, An Elephant Sitting Still en At Eternity’s Gate zijn in ieder geval andere favorieten uit 2019.

 

21 juli 2019

 

Lees hier deel 2 (slot).

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

The Wizard of Oz meest invloedrijke film?

Ondertussen, op de redactie:

The Wizard of Oz meest invloedrijke film?

SJOERD:

Onlangs hebben wetenschappers de IMDb-database uitgepluisd om er achter te komen wat de meest invloedrijke film aller tijden was.

Met referenties in andere films als leidraad kwam The Wizard of Oz als winnaar uit de bus, gevolgd door Star Wars en Psycho. Wat kunnen wij als filmcritici met deze informatie? Is invloed op enige manier te kwantificeren? Of is het toch een kwestie van kwalitatieve inschatting? Ik moet denken aan de legende rond het eerste album van The Velvet Underground: het handjevol mensen die het album kochten zouden allemaal hun eigen band zijn gestart. Zou dat terug zijn gekomen in zo’n onderzoek?

En in hoeverre gaan invloed en kwaliteit van de film samen? Wellicht dat deze twintig films historisch erg belangrijk zijn, maar zijn ze dat ook in artistiek opzicht?

The Wizard of Oz (1939)

The Wizard of Oz (1939)

 

ALFRED:

Twee opmerkingen bij het artikel over het Italiaanse onderzoek naar de meest invloedrijke films aller tijden. Ten eerste: IMDb is geen goede bron voor dit soort statistische analyse, want niet representatief. IMDb is erg georiënteerd op Amerikaanse film, Hollywood in het bijzonder. Arthouse en Aziatische cinema komen er derhalve bekaaid vanaf in het onderzoeksresultaat. Waar is Kurosawa? Alsof Seven Samurai, The Hidden Fortress en Yojimbo niet een complete generatie filmmakers hebben beïnvloed…

Ten tweede: dit soort statistisch, ‘wetenschappelijk’ onderzoek is bij voorbaat al verdacht, ook al maakt het gebruik van een representatieve dataset, want het is weinig meer goochelen met getallen. Aan niet-meetbare zaken, zoals kwaliteit en esthetische waarde of morele impact, wordt voorbijgegaan. Wanneer dit soort onderzoek – bedoeld voor toepassing in de natuurwetenschappen – wordt losgelaten op cultuur meet het marketing en weinig anders.

Statistiek loslaten op media-uitingen en daar vervolgens in media over berichten, creëert een loop, een echokamer. Op die wijze creëert het onderzoek zijn eigen (media)werkelijkheid.

Dat dit onderzoek The Wizard of Oz aanwijst als de meest invloedrijke film ooit gemaakt is voor iedereen die de film heeft gezien dubbel ironisch. The wizard bestaat immers niet!

Ik heb werkelijk geen idee wat we nu wijzer zijn geworden met dit ‘onderzoek’. Kan iemand me helpen?

Yojimbo (1961)

Yojimbo (1961)

 

TIM:

Ik plaats bij voorbaat al mijn vraagtekens bij een team onderzoekers dat IMDb als referentiekader gebruikt voor de meest ‘invloedrijke’ film, wat dat dan ook exact betekenen mag. Een veelheid aan referenties naar The Wizard of Oz is wel een heel karig criterium voor invloed, zoals Alfred al aangeeft. Daarnaast is IMDb westers georiënteerd, geven de onderzoekers nota bene zelf toe in het Guardian-artikel.

Alfred, je noemt Kurosawa, maar laat dat nu net ook een filmmaker zijn die actief door het westen is opgepikt. Seven Samurai staat ook nog aardig hoog in de toplijst van de site. Ik zou me nog meer zorgen maken om filmmakers die zich nog sterker hechten aan hun eigen land of cultuur; daarmee zeg ik niet dat Kurosawa zich niet laat meten aan de Japanse context, maar als we het over invloed hebben…. je bevoordeelt, zo lijkt me, al snel de films en filmmakers die zich op een zo groot mogelijk publiek richten. Populariteit, kapitaal en IMDb zijn een vicieuze cirkel. Het doet me denken aan de mensen die twee dagen na de release van Avengers: Infinity War riepen dat de film goed was, want een 9.7 op IMDb (kan iemand de factcheck doen? misschien was het wel een 9.3;))

Na het artikel volledig gelezen te hebben, kom ik tot de slotsom dat de onderzoekers invloed en productie aan elkaar gelijkstellen. Dat kan. Maar geef het beestje dan ook een ander naampje. Er is zoveel ‘invloed’ die zich niet cijfermatig uit laat drukken.

 

PAUL:

Het inmiddels geleverde rapport en The Wizard of Oz verder latend voor wat ze zijn, vind ik Sjoerds aanzet voor een algemene discussie over de moeilijk meetbare invloed van films interessant genoeg.

Om even aan te haken bij het voorbeeld van The Velvet Underground (muziek weliswaar): Inderdaad, hoe groot is de totale invloed als er sprake is van een enorme invloed bij een vrij kleine groep mensen? (100×1=100, maar 5×20 ook). Ter vergelijking valt misschien te denken aan bepaalde cultfilms: door niet al te veel mensen gezien, maar met grote invloed op hun kleding, levensstijl en dergelijke.

Een vaag begrip als ‘ínvloed’ (waarop? andere films, mode, politiek, het klimaat?) valt slechts via grensbepalingen een beetje in kaart te brengen.

Ik doe een poging. Een briljante arthousefilm die alle heersende waardesystemen op zijn kop zet, maar slechts door een handjevol recensenten en toekomstige filmmakers is gezien, is niet invloedrijk. Een blockbuster die wereldwijd volle zalen heeft getrokken, maar door zijn triviale verhaallijnen geen kijker uit zijn comfortzone lospeutert is evenmin invloedrijk. Een invloedrijke film is een film die bij het publiek wat teweeg brengt.

Een voorbeeld: Zelf heb ik niet zoveel met When Harry met Sally (1989) (persoonlijke voorkeur is ook niet het criterium), maar de vraag is wel interessant hoeveel de film heeft bijgedragen aan het algemene besef dat vrouwen hun orgasme vaak faken en dit vrij goed kunnen (de scène waar ik op doel is denk ik wel bekend). Moeilijk meetbaar inderdaad, want mannen voor wie dit een eyeopener was, zullen daar niet snel mee ‘uit de kast’ komen.

 

Godzilla (1954)

Godzilla (1954)

BOB:

Ik wil het graag oneens zijn voor de reuring maar dat is lastig want ik ben het voornamelijk eens met wat jullie zeggen.

Er is (soms) niets zo slim dom als wetenschap. Dat bewijst dit onderzoek wel weer. Ik vind het best jolig om zo’n rapport te zien dat het een na de andere bron uit de hoge hoed tovert Garfield 1955, Sinatra et al. (2016), Wallace et al. 1993; Simonton 2004; Taylor et al. 2012) waarvan hier al vier man met boerenwijsheid (terecht) aangeven dat het hele fundament van zo’n onderzoek zo gammel is als het maar kan.

Alle bovenstaande vooroordelen over dit IMDb-onderzoek lijken mij waar. Ik denk zelf dat alle scores op IMDb sinds een jaar of tien, vijftien zwaar gemanipuleerd worden. Het zal ongetwijfeld standaard onderdeel zijn van de marketingcampagnes. Als Macedoniërs Facebook kunnen vullen met fakenews over Hillary Clinton, zijn er ook vast wel Moldaviërs te vinden die accounts aanmaken om de nieuwste Mission Impossible op te gemiddelden.

IMDb is bovendien in 1998 al gekocht door Amazon. Wat doet dat met de onafhankelijkheid als bron? (Even terzijde: ik lees dat IMDb al sinds 1993 online staat, aanvankelijk als Cardiff Internet Movie Database.)

Terug naar Alfreds vraag: wat zijn we nu wel wijzer geworden met dit ‘onderzoek’? Dus ik ben ook even gaan spitten in dit paper want ik wil Alfred graag helpen, terwijl hij ongetwijfeld weer een prachtige plaat uit zijn platencollectie trekt om in zijn relaxte stoel te gaan luisteren. En ik wil het misschien ook wel stiekem opnemen voor de heer Bioglio, die hier heel wat avonden aan heeft besteed.

Na een saai begin vind je een paar interessante feiten.

  • Er staan 5 miljoen titels op IMDb maar scheid je het kaf van het koren blijven er blijkbaar iets van 47.000 echte films over (dat is dus minus categorieën als short, tv-series en adult enz.)
  • Er zijn 100.000 meer acteurs dan actrices op IMDb.
  • De helft van de films is Amerikaans. VK en Frankrijk volgen maar hebben niet eens meer dan 10% van de films
  • Filipijnen is twaalfde als filmland!

Dan volgt een ingewikkelde rekensom en net zo ingewikkelde motivatie dan komt de top 20 met The Wizard of Oz uit de lucht vallen.

Dan krijgen we een net zo omstreden ranking van regisseurs. Stanley Kubrick 6, Orson Welles 19?

Dan krijg je een soort tussenstand van de Keukenkampioendivisie. Hitchcock koploper. Fritz Lang en Quentin Tarantino middenmoters. Robert Rodriguez moet oppassen om niet te degraderen.

De onderzoekers hebben letterlijk gouden, zilveren en bronzen punten zitten uitdelen. Samuel Jackson op 1 als meest invloedrijke acteur, er is een lijstje met genres en dan nog een zeer onduidelijke lijst die om een of andere reden Jean Reno bovenaan zet.

Tot slot een conclusie waar resultaten in staan van het niveau ‘No shit, Sherlock’:

  • Er zijn parallellen tussen buurlanden.
  • Japanse monsterfilms uit de jaren vijftig hadden invloed op westerse cinema.
  • Er is genderongelijkheid in de carrières van acteurs en actrices.
  • Alleen in Zweden overtreffen de actrices de acteurs in de global ranking.

Kortom, mijn onderzoek van een kwartiertje half gapend lezen, wijst uit dat het onderzoek inderdaad de bezigheidstherapie was die jullie al dachten dat het was. Ik geloof wel dat er vast iets interessants uit die hele databrij van IMDb te halen valt maar wat moet je met deze lijstjes anders dan een nieuwsbericht in The Guardian halen?

Om met Tim te spreken: Er is zoveel ‘invloed’ die zich niet cijfermatig uit laat drukken. Ik was met vakantie in Bilbao in een café en de wc voor mannen had een foto van Jack Nicholson die door de opening van de deur kijkt en de wc voor vrouwen een gillende Shelley Duval. Gaat straks ook een onderzoeker alle wc-deuren van cafés langs om die invloed mee te tellen in een formule?

Fijne avond allen & succes met de top 5-en!

 

13 december 2018

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

De 6 beste rechtbankdrama’s

De 6 beste rechtbankdrama’s

Leden van de rechtbank, ik zal vandaag trachten de juridische significantie van de zes hieronder nader te behandelen films aan te tonen. De bewezenverklaring van deze significantie zal zich voltrekken in een per film individueel getrokken pleidooi waarbij ik verscheidene relevante rechtsbeginselen zal benoemen.

door Yordan Coban

Aangewezene ter terechtzitting
Niet alle rechtbankklassiekers verschijnen hier ter terechtzitting. Moge het de rechtbank behagen dat slechts een selectie van de zes beste films opgeroepen zijn. Rechtbankdrama’s draaien vaak om een enkele bijzondere afwijking in de procedure, of een verhaal dat een verrassende wending neemt bij elke procedurele stap.

Primal Fear

Er waren veel gegadigden voor mijn selectie, maar ik heb specifiek gekeken naar de belangrijkste juridische knooppunten die de films behandelen. Een film als A Few Good Men (1991) is buiten de selectie gelaten aangezien het slechts gaat om een getuigenverklaring. Zo ook de erg vermakelijke thriller Primal Fear (1993) omdat deze enkel gaat over de vraag of er sprake is van ‘een ziekelijke stoornis van verdachte zijn geestvermogens’. Ook Kramer vs. Kramer (1978) heeft de lijst net niet gehaald. Ondanks dat de film mij emotioneel erg aanspreekt acht ik deze juridisch toch net te weinig om het lijf hebben, en in de rechtszaal kan emotie niet de boventoon voeren.

Het Nederlandse recht
Verder heb ik overwogen de film Lucia de B. (2013) in mijn lijst op te nemen omdat deze gaat over een van de beruchtste missers van het Nederlands strafproces. Toch acht ik de film qua omvang niet doortastend genoeg om naast de andere grote namen in de banken te treden. Datzelfde geldt voor Mijn Vriend (1973) van Fons Rademaker. Een uiterst bijzondere zaak waarin een Belgische rechter veroordeeld wordt voor moord, diefstal en witwasserij. Echter klinkt het verhaal betreurend genoeg spectaculairder dan de uitvoering van de film.

Tot slot wens ik graag voor de rol benoemd te hebben dat ook JFK (1991) de revue gepasseerd is. De slotscène in de rechtszaal bevat één van de spectaculairste bewezenverklaringen in film, ondanks dat deze door de jury afgewezen wordt.

 

The People vs. Larry Flynt

6. – The People vs. Larry Flynt

Ik begin dit onderzoek ter terechtzitting met The People vs. Larry Flynt (1990). Deze liberale film van de pas overleden Milos Forman is een krachtig bepleiten voor de vrijheid van meningsuiting. Larry Flynt (gespeeld door Woody Harrelson) was wellicht meer opportunistisch dan principieel te noemen. Toch is zijn zaak essentieel voor de vrijheid van meningsuiting en een invloedrijke doorbreking van de preutsheid wat betreft pornografie in Amerika.

Mijn juridische hart gaat vooral sneller kloppen bij het pleidooi van de advocaat van Flynt (gespeeld door de nog jonge Edward Norton) voor het Hooggerechtshof van Amerika. De film stelt een aantal interessante vragen over de voorwaarden van strafbaarstelling en speelt zich af in een tijd waarin liberale sentimenten in wetgeving voet aan de grond krijgen. Deze zaak over de legaliteit van pornografie is niet alleen spraakmakend maar ook belangrijk voor de bepaling van de grenzen van het religieus paternalisme van de Amerikaanse staat.

 

Close-up

5. – Close-up

Met Close-up (1990) wijk ik enigszins af van mijn eigen opgestelde regels (wat contra legem heet in het recht). Deze Iraanse documentaireachtige film van Abbas Kiarostami gaat meer over kunst dan over rechten. Toch is er is een quote in Close-up die mij altijd bijgebleven is, die ik graag wil citeren. Het citaat bevat de definitie van het begrip kunst, op een wijze die ik als jurist erg kan waarderen. Juristen werken altijd met definities. Het enige echte gereedschap van de rechtswetenschap is taal. Definities zijn dus belangrijke hulpmiddelen bij het interpreteren en formuleren van rechtsregels.

Kunst wordt vaak erg vaag en klungelig omschreven, mede omdat het vrij omvattend is en juristen niet goed weten wat ze ermee aan moeten. Kiarostami leent zijn beschrijving van de Russische schrijver Tolstoj die het in zijn boek What is art? uitvoerig heeft over de betekenis van kunst. Indien de Hoge Raad of de wetgever nog op zoek is naar een definitie adviseer ik mee te schrijven: ”Art is the inner experience cultivated by the artist and conveyed to his audience.”

Deze definitie bevat een objectief en subjectief element. Het subjectieve zit in de emotie (inner experience), de niet meetbare ervaring van de artiest die hij hoopt over te brengen. Het objectieve zit in de zinsnede ‘audience’ die aangeeft dat kunst een publiek moet hebben. Wij bepalen per slot van rekening wat kunst is.

Kiarostami laat Hossein Sabzian, verdacht van bedrog, dit uit de grond van zijn hart in de rechtszaal verkondigen. Recht geeft ons de uiterste kaders van het legale menselijk handelen. Kunst geeft ons richtlijnen voor het menselijk handelen binnen deze kaders.

 

Anatomy of a Murder

4. – Anatomy of a Murder

Er zit een cruciale scène in Anatomy of a Murder (1959) waarin verdachte en tevens cliënt van advocaat Paul Biegler (gespeeld door James Stewart) vraagt hoe de jury de ingetrokken vraag kan vergeten? James Stewart antwoordt, bijna teleurgesteld, dat dat niet mogelijk is. In Nederland hebben we dan geen juryrechtspraak meer sinds 1813, maar bovenstaande probleem is ook in ons rechtssysteem niet geheel afwezig.

Rechtspsychologen waarschuwen al jaren voor het probleem dat ontstaat door onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, dat in sommige gevallen pas na kennisneming uitgesloten wordt van het dossier. Natuurlijk speelt het dan geen rol meer in de bewezenverklaring maar het kan wel degelijk de overtuiging van de rechter en het openbaar ministerie beïnvloeden. Ter waarborging zijn er sancties maar daar valt niet altijd genoegdoening mee te scheppen. Het is een complex fenomeen dat kan leiden tot tunnelvisie bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechter. In een rechtssysteem dient men continu wegingen te maken tussen de belangen van waarheidsvinding en de rechten van verdachten. Er zijn geen goede antwoorden, slechts verschillende afstellingen.

Anatomy of a Murder laat verder zien dat de complexiteit van de zaak bij een rechtbankdrama niet van doorslaggevend belang is. De uitvoering met uitvoerig uitgewerkte actoren kunnen elke zaak weven tot een wals van emotie en suspense. Regisseur Otto Preminger neemt je mee de rechtszaal in, zijn kijkers zitten daadwerkelijk in de banken en luisteren aandachtig mee bij elke getuigenverklaring tot elke frons van de rechter.

 

Paths of Glory

3. – Paths of Glory

Paths of Glory (1957) gaat over machtsmisbruik van de elite, en wel door middel van het recht. De grondwet is juist opgesteld ter bescherming van het volk tegen de overheid. Voor het bestaan van de grondwet bestond de overheid uit de adellijke stand en de koning die met tirannie over het volk heerste. In Stanley Kubricks Paths of Glory zien we deze machtsstructuur in volle glorie bij een militair tribunaal ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.

Een aantal soldaten worden berecht in een schijnproces, ter wraking van een gefaalde veldslag. Executie is de eis en vonnis lijkt onvermijdelijk. Het lot van de soldaten ligt in de handen van de verdediging van Colonel Dax (gespeeld door Kirk Douglas). Na een grandioos pleidooi waarin hij uit alle macht de menselijke waardigheid verdedigt, zien we de onverbiddelijkheid van een corrupt rechtssysteem.

Stanley Kubrick toont ons hoe cru de doodstraf is (in Nederland afgeschaft in 1870) op een wijze die doet denken aan hoe Lars von Trier de doodstraf demonstreert in Dancer in the Dark (2000). Maar primair vertoont Paths of Glory, op gelijke wijze als in In the Name of the Father (1993), het belang van een onafhankelijke rechtsprekende macht voor de bescherming van burgers tegen de tirannie van machthebbenden.

 

Judgement at Nurenberg

2. – Judgement at Nurenberg

Na alle bewonderenswaardige bovengenoemde pleidooien in rechtbankdrama’s is er één die er bovenuit springt: de verdediging van advocaat Hans Rolfe (gespeeld door Maximilian Schell) in Stanley Kramers Judgement at Nurenberg (1961). Dit personage belichaamt de legitimiteit en ethische complexiteit van de advocatuur in het recht. Ook stelt de film vragen over wat de waarde is van het geldende recht op papier ten opzichte van wat ethisch gezien voortvloeit uit het menselijke rechtvaardigheidsgevoel.

Martin Luther King stelde dat alleen rechtvaardig recht het werkelijke geldende recht zou moeten zijn. Toch heb je je aan de wet te houden en was het gelegaliseerde nazirecht, dat schuurt met elke menselijke waardigheid, de destijds geldende wet. Deze strijd tussen het geschreven positieve recht (wat ons rechtsbescherming biedt) en het ongeschreven natuurrecht (wat de bouwstenen van elk rechtssysteem vormt) leidt tot een fundamentele weging bij elke juridische discussie over legaliteit. In deze zaak brengt dat ons tot de rechtsfilosofische vraag of een officier die een onmenselijke, maar op dat moment geldende, wet volgt strafbaar is?
 
 
12 Angry Men

1. – 12 Angry Men

Elke grote filmliefhebber en elke goede jurist kent 12 Angry Men (1957), het meesterwerk van Sydney Lumet. De film draait om een van de meest fundamentele rechtsbeginselen van ons rechtssysteem: de onschuldpresumptie.

Een deel van de charme van de film zit in de eenvoud. Net zoals in My Dinner with Andre (1981), Rope (1948) en Rear Window (1954) speelt de hele film zich in één ruimte af. De jurykamer schikt zich gelijke een lege bladzijde waarop de twaalf mannen hun ideeën over de zaak kwijt kunnen. Als kijker luister je mee en volg je de debatten van een afstand. De camera staat aan het begin hoog, uitkijkend over de vergaderende koppen. Aan het einde van de film, als iedereen met passie zijn standpunten over de zaak verdedigt, is de camera onder de acteurs geplaatst. Zweetdruppels staan de mannen op het voorhoofd, de jasjes zijn uit en de hals is bevrijd van een stropdas. Zo betogen de acteurs driftig over de kijkers heen.

De cast is een indrukwekkend ensemble van gevestigde namen uit die tijd, met als voorman Henry Fonda, op dat moment primair bekend van The Grapes of Wrath (1940). Fonda is perfect gecast als het geweten van de evenwichtige, alles meewegende rechter. Een rol die alleen James Stewart of wellicht Tom Hanks ook zo beheerst zou hebben ingevuld. Hij staat, qua standpunten over de zaak, recht tegenover Lee J. Cobb, op dat moment bekend van zijn kwaadaardige rol in On the Waterfront (1954). Ook in die film is hij hard en onverbiddelijk, maar naarmate de discussie van de juryleden vordert, merk je dat hij niet per se kwaadaardig is, eerder koppig en onwetend.

Het feit dat je gedurende het debat over de zaak de personages alsmaar beter leert kennen, trekt je mee in het verhaal. Een verhaal van slechts twaalf pratende mannen in een zaal, maar doordat het verhaal met zijn personages zich langzaam openbaart, is het geen moment saai. In Dog Day Afternoon (1975) achttien jaar later zien we een bevestiging van hoe meesterlijk Lumet met spanningsbogen kan omspringen. De regisseur is een activist en zijn films zijn zowel inhoudelijk als stilistisch zo ingericht dat de kijker geen moment kan wegkijken.

De onschuldpresumptie is cruciaal voor een fatsoenlijk rechtssysteem. Zonder de onschuldpresumptie krijgen we een Kafkaëske wereld met vervolgingen, zoals beschreven staat in Kafka’s boek The Trial. Vervolgingen zonder rechten voor de verdachten en veroordelingen zonder bewijs.

Veroordeling dient in Nederland pas plaats te vinden bij het bereiken van een bewijsminimum en de persoonlijke overtuiging van de rechter. In Amerika kent men hiervoor de term ‘evidence beyond reasonable doubt’. Als alleen de overtuiging van de rechter (of in dit geval de jury) voldoende is voor veroordeling krijg je impulsieve gevoelsrechtspraak. Rechtszalen zitten vaak vol met emotie, intrige en drama, maar voor een rechtvaardig vonnis dat gelijk is voor iedereen dienen er objectieve waarborgen te zijn. Bij enige twijfel dient de verdachte het voordeel van de twijfel te krijgen. Het gaat hier namelijk wel om mensenlevens, predikt Fonda stellig tegen zijn jurygenoten. 12 Angry Men heeft niet voor niets de status van de beste rechtsfilm. Lumet mengt de emotie die triomfeert in kunst in een juridische vergadering en stelt zich tegelijkertijd principieel op in de zoektocht naar rechtvaardigheid.

 

30 november 2018

 
Alle leuke filmlijstjes