Welke periode in de filmgeschiedenis vind jij het meest interessant?

Ondertussen, op de redactie:

Welke filmperiode vind jij het meest interessant?

COR:

Beste allemaal,

Veel filmliefhebbers vinden 1939 een van de meest succesvolle jaren in de filmgeschiedenis. Amerika was hersteld van de Grote Depressie en er verschenen meer dan 500 films in de bioscoop. Gone with the Wind was de absolute kaskraker, maar ook populaire films als Mr. Smith Goes to Washington, Jesse James, The Wizard of Oz, Stagecoach en Wuthering Heights zijn 82 jaar na dato nog uitstekend genietbaar. Ondanks het feit dat de vertrutting van Hollywood had toegeslagen…

De roep om filmcensuur ontstond in de jaren 20 na enkele Hollywood-schandalen die breed in de pers werden uitgemeten. Na enkele mislukte initiatieven werd voormalig postzegelplakker Will Hays aangesteld als eerste voorzitter van de Motion Picture Producers and Distributors of America (MPPDA) die geweld en seks in films een halt moest toeroepen. Pas nadat de Amerikaanse aartsbisschop John McNicholas de Catholic Legion of Decency (CLOD) had opgericht om de ‘vernietiging van de onschuld van de jeugd’ tegen te gaan en in een poging de bioscopen van immorele uitingen te zuiveren, werd besloten dat films vanaf 1 juli 1934 een certificaat van goedkeuring moesten hebben, afgegeven door de zogenaamde Production Code Administration (PCA).

Me Jane, You Tarzan

Me Jane, You Tarzan

Er kwam een hele lijst met zaken die niet meer op het witte doek mochten worden vertoond. Naast seks en geweld kun je denken aan naaktheid, suggestief dansen, illegaal drugsgebruik, ridiculiseren van religie en overheidsdienaren, homoseksualiteit, onwelvoeglijk taalgebruik, excessief kussen, ontrouw, chirurgische ingrepen en rassenmenging. De censuur leidde al snel tot het maken van enkele nieuwe opnamen voor bijvoorbeeld Tarzan and his Mate (1934), waarin een naakt zwemmende Jane een jurkje moest dragen en zelfs de scène van een ondeugend glurende chimpansee Cheeta de prullenbak inging.

De periode tussen de algehele introductie van de geluidsfilm in 1929 en de invoering van de PCA in 1934 heet Pre-Code. Ik vind dit een van de meest interessante periodes in de filmgeschiedenis, omdat Hollywood toen nog alle registers kon opentrekken en nauwelijks schaamte leek te kennen. Sexy geklede dames in overweldigende musicals, freaks in het circus, drugsgebruik, overspel, homoseksualiteit, horror, ondubbelzinnig taalgebruik en geweld, soms met erg grof geschut. Je kunt het je bijna niet meer voorstellen welke vrijheden filmmakers zich bijna een eeuw geleden veroorloofden.

Bioscoopbezoekers snakten tijdens de economische malaise na de beurskrach naar escapisme. Hoofdrolspelers van gangsterfilms werden helden, vooral ook omdat zij in deze beroerde tijden onaantastbaar leken en het wél voor elkaar boksten om geld te verdienen. Heel even leek het alsof William A. Wellman al in 1931 in de eerste grote gangsterfilm, The Public Enemy, iets van zelfcensuur toepaste: de afrekening door het personage van James Cagney vindt plaats in een restaurant buiten beeld, maar is juist daardoor nog monumentaler. Hays en consorten moesten uiteraard niets hebben van het verheerlijken van gangsters.

De laatste Pre-Code film was On Human Bondage, die drie dagen voor de invoering van de PCA uitkwam. Het feit dat het hoofdpersonage van Bette Davis niet meer sterft aan syfilis (zoals in het boek en het scenario) maar aan tuberculose verraadt de overgang naar de brave Amerikaanse cinema die officieel tot 1968 zou duren.

Natuurlijk wisten filmmakers tijdens de verpreutsing van Hollywood door de nodige creativiteit de censuur te omzeilen. Het bekendste voorbeeld is de screwball comedy waarin razendsnelle dialogen voor een seksuele ondertoon zorgden en vrouwen vaak juist zeer geëmancipeerd werden neergezet. Maar met de invoering van de zelfcensuur door de grote Hollywood-studio’s was het grotendeels gedaan met het portretteren van echte mensen van vlees en bloed. Dat leidde meer dan eens tot belachelijke, maar soms inventieve, kunstgrepen zoals de ‘romantische’ scène in Indiscreet (1958) van Stanley Domen waarin Cary Grant en Ingrid Bergman tóch samen in bed kunnen liggen.

Welke periode in de filmgeschiedenis vinden jullie het meest interessant?

 

TIM:

Mijn liefde voor de filmgeschiedenis is mede aangewakkerd door de verschillende filmcursussen die ik op bachelor- en masterniveau heb kunnen volgen.

Het gaat dan niet alleen om lessen filmgeschiedenis maar ook om filmtheorie en wat men “wereldcinema” noemt. Door die lessen heb ik ‘noodgedwongen’ (lees: vrijwillig)
geleerd om me zo breed mogelijk te oriënteren en het belang van verschillende perioden in te zien. Met één belangrijke kanttekening bij de vraag van Cor: ‘perioden’ is één manier om ernaar te kijken, even vaak verlegt de discussie zich naar stromingen of naar filmlanden. Afbakenen is natuurlijk het moeilijkst.

Ik ga een (wellicht) saai antwoord op je vraag geven: hoeveel films ik ook zie uit andere tijden, ik ben denk ik het meest geïnteresseerd in films die nu uitkomen.

Een van de redenen dat film mij als medium zo boeit, is dat de werken die uitkomen een neerslag zijn van de tijdsgeest en de verschillende issues die wereldwijd spelen. Film is veel meer dan amusement en het jaarlijkse aanbod is een bombardement van betekenisvolle beelden en ideeën. Precies daarom ben ik ook steeds meer geïnteresseerd geraakt in de programmering van filmfestivals. Filmfestivals mediëren tussen het globale en lokale: als kijker kun je bredere trends ontdekken maar tegelijkertijd ook geconfronteerd worden met politieke conflicten die tot specifieke landsgrenzen zijn beperkt. Door me hiermee bezig te houden voel me ik geëngageerd met de wereld waarin ik leef, en kan ik mijn eigen houding ten opzichte van al die verschillende kwesties (mede) bepalen.

 

ALFRED:

Ieder zijn meug en de mijne zijn de jaren vijftig.

Wat me direct te binnen schiet: Is film noir een genre of een stijl? Het laatste, dunkt me. Ik heb een afwijking voor duistere en stemmige verhalen over een samenleving die existentieel en corrupt is. Hardgekookte thrillers met bruuske mannen en listige vrouwen, op papier en celluloid. Ik heb een vrolijk wereldbeeld, wat?

René Clair

René Clair

Mijn voorkeur gaat uit naar de cinema van Frankrijk, Italië en Japan. Dan zit je met de jaren vijftig op de eerste rij. In Frankrijk kijken we naar de onvolprezen – en onderschatte – Henri-Georges Clouzot, de reus René Clair en de aanzetten tot nouvelle vague (Agnès Varga, Louis Malle). In Italië zien we de neorealisten (Rossellini, Visconti, De Sica) en de eerste films van Antonioni en Fellini. Over de Japanse cinema heb ik me eerder uitgelaten, dat is bijna een universum op zich.

Naast film noir pieken genres als western, de Britse horror van de Hammer-studio en begint sciencefiction de moeite waard te worden. En we zien in de jaren vijftig technische verbeteringen: draagbare camera’s, kleur – al ben ik een liefhebber van zwart-wit – en afwijkende beeldformaten.

En dan de jazz op die soundtracks!

 

SJOERD:

Echt veel in een specifieke periode verdiep ik me vaak niet, ik duik eerder volledig in het werk van een specifieke regisseur bijvoorbeeld.

Maar een beweging waar ik met interesse naar kijk is de Mumblecore uit de Verenigde Staten in de ‘Noughties’ (2000-2009), een losse verzameling filmmakers die vergelijkbare films maakten over vaak losgeslagen/onzekere jongeren, onafhankelijk geproduceerd en geestelijk dan wel stilistisch in het krijt staand van mijn favoriete regisseur (en voorbeeld voor mijn eigen film die hopelijk in september opgenomen gaat worden) John Cassavetes.

Het leverde briljante werken op als het aangrijpende Dance Party, USA (2006), Funny Ha Ha (2002), The Puffy Chair (2005), Frownland (2007) van de editor/co-scenarist van de gebroeders Safdie of Yeast (2008) met onder andere een jonge Greta Gerwig die haar eerste stappen zette in deze gemeenschap. Zelfs de regisseur van Godzilla vs. Kong maakte zijn eerste films binnen deze groepen! Het was dus een ware voedingsbodem voor veel uiteenlopende Amerikaanse filmmakers.

Yeast (2008)

Yeast (2008)

 

PAUL:

Jaren tien vorige eeuw Zweden: Sjöström, Stiller.

Jaren twintig (dertig) Duitsland: Murnau, Wiene, Lang, in die volgorde ongeveer.

Jaren veertig (vijftig) Italië: De Sica, De Santis, vroege Visconti.

Jaren zestig Frankrijk: Truffaut, maar toch ook Godard (voeger vond ik het een irritante, poserende ‘íntellectueel’, maar tegenwoordig beleef ik hem als ironischer, speelser.

Flink generaliserend zou je kunnen zeggen dat de grote antagonist in het verhaal van mijn filmliefde gevormd wordt door de dominante massaproductie van de Verenigde Staten. Wat was in verschillende tijden, in verschillende Europese landen het antwoord daarop? Dat boeit mij. Wie dit stokje sinds de jaren zestig hebben overgenomen weet ik niet zo goed. Ik laat me daarover graag bijlichten.

 

BOB:

Ik heb altijd een voorkeur voor de cinema van de jaren zeventig gehad. Ik hou enorm veel van dat bedaarde tempo en de vrijheid die de films in deze tijd kenmerken. Een ideale combinatie.

Stel je voor wat je in de jaren zeventig gewoon zou hebben gevonden als je frequente bioscoopbezoeker was.

Zin in een thriller? Dan ging je naar geweldige Amerikaanse thrillers van Alan J. Pakula en Polanski en anderen: The Parallax View, All the President’s Men, Chinatown, Klute, The Conversation, The Day of the Jackal.

Franse thrillers: Claude Chabrol maakte bijna jaarlijks een film. Politieke thrillers: Elio Petri maakte met Gian Maria Volonté een paar onvergetelijke films.

Je kon je laten onderdompelen in de avonturenfilms van Werner Herzorg en Coppola, zoals Aguirre en Apocalypse Now.

Je kon grinniken om een aantal geslaagde absurde en satirische Franse komedies (Le Magnifique, Buffet Froid, Le Sucre), en daarna kon je naar Annie Hall en Blazing Saddles.

De horrorfan zou genieten van de giallo en andere intussen klassieke horrorfilms.

Zin in een kalme misdaadfilm? Dan ging je naar Melvilles Un Flic en Le Cercle Rouge. Of bezocht je het Amerikaanse werk: The French Connection, Mean Streets… Of juist keiharde poliziotto’s vol adrenaline: Milano calibro 9, Poliziotto Sprint.

Le Cercle Rouge (1970)

Le Cercle Rouge (1970)

Meer zin in eigenzinnigheid? Dan had je keus genoeg. Je kon naar de films van Marco Ferreri, Buñuel, Bertrand Blier, Ettore Scola, Francesco Rosi, Resnais, Terrence Malick, Robert Altman, David Lynch, Chantal Akerman, Wajda, Satyajit Ray… The Guardian somt er nog meer op…

Voor wie dat nog niet eigenzinnig genoeg was: de jaren zeventig hadden ook nog Dusan Makavejev, Jodorowsky en talloze anderen.

Dus zou ik voortaan maar van één decennium nog films mogen kijken (ik wil niemand op het idee brengen), zou deze het zijn.

 

COR:

Fijn om al die voorkeuren te lezen! Hopelijk zien we daarvan nog het nodige terug in artikelen op InDeBioscoop.

 

27 juni 2021

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Paula van der Oest over Love in a Bottle

Paula van der Oest over coronafilm Love in a Bottle:
“Er is een online identiteit en de echte”

door Alfred Bos

Paula van der Oest denkt en werkt buiten de polder. In haar meest recente speelfilm, Love in a Bottle, gaan twee jonge mensen, gespeeld door de Nederlandse actrice Hannah Hoekstra en de Britse acteur James Krishna Floyd, via het beeldscherm een relatie aan. “Dat gebeurt. Ik vind het fascinerend.”

Love in a Bottle verhaalt over Miles uit Londen en de Amsterdamse Lucky die elkaar vluchtig treffen op een vliegveld in Milaan. Eenmaal thuis breekt de coronacrisis uit en zitten ze opgesloten. Via FaceTime beginnen ze een digitale relatie.

Love in a Bottle is een coronafilm. Hij speelt tijdens corona en is gedraaid tijdens corona. Voor Lucky en Miles is de wereld vernauwd tot een beeldscherm. Voor de kijker van Love in a Bottle ook, want die ziet – nu de bioscopen weer open zijn – wat de personages zien.

Paula van der Oest | Foto: Janey van Ierland

Love in a Bottle werd gedraaid in tien dagen. Regisseur Paula van der Oest (Laag Soeren, 1965) rekruteerde filmstudenten en stond met twee jonge ploegen op twee plaatsen simultaan te filmen. “Ik wisselde elke dag van locatie, wat betekende dat ik de andere acteur via beeldscherm moest regisseren.”

Moderne schizofrenie
InDeBioscoop belt – zonder beeld – met de regisseur en speelt advocaat van de duivel.

Ik heb bewondering voor de vorm, maar ik erger me kapot aan de personages.

Van der Oest: “Dan is de film niet voor jou. Als je deze mensen niet leuk vindt, dan houdt het op. Dan moet je naar een andere film.”

Zij is competitief en hij is nerdy en een beetje sullig.

“Competitief zou ik niet willen zeggen. Wat eigenzinnig en gesteld op haar vrijheid. En een beetje onconventioneel.”

Miles, de man, schaakt. Hij zegt: ‘Schaken is een sport zonder physicality’. Dat is een metafoor voor wat er gebeurt in de film.

“Hij vindt de orde van het schaakspel fijn.”

Schaken doe je in je hoofd. Dat is sport zonder lichaam.

“Dat is leuk gevonden, dat klopt. Ik had het voornamelijk bedoeld als karaktertrek van Miles.”

Er is ook de tegenstelling tussen Britse reserve en Hollandse directheid. Dat zal niet helemaal toevallig zijn.

“Nee. Ik schreef de film terwijl de acteurs meelazen en online voorlazen, hardop. Ik heb twee keer in Engeland gewerkt – een serie en een film – en Engelsen zijn inderdaad heel indirect.”

Dat noemen ze understatement.

“Dat vinden Nederlanders dan weer schijnheilig.”

Laten we even filosofisch worden. Beeldschermen, daar zit de wereld vol mee. Veel van de hedendaagse verwarring kun je verklaren uit het gegeven dat de werkelijkheid en de mediarepresentatie van de werkelijkheid van plaats zijn verwisseld. De wereld is een scherm geworden en het scherm is de wereld geworden.

“Dat is een goeie samenvatting van hoe het is.”

De film gaat daar niet op in, maar raakt er wel aan. Wat je op het scherm ziet is fictie. Speelde dat mee bij het schrijven van het scenario?

“Zeker, want als je verliefd wordt op iemand weet je nooit wie die is. Daar kom je doorgaans langzaam achter. En met zo’n FaceTime-liefde is dat misschien wel helemaal zo. Normaal ontmoet je vrienden of ouders van iemand. Dit is een verdichte situatie. Alleen maar met elkaar zijn en heel versneld allerlei dingen meemaken die mensen doorgaans over langere tijd meemaken. Er blijft altijd de vraag: wie zit er eigenlijk tegenover me? Dat vond ik een mooi gegeven.”

Door de situatie is er geen context.

“Precies.”

En dan wordt het erg lastig om te peilen wat er tegenover je zit.

“Ja.”

Love in a Bottle

Is die verwarring tussen scherm en werkelijkheid iets wat in het dagelijkse leven ook steeds meer gaat spelen?

“Het is zeker zo dat we intussen niet alleen meer in de werkelijkheid bestaan. Sociale media zijn zeker voor de jonge generatie een verlengstuk van zichzelf. Identiteit is tweeledig geworden, een online identiteit en de echte.”

Dat is de moderne schizofrenie?

“Precies.”

Zie je dat als een probleem of is het gewoon zo?

“Alle ontwikkelingen werden door de geschiedenis heen met argwaan bekeken. Toen de trein kwam, zei men dat het ongezond was om je zo snel te verplaatsen. Maar ik vind het problematisch – en dat is een privéding – dat het bestaan zo onrustig is geworden door die smartphone. Ik ben de hele dag aan het schaken op zes borden, bij wijze van spreken. Ik vraag me af, en dat doen wetenschappers ook, wat dat doet met je hersenen. Met je focus. Daar hebben mijn kinderen helemaal geen last van. Voor hen is het een tweede natuur.”

Zorgen over de langetermijngevolgen, bijvoorbeeld voor de cognitie.

“Het is allemaal heel geraffineerd ontworpen, maar dat hebben we helemaal niet door. Dat is niet wat ik met deze film wil zeggen. Waar de film wel over gaat, is dat mensen op deze manier een relatie beginnen. Het kan op deze manier, het gebeurt. Ik vind het fascinerend, ik heb er geen oordeel over.”

Kun je je voorstellen dat ik me tijdens het zien van de film een voyeur voelde?

“Het was mijn bedoeling om zo dicht te komen bij mensen die elkaar verkennen, dat je er net tussen zit. Dit zie je eigenlijk nooit. Dat was een van de dingen die ik aan het verkennen was, die de bedoeling is. Jij vond het kennelijk onprettig dichtbij.”

Ik wil dat helemaal niet weten, dat is iets tussen die twee mensen. Daar wil ik helemaal niet bij zijn.

“Grappig. Ik heb de film aan een groep jongere mensen laten zien. Mag ik vragen hoe oud je bent?”

Ik ben 65, bijna 66.

“Dit is geen flauwe sneer, maar het zou kunnen dat het een soort leeftijdskwestie is.”

Die horen we vaker.

“Ik ben zelf 55, dus helemaal niet jong. Dan vind je waarschijnlijk al die realityprogramma’s op tv ook afgrijselijk?”

Te erg voor woorden.

“Weet je hoeveel mensen daar naar kijken? Ik ken veel mensen van tussen de 25 en de 35 die daarvan smullen. Niet dat ik een realityprogramma heb willen maken. Voor sommigen gaat de film te ver en anderen vinden het juist geweldig. Prima toch?”

Reality-tv is een contradictio in terminis. Het is tv, dus gemanipuleerd. Kennelijk zie ik als dinosaurus dat onderscheid wel en jonge mensen die zijn verkleefd met hun scherm, zien dat niet. Ze worden gemanipuleerd en ze zien het niet. Dat vind ik persoonlijk heel zorgwekkend.

“Dat is helemaal waar. Op school zou er mediafilosofie moeten worden gegeven. Je komt al heel snel bij nepnieuws en dergelijke. Dat ben ik helemaal met je eens, dat zou echt een schoolvak moeten zijn. Dat je door media gemanipuleerd wordt, dat er geen objectiviteit is, al die dingen. Heel belangrijk.”

Wat ik heel leuk vond: Lucky neemt met haar telefoon alles op. Ik moest direct denken aan Andy Warhol, die ook zijn hele leven heeft opgenomen en gedocumenteerd.

“Ja, dat klopt. Daar heb ik niet bewust aan gedacht. Hij was een maniakale kunstenaar.”

En ook heel modern in de zin dat hij in de jaren zestig al deed wat nu kennelijk meer mensen doen: alles vastleggen.

“Jezelf en je leven daarin centraal stellen. Zonder waardeoordeel: mensen zijn nu wel egocentrischer dan toen. Tegelijkertijd is er bij de jonge generatie ook veel bewustzijn over waar ze leven en hoe ze leven. Er is ook een ‘woke’ jeugd. Ik denk dat er altijd golfbewegingen zullen zijn. En altijd tegenbewegingen. Dus misschien hoeven we daar ook weer niet te somber over te zijn.”

Love in a Bottle

Zit er een moraal in de film?

“Het is een liefdesfilm. Als je een liefdesrelatie of een verbintenis met iemand aangaat, moet je een stukje van jezelf opofferen. Dat kan niet anders. Lucky is zo onafhankelijk dat ze voelt dat ze eigenlijk wel meer zou willen met deze jongen en dan komt ze in verzet. Ze leert dat het niet erg is om een beetje van jezelf op te offeren.”

Waardering en geld
Paula van der Oest heeft tv-series (zoals Noord Zuid en The Split, voor de BBC) en speelfilms (Zus & zo, Oscarnominatie; Tonio) geregisseerd, de laatste vaak op basis van een eigen scenario. In 2018 begon ze met Alain de Levita en Mark van Eeuwen het tv- en filmproductiebedrijf Levitate, dat onder meer De Slag om de Schelde en Love in a Bottle produceerde. Later dit jaar verschijnt haar verfilming van de thriller The Bay of Silence (met Olga Kurylenko en Claes Bang) in de Nederlandse bioscoop.

Je hebt ooit – tegen Psychologie Magazine in 2009 – opgemerkt dat filmmaken in Nederland vooral hobby is, we hebben het gezellig met elkaar. Denk je daar nu nog steeds zo over?

“Als je aan een Nederlandse filmmaker vraagt wie zijn voorbeelden zijn, dan noemen ze nooit een Nederlandse filmmaker. Behalve Alex van Warmerdam, die heeft door de jaren heen ijzerenheinig zijn eigen oeuvre gemaakt. Kijk naar wat er aan de hand is in de politiek, minister De Jonge zegt: ‘Je kunt rustig een dvd’tje opzetten’. Er is dedain voor kunst en cultuur. Filmmaken heeft daar soms een beetje last van.”

“In Amerika is filmmaken kunst. Het vak wordt daar serieus genomen en serieus nemen betekent dat je er geld in moet steken. We zitten al heel lang met een kabinet dat de ene na de andere bezuinigingsronde heeft uitgevoerd. Geld drukt waardering uit.”

“Ik vind nog steeds dat we strenger moeten zijn op scenario’s. Schrijven is een moeilijk vak.”

En het is ook heel eenzaam.

“Ontzettend!” En lachend: “Het is eigenlijk helemaal geen leuk vak.”

Love in a Bottle draait vanaf 24 juni in de bioscoop

 

24 juni 2021

 

 

MEER INTERVIEWS

Slag om de Schelde, De

****
recensie De Slag om de Schelde

Beste Nederlandse oorlogsfilm ooit

door Jochum de Graaf

Het had de grote blockbuster van kerst 2020 moeten worden: half december een grootse première in Vlissingen en vervolgens uitbreng in 166 bioscopen. Maar 17 december begon de tweede lockdown en werd keer op keer de bioscooprelease uitgesteld, tot nu, zaterdag 5 juni 2021.

De Slag om de Schelde was bedacht als afsluiting van het herdenkingsjaar 2020, 75 jaar na de Bevrijding, die vooral de jongeren zou moeten aanspreken. Maar de film heeft momentum gemist, vertoning in de herdenkingsmaand mei zat er niet in en nu kan het grote publiek – nou ja, maximaal 50 personen per bioscoopzaal op anderhalve meter afstand op 162 locaties – op een tamelijk willekeurig door het coronavirus bepaald moment genieten van de beste Nederlandse oorlogsfilm ooit.

De Slag om de Schelde

Miserabele vergeten veldslag
Het kan natuurlijk nog verkeren, maar in vergelijking met de uitbreng van De Oost, waar geen dag voorbijgaat voor er weer iets nieuws gemeld wordt, gebeurt er rond De Slag om de Schelde vooralsnog weinig. Net als De Oost is De Slag om de Schelde medegefinancierd door een van de grote streamingdiensten: bij De Oost is dat Amazon, later dit jaar zal Netflix De Slag om de Schelde (als The Forgotten Battle) uitbrengen. Maar bij De Oost waren ze zo slim om het om te draaien, eerst uitbreng via Amazon en daarmee op een doodstil moment in het anders zo drukke mediageweld van de filmwereld enorm veel publiciteit te genereren, met een kort geding van Indië-veteranen, items in talkshows, aankondiging in het NOS Journaal. En dan heeft De Oost natuurlijk een ‘actueel’ thema te pakken, na ruim zeventig jaar aandacht voor de vermeende oorlogsmisdaden van ‘onze jongens’ in Indonesië, waar met het NIOD-onderzoek naar de politionele acties op komst, nog lang niet het laatste woord over gezegd is.

Intussen denken we over de Tweede Wereldoorlog in Europa zo onderhand alles wel te weten. Maar dan doe je De Slag om de Schelde ernstig tekort: het verhaal over de halfvergeten gruwelijke veldslag in Zeeland herfst 1944 om de toegang tot de haven van Antwerpen was cruciaal voor de eindstrijd tegen nazi-Duitsland. Het beeld van die eindstrijd is tot nu toe vooral bepaald door een film als A Bridge Too Far (1977), de spectaculaire maar mislukte strijd om een bruggenhoofd over de Rijn, met luchtaanvallen, parachutisten, man-tegen-mangevechten rond de Rijn. Uitgevoerd met een Hollywood-sterrencast is dat aanmerkelijk sexyer dan de miserabele vergeten veldslag in het modderige Zeeuwse achterland om de Sloedam. Daar kan dus nu verandering in komen.

De Slag om de Schelde

Natuurlijker dan Zwartboek
Het Britse 1917, door velen beschouwd als de beste film van 2019, zette een nieuwe internationale norm voor het genre oorlogsfilms neer. In ons land is Zwartboek (2006), in 2008 uitgeroepen tot de beste Nederlandse film aller tijden, de standaard. Het zijn niet de minste voorbeelden waarmee De Slag om de Schelde – met een budget van veertien miljoen euro de op een na duurste Nederlandse oorlogsfilm – vergeleken zal worden.

In 1917 voel je je onderdeel van de oorlogshandelingen, je loopt als het ware zelf door de Britse loopgraven, achter korporaal Schofield door het niemandsland en de Duitse linies. Met een beperkter budget en minder technische mogelijkheden is die reallife ervaring nauwelijks te evenaren. Maar de raid op de Sloehaven, wanneer gliderpiloot William Sinclair (Jamie Flatters) in zijn Spitfire temidden van een enorm luchtgevecht in de Zeeuwse klei en wateren neerstort, nadert het werkelijk zelf meemaken zeer behoorlijk.

Zwartboek is een zwaar overschatte film. Paul Verhoeven heeft nogal de neiging om de karakters in zijn films clichématig uit te vergroten en een scenario te hanteren waarbij de hoofdrolspelers op opvallend toevallige ontmoetingen en soms onwaarschijnlijke verwikkelingen een tamelijk ingewikkelde plot afwikkelen. De verhaallijnen die Paula van der Oest voor De Slag om de Schelde bedacht, zijn veel natuurlijker, staan op zichzelf, raken elkaar zijdelings, maar horen toch heel goed en gevoelsmatig bij elkaar en geven zonder pathetisch of larmoyant te worden een heel goed en breed beeld van de nadagen van de oorlog.

De Slag om de Schelde

Menselijke karaktertrekken in tijd van oorlog
We volgen de Britse avonturier, piloot William Sinclair, de ontgoochelde Nederlandse SS’er Marinus van Staveren (Gijs Blom), teruggestuurd van het Oostfront, en het Zeeuwse meisje, secretaresse van de burgemeester van Vlissingen, Teuntje Visser (Susan Radder) die in eerste instantie denkt dat neutraliteit een optie is. De losse verhaallijnen – William die zich door de Zeeuwse modder en klei een weg naar zijn eenheid moet vinden, Marinus die ernstig met zijn loyaliteit gaat worstelen en Teuntje die door een onbezonnen daad van haar jongere broer meer en meer bij het verzet betrokken raakt – staan op zichzelf maar vullen elkaar gevoelsmatig toch steeds aan. Bij iedere decorwisseling voel je opnieuw de spanning.

De kracht is dat die drie perspectieven (geallieerden, Duitsers, verzet) niet zwart-wit worden uitgewerkt, maar er alle ruimte is voor bijzondere tinten grijs, zoals in de rol van de vader van Teuntje die met de Duitse Ortskommandantur gaat heulen in een vergeefse poging zijn zoon vrij te krijgen. Nee, De Slag om de Schelde is geen geijkt heldenepos over de WOII, geen verslag van een veldslag waarvan je de afloop van verre ziet aankomen. Het laat onopgesmukt de gruwelijkheden, maar ook de onverschrokkenheid en drang naar vrijheid, de sterke en zwakke menselijke karaktertrekken die in tijden van oorlog naar boven komen in al zijn aspecten en accenten zien. Niet veel vaker het gevoel gehad dat de werkelijkheid zo dicht benaderd werd.

 

3 juni 2021

 

ALLE RECENSIES

80’s kitsch!

80’s kitsch!

door Bob van der Sterre

Hard Ticket to Hawaii ♦ Night of the Comet ♦ Mauvais Sang

 

Geen decennium in de twintigste eeuw wist zijn kitsch zo goed uit te buiten als de jaren tachtig. De verwijzingen naar die tijd zijn nu ook alom (denk aan Kung Fury, Gareth Marengi, Wonder Woman 1984), maar de jarentachtigkitsch is veelzijdiger dan je had gedacht.

In Hard Ticket to Hawaii (1987) kijken we naar twee zeer luchtig geklede dames van Molokai Cargo (waarvan een ook nog voor de geheime dienst werkt). Op een dag stuurt een maffiabaas een mini-helikopter naar het eiland. Daarin: een doosje met diamanten. Twee DEA-agenten worden vermoord. Een besmette slang ontsnapt.

De beste B-film aller tijden
De dames veroveren de diamanten maar moeten ze al snel uit handen geven. De criminelen en smokkelaars hebben weinig moeite met moorden. Dat betekent dat het oorlog wordt op dit eiland. Echt haast hebben de agenten daarbij niet. Er is altijd tijd voor seks en surfen.

Wie bij het horen van de naam Andy Sidaris begrijpelijk knikt, moet wel houden van pulp en cult. Waarom anders zou je Sidaris-films kijken? Malibu Express in 1985, deze in 1987, Picasso Trigger in 1988, Savage Beach in 1989, Gun in 1990 (en hij ging door tot 1998).

Normaal zeg je dat iemand iets goed fout doet, maar Sidaris deed het fout goed. Hard Ticket to Hawaii is de guilty pleasure van elke 80’s kitschfanaat. Rondborstige vrouwen die in de jacuzzi springen want ‘daar kan ik beter nadenken’. Een toxische slang (inclusief de arm in de slang). Frisbee met scheermesjes. Het toppunt: een huurmoordenaar al schietend op een skateboard met een sekspop in zijn handen. Die moet je gezien hebben om te geloven. Voeg daarbij dialogen van het niveau The Room: ‘De droom van de een, is de lunch van een ander.’

En dat met de zéér tijdsgebonden muziek van Gary Stockdale. Geen parodie, hoewel je dat misschien wel denkt als je naar deze score luistert, een soort waterige blend van Phil Collins en Tina Turner.

Toch moet de kliek rondom Andy Sidaris en zijn vrouw producer Arlene Sidaris het gezellig hebben gehad. Ten eerste zijn al deze films een soort vervolgverhaal (ze wijzen in deze film naar de filmposter van Malibu Express). Dona Speir speelde bijvoorbeeld zeven keer Donna, Hope Marie Carlton drie keer Taryn, Cynthia Brimhall zes keer Edy. En Rodrigo Obregon – de man die hier niet aan truien doet – speelde vijf keer in verschillende rollen.

Speir was permanent dronken in deze film maar kreeg toch een herkansing van Arlene Sidaris en liet die niet liggen. Zo’n soort familie was het. Liefhebbers noemen deze film zelfs Sidaris’ meesterwerk. Hijzelf overleed in 2007 en maakte niet meer mee dat de film in 2014 ‘de beste B-film aller tijden’ werd genoemd.

Parodie in de film zelf
In Night of the Comet uit 1984 draait het niet om een komeet, niet om zombies en niet om het last-man-standing-thema… Dat moet je er duidelijk bij zeggen omdat er een komeet valt, zombies rondlopen en een aantal mensen de laatsten op aarde zijn.

Als de komeet op aarde knalt, verpulvert men in zand. Behalve de mensen die waren beschermd door staal. Zoals de twee ‘valley girls’. Anderen waren half beschermd en raken langzaam hun mens-zijn kwijt. Zoals de bende in een warenhuis. En een groep wetenschappers. Die laatste probeert de overlevenden op te sporen om ze te ontdoen van hun bloed, dat ze nodig hebben om te blijven leven.

Vergis je niet: Night of the Comet heeft van dat acteerwerk en die dialogen die aan Ed Wood doen denken. ‘Who wants to eat a dead cat?’ ‘Beats the hell out of me!’ De totale nonchalance over de hoeveelheid doden in deze wereld. De maquettes… Het budget voor de film was niet veel. Vandaar dat de schitterende zin over een weigerend wapen: “See that’s the problem with these things, Daddy would have gotten us uzi’s,” echt geïmproviseerd is.

De kracht van de cultfilm van Thom Eberhardt is dat de 80’s al geparodieerd lijken te worden in de film zelf. Haar: 80’s kitsch op zijn best. Muziek: de film is een 80’s playlist met een film eronder. Kleding: kauwgom kauwende cheerleader en man die mouwen van jasje opstroopt. Een soort foto-opname van de kitsch van dat moment. Iemand zei over de film: ‘Het loopt niet voor op zijn tijd, maar ook niet achter.’

Je ziet hier overal de roze, rode en paarse neon-tl-buizen die je associeert met hedendaagse parodieën op de 80’s films. De badkamer, radiostudio en het warenhuis zijn grandioze 80’s locaties.

En de maatschappijkritiek kan natuurlijk niet missen. Denk aan details als de foto van de Kennedy’s die ergens van de muur valt, of de sneer naar ‘een denktank’ die een winkelcentrum een monument van consumentisme noemt. 80’s kitsch met maatschappijkritiek!

Pretentieus en poëtisch jasje
Van weer een heel andere slag is Mauvais Sang (1986). Deze film van Leos Carax is de artistieke broeder in de 80’s kitsch-familie, maar in een pretentieus en poëtisch jasje.

Alex doet een crimineel klusje van de ex-zakenpartner van zijn overleden vader. Die man, Marc, heeft mot met ‘de Amerikaanse’, een oudere vrouw. Ondertussen ontmoet hij zielsverwant Anne en wordt hoteldebotel.

Mauvais Sang is een van de bekendste voorbeelden van de 80’s stroming cinéma du look. Dus veel stijl, kleur, armoedige karakters, beklemmende liefdes. Met met name een passage bleek memorabel: als je plotseling Modern Times van David Bowie hoort en Alex op een uitzinnige manier over straat loopt en rent.

De film is een soort intellectuele legpuzzel. Met veel stukjes te leggen. Het vaak vreemde acteerwerk (Juliette Binoche, Denis Lavant), de artistieke shots (mensen van achteren gefilmd, soms half in beeld), de opvallende kleuren (rood en blauw), de overdadige belichting (met veel schaduwen), de muziek (David Bowie, Serge Reggiani, Prokofjev), de symboliek (de kruisen, de dubbelgangers), de voice-overs.

Veel boeiend beeld, maar emotioneel raakt er niet veel. Leos Carax was rond de 25 toen hij deze film maakte (zijn tweede). En dat zie je hier ook terug: een eigenzinnig talent dat zich erg graag wil bewijzen. Dat gaat wel een beetje ten koste aan de karakters en het verhaal, die nu weinig voorstellen, en dat laat de film leeg aanvoelen.

Pretentieuze kitsch of een meesterwerk? Iedereen zal hier een andere mening over hebben. Maar Cinéma du look bewijst opnieuw dat 80’s kitsch veelzijdiger is dan je denkt.

 

12 januari 2021

 

Hard Ticket to Hawaii

 
Alle Camera Obscura

De toekomst van de bioscoop

Ondertussen, op de redactie:

De toekomst van de bioscoop

SJOERD:

Hallo allemaal,

De eerste opleving van de eerste golf van het coronavirus herinnert er weer aan dat de pandemie voorlopig aanblijft. Ondanks dat we in Nederland een belangrijkere discussie hebben te voeren (over de groepsimmuniteitstrategie van de Nederlandse overheid) roept dat toch de vraag op hoe het de cinema verder zal vergaan.

Tenet (2020)

Tenet (2020)

Tenet trok niet bijster veel bezoekers en onlangs werd de release van de nieuwe James Bond-film wederom uitgesteld. Dus zelfs de blockbusters waar de grote studio’s het van moeten hebben laten voorlopig op zich wachten. En komt er straks een inhaalslag met moordende concurrentie? In Nederland kampen de bioscopen met een flinke teruggang in omzet, vooral funest voor de kleinere bedrijven. Ondertussen spinnen de streamingdiensten er garen bij.

Voor The Guardian is e.e.a. aanleiding om een discussie te starten over de toekomst van de cinema, in het bijzonder de releasestructuur en de bioscoop als plek van vertoning: https://www.theguardian.com/film/2020/oct/08/the-future-of-cinema-seven-experts-on-industry-now

Filmcriticus Wolfgang M. Schmitt ziet ook donkere wolken en vreest voor de toekomst: https://www.youtube.com/watch?v=LI7LsGl4Khg

Hoe hebben jullie zelf de afgelopen maanden de bioscoop ervaren? Maken jullie je ook zorgen? Hoe straks verder met de cinema?

Zelf ben ik sinds het IFFR niet meer naar de bioscoop geweest en mijd ik liever de festivals aangezien online m.i. geen vervanger is.

 

TIM:

Bij je aanzet moet ik denken aan de Ondertussen die ik enkele maanden geleden startte naar aanleiding van de rol van filmkritiek tijdens en na (?) de Coronacrisis. Natuurlijk spraken we in dat kader ook al over het bredere verhaal: de filmbeleving in bioscopen en filmtheaters staat op zichzelf al geruime tijd onder druk. Dat geldt uiteraard helemaal voor festivals op locatie. Ik was tijdens het schrijven van een vooruitblik op het Nederlands Film Festival meer tijd kwijt aan het overdenken van de implicaties van een ‘hybride editie’ dan aan de films zelf.

Nu het beleid weer aantrekt, neemt de druk alleen maar verder toe, en ik vind het op zijn minst bijzonder dat ik afgelopen week de Gouden Kalf-winnaar ‘gewoon’ nog op een groot doek kon zien. Voor mij is het geen probleem het filmtheater weer te bezoeken, ook omdat ik voldoende in de gelegenheid ben om overdag te gaan en zo minder snel stuit op ‘volle’ zalen. Wel moet ik wennen aan het verplicht achterlaten van telefoonnummers (hoor ik nog iemand over AVG?, de ironie) en zie ik mezelf een stuk minder (of misschien helemaal niet meer) gaan als men in Nederland nog definitief zou zwichten voor een mondkapjesplicht in de zaal (dat is nu nog een ‘dringend’ advies voor de wandelruimtes). Dat meer mensen er zo over denken, hebben de uitbaters in België al moeten ondervinden, waar de omzet naar verluid flink terugliep toen men landelijk eenmaal had besloten dat het masker alleen nog maar af mocht voor een slok cola of een hap popcorn. In zo’n situatie worden streamingdiensten ineens toch weer extra aantrekkelijk, hoezeer ik mezelf ook een voorvechter van de bioscoopervaring noem :)

Buladó (2020), winnaar Gouden Kalf beste film

Buladó (2020), winnaar Gouden Kalf beste film

Ik spreek hierboven vooral over mijn eigen ervaring, maar de situatie is onmetelijk zorgelijk. De grote releases worden keer op keer uitgesteld en dat sloopt de uitbaters, zeker als titels nog vaker naar On Demand gaan verschuiven. Je kunt geen klassiekers blijven uitbrengen, en naarmate de crisis in een zogenoemde ‘tweede golf’ verder aantrekt zal het aanbod niet de enige reden zijn dat kijkers thuis (moeten) blijven.

 

ALFRED:

We kunnen sinds juni met beperkingen en sinds juli met iets minder (maar nog steeds) beperkingen weer naar de bioscoop, maar wat zien we daar?

Films uit de oude doos, hervertoningen van recente en minder recente klassiekers. En ‘derderangs arthousefilms die zonder corona nooit in Nederland zouden zijn uitgebracht’, aldus Martin Koolhoven, toen we voor de deur van Eye Filmmuseum een sigaretje stonden te roken. Ik had die dag het programma van mijn favoriete buurtbioscoop bestudeerd en knikte instemmend.

Voor de filmliefhebber is het ontbreken van een gevarieerd en boeiend filmaanbod een probleem, zij het een luxeprobleem. Voor de bioscoopexploitant is het een serieus probleem. Wanneer de nieuwe James Bond nóg een keer wordt uitgesteld dondert het bioscoopwezen in de afgrond, stelt een publicist in The Guardian. Engeland is Nederland niet, maar het is geen reden om je schouders op te halen. Wat als Disney – goed voor veertig procent van de filmmarkt – failliete bioscoopketens opkoopt en aldus niet alleen productie maar ook distributie controleert?

Streamingdiensten waren voor corona al een bedreiging voor de bioscopen en floreren in de huidige situatie. Ze zijn (voorlopig?) de winnaar op dit speelveld. Disney+, de streamingdienst van Disney, heeft een krankzinnig bedrag vrijgemaakt om de koning van de onlinefilm-en-tv-platforms, Netflix, van de troon te stoten. Zo dreigt de entertainmentmoloch zelf een virus te worden dat alles aanvreet.

Terug naar het bioscoopbezoek. Dat kon deze zomer weer, al was het aanbod, zoals opgemerkt, beperkt. Mijn buurtbios zal het wellicht overleven, ze zijn eigenaar van het pand. Er waren grappige ervaringen, zoals het stel giebelmiepen dat vlak voor aanvang van Shirley kwam binnen stommelen. Ze begrepen niet dat de rijen stoelen met rode stickers niet bedoeld waren om op te gaan zitten. Ze waren overduidelijk niet op hun plek. En, je zag het aankomen, na een kwartier stonden ze op en stommelden weer naar buiten. Binnenpretje bij deze kijker.

Vooraf reserveren? Geen probleem. Anderhalve meter in de bioscoop? Ook geen probleem, voor de bezoeker althans. De exploitant kan met die anderhalvemeterbeperking maximaal een kwart van zijn capaciteit benutten. Ik probeer drukke plekken en dito momenten zoveel mogelijk te mijden en zag Tenet om half een ’s middags in (bijna) mijn eentje.

Maar het kan ook misgaan, bijvoorbeeld als je domweg vergeet te reserveren. Zo kwam ik als allerlaatste toch nog een Keuze van Koolhoven-avond in Eye binnen omdat een gereserveerd kaartje niet werd opgehaald. In de pauze bietste Koolhoven een sigaret en vertelde ik hem over mijn bijna-misser. Hij was ook verbaasd over de toeloop. Zijn maandelijkse avond in de kleine zaal was snel uitverkocht en verplaatst naar de grote zaal, die vervolgens ook uitverkocht.

Into the Night (1985)

Into the Night (1985)

Het kan dus wel, volle zalen trekken in tijden van corona. Koolhoven had een zelden vertoonde jarentachtigfilm geprogrammeerd (Into the Night van John Landis) en hield er een – onderhoudend, deskundig en leerzaam – praatje bij. Dat is wellicht waar Delphine Lievens, box office analist, in The Guardian op doelt, wanneer ze stelt: ‘De industrie kan hier van groeien.’

Door een ander soort film te vertonen, buiten de blockbusters van Hollywood. Familiefilms, lokale (lees: niet-Amerikaanse studio) films, animatiefilms, documentaires, speciale voorstellingen. En door een inleiding of een Q&A of iets extra’s rond de film te programmeren, als meerwaarde die de streamingdiensten niet bieden. Inderdaad, door film te presenteren zoals Martin Koolhoven dat doet. Dus door de kijker als liefhebber te behandelen, niet als consument. Want die blijven thuis of lopen na een kwartier weg, leert corona.

 

COR:

Voor mij is er qua film kijken niet veel veranderd door corona. In onze plattelandsgemeente staat weliswaar een bioscoop, echter die programmering is niet zo aan mij besteed. Een filmpje pakken in een naburige stad kost mij inclusief reistijd een halve dag. Die tijd kan ik meestal beter besteden, bijvoorbeeld door het kijken van twee films!

Thuis heb ik een grote tv met aardig geluid. In mijn eigen huiskamer kijk ik een paar honderd films per jaar. Als hoofdredacteur van deze filmsite kan ik veel films al kijken voordat die in première gaan. Verder put ik volop uit mijn eigen filmcollectie, streamingdiensten en films die op andere wijzen worden aangeboden.

Een groot doek mag dan wel de filmbeleving versterken, echter ik was al nooit echt fan om schouder aan schouder in een afgeladen bioscoopzaal te zitten, met links krakende chipszakken, rechts iemand die regelmatig zijn veel te lichtgevende mobieltje checkt of iemand achter je die op foute momenten, of gewoon irritant, lacht. Ook pré-Corona ging ik het liefst ’s middags naar een bioscoop: heerlijk die hele zaal bijna voor jou alleen!

In mijn thuisbioscoop (gordijnen dicht, lampen en telefoon uit) bepaal ik zelf wel wie ik uitnodig, hoe relaxed ik voor mijn scherm zit en wat ik nuttig. Ook is het handig om een film om wat voor reden dan ook op pauze te zetten. Voor de meeste interessante films – in mijn geval vooral films uit de vorige eeuw – heb ik sowieso weinig in het gros van de bioscopen te zoeken. Dat neemt niet weg dat ik het verschrikkelijk zou vinden als vooral de kleine filmtheaters de deuren moeten sluiten. Ik houd trouwens mijn hart vast voor heel veel andere culturele instellingen.

Beyond the Forest (1949)

Beyond the Forest (1949)

Uit een crisis kunnen prachtige initiatieven verrijzen. Ook ik denk dat de branche nog veel beter haar best zal moeten doen zich van de streamingdiensten te onderscheiden. Dan denk ik niet aan trillende stoelen en rook bij rampenfilms of de mogelijkheid om met je vrienden of vriendinnen vanuit een jacuzzi te kijken naar een zomerblockbuster, maar eerder aan vlotte inleidingen en interessante napraatsessies aan de bar. Ik denk echter dat zulke initiatieven aan woonplaatsen als de mijne zullen voorbijgaan, omdat filmliefhebbers die zich graag willen verdiepen een steeds kleinere minderheid vormen. De grote steden daargelaten, vrees ik dat de bioscoopbezoeker post-Corona een nog grotere eenheidsworst krijgt voorgeschoteld.

In mijn thuisbioscoop staan vandaag nog twee films op het programma: Beyond the Forest (1949) en Payment on Demand (1951). Dat boek over Bette Davis zal er toch vroeg of laat moeten komen! :-)

 

BOB:

Misschien kijk ik iets te ver dan het coronaheden maar waarom niet… Want corona kan best wel eens de nagel aan de doodskist van de cinema zijn.

Laatst las ik over een sombere regisseur die zei: ‘Bioscoopbezoek dreigt uit te sterven.’ Ik weet niet meer wie het was maar daar zit wel iets in. De bioscoopervaring wordt als het ware van alle kanten aangevallen, waarvan veel dingen al zijn genoemd: streamingdiensten, problemen door corona, hype van series, thuisbioscopen, downloaden, games die films steeds beter imiteren (je speelt zelf ook nog de hoofdrol), En ook van binnenuit: de industrie die steeds wanhopiger trekt aan allang dode paarden (superheldenfilms tjokvol voorspelbare actie en arthousedrama tjokvol voorspelbaar drama). Die twee keurslijven zijn niet echt bevorderlijk voor de ontwikkeling van nieuw eigenzinnig talent.

Wat is dan nog de meerwaarde van een bioscoopbezoek, vraag je je af.

Misschien is de bioscoop wel de LP van de toekomst, dacht ik toen.

Mooie dingen keren vaak terug. De vinylhype van vandaag de dag (wie had dat gedacht in pakweg 2002)… publiek dat zelfs toneel bezoekt op z’n Shakespeares… jaren 50’s Diners in de VS… wie wil er geen Alfa Romeo uit 1960 hebben? Eigenzinnige bioscopen voor filmliefhebbers, bioscopen met een eigen signatuur, met gevoel voor geschiedenis: daar is een markt voor, ben ik het met Alfred helemaal eens. Een Rotterdammer wist mij te vertellen dat Kino nu al zo’n soort plek is. Ik had zelf jaren geleden ook zo’n ervaring met een liefhebbersbioscoop in Brussel.

Dat zal groeien uit wat we nu hebben. We moeten nu alleen even door een tussenperiode, waarbij we het ‘ecosysteem van de film’ langzaam zullen zien inzakken, zoals in het artikel in The Guardian staat.

Bullitt (1968)

Bullitt (1968)

Na pak hem beet nog tien magere jaren gaan we in 2030 weer voor het eerst naar net geopende piepkleine zaaltjes met aftandse stoelen (maar nu met superieure naar het lichaam vormende kussens). Dan bezoeken we liefhebberijvoorstellingen gepresenteerd onder bezielende leiding van de duo’s Martin en Alfred (even avonden) en Sjoerd en Tim (oneven avonden). Cors filmcursussen zijn dan maanden van te voren uitverkocht en ja, als men mij vraagt wil ik ook wel een paar Camera Obscura-sessies doen. Tegen die tijd kan cinema ook profiteren van de ontwikkeling van techniek. Alle films gerestaureerd in super-ultra-HD-kwaliteit. En in zintuiglijk opzicht kan de cinema nog best vorderen. Als mensen het goed leren doen… dus als je het rubber in de achtervolging van Bullitt bijvoorbeeld echt ruikt, en het geluid van piepende banden echt goed hoort, wil ik daar straks mijn vrije avond in 2030 wel aan opofferen. 

 

12 oktober 2020

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

10 grensverleggende films

Tien grensverleggende films

10 grensverleggende films

Feitjes over films zijn altijd leuk. Nog leuker is om je te realiseren wat ze allemaal in gang hebben gezet. Tien mijlpalen in de filmgeschiedenis die de grenzen verlegden: van de allereerste speelfilm tot en met de eerste bewustwordingsfilm over voeding.

door Cor Oliemeulen

1. – The Story of the Kelly Gang (1906) – allereerste speelfilm

Niet Amerikanen of Europeanen maakten de allereerste speelfilm. Ene Charles Tait uit het Australische goudzoekersparadijs Castlemaine en twee van zijn broers vertoonden op 26 december 1906 het bijna zeventig minuten lange The Story of the Kelly Gang. Dit westerndrama gaat over de beruchte Ierse balling Ned Kelly, die na de moord op drie politiemannen vogelvrij werd verklaard. Veel fragmenten op de filmrol hebben de tand des tijds niet goed doorstaan of zijn simpelweg verdwenen. In de gerestaureerde versie zijn foto’s en teksten geplakt om de leemtes in het verhaal op te vullen. Wat opvalt is het gebruik van echte pistolen! Tijdens schermutselingen wordt er vaak bewust in de grond of in de lucht geschoten, waarna tegenstanders toch dood neervallen. Charles Tait kreeg negen kinderen en maakte geen tweede speelfilm.

 

2. – Nanook of the North (1922) – eerste documentaire

Robert J. Flaherty was goudzoeker aan de andere kant van de wereld, in het hoge noorden van Canada, en maakte daar prachtige natuuropnames met mens en dier. Op een dag knoeide hij sigarettenas op zijn kilometerslange, uiterst brandbare rollen celluloid en werden alle opnamen vernietigd. Flaherty, die een relatie met een Eskimofamilie had opgebouwd, begon weer vol goede moed aan zijn film over het leven van de Inuit. Maar wat bleek later? Sommige fragmenten waren in scène gezet, zoals de vangst van een zeehond – die al dood was toen die zogenaamd door Nanook en zijn gezin onder het ijs vandaan werd getrokken. De vraag is of Nanook of the North door het manipuleren van de werkelijkheid een echte documentaire is. In ieder geval schetst de film een authentiek beeld van de ongerepte natuur in het noordelijk poolgebied.

 

3. – La coquille et le clergyman (1928) – eerste surrealistische speelfilm

Het door de Franse schrijver André Breton in 1924 gepubliceerde Manifest van het Surrealisme predikte een levenshouding. Fantasierijk, volledige vrijheid, loslaten van het verleden en zich niets aantrekken van bestaande regels. De visuele verbeeldingskracht staat los van verstand en logica, en is toepasbaar op alle kunstvormen. De beroemdste vroege surrealistische film is Un chien andalou (1928), waarmee Luis Buñuel en Salvador Dalí de gevestigde orde schokten. Maar de allereerste surrealistische speelfilm verscheen eerder dat jaar. In La coquille et le clergyman (De zeeschelp en de priester) van regisseuse Germaine Durlac maken we kennis met de dromen en erotische fantasieën van een priester. Het zowel originele als maffe script is van Antoine Artaud, die later met de introductie van zijn Wrede Theater ‘te surrealistisch’ werd bevonden door Breton en consorten.

 

4. – The Ox-Bow Incident (1943) – eerste humane western

In westerns werden indianen als bloeddorstige barbaren afgeschilderd. Dat negatieve beeld veranderde met de revisionistische western, waarin indianen en Mexicanen juist als sympathieke mensen worden neergezet. Mooie voorbeelden zijn High Noon (1952), Little Big Man (1970) en Dances with Wolves (1990). Al in 1943 verscheen The Ox-Bow Incident van William A. Wellman dat een sleutelrol speelt in de geschiedenis van de western. Deze eerste humane western houdt een pleidooi voor de rechtstaat als fundament van de samenleving. Drie mannen worden verdacht van moord en zonder proces opgehangen door een hysterische menigte. Later blijken ze onschuldig. Eén van de terechtgestelden had nog een afscheidsbrief mogen schrijven. In de ontroerende finale leest het personage van Henry Fonda, één van de weinigen die de executies probeerde te verhinderen, de brief voor aan een saloon vol daders.

 

5. – Sommaren med Monika (1953) – eerste vrijgevochten film

De Zweedse filmmaker Ingmar Bergman genoot een strenge opvoeding (vader was luthers predikant), was bang voor de dood en twijfelde aan God en het geloof. Dat resulteerde in 1957 in het meesterwerk Det sjunde inseglet (Het Zevende Zegel). Vier jaar eerder zorgde Bergmans doorbraakfilm Sommaren med Monika (Zomer met Monika) al voor de nodige ophef. Een vrijgevochten meisje (Harriet Andersson), dat met haar vriendje vlucht voor haar burgerlijke ouders, gaat uit de kleren. In Amerika ging de schaar in Bergmans vernieuwende, realistische filmstijl, en bleven hoofdzakelijk beelden van het stoute meisje over. “In de buurt werd er gesproken over een naaktscène. Zoiets was destijds ongehoord in Amerikaanse films”, zei regisseur Woody Allen, die net als veel anderen pas later Bergmans werkelijke kwaliteiten zou ontdekken.

 

6. – L’avventura (1960) – eerste moderne filmvertelling

Naast Bergman plaveide Michelangelo Antonioni de weg voor Europese films in Amerika. Tijdens zijn hele oeuvre bestudeerde de Italiaanse maestro van de moderne cinema de zoektocht naar betekenis en toonde hij zijn personages niet conform de toen geldende filmwetten. Zo worden hartstochtelijke vrouwen en communicatief impotente mannen in een dialoog met de rug naar elkaar geplaatst om hun psychologische afstand te symboliseren. Vanaf L’avventura (1960) wordt het verhaal ondergeschikt aan de gevoelens en worden de personages geplaatst in een omgeving die hun gemoedstoestand benadrukt, soms heel nietig in een overweldigend landschap of als een stipje voor een gigantische muur. Tijdens de wereldpremière op het filmfestival van Cannes klonk veel gejoel. Het publiek vond de shots veel te lang en kon het niet verteren dat hoofdrolspeelster Anna zomaar verdwijnt om vervolgens niet meer terug te keren in het verhaal.

 

7. – Straw Dogs (1971) – eerste verkrachtingsscène

Nog voordat de Hays Code in de Verenigde Staten werd afgeschaft, trok een schietgraag overvalkoppel in Bonnie and Clyde alle ongecensureerde registers open. Seks, drugs en vooral geweld vulden vanaf 1967 het witte doek. Gevlucht voor de verruwing in zijn geboorteland betrekt een Amerikaanse astrofysicus met zijn Britse vrouw in Straw Dogs een groot huis op het Engelse platteland. Helaas loopt hun relatie met enkele ingehuurde werklieden niet van een leien dakje en duurt het niet lang voordat iemand zich aan de vrouw des huizes (Susan George) vergrijpt. Natuurlijk kende de filmgeschiedenis al suggestieve aanrandingen, maar zeker een regisseur als Sam Peckinpah wist wel raad met het schokkend in beeld brengen van de dubbele verkrachtingsscène (waarbij het lijkt alsof de vrouw aanvankelijk nog geniet). Het is aan manlief (Dustin Hoffman) om zich uiteindelijk over te geven aan een bloederige wraakorgie.

 

8. – Westworld (1973) – eerste film met CGI

Beste millennial. Er was een tijd dat een grote ruimte vol computerkasten minder capaciteit had dan een enkele chip in je telefoon. Tegenwoordig kan film elke illusie creëren en digitale animatie zie je in bijna elke game en Hollywoodproductie. Wat nu normaal is, was vroeger bijna lachwekkend. De eerste speelfilm waarin CGI (Computer Generated Imagery) werd toegepast, is Westworld (1973). In het sciencefictionverhaal van debuterend regisseur Michael Crichton slaan bij een ‘gunslingerrobot’ (Yul Brynner) in een futuristisch amusementspark de stoppen door. Gelukkig is zijn zicht – dat bestaat uit grove pixels (gemaakt door de computer) – wat beperkt. Hoe knullig de scène er nu ook uitziet, hij zette wel de deur open voor bijvoorbeeld de eerste volledig met de computer gemaakte film: Toy Story (1995).

 

9. – Festen (1998) – eerste Dogme 95-film

In het ontwaakte digitale tijdperk kregen filmmakers in Denemarken de behoefte terug te keren naar de basis. Lars von Trier en Thomas Vinterberg stelden een manifest met tien regels op. Je moest voortaan op 35mm filmen, op locatie met de camera in je hand, zonder extra belichting. De film mocht geen oppervlakkige actie bevatten en het manipuleren van beelden (effecten en filters) was natuurlijk uit den boze. Deze ‘eed van zuiverheid’ leidde tot de eerste zogenoemde Dogme 95-film: Festen (1998). Het beeld van de reünie waar de zestigste verjaardag van pa wordt gevierd, is korrelig, soms schokkerig, en oogt authentiek. Het drama is zo werkelijk dat Thomas Vinterberg tijdens de beroemde incesttoespraak een deel van de acteurs in het ongewisse hield over de afloop. Ondanks het nobele streven, was na een paar jaar weinig meer van Dogme 95 over.

 

10. – Food, Inc. (2008) – eerste bewustwordingsfilm over voeding

Terwijl in Nederland de meeste boeren hun best doen om een verantwoord product op tafel te zetten, nemen ze het in Amerika niet zo nauw. Food Inc. gaf als eerste film een interessant kijkje achter de façade van vrolijk huppelende koeien in groene weiden die op pakken zuivel staan afgebeeld. Overzee blijkt voedselproductie in handen van megagrote bedrijven die nauwelijks oog hebben voor dierenwelzijn en verantwoord bodemgebruik. Ze worden bovendien gesubsidieerd door de overheid, want op groente en fruit valt weinig winst te behalen. In hamburgers zit soms ‘vlees’ van tientallen runderen, waardoor de oorsprong van eventuele ziektekiemen moeilijk is te achterhalen. Ook documentaires als Super Size Me (2004), waarin je lekker onverantwoord kunt eten bij McDonalds, maakten de weg vrij voor een reeks bewustwordingsfilms over dierenonwelzijn, vet, suiker en tal van andere producten waarvan we het naadje van de kous niet wisten.

 

21 december 2019

 
Alle leuke filmlijstjes

SPECIAL Isabelle Huppert

Isabelle Huppert

Isabelle Huppert

– Loulou: Een onfortuinlijk trio – 30 juli 2019
– Violette Nozière: Spiegelpaleis van leugens – 26 juli 2019
– Madame Bovary: De vrouw zonder eigenschappen – 22 juli 2019
– Coup de Torchon: Donkere schaduw over humaniteit – 19 juli 2019
– White Material: Smeulende spanning en oprukkend zand – 16 juli 2019
– Claire’s Camera: Keuvelen in Cannes – 14 juli 2019
– Les Valseuses: van schandaalfilm tot topcarrière – 10 juli 2019
– La Dentellière: Stille anonimiteit – 9 juli 2019
– La Pianiste: Bach, Freud en masochisme – 7 juli 2019
– La Cérémonie: Meedogenloze klassenstrijd – 6 juli 2019
– Special over Isabelle Huppert – 5 juli 2019

 

Isabelle Huppert is ook te zien in o.a.:
– Happy End
– Souvenir
– L’avenir
– Elle
– Louder Than Bombs

 

De 6 beste rechtbankdrama’s

De 6 beste rechtbankdrama’s

Leden van de rechtbank, ik zal vandaag trachten de juridische significantie van de zes hieronder nader te behandelen films aan te tonen. De bewezenverklaring van deze significantie zal zich voltrekken in een per film individueel getrokken pleidooi waarbij ik verscheidene relevante rechtsbeginselen zal benoemen.

door Yordan Coban

Aangewezene ter terechtzitting
Niet alle rechtbankklassiekers verschijnen hier ter terechtzitting. Moge het de rechtbank behagen dat slechts een selectie van de zes beste films opgeroepen zijn. Rechtbankdrama’s draaien vaak om een enkele bijzondere afwijking in de procedure, of een verhaal dat een verrassende wending neemt bij elke procedurele stap.

Primal Fear

Er waren veel gegadigden voor mijn selectie, maar ik heb specifiek gekeken naar de belangrijkste juridische knooppunten die de films behandelen. Een film als A Few Good Men (1991) is buiten de selectie gelaten aangezien het slechts gaat om een getuigenverklaring. Zo ook de erg vermakelijke thriller Primal Fear (1993) omdat deze enkel gaat over de vraag of er sprake is van ‘een ziekelijke stoornis van verdachte zijn geestvermogens’. Ook Kramer vs. Kramer (1978) heeft de lijst net niet gehaald. Ondanks dat de film mij emotioneel erg aanspreekt acht ik deze juridisch toch net te weinig om het lijf hebben, en in de rechtszaal kan emotie niet de boventoon voeren.

Het Nederlandse recht
Verder heb ik overwogen de film Lucia de B. (2013) in mijn lijst op te nemen omdat deze gaat over een van de beruchtste missers van het Nederlands strafproces. Toch acht ik de film qua omvang niet doortastend genoeg om naast de andere grote namen in de banken te treden. Datzelfde geldt voor Mijn Vriend (1973) van Fons Rademaker. Een uiterst bijzondere zaak waarin een Belgische rechter veroordeeld wordt voor moord, diefstal en witwasserij. Echter klinkt het verhaal betreurend genoeg spectaculairder dan de uitvoering van de film.

Tot slot wens ik graag voor de rol benoemd te hebben dat ook JFK (1991) de revue gepasseerd is. De slotscène in de rechtszaal bevat één van de spectaculairste bewezenverklaringen in film, ondanks dat deze door de jury afgewezen wordt.

 

The People vs. Larry Flynt

6. – The People vs. Larry Flynt

Ik begin dit onderzoek ter terechtzitting met The People vs. Larry Flynt (1990). Deze liberale film van de pas overleden Milos Forman is een krachtig bepleiten voor de vrijheid van meningsuiting. Larry Flynt (gespeeld door Woody Harrelson) was wellicht meer opportunistisch dan principieel te noemen. Toch is zijn zaak essentieel voor de vrijheid van meningsuiting en een invloedrijke doorbreking van de preutsheid wat betreft pornografie in Amerika.

Mijn juridische hart gaat vooral sneller kloppen bij het pleidooi van de advocaat van Flynt (gespeeld door de nog jonge Edward Norton) voor het Hooggerechtshof van Amerika. De film stelt een aantal interessante vragen over de voorwaarden van strafbaarstelling en speelt zich af in een tijd waarin liberale sentimenten in wetgeving voet aan de grond krijgen. Deze zaak over de legaliteit van pornografie is niet alleen spraakmakend maar ook belangrijk voor de bepaling van de grenzen van het religieus paternalisme van de Amerikaanse staat.

 

Close-up

5. – Close-up

Met Close-up (1990) wijk ik enigszins af van mijn eigen opgestelde regels (wat contra legem heet in het recht). Deze Iraanse documentaireachtige film van Abbas Kiarostami gaat meer over kunst dan over rechten. Toch is er is een quote in Close-up die mij altijd bijgebleven is, die ik graag wil citeren. Het citaat bevat de definitie van het begrip kunst, op een wijze die ik als jurist erg kan waarderen. Juristen werken altijd met definities. Het enige echte gereedschap van de rechtswetenschap is taal. Definities zijn dus belangrijke hulpmiddelen bij het interpreteren en formuleren van rechtsregels.

Kunst wordt vaak erg vaag en klungelig omschreven, mede omdat het vrij omvattend is en juristen niet goed weten wat ze ermee aan moeten. Kiarostami leent zijn beschrijving van de Russische schrijver Tolstoj die het in zijn boek What is art? uitvoerig heeft over de betekenis van kunst. Indien de Hoge Raad of de wetgever nog op zoek is naar een definitie adviseer ik mee te schrijven: ”Art is the inner experience cultivated by the artist and conveyed to his audience.”

Deze definitie bevat een objectief en subjectief element. Het subjectieve zit in de emotie (inner experience), de niet meetbare ervaring van de artiest die hij hoopt over te brengen. Het objectieve zit in de zinsnede ‘audience’ die aangeeft dat kunst een publiek moet hebben. Wij bepalen per slot van rekening wat kunst is.

Kiarostami laat Hossein Sabzian, verdacht van bedrog, dit uit de grond van zijn hart in de rechtszaal verkondigen. Recht geeft ons de uiterste kaders van het legale menselijk handelen. Kunst geeft ons richtlijnen voor het menselijk handelen binnen deze kaders.

 

Anatomy of a Murder

4. – Anatomy of a Murder

Er zit een cruciale scène in Anatomy of a Murder (1959) waarin verdachte en tevens cliënt van advocaat Paul Biegler (gespeeld door James Stewart) vraagt hoe de jury de ingetrokken vraag kan vergeten? James Stewart antwoordt, bijna teleurgesteld, dat dat niet mogelijk is. In Nederland hebben we dan geen juryrechtspraak meer sinds 1813, maar bovenstaande probleem is ook in ons rechtssysteem niet geheel afwezig.

Rechtspsychologen waarschuwen al jaren voor het probleem dat ontstaat door onrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, dat in sommige gevallen pas na kennisneming uitgesloten wordt van het dossier. Natuurlijk speelt het dan geen rol meer in de bewezenverklaring maar het kan wel degelijk de overtuiging van de rechter en het openbaar ministerie beïnvloeden. Ter waarborging zijn er sancties maar daar valt niet altijd genoegdoening mee te scheppen. Het is een complex fenomeen dat kan leiden tot tunnelvisie bij zowel het Openbaar Ministerie als de rechter. In een rechtssysteem dient men continu wegingen te maken tussen de belangen van waarheidsvinding en de rechten van verdachten. Er zijn geen goede antwoorden, slechts verschillende afstellingen.

Anatomy of a Murder laat verder zien dat de complexiteit van de zaak bij een rechtbankdrama niet van doorslaggevend belang is. De uitvoering met uitvoerig uitgewerkte actoren kunnen elke zaak weven tot een wals van emotie en suspense. Regisseur Otto Preminger neemt je mee de rechtszaal in, zijn kijkers zitten daadwerkelijk in de banken en luisteren aandachtig mee bij elke getuigenverklaring tot elke frons van de rechter.

 

Paths of Glory

3. – Paths of Glory

Paths of Glory (1957) gaat over machtsmisbruik van de elite, en wel door middel van het recht. De grondwet is juist opgesteld ter bescherming van het volk tegen de overheid. Voor het bestaan van de grondwet bestond de overheid uit de adellijke stand en de koning die met tirannie over het volk heerste. In Stanley Kubricks Paths of Glory zien we deze machtsstructuur in volle glorie bij een militair tribunaal ten tijde van de Eerste Wereldoorlog.

Een aantal soldaten worden berecht in een schijnproces, ter wraking van een gefaalde veldslag. Executie is de eis en vonnis lijkt onvermijdelijk. Het lot van de soldaten ligt in de handen van de verdediging van Colonel Dax (gespeeld door Kirk Douglas). Na een grandioos pleidooi waarin hij uit alle macht de menselijke waardigheid verdedigt, zien we de onverbiddelijkheid van een corrupt rechtssysteem.

Stanley Kubrick toont ons hoe cru de doodstraf is (in Nederland afgeschaft in 1870) op een wijze die doet denken aan hoe Lars von Trier de doodstraf demonstreert in Dancer in the Dark (2000). Maar primair vertoont Paths of Glory, op gelijke wijze als in In the Name of the Father (1993), het belang van een onafhankelijke rechtsprekende macht voor de bescherming van burgers tegen de tirannie van machthebbenden.

 

Judgement at Nurenberg

2. – Judgement at Nurenberg

Na alle bewonderenswaardige bovengenoemde pleidooien in rechtbankdrama’s is er één die er bovenuit springt: de verdediging van advocaat Hans Rolfe (gespeeld door Maximilian Schell) in Stanley Kramers Judgement at Nurenberg (1961). Dit personage belichaamt de legitimiteit en ethische complexiteit van de advocatuur in het recht. Ook stelt de film vragen over wat de waarde is van het geldende recht op papier ten opzichte van wat ethisch gezien voortvloeit uit het menselijke rechtvaardigheidsgevoel.

Martin Luther King stelde dat alleen rechtvaardig recht het werkelijke geldende recht zou moeten zijn. Toch heb je je aan de wet te houden en was het gelegaliseerde nazirecht, dat schuurt met elke menselijke waardigheid, de destijds geldende wet. Deze strijd tussen het geschreven positieve recht (wat ons rechtsbescherming biedt) en het ongeschreven natuurrecht (wat de bouwstenen van elk rechtssysteem vormt) leidt tot een fundamentele weging bij elke juridische discussie over legaliteit. In deze zaak brengt dat ons tot de rechtsfilosofische vraag of een officier die een onmenselijke, maar op dat moment geldende, wet volgt strafbaar is?
 
 
12 Angry Men

1. – 12 Angry Men

Elke grote filmliefhebber en elke goede jurist kent 12 Angry Men (1957), het meesterwerk van Sydney Lumet. De film draait om een van de meest fundamentele rechtsbeginselen van ons rechtssysteem: de onschuldpresumptie.

Een deel van de charme van de film zit in de eenvoud. Net zoals in My Dinner with Andre (1981), Rope (1948) en Rear Window (1954) speelt de hele film zich in één ruimte af. De jurykamer schikt zich gelijke een lege bladzijde waarop de twaalf mannen hun ideeën over de zaak kwijt kunnen. Als kijker luister je mee en volg je de debatten van een afstand. De camera staat aan het begin hoog, uitkijkend over de vergaderende koppen. Aan het einde van de film, als iedereen met passie zijn standpunten over de zaak verdedigt, is de camera onder de acteurs geplaatst. Zweetdruppels staan de mannen op het voorhoofd, de jasjes zijn uit en de hals is bevrijd van een stropdas. Zo betogen de acteurs driftig over de kijkers heen.

De cast is een indrukwekkend ensemble van gevestigde namen uit die tijd, met als voorman Henry Fonda, op dat moment primair bekend van The Grapes of Wrath (1940). Fonda is perfect gecast als het geweten van de evenwichtige, alles meewegende rechter. Een rol die alleen James Stewart of wellicht Tom Hanks ook zo beheerst zou hebben ingevuld. Hij staat, qua standpunten over de zaak, recht tegenover Lee J. Cobb, op dat moment bekend van zijn kwaadaardige rol in On the Waterfront (1954). Ook in die film is hij hard en onverbiddelijk, maar naarmate de discussie van de juryleden vordert, merk je dat hij niet per se kwaadaardig is, eerder koppig en onwetend.

Het feit dat je gedurende het debat over de zaak de personages alsmaar beter leert kennen, trekt je mee in het verhaal. Een verhaal van slechts twaalf pratende mannen in een zaal, maar doordat het verhaal met zijn personages zich langzaam openbaart, is het geen moment saai. In Dog Day Afternoon (1975) achttien jaar later zien we een bevestiging van hoe meesterlijk Lumet met spanningsbogen kan omspringen. De regisseur is een activist en zijn films zijn zowel inhoudelijk als stilistisch zo ingericht dat de kijker geen moment kan wegkijken.

De onschuldpresumptie is cruciaal voor een fatsoenlijk rechtssysteem. Zonder de onschuldpresumptie krijgen we een Kafkaëske wereld met vervolgingen, zoals beschreven staat in Kafka’s boek The Trial. Vervolgingen zonder rechten voor de verdachten en veroordelingen zonder bewijs.

Veroordeling dient in Nederland pas plaats te vinden bij het bereiken van een bewijsminimum en de persoonlijke overtuiging van de rechter. In Amerika kent men hiervoor de term ‘evidence beyond reasonable doubt’. Als alleen de overtuiging van de rechter (of in dit geval de jury) voldoende is voor veroordeling krijg je impulsieve gevoelsrechtspraak. Rechtszalen zitten vaak vol met emotie, intrige en drama, maar voor een rechtvaardig vonnis dat gelijk is voor iedereen dienen er objectieve waarborgen te zijn. Bij enige twijfel dient de verdachte het voordeel van de twijfel te krijgen. Het gaat hier namelijk wel om mensenlevens, predikt Fonda stellig tegen zijn jurygenoten. 12 Angry Men heeft niet voor niets de status van de beste rechtsfilm. Lumet mengt de emotie die triomfeert in kunst in een juridische vergadering en stelt zich tegelijkertijd principieel op in de zoektocht naar rechtvaardigheid.

 

30 november 2018

 
Alle leuke filmlijstjes

Is Oscar voor ‘beste populaire film’ nodig?

Ondertussen, op de redactie:

Oscar voor ‘beste populaire film’ nodig?

SJOERD:

Onlangs maakte de Academy bekend dat er vanaf aankomende editie van de Oscars een award wordt uitgereikt aan de beste ‘popular film‘. Dit heeft menige wenkbrauwen doen fronsen, wat mij betreft terecht.

In vroegere tijden maakte men onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ kunst, waarbij cinema overigens vaak in de tweede categorie werd ondergebracht. Tegenwoordig worden vormen van cultuur door elkaar gemixt, ongeacht de afkomst. Neem bijvoorbeeld Inglourious Basterds, waar de citaten rangeren van een ‘highbrow’ regisseur als Pabst tot ‘lowbrow’ exploitatiefilms. De teloorgang van dit onderscheid wordt af en toe beklaagd door criticasters.

De vraag rijst wat überhaupt het nut is van films categoriseren op zo’n manier. Zo kijken wij als recensenten vooral naar arthouse. Deze term lijkt te impliceren dat niet-arthousefilms geen kunst zouden zijn. Hier doet de Academy dus aan mee door de populaire film als categorie te introduceren.

Is het niet tijd om juist alle onderscheid te laten varen? Zou er niet ook gewoon schoonheid gevonden kunnen worden in iets wat populair is, of wat gemaakt lijkt te zijn zonder de Kunst hoog in het vaandel te hebben staan?

 

Black Panther

Black Panther

 

COR:

Het toevoegen van de categorie ‘beste populaire film’ is bedoeld om meer kijkers voor de Oscaruitreiking op tv te trekken c.q. meer inkomsten te vergaren. Toekomstige winnaars zullen vast vaak superheldenfilms zijn, zodat de Academy haar publiek structureel met jonge kijkers kan uitbreiden.

Sjoerd, ik ben het met je eens om alle onderscheid te laten varen. Maar hoe achterhaald dat jaarlijkse circus ook is, hoe meer categorieën hoe meer aandacht voor films (en spannende outfits natuurlijk). Ik zou liever de uitreiking van de Sundance Awards op de Nederlandse tv zien, maar dat is commercieel niet interessant.

 

ROB:

Ik ben het met Sjoerds standpunt eens dat het onderscheid tussen ‘hoge’ en ‘lage’ filmcultuur (meer) tot het verleden zou mogen gaan behoren.

Denk dat dat moment ook al is aangebroken, getuige films als No Country for Old Men (2007) (mainstream met arthouse-invloeden), Three Billboards… (idem) of Black Panther (2018) (publieksfilm met duidelijk politieke implicaties, iets wat tot voor kort vooral aan kunstzinnige / activistische cinema was voorbehouden).

Dat gezegd hebbend moet ik wel bekennen dat ik met een andere mindset naar bijvoorbeeld The Meg ga dan wanneer ik Phantom Thread bekijk. Heeft niet zozeer met culturele waarde te maken (al is er wel degelijk een verschil tussen beide films in dit opzicht), maar meer met een verwachtingspatroon.

Wat de Oscars betreft: ben ook van mening dat de waarde daarvan inmiddels discutabel geworden is en niet meer in verhouding staat tot de werkelijke merites van een film. Wel blijven ze interessant als een graadmeter voor hoezeer invloeden uit de filmische voorhoede doorwerken in reguliere producties. Als we ons uitsluitend op de meer progressieve cinema / festivals zouden richten wordt filmkritiek wel heel erg entre nous, bedreven vanuit onze eigen (pretentieuze) bubbel.

 

TIM:

Bij de bekendmaking van de nieuwe categorie ‘popular film’ viel me vooral op hoe groot de stijlbreuk ten opzichte van de volledige geschiedenis van Oscarcategorieën is. Hoeveel kritiek je ook hebt op de winnaars van de laatste decennia, alle categorieën richten zich in naam op kwaliteit. Dat is nu van de baan: het gaat hier expliciet om populariteit.

Wat Cor zegt over het motief voor de toevoeging is in mijn optiek volledig correct; wel is er denk ik nog iets meer aan de hand: de instroom van titels die tussen ‘populaire’ kwaliteitsfilm en arthousekwaliteitsfilm inzitten is heden ten dage een stuk groter. Neem Black Panther: vooral in termen van culturele representatie is deze film voor veel bezoekers én critici meer dan je gemiddelde blockbuster. Mijn redenatie is dat de Academy eventuele kritiek op het negeren van zulke titels in de toekomst wil voorkomen, door een categorie vrij te maken voor de films die niet tot het reguliere Oscaraanbod behoren, maar óók niet gepasseerd kunnen worden.

Een kunstmatige ingreep van deze aard kan mij, ook los van het motief, volledig gestolen worden. Geld en aandacht zijn interessant voor de commerciële mallemolen van Hollywood, niet voor de consument die in dat circus naar kwaliteit zoekt. Ik vrees ook dat filmmakers en andere vakmensen nu alleen maar meer gemotiveerd zullen worden om zich op ‘populaire films’ te richten, afhankelijk van welke titels de komende jaren in deze categorie zullen zegevieren.

Dunkirk

Dunkirk

Anderzijds zullen zat vakmensen geen enkele boodschap hebben aan deze categorie. Zou Christopher Nolan met een brede glimlach een beeldje hebben willen afhalen voor zijn Dunkirk? Dan liever een enkele nominatie voor ‘best picture’.

Ik geloof ook niet in een rigide distinctie tussen hoge en lage cultuur, om even op Sjoerds inzet terug te komen. Wel vind ik de geschiedenis van dergelijke denkbeelden razend interessant – maar dat is meer iets voor langere essays en/of degelijk onderzoek.

 

BOB:

Bedankt voor de leerzame mailtjes.

De Oscars volg ik al tien, twintig… Eh, heb ik bij nader inzien nooit gevolgd eigenlijk? Het is persoonlijk. Ik hou niet van prijzen. Literaire prijzen, filmprijzen, kunstprijzen. Het zal allemaal wel. Poppenkasten voor kranten. Ik kan dus heel goed meegaan met Rijk de Gooyer die zijn gouden kalf uit de auto flikkerde.

Vervelend is wel dat collega’s op kantoor of mensen in de kroeg steevast wél de winnaars van de Oscars bespreken (en die ik meestal niet ken, maar wat zegt dat). Prijzen hebben invloed bij het publiek. Het publiek houdt van de nieuwste Tom Cruise maar gaat toch veiligheidshalve óók de winnaar van de Oscars kijken.

Terug naar het thema: de Oscar voor de populaire film die uitgereikt gaat worden. Dat klinkt als een boxofficeficering van prijzen. Maar is dat echt erger dan via een jury? Wie een prijs voor ‘beste buitenlandse film’ verzint kun je toch al niet serieus nemen? Rare jongens, die Amerikanen.

Ik dacht opeens: hoe was dat eigenlijk in bijvoorbeeld de jaren dertig? Welke films zouden de ‘populaire Oscar’ hebben gewonnen? En wat zou ik daar van vinden? Tijd voor een ongetwijfeld ondeugdelijk mini-onderzoekje. Hier vond ik de prijswinnaars, hier de meest populaire films.

Dit was het resultaat.

1939: Gone with the Wind wint best picture en is de op een na populairste film van de jaren dertig. De meest populaire film, Wizard of Oz, zou dus dolblij zijn geweest met een ‘populaire Oscar’.

1938: You Can’t Take it With You. Charmante film maar Bringing up Baby, nog veel charmanter, zou de populaire Oscar hebben gekregen.

1937: The Life of Emile Zola wint (eh, heb ik even gemist?) en Sneeuwwitje is de populairste film van dat jaar (5e in jaren dertig lijst)!

Dit is eigenlijk best leuk! Laten we nog even verder gaan.

1936: The Great Ziegfield (vooruit, met Michael Powell) wint. Meest populair: niet Modern Times zoals je zou denken maar Mary of Scotland (beide niet genomineerd als beste film).

1935: Mutiny of the Bounty is de winnaar. Bride of Frankenstein meest populair.

1934: It Happened One Night (zo’n lieve film, de Amerikanen kunnen het wel) wint én is ook de meest populaire film (!).

1933: Cavalcade wint. King Kong (uiteraard) meest populair.

1932: Grand Hotel wint. Freaks meest populair (had ik niet gedacht).

1931: Cimarron wint. M. meest populair.

1930: All Quiet on the Western Front wint. Hell’s Angels meest populair.

Hell's Angels

Hell’s Angels

Moraal van het verhaal… Eh, ja, wat is dat eigenlijk? Misschien dat highbrow-lowbrow-discussies van alle tijden zijn (open deur)? Of dat ik de (theoretische) populaire Oscar-winnaars van de jaren dertig door de bank genomen interessanter vind dan de ‘best picture’-winnaars? Misschien dat de recensenten van 2098 er ooit hetzelfde over zullen denken? Zeg nooit nooit!

Vandaag is mijn oma gecremeerd. Deze is dus voor jou, lieve oma, omdat jij nog in tijden zonder arthouse en superheldenfilms hebt geleefd, niet hoefde te worstelen met ‘4DX’ én Citizen Kane in die tijd hebt ervaren. Zou trouwens de populaire Oscar van 1941 hebben weggesleept.

Off topic, maar jullie ook zo blij dat het gedoe met de hitte over is?

 

ALFRED:

Ik ben nooit een fan van prijzen geweest – die hebben minder met verdiensten te maken en meer met marketing – en voor de Oscar-uitreiking ben ik nimmer opgebleven. Mijn nachtrust is me dierbaarder.

De categorie ‘best popular film’ is een interessante. Het koppelt een onmeetbare eigenschap (kwaliteit) aan een meetbare (populariteit). Dat suggereert een ontwerpfout, een interne en onoverbrugbare tegenstrijdigheid, permanente spanning–het prijzenequivalent van, het is niet beledigend bedoeld, een land als België. Daar botsen twee culturele tradities, de Germaanse en de Latijnse.

In de nieuwe Oscar-categorie botsen twee opvattingen over film, twee manieren om tegen succes aan te kijken. Wat is een geslaagde film? Is dat een film die in vorm-esthetisch opzicht behaagt en inhoudelijk tevens een idee of visie weet over te brengen? Of is dat een film die de geldschieters een krat champagne doet ontkurken?

Die twee interpretaties van succes hebben niets gemeen, staan in een aantal opzichten haaks op elkaar en verhouden zich als water en olie. Die mengen niet. Volstrekte kolder derhalve, zo’n Oscar-categorie voor de ‘beste populaire film’. Dat gaat nog een aantal clowneske dan wel tenenkrommende momenten opleveren tijdens toekomstige Oscar Nights.

Interessanter is wellicht de vraag waarom het bestuur van de Academy heeft besloten zo’n non-categorie in te voeren. Ik proef wanhoop.

Wanhoop over het demografische gegeven dat de traditionele doelgroep voor Hollywood-films (althans, sinds midden jaren zeventig en de opkomst c.q. dominantie van de blockbuster) in getalsmatig opzicht slinkt: er zijn anno nu simpelweg minder 12- tot 25-jarigen dan in de jaren tachtig.

Wanhoop over het feit dat de smaak van die traditionele doelgroep voor Hollywood-films in de loop der jaren steeds platter (oppervlakkiger én eenzijdiger van belangstelling) is geworden, een ontwikkeling waarvoor Hollywood zelf verantwoordelijk is. Succesfilms zijn steeds minder inhoud (karakters, psychologie, inhoudelijk relevante boodschap) gaan bevatten en concentreren zich meer en meer op spektakel en actie. Het effectbejag heeft de zuurstof uit het filmverhaal gezogen, waardoor spektakelfilms steeds meer op elkaar zijn gaan lijken en derhalve onderling inwisselbaar zijn geworden. Dan maakt marketing het verschil, niet de acteurs of de plot en al helemaal niet de regisseur. De Transformers-franchise is het eindpunt van die ontwikkeling. Michael Bay verdient een lifetime achievement award in de nieuwe categorie best popular film.

Transformers 5

Transformers 5

Wanhoop over de opkomst van nieuwe distributiekanalen en de toegenomen populariteit (en kwaliteit) van tv-series, vaak geproduceerd (geïnitieerd en/of betaald) door gevestigde acteurs, die aldus los van Hollywood hun loopbaan continueren en tevens datzelfde Hollywood direct beconcurreren op aandacht, tijd en geld van de kijker, of om het duur te zeggen, de consument van beeldnarratief.

Wanhoop over de nuchtere constatering dat Hollywood zichzelf in een hoek heeft geverfd. Om te kunnen overleven is Hollywood meer en meer gedwongen om peperdure popcorn-blockbusters te maken over superhelden en stripkarakters voor een immer slinkende doelgroep – de jeugdige filmconsumenten van de luxueuze multiplexen – die bovendien negen van de tien spektakelfilms onvoldoende bezoekt om de productie- en marketingkosten terug te verdienen. Dat is een doodlopende weg. Zeg gerust, een geitenpad.

 

19 augustus 2018

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Some Like It Hot: rollenspel

Some Like It Hot is actueler dan ooit

De perfectie van het rollenspel

door Tim Bouwhuis

Niemand is perfect, maar Some Like It Hot is dat toch zeker wel? Het zou zomaar een uitspraak van Billy Wilder zelf geweest kunnen zijn. Na een desastreus verlopen preview in december 1958 gooide de gevierde cineast het over een andere boeg: hij vertoonde de film gewoonweg voor een jonger publiek. De rest is geschiedenis en heden ineen.

Wilder en zijn coscenarist I.A.L. Diamond hadden twee troeven in handen om de mateloze moderniteit van hun screwball comedy ietwat te verhullen. Some Like It Hot kon een period piece worden en de twee ‘mannelijke’ hoofdpersonages moesten een dynamisch rollenspel spelen. Uiteindelijk zette het duo beide troeven met plezier in.

Waarom zijn juist deze ogenschijnlijk eenvoudige kenmerken van de film zo essentieel voor het schetsen van zijn moderne karakter? Daarvoor moeten we iedere contemporaine lezing van Some Like It Hot even inruilen voor de omstandigheden waaronder Wilders filmische maskerade tot stand kwam.

Some Like It Hot

Liefde tussen man en vrouw
Aan het eind van de jaren vijftig was de invloed van de befaamde Production Code tanende. Het advent van de beeldbuis ging hand in hand met de achteruitgang van het studiosysteem, en de greep van taboes en (zelf)censuur verzwakte. Dit nam echter nog niet weg dat Wilder de censors én zijn publiek moest overtuigen met thema’s die in de voorbije decennia naar de krochten van de taboesfeer waren verbannen. De meeste Amerikanen waren het gewoon om in termen van huwelijk en huiselijkheid te denken.

De filmindustrie kon de normatieve liefde tussen man en vrouw op haar beurt niet zomaar op de tocht zetten, vooral omdat iedere poging zonder verborgen betekenissen of subtiel verhulde symboliek toch wel door de Code gepareerd zou worden. Als een regisseur dan eindelijk verder ging dan de klassieke filmkus, moest dat suggestief. Alfred Hitchcock eindigt North by Northwest (tevens 1959) met een toespeling op een penetratie: een trein rijdt met volle vaart een tunnel in op het moment dat de geliefden (Cary Grant en Eva Marie Saint) de liefde zullen gaan bedrijven. Uiteraard houdt de Master of suspense zich in deze film nog wel netjes aan de genderbalans: een open homoseksuele of lesbische relatie zul je in een film uit dit tijdperk niet zomaar aantreffen.

Billy WilderToespelingen
Hoe anders was dat in de roaring twenties, toen het studiosysteem kon uitdijen onder een stroom van kansen en gedurfde toespelingen op de relaties tussen mannen en vrouwen. In William A. Wellmanns oorlogsdrama Wings (1927) delen Charles Rogers en Richard Allen een intieme kus op de mond. Broederlijk of niet, de camera legde vast wat we daarna decennia lang niet meer zouden zien.

Regisseurs trapten daarnaast heilige huisjes omver door de suggestie van overspel uit te werken of een meer cynische visie op de mensheid uit de doeken te doen. Ernst Lubitsch, Billy Wilders grootste voorbeeld, perfectioneerde in Hollywood zijn zogeheten ‘Lubitsch touch’ (Google op ‘Wilder’ en ‘The Lubitsch Touch’ voor een even puntige als amusante uitleg van Wilder zelf), nadat hij in Duitsland het vroege hoogtij van de Weimar Cinema had meegemaakt.

De Duitse filmacademicus Thomas Elsaesser stelt dat Weimar Cinema garant stond voor ‘the creation of a highly sophisticated film language, both on the level of the image and the narrative, repeatedly using strategies of deception, camouflage, impersonation, and duplicity to make larger claims about the forming and deforming forces of modernity’.

Neem bijvoorbeeld Robert Wienes Das Kabinett des Doktor Caligari (1920), waarin de androgyne verschijning van slaapwandelaar Cesare (Conrad Veidt) onze perceptie van genderidentiteit op losse schroeven zet. De film als geheel is een ontwrichtende droom, waarin iedere verschijning deel kan zijn van een groter bedrog. De hysterische decors reflecteren het grenzeloze karakter van stijl en narratief.

Rollenspel
In de expressieve kunst van deze academisch afgebakende periode ontspringt ook Wilders fascinatie voor het rollenspel. In het rollenspel kunnen personages zijn en verbeelden wat in een meer directe context taboe is. Doorheen het oeuvre van Wilder komt het gegeven van het rollenspel telkens weer terug. Neem bijvoorbeeld The Major and the Minor (1942). Ginger Rogers (ongeveer dertig jaar oud in de productieperiode) doet zich voor als een twaalfjarig meisje om tegen een goedkoper tarief met de trein te kunnen reizen, en identificeert zich in een later stadium ook nog eens als haar bloedeigen moeder. Het laatste frame van de film laat zich lezen als een speelse visuele vooruitwijzing naar Some Like It Hot, waarin de stoomwolk van de trein Sugar Kane (Marilyn Monroe) deels even aan het oog onttrekt, net als Rogers in The Major and the Minor.

Wie eenmaal met de bril van het rollenspel naar het oeuvre van Wilder kijkt, moet zich eerder inspannen een film te vinden die het niét moet hebben van (variaties op) gedaanteverwisselingen. Gerd Gemünden betoogt in zijn boek A Foreign Affair: Billy Wilder’s American Films dat deze gedaanteverwisselingen zeker niet alleen als voortstuwende plot devices moeten worden beschouwd: ‘’impersonation and masquerade always entail a political dimension, serving as allegory for the price the exile has to pay in his or her quest for assimilation, for blending in, or for mere survival’’.

Some Like It Hot

Verkleedpartij
In Some Like It Hot is de personificatie van de banneling het komische duo Jack Lemmon-Tony Curtis. Aan het begin van de film leren we dat de twee beroepsmuzikanten alles doen om maar rond te kunnen komen: ze lenen geld, wedden op paarden óf verkleden zich als vrouwen. Eenieder kan nu perfect betogen dat de transformatie van Lemmon en Curtis verre van volmaakt is. Voor Curtis weifelachtig gepitchte falsetstem, de overdreven loopjes en het gemaakt hysterische gedrag van de gemaskeerde charmeurs is de uitdrukking ‘over de top’ uitgevonden, en als de charlatans onder elkaar zijn hullen ze zich gewoon weer in de mantel van hun eigen identiteit.

Uitspraken van die aard zijn perfect van toepassing op het eerste anderhalf uur van de film, maar de escapades van Josephine en Daphne hebben een staartje. Wie Some Like It Hot zag, kan de afsluitende oneliner ongetwijfeld dromen. Op ludieke wijze laat sugar daddy Osgood (een even boeiende als linke figuur in #metoo-tijden) weten dat hij ook met een homoseksuele relatie geen moeite heeft. In het originele script van Diamond en Wilder gaat de tekst onder het geliefde ‘Nobody’s perfect’ nog even verder: ‘’Jerry looks at Osgood, who is grinning from ear to ear, claps his hands to his forehead. How is her (sic!) going to get himself out of this? But that’s another story – and we’re not quite sure the public is ready for it”.

Transformatie
Billy Wilder heeft in een interview aangegeven dat het in deze situatie niet per se hoeft te gaan om een beslissing van seksuele aard: trouwen met een miljonair kan de sociale en financiële zekerheid verschaffen die Jerry en Joe in Some Like It Hot zeker niet hadden. ‘’It’s security’’, roept Lemmon demonstratief, voor het viertal het geluk tegemoet vaart. En toch kan er – afhankelijk van je precieze interpretatie van de film – meer aan de hand zijn. Jerry verandert zijn vrouwennaam eigenhandig van Geraldine in Daphne, een waarschijnlijk weinig toevallige verwijzing naar de Daphne uit de Griekse mythologie. Om de nimf te beschermen voor de avances van de god Apollo (lees: Osgood), verandert haar vader Daphne in een laurierboom.

Van zo’n opmerkelijke transformatie is in Wilders carrousel van strak getimede scriptgrappen gelukkig geen sprake, maar daardoor weegt de waarheid nog wat zwaarder: de tijdelijke vermomming van Jerry is verworden tot een levenslang vonnis. Met het einde van de film lijkt de kans dat we Jerry nog terug gaan zien voorgoed verkeken. En Wilder kent z’n publiek en z’n censors: de vraag is inderdaad of het publiek daar in die tijd klaar voor was.

Some Like It Hot

Identiteit
De Rooms-Katholieke League of Decency gaf Some Like It Hot een B-rating: de film was daarmee ‘’Morally Objectionable in Part For All’’, met name door zijn speelse verwerking van travestie, homoseksualiteit en lesbische liefde (de kus van Monroe en Curtis). Toch kon Wilders komedie een commercieel succes worden, in de eerste plaats omdat de licht met misdaad doordesemde plotlijn langs de censors kon komen. Het is precies zoals filmcriticus Roger Ebert stelde in zijn Great Movies-recensie: Some Like It Hot is ‘a movie that’s about nothing but sex and yet pretends it’s about crime and greed’.

De keuze om de film in het verleden te laten spelen is niet alleen een slim voorwendsel om iederéén deel te laten nemen aan het rollenspel, het is ook een strakke allusie op de dunne grens tussen verbod en vrijheid. Tijdens het eerste kwartier van de film krijgen we maar al te duidelijk mee dat de actie plaatsvindt in het Chicago van de drooglegging en de St. Valentine’s Day Massacre (1929). De geschiedenis van de drooglegging leert dat een grootschalig verbod van die aard op termijn enkel averechts werkt. Precies hetzelfde gaat op voor de Production Code. De drooglegging eindigde in 1933, niet lang voordat de verantwoordelijke organisatie de code meer rigide begon te handhaven. De focus verschoof dus deels naar andere vormen van ‘immoraliteit’; maar die vormen houden geen stand als ze niet expliciet bevraagd kunnen worden. Wilder schrijft en regisseert met een even speelse als serieuze knipoog.

In Some Like It Hot vertelt hij het verhaal van twee mannen die hun gefixeerde seksuele identiteit moeten loslaten om te overleven. De transformatie van Lemmon en Curtis is absoluut geen schande of een publiek schandaal (let op de reacties van Sugar en Osgood bij de twee onthullingen), maar een reflectie op een open wereld waarin de gendergrenzen zich eindeloos laten oprekken. Identiteit, zo lijkt Wilder te stellen, is altijd in beweging.

De conclusie mag iedereen voor zichzelf omarmen of verwerpen: Some Like It Hot is vandaag de dag actueler dan ooit.

 

5 augustus 2018

 

MEER BILLY WILDER
 
 
MEER ESSAYS