IDFA 2022 – Deel 5: Oekraïne

IDFA 2022 – Deel 5:
Oekraïne

door Jochum de Graaf

In de zomer kondigde IDFA aan dat ze zeven Oekraïense documentaireprojecten zou gaan ondersteunen. Met een oorlog die eind februari begon, is de verwachting dat we het resultaat pas op een volgend IDFA te zien krijgen. Toch is er een aantal belangwekkende films op tijd voor deze editie afgekomen. Daarnaast presenteert vaste gast Sergei Loznitsa twee afleveringen uit zijn niet aflatende serie over de Tweede Wereldoorlog die ook met het oog op deze oorlog hoogst actueel zijn. En er is een indringende docu over jongeren in Rusland.

 

Mariupolis

Mariupolis en Mariupolis 2
Hoe zou het toch in Marioepol zijn? Na hevige gevechten en de wekenlange slag om de Azovstal-fabriek kwam de strategisch gelegen havenstad aan de Zwarte Zee eind mei in Russische handen. Sindsdien komt er nog maar weinig nieuws uit de stad die zo ernstig had te lijden en is de aandacht alweer lang verlegd naar andere steden plaatsen en gebeurtenissen.

De Litouwse cineast Mantas Kvedaravičius maakte voorjaar 2015, kort na de Russische bezetting van de Krim een portret van de stad. Mariupolis (de film heeft geen nummering, Kvedaravičius wist toen nog niet dat er een tweede aflevering zou komen) geeft geen beeld van hoe het ook alweer zover gekomen was, waarom de stad zo belangrijk was en laat niet de slag om Marioepol die de Russen in 2014 nog verloren buiten beschouwing.

In Mariupolis lijkt het gewone leven ondanks de Russische dreiging al weer opgepakt te zijn. De tram vertrekt ‘s ochtends vroeg in de mist. Een dochter gaat met haar vader voor het eerst vissen in een boot op zee. In een danszaal wordt gerepeteerd voor een grote uitvoering, een legereenheid doet oefeningen, een schoenmaker in zijn werkplaats, met opmerkelijk genoeg een foto van Brezjnev aan de muur, vertelt hoe erg het was een jaar geleden, maar dat hij niet zo bang is voor de Russen. In een hal op het enorme Azovstal-complex krijgen de arbeiders een veiligheidstraining. We worden nog wel even opgeschrikt als we een verslaggeefster volgen die een reportage maakt over een afgegaan explosief. Maar de viering van de 9e mei, het einde van de Grote Vaderlandse Oorlog, de discussies met de veteranen en even later de voorbereiding op een bruiloft in het grote gemeenschapshuis is al weer het leven van alle dag.

Kvedaravičius, opgeleid als antropoloog, filmt zijn mensen zeer dicht op de huid, laat vooral de gezichten zien, zoomt slechts een enkele keer uit. Hij maakt zijn observaties van gewone mensen in zeer bijzondere omstandigheden. Plaats-, naam- of tijdsaanduidingen ontbreken, de grote gebeurtenissen blijven op de achtergrond.

Mariupolis 2

Dit procedé past hij ook toe in Mariupolis 2. Twee weken na de Russische invasie besloot hij dat hij terug moest naar zijn geliefde Marioepol. En nu zijn het vooral mensen die proberen te overleven in de oorlogsomstandigheden. Ook nu weer geen beelden van gevechtshandelingen, geen mededelingen over het verloop van de strijd, al is de oorlog met explosies, bominslagen, geweervuur in de nabijheid en schuilen voor luchtalarm angstwekkend dichtbij. Het is een desolaat gebied, in de huizen en gebouwen is geen raam nog heel, overal puinhopen, alleen puinhopen. De hele dag en vaak ook ’s nachts explosies, bominslagen, rookwolken, vuurflitsen. Zo ongeveer moet de hel op aarde eruit zien.

We volgen een groep ouderen dagenlang onder in de schuilkelder van een kerk, ’s ochtends en ’s avonds gaat de pope voor in gebed. Na een paar weken moeten ze verkassen naar een nieuwe locatie. Er moeten een paar lijken uit een trapportaal worden geruimd, een paar mannen kijken of de auto nog gerepareerd kan worden. Wanneer er even stilte heerst, wordt een gat in de grond gemaakt, een vuur aangestoken, er wordt een grote ketel geplaatst en even later genieten de buren van een kom borsjt, hij is zowaar lekkerder dan gisteren. Ze proberen er het beste van te maken, maar je voelt dat het niet goed zal aflopen.

Mantas Kvedaravičius moest het maken van de film met de dood bekopen. Toen hij tijdens de opnamen tijdelijk de stad wilde verlaten, werd hij door de Russen ontvoerd en in koelen bloede vermoord. Zijn weduwe Hanna Bilobrova heeft de film in zijn geest afgemaakt. Je zou kunnen verwachten dat de film met de aanslag op Kvedaravičius zou eindigen. Maar de minutenlange slotbeelden, het uitzicht op de stad, met in de verte Azovstal en de wetenschap wat er met de maker gebeurd is, werken minstens zo sterk. Daar hoeft geen woord aan worden toegevoegd.   

 

When Spring Came to Bucha

When Spring Came to Bucha
Na een week van hevige gevechten was begin maart Boetsja een van de eerste steden die door de Russen werd ingenomen. Een maand later was de stad weer bevrijd en gingen de beelden van de verwoestingen, de verhalen over Russische oorlogsmisdaden en de vondst van massagraven de hele wereld over. De Oekraïense fotografe Mila Tesjajeva ging kort daarna samen met de Berlijnse filmmaker Marcus Lenz terug naar haar geboorteland en filmde hoe de bewoners uit hun schuilkelders kwamen en proberen hun leven weer op te pakken.

Al komt menige lijkzak voorbij, al te gruwelijke beelden blijven achterwege. We horen het verschrikkelijke verhaal over de man die even uit zijn huis werd gelokt en voor de ogen van zijn vrouw werd doodgeschoten, de aangrijpende getuigenis van de vrouw die 35 dagen in een kelder opgesloten zat zonder elektriciteit en water. We zien de moeder die aan de hulpverleners vraagt of ze het lichaam van haar zoon al hebben gevonden, hij moet te herkennen zijn aan de kogel door zijn hoofd en in zijn middenrif. Nee, nog niet gevonden, maar dat gaat zeker gebeuren. We zien de aanklagers die oorlogsmisdaden inventariseren aan het werk. Op de overvolle begraafplaats wordt een aantal keren per dag de mis voor de gevonden lijken opgediend.

Maar de film laat vooral ook zien hoe langzaam maar zeker het gewone leven zal worden opgepakt. Buren gaan bij elkaar op bezoek en beloven ondersteuning in de verwerking van het verdriet. Er worden gezamenlijke schoonmaakacties georganiseerd. Vluchtelingen keren terug uit het buitenland, in de zomer zijn de klassen op de basisschool al weer vol. Een ouder echtpaar schoffelt de tuin om en wijst de plek aan waar bloemen zullen opkomen volgend voorjaar, uiteraard met gele en blauwe bloemen. 

When Spring Came to Bucha is geen pessimistische film, maar eerst en vooral een mooi eerbetoon aan de veerkracht van de Oekraïners. 

 

Liturgy of Anti-Tank Obstacles

Liturgy of Anti-Tank Obstacles
In een atelier waar ze normaal heiligenbeelden maken, beitelen kunstenaars nu stevig in op de beelden. We horen liturgische koorzang, er staat een radio aan met de actuele situatie over de Azovstal-fabriek in Marioepol. De bedoeling is om de kruizen van de beelden los te bikken, die kunnen goed dienst doen als wegversperring.

Het motto van de Oekraïense schrijver Oleksandr Mykhed, waarmee de korte documentaire begint, wordt mooi in beeld gebracht: ‘De taal van de oorlog wordt nu door iedereen gesproken. En elke bajonet, ongeacht wat het is, telt.’

 

Away

Away
De Oekraïense vluchtelingen Andrej en Alisa kopen op de markt een set speelgoedsoldaatjes, eentje lijkt een beetje op Poetin. Ze beschilderen de soldaatjes en leggen ze op een geschilderde landkaart van de Oekraïne, een sterk anti-oorlogsmonument in een park in Boedapest dat de nodige discussie opwekt met nationalistische Hongaren, maar ook tot solidariteit van anderen leidt.

Ze werken in een kinderdagverblijf met Oekraïense kinderen die hun vluchtervaringen vertellen. Ze kijken op een app naar de vliegbewegingen boven hun hoofd, er is geen vliegverkeer meer naar Rusland. Andrej belt geregeld met zijn moeder die in Charkiv is gebleven, waar de stroom weer eens is uitgevallen. 

Away is een intiem hartverwarmend beeld van vluchtelingen, bekroond met de award voor de beste korte documentaire.

 

The Natural History of Destruction

The Natural History of Destruction
Loznitsa’s nieuwste film is gebaseerd op het gelijknamige boek van de Duitse schrijver W.G. Sebald waarin hij de moraliteit van de grootscheepse geallieerde bombardementen op Duitse steden in de Tweede Wereldoorlog aan de kaak stelt.

Het verhaal, misschien beter de argumentatie, wordt in die kenmerkende stijl van Loznitsa langzaam maar zeker en zeer zorgvuldig opgebouwd. We zien vredige plattelandstaferelen, grazende schapen, ganzen. Ook in de stad is het nog rustig, trams rijden door de straten, er is veel winkelend publiek, mensen zitten gezellig in het café, drinken wat, nemen een hap van een taartje, de camera pent door het café strijkt haast achteloos langs een statieportret van Hitler aan de muur. Dan wordt het donker en zien we vanuit de hoogte gefilmd ontploffingen op de grond, enorme rookwolken, een vuurzee. Het havengebied van een Duitse stad is volledig verwoest. Maar we krijgen ook de verwoesting van een Engelse stad te zien. In enorme fabriekshallen zien we merendeels vrouwelijke arbeiders bommen, kanonnen, granaten en ander wapentuig in elkaar zetten. Een ploegje soldaten stapelt de bommen op een lorrie, vervolgens worden ze stuk voor stuk onder de vleugels en in het ruim geladen. Een eskadron van een stuk of twaalf bommenwerpers stijgt op, vrolijk uitgezwaaid door achterblijvende militairen. We zien hoe een volgend bommentapijt gelegd wordt.

Churchill rijdt staande in een auto langs de verwoeste straten, hij spreekt met zijn befaamde toespraken de burgers moed in. Een auto met bedrukt kijkende hoge Duitse legerofficieren rijdt door een compleet weggevaagde woonwijk.

Montgomery houdt op een avond in de officiersmess een peptalk: ‘we weten niet hoe lang het nog zal duren, maar wij zijn veel beter uitgerust, hebben echt veel meer materieel’. De rechtvaardiging van de grootscheepse vernietiging van burgerdoelen wordt gevonden in de overtuiging dat er maar een antwoord op terreur is, namelijk tegen-terreur.

Loznitsa laat de gevolgen van die overtuiging scherp en duidelijk zien. Luchtbeelden van steden waar hele wijken zijn weggevaagd, straten die nauwelijks nog als zodanig te herkennen zijn, minutenlang de puinhopen van verwoeste woonwijken, de burgers, meest vrouwen, die een enorme slinger maken, elkaar een emmer doorgeven om smeulend vuur te blussen, het cynisme van een babylijkje onder kapotgeschoten huisraad.

In het licht van de Russische invasie in Oekraïne en de grootscheepse aanvallen op burgerdoelen en de vernietiging van de infrastructuur is de film een stevig statement in de discussie over oorlogsmoraal. 

 

The Kiev Trial

The Kiev Trial
Babi Jar. Context, Sergei Loznitsa’s film over de grootste massamoord op de Joden in een ravijn bij Kiev die op het vorige IDFA in première ging, eindigde met de onthutsend realistische beelden van de openbare executie van de dertien Duitse oorlogsmisdadigers die verantwoordelijk waren.

The Kiev Trial laat zien wat daaraan vooraf ging, in een hele secce stijl zijn de archiefbeelden van het proces achter elkaar gemonteerd. Januari 1946 komen de vijftien Duitse verdachten de rechtszaal binnen, gaan zitten en worden vervolgens een voor een naar voren geroepen. Stuk voor stuk geven ze aan dat ze schuldig zijn aan de aanklachten, een enkeling pleit op een aantal punten onschuldig.

Hen wordt in detail gevraagd naar hun daden in Meletopol, Rovno, Novomoskovsk en nog een reeks andere plaatsen. Nee, er is maar 75 procent van het goud van de Joden in beslag genomen; en nee, die 120 doden vielen niet allemaal op een dag; ja, er waren in bijna alle gevallen ook vrouwen en kinderen onder de slachtoffers. Een aantal getuigen vult het nog aan of corrigeert een enkel feit. En er is het verbijsterende getuigenis van de vrouw die zich urenlang tussen de lijken in het ravijn bij Babi Jar verborgen wist te houden en pas aan het eind van de dag in het donker naar boven wist te klimmen.

Het is een van de weinige punten in de film waarop je nog wat emotie hoort. Alleen bij het horen van de strafeis, dood door ophanging, klinkt applaus. Net als het publiek in de rechtszaal zit je met verbijstering maar ook met fascinatie naar het proces te kijken. De veroordeelden horen onbewogen het vonnis aan en geven desgevraagd aan dat ze de straf gerechtvaardigd vinden.

En ook de uitvoering is een haast klinische aangelegenheid. Het Kalininplein is op die zaterdagmiddag in februari 1946 vol, heel Kiev is uitgelopen om de executie mee te maken. En dan zie je ze weer op het schavot worden geleid, dezelfde beelden als in Babi Jar. Context. Nu komt het misschien nog veel duidelijker in beeld, beelden die nog wel even op je netvlies blijven hangen.

 

Manifesto

Manifesto
Angie Vinchito, ongetwijfeld een schuilnaam, schetst met deze found footage-montage van YouTube- en TikTok-filmpjes een grimmig beeld van het opgroeien van Russische jongeren. Manifesto begint nog luchtig: meisjes en jongens staan op, laten zien hoe ze hun tanden poetsen, gaan onderweg in de metro, dreigen te laat te komen op school, maar dat deert niet want het is toch het eerste uur en de docent is ook niet altijd op tijd.

Maar in de klas is het zelden normaal, ze worden uitgescholden als ze niet snel of goed genoeg antwoord geven, vernederingen zijn aan de orde van de dag, sommige docenten, ook vrouwelijke laten de handen wapperen. Er wordt ze de Russische normen en waarden bijgebracht, homoseksualiteit is uit den boze, bij meisjes wordt de onderdanigheid er in gestampt: ‘een vrouw moet altijd klaar staan wanneer de man dat wil’. Er heerst een onveilig en onzeker klimaat. Wanneer ze aan een evacuatie meedoen, is velen niet duidelijk of het nu een oefening of gewoon echt is. Even later trekt een losgeslagen jongen schietend en schreeuwend door het schoolgebouw een stuk of twintig slachtoffers achterlatend.

Anderen komen in aanraking met de politie omdat ze meedoen aan een demonstratie, worden hardhandig opgepakt omdat ze steun aan oppositieleider Navalny hebben betuigd of zich tegen ‘de speciale operatie in Oekraïne’ hebben uitgesproken. Een meisje met uitgelopen mascara maakt snikkend haar diepe excuses aan de Tsjetsjeense leider en Poetinvazal Ramzan Kadyrov die ze kennelijk beledigd heeft.

Manifesto krijgt een huiveringwekkende ontknoping met het stel Denis en Katya die na het plegen van een grove misdaad in een vakantiehuisje met het geweer in de hand de komst van de Speciale Interventie eenheid afwachten. Deze docu schetst een weinig hoopvol beeld van de nieuwe generatie jonge Russen. De film won de Envision Competition.

 

19 november 2022

 

IDFA 2022 – Deel 1: Openingsfilm
IDFA 2022 – Deel 2: Azië, anders
IDFA 2022 – Deel 3: Muziekdocumentaires
IDFA 2022 – Deel 4: Mensen aan het werk
IDFA 2022 – Deel 6: Pioniers
IDFA 2022 – Deel 7: Een zee van experimenten

 


MEER FILMFESTIVAL

All That Breathes

****
recensie All That Breathes
Het regent roofvogels

door Tim Bouwhuis

In de Indiase miljoenenstad Delhi komen de roofvogels letterlijk uit de lucht vallen. De twee broers die in de bescheiden documentaire All That Breathes centraal staan, zien niemand ingrijpen en besluiten zich gericht over de dieren te ontfermen. Ondertussen blijft het in hun politiek verkrampte omgeving niet bij ecogeweld.

Onder welke omstandigheden besluit je een deel van je leven te wijden aan mensen (en hier dus dieren) in nood? Het verzorgen van (tijdelijk) vleugellozen lijkt voor Nadeem en Saud een vanzelfsprekendheid, maar als je ziet hoe groot de problemen zijn, mag hun tomeloze inzet een klein wonder heten. De hechte broers kunnen de last van een zuchtend ecosysteem en bloedende straten nooit alleen dragen. En toch bouwen ze hun kleine garageruimte met de hulp van een vriend om tot een provisorisch noodhospitaal.

All That Breathes

Noodoproep
All That Breathes verweeft de onvoorwaardelijke liefdadigheid van de hoofdpersonen met een bredere blik op de sociaal-politieke en religieuze spanningen die India (Delhi niet eens in het bijzonder) al decennia parten spelen. Rigoureus gesteld lijkt het alsof sommige bewoners van de grootstad zo druk zijn met het uitdragen (en in dit geval ook bevechten) van hun identiteit, dat ze niet doorhebben dat de zuiverende kringlopen van water, lucht en natuur wankelen. De zwarte wouw (‘black kite’ in het Engels), zoals de vogelsoort die de broers zo koesteren genoemd wordt, is een hulpeloos slachtoffer van de erbarmelijke luchtkwaliteit, verziekt, vervuild en bestraald door menselijke ingrepen.

Het gaat regisseur Shaunak Sen (Cities of Sleep) duidelijk aan het hart dat Delhi niet alleen een onveilige stad is door de ecoproblemen. Korte mediafragmenten en terloopse opmerkingen van de broers worden in de montage uiteindelijk aangevuld met een mobiel opgenomen filmpje waarin een man met gevaar voor eigen leven een religieus monument probeert te slopen. In een documentaire die zich desondanks te allen tijde blijft concentreren op de zorgverlening van de broers, maakt de politiek geladen interventie duidelijk dat Sen zich verantwoordelijk voelde om het verband tussen het ecogeweld en de ontsporende verhoudingen tussen (met name) hindoe-nationalisten en moslims expliciet te maken. Wie de lange documentaire Reason (Anand Patwardhan; bekroond op het IDFA in 2018) of de speelfilm Nasir (Arun Karthick; IFFR 2020 en vervolgens uitgebracht in Nederland) zag, kan zich bij dat laatste een (zij het door de sterke stellingname van de filmmakers wat vertekende) voorstelling maken.

All That Breathes

Natuurbeeld
Het is niet storend dat All That Breathes door de filmische verwerking van de politieke (onder)laag iets van zijn subtiliteit verliest. Wel had er enigszins bespaard kunnen worden op het gebruik van voice-overs, die gebruikt worden om de broers te laten uitdrukken welke filosofie (humanistisch, maar met een licht religieus tintje) er aan het verzorgen van de roofvogels ten grondslag ligt, en om toe te lichten welke rol de dieren spelen in het schoonhouden (‘reinigen’) van de natuurlijke omgeving. Er wordt namelijk al veel weggegeven door de sprekende beelden, die het verhaal van de documentaire met gemak dragen en de meeste zeggingskracht hebben als er niet bij wordt gesproken. Met het geduld van strakke kaders en lome tracking shots vangen Sen en zijn crew met beperkte filmische middelen dierlijke details die in vluchtigheid voor het oog verborgen zouden blijven. “Het gaat ons om alles wat ademt”, is de redenatie van de broers. Het geheven vingertje blijft uit. Gelukkig, want dat werkt vaak ook averechts. Maar misschien ‘moeten’ we wel vaker zo denken.

 

14 november 2022

 

ALLE RECENSIES

Tapis Rouge: Zeven jaar na de aanslagen in Parijs

Vierde editie Tapis Rouge 10-15 november in Amsterdam
Zeven jaar na de aanslagen in Parijs

door Cor Oliemeulen

De vierde editie van het Franse filmfestival Tapis Rouge wordt gehouden van 10 tot en met 15 november in De Filmhallen in Amsterdam. Focus van het programma ligt op ‘film en literatuur’. In het oog vallen de twee drama’s over de terroristische aanslagen in Parijs op 13 november 2015.

 

Vous n'aurez pas ma haine

Vous n’aurez pas ma haine
‘Je zult mijn haat niet krijgen’, schrijft Antoine Leiris (Pierre Deladonchamps) op zijn Facebookpagina drie dagen nadat zijn vrouw Hélène (Camélia Jordana) omkwam bij de gruwelijke aanslag op de bezoekers van concertzaal Bataclan in Parijs. Zijn bericht blijkt al tienduizenden keren te zijn gedeeld als een redacteur van Le Monde aan Antoine vraagt of ze het bericht integraal op de voorpagina van hun dagblad mogen publiceren. “Als ons zoontje opgroeit met haat wordt hij misschien zelf ook zo”, zegt Antoine later tegen een tv-station. Een jaar later zal hij een boek onder dezelfde titel schrijven.

De onzekerheid op die 13e november van 2015 is gekmakend totdat hij het bericht krijgt dat de liefde van zijn leven een van de 89 doden is. Verdriet, ontzetting en verwarring zijn onbeschrijflijk. Antoine mag Hélène zien, maar heel even en achter glas. Er is steun en hulp van familie, maar ook van enkele moeders van de crèche waar peuter Melvil (Zoé Iorio) vaak overdag verblijft. Hoe goed bedoeld dan ook, het helpt weinig. Na de schok komt het gemis, en later het zwarte gat. Nee, Antoine zal de daders zijn haat niet gunnen, maar mooie herinneringen zijn slechts druppels om zijn radeloosheid en het gemis te verzachten.

De Duitse regisseur Kilian Riedhof introduceert Antoine in Vous n’aurez pas ma haine als een eenling van een collectief trauma. Pierre Deladonchamps vertolkt de rol van rouwende echtgenoot op een geloofwaardige wijze. Vaak door ingehouden emoties met een alleszeggende blik, zoals de zoon die op zoek gaat naar zijn biologische vader in Le fils de Jean en soms wat agressief zoals de stiefvader in Une enfance. Ondertussen zien we in flashbacks hoezeer Antoine en Hélène van elkaar hielden. Ook de kleine Melvil moet erg wennen aan het idee dat hij zijn moeder nooit meer in levende lijve zal zien. Antoine’s bestemming is nu om hun zoontje, dat fantastisch gecast en geregisseerd is, een veilige toekomst te bieden. Zonder haat.

Kijk hier wanneer deze film is te zien tijdens Tapis Rouge.
Vous n’aurez pas ma haine is tevens te zien 19 november in Filmhuis Den Haag.
De film draait vanaf 22 december in de overige bioscopen.

 

Revoir Paris

Revoir Paris
De broer van de Franse filmmaakster Alice Winocour (Maryland, Proxima) was ook aanwezig in Bataclan, maar hij overleefde de moordpartij. “Ik werd geïnspireerd door mijn eigen herinneringen aan die nacht, en ook door de discussies die ik met hem had in de dagen en maanden na de aanval”, zegt ze. “Ik werd gevoed door deze wereld van overlevenden die ik ontdekte dankzij mijn broer. Ik ging op forums en ik was verbaasd om te zien dat iedereen naar elkaar op zoek was: de persoon die naar hen had geglimlacht, die had geholpen, die hun hand vasthield in deze verschrikkelijke barbarij.”

Een van de overledenen van de reeks van zes terroristische aanslagen in Parijs is Mia. De Belgische actrice Virginie Efira verruilde het habijt van de wellustige non in Paul Verhoevens Benedetta voor jeans en rijdt daarmee op een motor door Parijs. Drie maanden na de aanslag in het restaurant, waar zij op die avond getuige was van tientallen andere bezoekers die met een machinegeweer werden neergemaaid, is ze nog getraumatiseerd en kan ze zich nauwelijks iets herinneren. “Vroeger kwamen mensen met hun problemen naar mij”, zegt ze tegen iemand. “Nu willen ze weten hoe ik mijn voel, alsof ik een attractie ben.”

Mia gaat terug naar het restaurant en ontdekt dat daar inmiddels een steungroep bij elkaar komt om ervaringen en gevoelens te delen. Nadat zij door een vrouw ervan wordt beschuldigd dat zij zich direct na de schietpartij had opgesloten op het toilet en niemand binnenliet, probeert Mia te achterhalen wat er met haar op die fatale avond is gebeurd. Ze komt in contact met mensen die treuren om familieleden en collega’s. Sommige overlevenden hebben lichamelijk letsel.

Als één ding duidelijk wordt in dit aangrijpende, maar soms wat onevenwichtige drama van Alice Winocour is dat alleen lotgenoten van een dergelijke tragedie elkaar kunnen begrijpen. Hopelijk voor Mia kan zij de man vinden die haar hand tijdens het bloedbad had vastgehouden.

Kijk hier wanneer deze film is te zien tijdens Tapis Rouge.
Revoir Paris is tevens te zien 13 november in Lumière Maastricht en 20 november in Filmhuis Den Haag.
De film draait vanaf 23 maart 2023 in de overige bioscopen.

 

10 november 2022

 

MEER FILMFESTIVAL

Camera Obscura Special: De cinema van New York City

Camera Obscura Special:
De cinema van New York City

door Bob van der Sterre

New York, de nooit slapende stad, was er vroeg bij in cinema. Klassiekers zijn er meer dan genoeg (Manhattan, Mean Streets, Taxi Driver, A Bronx Tale, Shadows, Do the Right Thing). Er zijn ook interessante minder bekende films. Tweede Camera Obscura Special over films in wereldsteden.

Er zijn zoveel films over New York, je zou bijna over alle straten een stuk kunnen schrijven. 42nd Street, Across 110th Street, Miracle on 34th Street, Slaughter on Tenth Avenue, The House on 56th Street, The House on 92nd Street, 29 Street, etc. Maar dit artikel gaat niet over compleetheid, daar zijn encyclopedieën voor.

New Yorkse stadsiconen kan iedere filmliefhebber intussen wel dromen: Broadway, Wall Street, Central Park, Empire State Building, Fifth Avenue, Brooklyn Bridge, Times Square. Het Vrijheidsbeeld is tot in den treure gebruikt in films, vooral als symbool in rampenfilms.

The French Connection (1971) - de beste en mooiste films over en in New York

Dat bewijst dat de meeste New York-films over maar één deel van New York gaan: Manhattan. De andere New Yorkse buurten zag je zelden, hoewel ze meer voorkwamen dan je denkt: Xanadu Castle in Citizen Kane was gefilmd in Oheka Castle in Long Island, Queens. Marilyn Monroe zat in The Seven Year Itch aan een tafeltje in Harlem. De beroemde achtervolging in The French Connection was in Brooklyn.

Pas in de jaren zeventig, tachtig ontdekte de cinema ook de andere wijken van New York als setting voor films. Aanvankelijk als decor voor apocalyptische en horrorfilms (vooral South Bronx) en Blaxploitationfilms (Harlem). Met Do the Right Thing en Clockers kwam er aandacht voor een ander New York in de cinema.

Nu zien we Manhattan vooral als decor voor vechtende Avengers of een tussen gebouwen slingerende Spiderman. Hier en daar een alternatieve film, maar daarin is New York meestal maar behang voor een persoonlijk drama.

Opmerkelijke rode draad van films over New York is misdaad. Dat weerspiegelt dat het leven in New York voor velen in de twintigste eeuw verre van makkelijk was. Voor velen was het ploeteren, husselen, hard werken. Niet het lichtvoetige en intellectuele New York dat mensen kennen uit de films van Woody Allen maar het New York van On the Bowery.

Let op: dit zijn geen recensies of analyses van films. Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

Dit artikel is gratis. Graag hoop ik dat de lezer zich als tegenprestatie wil opgeven voor de nieuwsbrief, of zich verdiept in culturele longreads.

 

What Happened on Twenty-third Street, New York City (1901)

What Happened on Twenty-third Street, New York City (1901): ondeugend begin

Locaties: Manhattan: 23rd Street, dichtbij 5th Avenue

Een van de oudste films van New York is What Happened on Twenty-third Street, New York City. De film werd voor Thomas Edisons bedrijf gemaakt en is meer een anekdote dan een film. De film van Edwin Porter (bekend van The Great Train Robbery) is in scène gezet – en dus een film – maar een speelfilm kun je het niet noemen met een lengte van nog geen twee minuten.

We kijken naar de 23rd, een lange straat in Chelsea, Manhattan. Mensen steken over, sleuren over straat. Dan is er een plot dat door Marilyn Monroe vijftig jaar later werd overgedaan.

De titel geeft al aan dat de locatie erg belangrijk is. Dit is vlakbij de Flatiron Building, bij de kruising van 23rd en 5th Street in Manhattan. Die luchtroosters waren berucht. Vermoedelijk komt het begrip ‘23rd Skidoo’ hiervandaan: mannetjes die hier rondhingen om opwaaiende jurken te zien.

Let ook op het nieuwsgierige jochie, waarvan het niet bekend is of hij tot de opnamecrew hoorde, of gewoon geboeid naar de camera stond te staren.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=mDJCCr2-Sso
Meer lezen: https://centuryfilmproject.org/2016/09/30/what-happened-on-twenty-third-street-new-york-city-1901

 

Regeneration (1915)

The Regeneration (1915): een portret van de sloppenwijken

Locaties: Manhattan: Bowery, Eastside, Chinatown en New Jersey

Jongen groeit op in een ellendige gezinssituatie en wordt gangster. Na contact met de sociaal werker Marie probeert hij zijn milieu te ontworstelen. Maar het milieu laat hém niet los.

De film is gebaseerd op het boek My Mamie Rose (1903) van Owen Kildare (en het toneelstuk dat was gebaseerd op het boek). Kildare groeide zelf op ‘in de goot’. Later werd hij verslaggever en schreef hij verhalen over de rauwe kant van New York. Marie Rose Deering heeft echt bestaan en leerde hem echt lezen en schrijven.

Later werd Kildare opgenomen vanwege geestelijke problemen. The New York Times kopte in 1908: ‘Kildare a Wreck, Sent to an Asylum’.

Deze film van Raoul Walsh is ondanks zijn leeftijd van meer dan honderd jaar nog steeds het aanzien waard. Het script zit aardig in elkaar, de montage verrast af en toe, er zijn wat trucs met bijvoorbeeld een fast forward. En best behoorlijke actiescènes (de brand op de boot in de Hudson-rivier).

Vooral het begin is sterk, als we kijken naar de vicieuze cirkel van geweld in de getto’s. De belangrijkste acteurs doen daarbij geloofwaardig hun zwijgende werk: Rockliffe Fellowes en Anna Q. Nilsson. Kildare was al overleden in 1911 maar zou vast wel tevreden zijn geweest over hoe zijn boek was verfilmd.

De locatie moet de Bowery voorstellen. Dat is een straat in het zuiden van Manhattan die leidt van Chatham Square naar Cooper Square. Het was in deze tijd al een getto, maar van de jaren veertig tot zeventig werd het pas echt een zieltogend stuk van Manhattan. Dat inspireerde filmmakers ook wel weer. Raoul Walsh zou in 1933 nóg een film maken over de straat: The Bowery. En in 1956 maakte Lionel Rogosin de ‘docufictiefilm’ On the Bowery. Ook een mooi tijdsbeeld.

De brandbare nitraatfilms uit die tijd waren niet bestemd voor lang bewaren dus nam men aan dat de film er ook niet meer was. Deze kopie werd toch nog zestig jaar later teruggevonden in een gebouw in Montana. Zo kunnen we toch nog genieten van beelden van gangsters die stoer een blik melk leegdrinken.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=8j_jlykPBkA
Meer lezen: https://www.theremightbecupcakes.com/episode-92-dollop/

 

Lonesome (1928)

Lonesome (1928): romantische kermis

Locaties: Manhattan en Brooklyn (Coney Island)

Een man staat op en gaat naar zijn werk: een fabriek. Een vrouw staat op en gaat naar haar werk: de telefooncentrale. Beiden krijgen in het weekend hetzelfde idee: Coney Island bezoeken.

Deze film wordt niet herinnerd om het verhaal. Of om de relatief onbekende acteurs: Barbara Kent en Glenn Tryon. Maar om de vernieuwende filmtechnieken.

Je ziet klokken door het beeld lopen, shots van bellende gezichten terwijl zij doorverbindt, een achtbaanrit die zelfs nu nog heftig eruitziet en een onweersbui. En dat een jaar voor baanbrekende films als The Man with the Movie Camera en Der Letzte Mann. Je ziet hier wat voor verschil montage kan maken.

Een van de eerste films met geluiden en stemmen. Die dialogen zijn er (later) door de studio toegevoegd omdat de talkies toen populair werden. Had echt niet gehoeven.

De film heeft alles te danken aan de geestelijk vader ervan: regisseur Paul Fejos. Hij vluchtte vanuit Hongarije (voor de terreur van het Horthy-regime) naar Wenen, Berlijn, Parijs en uiteindelijk de VS. Eerst New York, daarna Californië. Daar liftte hij veel. Tijdens een lifttocht kwam hij in de auto van de studiobaas Edward Spitz, sprak over dromen en films en kreeg een mini-budget om een film te maken. Hij produceerde daarmee het succesvolle The Last Moment (1927).

Voor zijn volgende film koos hij het script van Lonesome. Hij wilde een film maken over een groot probleem in steden: eenzaamheid, en tegelijk de snelheid van New York weergeven in zijn film.

Fejos maakte meer films in de VS (The Last Performance in 1928, Broadway in 1929) en het had niets gescheeld of hij had All Quiet on the Western Front geregisseerd. Na ruzies met de studio verliet Fejos Amerika weer in 1931 en maakte hij in Frankrijk nog wat films. Daarna werd hij antropoloog.

Ook van deze film dacht men dat hij spoorloos was tot er na de jaren vijftig een kopie opdook. Gelukkig maar. Zelfs na negentig jaar oogt de film fris. Misschien slaat het thema ook nog nu aan met mensen die single zijn in een coronatijdperk.

Coney Island (afgeleid van het Nederlandse woord Conyne Eylandt) in Brooklyn werd vaak gebruikt als decor in film. In de jaren twintig was de kermis van Coney Island zeer populair als uitje. En dus ook in films: The Cameraman, The Crowd, Speedy en deze film (allen uit 1928) bevatten allemaal scènes in Coney Island.

Meer experiment uit de jaren twintig? Bekijk de poëtische film Manhatta uit 1921. Een experimentele korte film (11 minuten) van Charles Sheeler en Paul Strand. Beelden van New York vergezeld van poëzie. ‘When million-footed Manhattan unpent, descends to its pavements…’

Film: https://www.youtube.com/watch?v=VJf0s9MAtCo
Meer lezen: https://www.criterion.com/current/posts/2437-the-travels-of-paul-fejos

 

Dead End (1937)

Dead End (1937): gentrificatie in de jaren dertig

Locatie: Manhattan nabij de Queensboro Bridge (in een studio in Los Angeles nagemaakt)

Vlakbij Queensboro Bridge (tegenwoordig Ed Koch Queensboro Bridge) leven de arme New Yorkers. Maar niet lang meer. Want het zicht op de brug en de East River trekt ook rijke mensen. Die laten grote huizen bouwen aan het water, maar grenzen nog steeds aan de huisjes van de mensen die er al woonden. Dat geeft problemen.

We kijken naar diverse karakters die zijn gebonden aan de locatie. Rijke mensen, arme mensen, een straatbende, een arbeider en een gangster. Ze komen tezamen in drie verhaallijnen.

Deze film van William Wyler (bekend van Ben Hur en Roman Holiday) gaat over een bekend sociaal probleem: gentrificatie. Toneelschrijver Sidney Kingsley groeide zelf ook op in New York en schreef het toneelstuk waar de film op is gebaseerd. Dead End deed het goed op Broadway. Toen zagen filmproducenten er ook brood in.

Het stuk werd door scriptschrijfster Lillian Hellman vrij rechtstreeks overgenomen voor de bioscoop. Dat geeft het gevoel alsof je naar een verfilmd toneelstuk zit te kijken. Dat pakt soms goed uit. Zoals de mooie scène tussen babyface Martin en Francey (Claire Trevor won in 4,5 minuten spel een nominatie voor een Oscar voor beste bijrol). Soms mis je de snelheid van cinema.

De al te scherpe randjes uit het stuk moesten er vanwege de Hays-code uitgehaald worden (Francey lijdt aan tbc in plaats van syfilis, Dave is arbeider, geen kunstenaar, etc.). Dat is wel een gemis.

Wyler en zijn team deden hun best om verpaupering realistisch over te brengen. Neem het moment als de rijke Kay de kakkerlakken in het vuilnis vindt: dat zijn echte kakkerlakken. Claire Trevor had verfomfaaid haar en geen make-up op. De jochies in de film waren echte Dead End Kids . Ze sloopten de halve filmset tijdens de opnamen, vertelde Wyler. Desondanks zouden ze in nog talloze andere films spelen.

Iets minder realistisch was dat de film gaat over East 53rd Street in New York maar aan de andere kant van het land is opgenomen: in een studio in Hollywood. William Wyler wilde wel in New York filmen maar de studio zag het niet zitten. Gemiste kans lijkt mij.

Het leverde wel een legendarisch mooie filmset op, gemaakt door de beroemde art-director Richard Day. En waarheidsgetrouw. Je ziet zelfs een graffiti: E 54th Place Gang Member Only. Interessant feitje: regisseur Sidney Lumet speelde als kind ook in het Broadway-toneelstuk Dead End.

Ook uit 1939: Moon over Harlem. Een melodrama als vele anderen maar toch ook een zeldzaamheid: een film die zich volledig in de wijk Harlem afspeelt met een volledige zwarte cast.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=go-Rvc1uSOY
Meer lezen: https://catalog.afi.com/Catalog/moviedetails/4244

 

The Naked City (1948)

The Naked City (1948): vernieuwing op straat

Locaties: Manhattan (diverse locaties), Queens, Bronx

‘Een stad met acht miljoen zielen’, vertelt een voice-over. Geen wonder dat er af en toe een moord plaatsvindt. Jean Dexter, een model, is vermoord. Wie zit erachter?

Een vriend van Jean heeft twijfelachtige verhalen. Via juwelen komen ze dichterbij de dader. Luitenant Dan Moldoon, een ervaren rot, gidst zijn jongere collega Jimmy Halloran op weg naar de moordenaar.

Zo studio-achtig als Dead End was, zo on-studio was The Naked City. De film schreef geschiedenis met meer dan 100 buitenlocaties. En dat in een tijd dat nog weinig filmmakers het aandurfden om de controle in filmstudio’s los te laten. We kijken naar locaties als de Squibb Building, Stillman’s Gym, Roxy Theater, Essex Street Market, Lower East Side, 30th Avenue, Jackson Heights, Times Square, Madison Avenue, Fifth Avenue, Park Avenue. En daarnaast nog beelden van een bovengrondse metrolijn: de ‘Third Avenue el’.

The Naked City is realistischer dan menig film over het politiewerk. Ze moeten saai onderzoek doen, afgaan op intuïtie, details interpreteren. Het speelt zelfs de hoofdrol.

Dat leverde de mogelijkheid op om overal in de stad te filmen. De beelden van de stad zorgen voor een enorme dynamiek. Daardoor valt het amper op hoe tam het verhaal eigenlijk wel is. Hoewel de zinderende finale op de Williamsburg Bridge (één brug ten zuiden van de Ed Koch Quensboro bridge) veel goedmaakt.

De film trok veel kijkers tijdens het filmen. Daarom stonden er geheime camera’s in busjes, kiosken. Het publiek werd afgeleid door een jongleur en iemand die op een ladder luidkeels klaagde over de maatschappij. Wat een operatie moet dat zijn geweest!

Het resultaat mocht er zijn en de invloed van The Naked City reikte ver. Stanley Kubrick was op de set voor Look-magazine en haalde er inspiratie uit voor The Killing. Film noir-filmers van de 50’s hadden allemaal ook The Naked City gezien. Dat is wel een beetje vergelijkbaar met de regisseurs van misdaadfilms in de jaren negentig die allemaal Pulp Fiction hadden gezien. Er kwam een spin-off in de vorm van een tv-serie met dezelfde titel (1958 tot 1963). De game LA Noire (2011) had een hoofdstuk gebaseerd op de film.

De film putte zelf ook weer ergens inspiratie uit: het boek Naked City van misdaadfotograaf Weegee. De film laat mooi zien hoe cynisch het is dat misdaadnieuws het lezerspubliek ‘vermaakt’. Dat verkoopt pas kranten! Daarnaast hadden Italiaanse films als Ladri di biciclette, Roma città aperta en Germania Anno Zero al de deur geopend voor meer realisme in films. Die moesten wel op straat gefilmd worden omdat de studio’s in Italië na de oorlog kapot waren. Deze films bewezen dat dat mogelijk was.

Producer Mark Hellinger die de voice-over deed, zag de film als een liefdesverklaring aan zijn favoriete stad. Met zijn geschiedenis in de krantenwereld moet de film ook een beetje zijn leven hebben verbeeld. Hij overleed voordat de film was afgerond. Dat zorgde er nog bijna voor dat de film niet werd uitgebracht. Dat zou hij ongetwijfeld een vreselijk idee hebben gevonden.

De jaren veertig lieten meer films New York zien:

  • A Tree Grows in Brooklyn (Elia Kazan)
  • The Lost Weekend (Billy Wilder)
  • The House on 92nd Street (Henry Hathaway)
  • The Dark Corner (Henry Hathaway)
  • Port of New York (Laslo Benedek)
  • East Side West Side (Mervin LeRoy; de openingsscène met monoloog van Barbara Stanwyck)
  • Force of Evil (Abraham Polonsky)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=V-W4MZI3T38
Meer lezen: https://www.popmatters.com/the-naked-city-2648106884.html

 

Sweet Smell of Success (1957)

Sweet Smell of Success (1957): cynisme in New Yorkse restaurants

Locatie: Manhattan

Columnist J.J. Hunsecker zegt dingen als: ‘Iedereen kent Manny Davis – behalve de vrouw van Manny Davis.’ Persagent Sidney Falco (Tony Curtis) bekt hij ook af waar anderen bij zijn: ‘Je bent dood, kerel. Ga jezelf begraven.’

Falco probeert artiesten in JJ’s rubriek te krijgen. JJ en Falco zijn een vreemd cynisch duo. Want JJ wil Falco alleen helpen als hij de vriend van JJ’s zuster, een muzikant, in diskrediet brengt. Dat is zelfs laag voor Falco’s begrippen. Maar succes lonkt. Falco wil het maken bij de grote jongens en moet dus alles van Hunsecker lijdzaam ondergaan.

Sweet Smell of Success valt vooral op door een intelligent script met scherpe dialogen, veel wendingen in hoog tempo, top acteerwerk en heerlijke zwart-wit cinematografie. De film gaat over roddelkoning Hunsecker. Een rol die is gebaseerd op de columnist Walter Winchell, die echt het leven van zijn dochter (zuster in de film) probeerde te controleren. Daarnaast gaat het over de grenzeloze ambities van Sidney Falco.

Dit is zo’n film waar veel verhalen aan vastzitten. Schrijver Ernest Lehman begon als regisseur maar werd te nerveus van Lancasters aanwezigheid, moest zelfs met maagklachten in het ziekenhuis worden opgenomen. Regisseur Alexander Mackendrick (bekend van The Ladykillers) was in dienst van producers Hecht, Hill & Lancaster en nam het stokje over. Hij haalde Clifford Odets erbij om het script en de dialogen aan te scherpen.

Odets leverde een wereldprestatie: hij schreef in korte tijd compleet andere dialogen dan het vrij statische script van Lehman. Dat gaf de film een totaal andere dynamiek. De film heeft dankzij al die snelle en geestige dialogen enorm veel vaart, terwijl de film eigenlijk maar weinig actie heeft. Soms herschreef hij zelfs nog tot vlak voordat scènes werden geschoten. Dat maakte Mackendrick ook wel nerveus. ‘Er was nooit een definitief script.’

De inhoud krijgt steun van de boeiende cinematografie van de cinematograaf James Wong Howe. De oogopslag, de schaduwen die zijn duisternis uitbeelden, tot en met de lege schaduwen van zijn bril… Hij kreeg van Mackendrick alle kans om zijn stijl neer te zetten.

Lancaster en Curtis zijn nagenoeg perfect in deze film. Tijdens de opnamen van Sweet Smell of Success was Burt Lancaster soms ‘griezelig’ volgens componist Elmer Bernstein. Hij had van nature al een opvliegend karakter maar werd niet vrolijker van het alsmaar herschrijven van Clifford Odets. Dat paste wel goed bij de rol van Hunsecker.

Kortom: zo’n zeldzaam project waar veel talent bij elkaar kwam. Desondanks trok de film niet veel bezoekers, tot opluchting van Walter Winchell zelf. Later kreeg de film juist wel veel waardering en hij wordt nu gezien als een Amerikaanse filmklassieker.

Veel straatscènes zijn er niet. In Sweet Smell of Success zien we Brill Building op Broadway, waar het kantoor van Hunsecker is, en een jazzclub. Het gaat hier om de interieurs van beroemde restaurants in Manhattan: 21 Club en Toots Shor’s, waar je kwam om gezien te worden. De 21 Club (in 2020 gesloten) is misschien wel recordhouder met films die er zijn opgenomen: Wall Street, Manhattan Murder Mystery, All About Eve en On the Rocks van Sofia Coppola.

Toots Shor’s in West 51st Street is een verhaal apart. Daar kwamen beroemdheden als Mickey Mantle, Jackie Gleason, Orson Welles, Frank Sinatra, Richard Nixon, Babe Ruth, Charlie Chaplin. Een mannenbar met sterke drank en matig eten. Maar iedereen die wat betekende, was er. Toots genoot immens van zijn normalemensenomgang (lekker dollen) met beroemdheden. De beroemdheid straalde op hem af. Alleen eindigde hij berooid. In 1971 sloot zijn zaak. Dat hij beroemdheden gratis consumpties gaf, hielp niet. De documentaire Toots uit 2006 laat goed zien hoe relatief roem kan zijn.

Dankzij verbeteringen in de filmtechniek werd het in de jaren vijftig makkelijker om buiten te filmen. Vooral in de tweede helft van de jaren vijftig leverde dat veel sfeervolle zwart-wit misdaadfilms op over New York, waarmee je wel een paar genietbare filmavonden kunt organiseren:

  • Somebody Up There Likes Me (Robert Wise)
  • Shadows (John Cassavetes)
  • Side Street (Anthony Mann)
  • The Wrong Man (Alfred Hitchcock)
  • Pickup on South Street (Samuel Fuller)
  • The Killer That Stalked New York (Earl McEvoy)
  • Killer’s Kiss (Stanley Kubrick)
  • Guilty Bystander (Joseph Lerner)
  • Deux hommes dans Manhattan (Jean-Pierre Melville)
  • On the Waterfront (Elia Kazan)
  • Cop Hater (William Burke)
  • Edge of the City (Martin Ritt)
  • Cry Terror! (Andrew L. Stone)

Even genoeg van misdaad en drama? Dan is er Broadway by Light (1958). Een visueel spetterend debuut van William Klein dat slechts 14 minuten duurt. Die film laat New York (Times Square) zien op een manier die je nu nog steeds ziet als mensen New York willen ‘visualiseren’. Deze film deed dat al in 1958.

Ook kort en experimenteel: de kubistisch-dadaïstische film van Francis Thompson: NY NY (15 minuten). Aldous Huxley schreef erover: ‘In this very strange and beautiful picture we see the city of New York as it appears when photographed through multiplying prisms, or reflected in the backs of spoons, polished hub caps, spherical and parabolic mirrors.’

Daarnaast werd in dit decennium de onafhankelijke cinema geboren in New York met Little Fugitives. Fotograaf Morris Engel maakte deze film buiten het studiosysteem om, wat nog ongehoord was in 1953. Een beslissing met grote gevolgen voor de cinema. Regisseur François Truffaut zei bijvoorbeeld dat de nouvelle vague in Frankrijk zonder het pionierswerk van Engel nooit tot stand zou zijn gekomen. Lees meer over dit verhaal op de website van The Film Foundation.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=etfc-XUovU8
Meer weten: https://www.youtube.com/watch?v=FS-fxXEGb_E en https://cinephiliabeyond.org/sweet-smell-of-success

 

Blast of Silence (1961)

Blast of Silence (1961): huurmoordenaar met een depressie

Locaties: Staten Island, Harlem, Lower Manhattan, Jamaica Bay

Frankie Bono is een rustige en ervaren huurmoordenaar uit Cleveland. Hij komt in New York een klusje doen: een zekere Traiano omleggen. Hij schaduwt zijn slachtoffer. ‘Je moet een man kennen als een broer om hem te vermoorden.’

Hij heeft tijd te doden en hij bezoekt ook feestjes, onderhandelt met zijn wapenleverancier, poetst zijn wapen, slentert door de stad, verveelt zich. Een voice-over (stem van acteur Lionel Stander) voorziet zijn bewegingen van commentaar. ‘De bodyguard mindert vaart. Ga er snel langs, Frankie!’

Via de innerlijke stem leren we meer van Frankie Bono. Hij groeide op als wees en staat nog steeds alleen in het leven. Als het dan toevallig Kerst is, raakt Bono helemaal de kluts kwijt. ‘Je zweet over je hele lichaam. Focus! Een moordenaar die niet moordt… wordt zelf vermoord.’

Blast of Silence is een soort New Yorkse nouvelle-vague-misdaadfilm. Begin jaren zestig werd die vergelijking ook gemaakt. Baron legde later uit dat het puur toeval was. ‘Ik had Breathless van Godard toen niet eens gezien. Ik begrijp de vergelijkingen wel. Ook een stad, ook een laag budget…’

Dat hij deze lowbudgetfilm zo visueel interessant schoot, komt misschien door zijn eerste beroep: tekenaar. Hij raakte betoverd door film en kreeg op zeker moment wat geld van lokale New Yorkse producers om ‘een keiharde misdaadfilm’ te maken. Hij wilde Peter Falk in de hoofdrol. Dat lukte niet. Om geld te besparen, deed hij (tegen zijn eigen zin) zelf de hoofdrol.

Een heel ander soort misdaaddrama dan je gewend bent. Je mist bijvoorbeeld het vaak ergerlijke melodrama van die films. Baron weet het karakter een menselijke, dubbelzinnige kant te geven. Hij had zelf ook maffiosi-ervaringen gehad en wist hoe hij het gewetensconflict van de huurmoordenaar moest uitbeelden. Een blauwdruk voor veel latere huurmoordenaarsfilms.

Mooi is ook de bijrol van ‘Big Ralph’, de rattenliefhebber. En het Robert De Niroïaanse acteerwerk van Allen Baron. Barons blikken, uitbarstingen, koele loopjes, zijn zó De Niro. Zou De Niro inspiratie hebben gehaald uit deze film?

Het chaotische einde past er goed bij. Baron wilde op locatie filmen met slecht weer. Hij moest een week wachten maar het pakte geweldig uit, want er waren uitlopers van een orkaan. Uit geldgebrek speelde hij een van zijn eigen achtervolgers: als je het beeld op pauze zet, kun je dat goed zien.

Uniek aan Blast of Silence is dat de film zo goed werkt zo goed dankzij de locaties. In de Duitse documentaire Requiem for a Killer – Making Blast of Silence gaat Baron alle locaties opnieuw af. Zo vertelt hij over Jamaica Bay in Brooklyn (de slotscène); Harlem (125th Street, nabij het Apollo-theater); Manhattan (East 30th Street, West 48th Street, 34th Street); Greenwich Village (Commerce Street); East River Waterfront; Queensboro Bridge en zijn eigen roots in Brooklyn. En alles guerrillastijl gefilmd zonder vergunningen.

De film sloeg amper aan. Baron werd regisseur van tv-shows zoals Love Boat, Cagney & Lacey en Charlie’s Angels. Iedereen moet natuurlijk geld verdienen, toch is het zonde, dat verspilling van talent. Pas bij de Criterion-uitgave in 2008 werd de film herontdekt, dus 47 jaar later. Baron maakte dat gelukkig nog mee.

Blast of Silence was niet de enige film die in de jaren zestig de stad liet zien. Andere voorbeelden zijn:

  • The Apartment (Billy Wilder)
  • Murder Inc. (Burt Balaban & Stuart Rosenberg)
  • Mirage (Edward Dmytryk)
  • Chelsea Girls (Paul Morrissey & Andy Warhol)
  • The Connection (Shirley Clarke)
  • Midnight Cowboy (John Schlesinger)
  • The Pawnbroker (Sidney Lumet)
  • You’re a Big Boy Now (Francis Ford Coppola)
  • Breakfast at Tiffany’s (Blake Edwards)
  • Barefoot in the Park (Gene Saks)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=3-D-6RXTaW0
Meer lezen: https://www.criterion.com/current/posts/546-blast-of-silence-bad-trip

 

God Told Me To (1973)

God Told Me To (1973): mysterie maakt detective waanzinnig

Locaties: Manhattan, Flushing

Als er willekeurig mensen worden neergeschoten en de daders zeggen God told me to, gaat detective Peter er achteraan. Via bekentenissen van daders komt hij bij een ‘jongen’ uit, wiens moeder net als de heilige maagd Maria zwanger wordt.

Hij ontmoet deze vrouw in een bejaardentehuis. Daar beseft hij dat hij zelf een rol speelt in het verhaal. Wat is zijn relatie tot God?

God Told Me To uit 1973 is een fascinerende cultfilm die ondanks deze periode van herontdekkingen nog steeds onbekend is. Vooral het eerste deel is sterk. De film is je filmbrein – dat meer verpest is door genreconventies dan je beseft – steeds een pas voor met onverwachte ontwikkelingen.

De film gaat een kant op die je simpelweg niet kúnt verzinnen. De film begint als een misdaadfilm en verandert later opeens een mix van horror, paranormaal en mysterie. The Rolling Stone zegt het aardig: ‘Easily the best 1970s New York noir-horror-alien-abduction-Catholic-guilt-love-triangle thriller ever made.’

De film is 100% het geesteskind van de eigenzinnige regisseur Larry Cohen (Q, The Stuff). Zoals het vaak gaat met filmmakers die durven te experimenteren, waren de reacties erg verdeeld, zoals deze recensie van Roger Ebert laat zien. Cohens producers betaalden hém geld om hun namen te laten verwijderen van de film.

Dit blog snapt beter hoe vernieuwend de film was: ‘Je vindt geen andere film die er zo goed in slaagt een kruising te zijn tussen Rosemary’s Baby, The Omen, The X-Files en Unbreakable. (…) Onder dit plot van een B-film vind je intelligent commentaar op religieuze hysterie.’ Larry Cohen vond zelf dat zijn film veel invloed heeft gehad op series als The X-Files. ‘Hoe wij sciencefiction en horror combineerden met de realiteit van politiewerk was volgens mij nog nooit gedaan.’

Daarnaast was ook de visuele stijl (alles in handheldcamera) toen anders dan anders. Halverwege de jaren nul werd deze pseudo-documentaire-stijl gebruikt voor vrijwel iedere actiefilm. Denk bijvoorbeeld aan de schokkende filmstijl in de Jason Bourne-films.

De acteurs in God Told Me To passen ook goed bij het merkwaardige verhaal: Tony Lo Bianco (tweede keuze na Robert Forster, die werd ontslagen omdat hij alsmaar kauwgom bleef kauwen); Sylvia Sidney en Richard Lynch. En komediant Andy Kaufman in zijn filmdebuut.

Een pluspunt is de hoeveelheid ongewone buitenlocaties van New York. Een watertoren in Manhattan, een draaimolen in Flushing, Broadway Station, ga zo maar door. Lees Larry Cohens amusante verhalen over de productie. Zoals het illegaal filmen tijdens St Patrick’s Day in Manhattan: ‘Iedereen ging ervan uit dat wij een vergunning hadden. Niemand zou illegaal durven te gaan filmen tussen 5.000 agenten. De agenten werden ook niet nerveus dat iemand met een pistool tussen hen inliep, want een camera was alles rustig aan het registreren.’

De chaotische film is een mooie spiegel voor de turbulente jaren zeventig in New York. De stad was failliet, de misdaad nam alsmaar toe… en dat was nog maar het topje van de ijsberg van de problemen. Lees dit artikel in The Guardian over de brochure Fear City, met 9 tips hoe je New York kunt ‘overleven’. Of bekijk deze foto’s voor een indruk.

Aan de andere kant bloeiden er ook allerlei alternatieve scenes op: muziek, kunst en cinema. Zo waren de jaren zeventig een topdecennium voor de New Yorkse alternatieve film. De ‘auteursfilm’ werd populair bij het publiek en producenten investeerden meer in kleine producties. Onder anderen Martin Scorsese en Woody Allen braken door met hun New Yorkse films. New York kreeg daardoor twee kleuren: het duistere New York van Taxi Driver het lichtvoetige, intellectuele New York van Manhattan.

Niet alleen Scorsese en Allen, maar ook andere regisseurs maakten een aantal filmklassiekers in de stad. Films die mensen nog steeds zien, citeren, liefhebben. Veel films over steden maken nog steeds gebruik van de ideeën die je in deze films voor het eerst zag langskomen.

  • Mean Streets (Martin Scorsese)
  • Taxi Driver (Martin Scorsese)
  • Annie Hall (Woody Allen)
  • Manhattan (Woody Allen)
  • Serpico (Sidney Lumet)
  • Dog Day Afternoon (Sidney Lumet)
  • Klute (Alan J. Pakula)
  • Death Wish (Michael Winner)
  • The French Connection (William Friedkin)
  • Saturday Night Fever (John Badham)

En dat is nog maar de bovenlaag. Daaronder bevinden zich nog veel meer interessante films met de stad in de jaren zeventig in de hoofdrol:

  • The Landlord (Hall Ashby)
  • Panic in Needle Park (Jerry Schatzberg)
  • Across 110th Street (Barry Shear, over de grens tussen Manhattan en Harlem)
  • Black Ceasar (blaxploitation, ook van Larry Cohen!)
  • Wolfen (Michael Wadleigh)
  • Cops and Robbers (Aram Avakian)
  • The Warriors (Walter Hill)
  • Next Stop Greenwich Village (Paul Mazursky)
  • The Taking of Pelham 1,2,3 (Joseph Sargent)
  • Ciao Maschio (Marco Ferreri)
  • Girlfriends (Claude Weill)
  • Diary of a Mad Housewife (Frank Perry)
  • An Unmarried Woman (Paul Mazursky)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=XIFPoQ0BefI
Meer lezen: Michael Doyle: Larry Cohen: The Stuff of Gods and Monsters

 

Downtown 81

Downtown 81 (1981/2000): Basquiat die door de stad kuiert

Locaties: East Village, Manhattan

Een jongeman wordt wakker in een ziekenhuis. Hij wordt onderzocht en gezond verklaard. Hij loopt door getto’s, tagt obscure teksten op muren (Origin of cotton), ontmoet Beatrice die rondrijdt in een Coupe de Ville, en hem wil onderhouden. Ondertussen wil hij een schilderij verkopen.

We horen hem in zichzelf praten: ‘Neon-literatuur. Ik wilde de stad rood en zwart verven. New York is mijn type stad. New York ziet er groot uit en ik voel me groot. Ik ben onderdeel van het landschap. Ik ben een kunstenaar. Mensen vragen meestal: wat is je medium? Dan zeg ik: extra large.’

Het acteerwerk is niet geweldig en het verhaal evenmin; maar de film is een fantastisch curiosum. De hoofdrol van kunstenaar Jean is daadwerkelijk Jean Michel Basquiat! Toen maar negentien en nog niet beroemd. Ook al is dit fictie, we kijken echt naar Basquiats leven als jonge kunstenaar en muzikant (dat na te veel drugsgebruik zeven jaar na de film zou eindigen). Dat bestond toen uit zwerven, kunst verkopen, studio’s inlopen, mensen ontmoeten.

Schrijver Glenn O’Brien (lid van Andy Warhols Factory) wilde begin jaren tachtig een film maken over de bands die hij toen zag. De film zou aanvankelijk ook New York Beat heten. Die optredens waren de rode draad van de film, dus de alternatieve kunst- en muziekscene in 1981 in de wijk East Village.

Punk, hiphop, graffiti, kunst, new wave, reggae, mode, pop: alles komt langs. Een fascinerend portret van de roots van veel muziek- en kunststromingen. We zien ook beroemde clubs als Peppermint Lounge en Mudd Club. Edo Bartoglio regisseerde de film.

Basquiat is hier meer een rode draad dan de hoofdpersoon. De film daagt uit door hem langs het Guggenheim en Metropolitan Museum of Art op de 5th avenue te laten kuieren. En te laten kliederen als een kind in een fotoboek van Man Ray. Loopt met schilderij op straat. ‘Waar moet ik het adres zetten?’ ‘Schrijf maar op de achterkant.’

De weduwe van scriptschrijver O’Brien vertelde dat de doeken waar hij mee rondzeult in de film ook de eerste doeken waren die hij maakte als kunstenaar. Basquiat was dakloos ten tijde van de film en volgens de weduwe van O’Brien zorgde de film voor geld voor zijn eerste studio. Blondie kocht ook nog een werk van hem voor 200 dollar. Over deze vroege jaren van Basquiat gaat ook de recente documentaire Boom for Real.

Downtown 81 is een portret van ‘downtown’ Manhattan. Van de deprimerende shots van de Lower East Side in Manhattan tijdens de grote saneringsperiode, tot de alternatieve scene in East Village met kunstenaars, graffitikunstenaars en muzikanten. (Raar maar waar: ook acteur Vincent Gallo zit als muzikant in de film.)

De laatste echte avant-garde kunst- en muziekscene in de VS, zeggen sommigen. Ze hadden alleen elkaar om te helpen want ze hadden geld noch sociale media. Toch is die tijd romantiseren volgens muzikant Arto Lindsay geen goed idee. ‘Ik haat het als mensen romantiseren wat praktisch een oorlogsgebied was.’

Er was alleen een probleem: door een politiek schandaal kon productiemaatschappij Rizzoli de film niet afronden in 1981. De film bleef op de plank liggen. Glenn O’Brien kreeg met kunstenares/producent Maripol (partner van regisseur Bertoglio) na juridisch getouwtrek in 1998 de film in handen.

De post-productie begon in 1999. Alleen was de audioband met dialogen verloren geraakt. Die moest dus achteraf worden gedubd. Ook Basquiats stem… Door een acteur uiteraard, want hij overleed al in 1988.

Verwarrend! En de voice-over gooit er nog een schep verwarring bovenop: ‘Elke overeenkomst tussen de karakters en de werkelijkheid is… puur magisch.’ Nog magischer is dat de vreemde, off key klok in de film een track was van Basquiats band Gray (Drum Mode). En toppunt van magie is dat nou net die klok ook een grote rol speelt in seizoen 4 van Stranger Things

Ook de jaren tachtig in New York leverden films op die veel invloed zouden hebben op andere films:

  • Raging Bull (Martin Scorsese)
  • The King of Comedy (Martin Scorsese)
  • Do the Right Thing (Spike Lee)
  • Wall Street (Oliver Stone)
  • Prince of the City (Sidney Lumet)
  • Stranger Than Paradise (Jim Jarmusch)

Films over New York waren in deze tijd een stuk duisterder en vreemder. Ook werd er gretig gebruik gemaakt van het decor van de stad in een saneringsperiode.

  • 1990: The Bronx Warriors en Escape From the Bronx (Enzo G. Castellari, rip-offs van The Warriors uit 1979, maar wel beelden van de Bronx in 1982 en 1983)
  • Fort Apache: The Bronx (Daniel Petrie)
  • Born in Flames (Lizzie Borden)
  • Liquid Sky (Slava Tsukerman)
  • Cruising (William Friedkin)
  • Times Square (Allan Moyle)
  • Q: The Winged Serpent (Larry Cohen)
  • Ms 45 (Abel Ferrara)
  • Fear City (Abel Ferrara)
  • Maniac (William Lustig)
  • Lo squartatore di New York (Lucio Fulci, giallo in New York)

Speciale vermelding voor het golfje van graffitifilms/hiphopfilms begin jaren tachtig (al was het maar vanwege jeugdsentiment van ondergetekende): 

  • Stations of the Elevated: eerste echte film die graffiti observeerde, geen interviews (1981)
  • Wild Style: speelfilm over graffiti (1982)
  • Style Wars: prima neutrale documentaire van Tony Silver en Henri Chalfant (1983) met veel interviews en beelden van Bronx en Queens
  • Beat Street: speelfilm over hiphop (1984)
  • Beat This: A Hip-Hop History (1984): Britse documentaire met veel beelden van Bronx, en ook hiphop en graffiti
  • Krush Groove: speelfilm over het eerste grote hiphoplabel: Def Jam (1985)
  • Turk 182: speelfilm die losjes is gebaseerd op de eerste echte graffitischrijver van New York: Taki 183 (1985)

Meer lezen: https://www.gq.com/story/downtown-81-will-help-you-understand-your-80s-nyc-nostalgia en https://sightlinesmag.org/downtown-81-captures-the-new-york-era-when-basquiat-was-almost-famous

 

Paris is Burning (1990)

Paris is Burning (1990): dragcultuur van arm New York

Locaties: Greenwich Village, Manhattan

Afro-Amerikaanse dragqueens strijden in ballrooms met elkaar om prijzen. Ze horen bij ‘houses’: Xtravaganza, Venus, LaBeija en Ninja. We krijgen alle ins en outs van de modeshows in de ballrooms te zien en leren over ‘readen’ en ‘shades’.

We kijken naar de verschillende houses, en ontmoeten deelnemers en ‘moeders’ van die houses. Zoals voguer Willi Ninja. Of Pepper LaBeija, een realistische dragqueen: ‘Ik kan niet als een vrouw denken. Ik kan denken als een man die er als een vrouw uit wil zien.’ Of Octavia St.Laurent en Venus Xtravaganza die dromen van succes en modellenwerk.

Latino- en Afro-Amerikaanse drags ontwikkelden hun eigen dragcultuur. Het had een eigen stijl omdat ze opgroeiden in andere, armere wijken. Rijk worden met deze passie lag niet voor de hand. Vaak was het hard werken en leven in de schaduwkant van de stad. Wederom Pepper: ‘Dit is wit Amerika. De droom en ambitie als minderheid: te leven en er zo goed uit te zien als een wit persoon.’

Naast armoede (en homofobie) had een gay in die tijd ook te maken met aids. De epidemie trof de New Yorkse gaygemeenschap keihard. Ook prominente karakters uit deze film zijn ook aan aids overleden vlak na de film uitkwam. Je kunt het allemaal zien in deze video.

Sowieso was het voor velen in de film een hard bestaan. De film is dan ook redelijk heftig op het einde – wat je helaas niet anders verwacht bij een film over de zelfkant van de maatschappij.

Paris is Burning heeft jammer genoeg weinig buitenscènes. We zien vooral indoorbeelden van de ballrooms. We moeten het doen met een paar interviews aan waterkanten (vermoedelijk bij de Hudson in Greenwich Village). Toch is het portret van deze subcultuur echt een New Yorkse aangelegenheid. Deze ballrooms stonden aan de basis van veel trends, zoals de dans vogue. De film stond ook aan de basis van de Netflixserie Pose.

De film van Jennie Livingston wordt net zo vaak gezien als klassieker als een exploitatiefilm. Zelf heb ik niet het gevoel gehad dat de documentaire de verkeerde instelling heeft maar sommige deelnemers zijn de film gaan haten.

Meer films over de New Yorkse drag-cultuur:

  • The Queen (Frank Simon, 1968)
  • Lady Divine (John Waters, 1975)
  • How Do I Look (Wolfgang Busch, 2006)

Verder keerde film in New York in de jaren negentig weer terug naar misdaad. Met name de wijken Brooklyn en Bronx – jarenlang gemeden – werden herontdekt. Denk aan films als:

  • Goodfellas (Martin Scorsese)
  • A Bronx Tale (Robert De Niro)
  • Crooklyn (Spike Lee)
  • Clockers (Spike Lee)
  • Bobby G. Can’t Swim (John Luke Montias, obscure misdaadfilm over Hell’s Kitchen)
  • Bad Lieutenant (Abel Ferrara)
  • Ghost Dog: The Way of the Samurai (Jim Jarmusch)

En sommige New Yorkse indiefilms scoorden goed in de filmhuizen:

  • Smoke (Wayne Wang)
  • State and Grace (Phil Joanou)
  • Basquiat (Julian Schnabel)
  • Night on Earth (Jim Jarmusch)
  • Kids (Larry Clark)
  • Walking and Talking (Nicole Holofcener)

Meer lezen: https://www.theguardian.com/film/2015/jun/24/burning-down-the-house-debate-paris-is-burning

 

Man Push Cart (2005)

Man Push Cart (2005): een karretje met koffie door Manhattan sleuren

Locaties: Manhattan, Brooklyn

Ahmed duwt een karretje met koffie en thee in Manhattan. Hij verkoopt ook af en toe dvd’s.

Elke dag reist hij heen en weer (’s avonds laat en ’s ochtends vroeg) naar en van een appartement in Brooklyn. Daarbij sjouwt hij overal een butagasfles mee.

Een van zijn vaste klanten is een andere, welgestelde Pakistaan die hem thuis in Manhattan ontvangt om te helpen met klussen. Die ontdekt dat Ahmed een beroemde zanger is, de ‘Bono van Lahore’. Hij wil hem met concertpromotors verbinden en betere baantjes bieden.

Intussen ontmoet hij een Spaanse verkoopster van een andere karretje die iets in hem ziet, hoewel hij nooit lacht of charmant is. Later leren we waarom hij zo zwijgzaam is: hij is vorig jaar zijn vrouw verloren.

Méér op de straten van New York komen we niet. We zitten er in: hier oogt de stad echt als een betonnen jungle. Anonieme gebouwen, straten, mensen, auto’s. Dit is het leven voor veel New Yorkers: met een bepaalde bezigheid een schamel inkomen verdienen op de straat. En hopen op verbetering. Ahmeds gesjouw met zijn kar over New Yorkse straten (dat hij echt heeft gedaan) is het sterkste beeld van de film.

Aardige film voor wat betreft hoe de stad erin voorkomt, maar ook wel een arthouse-drama als vele anderen. Commentaarloos het geploeter van één persoon volgen. Iemand zien worstelen met een depressie (inclusief kittendrama). Sobere filmstijl. De film van Ramin Bahrani heeft geen charmante dialoog, sprankelend karakter, onverwachte wending, of iets van humor.

Uniek beeld van de stad maar dat gebrek aan eigen visie is toch jammer. Hoofdpersonen die niets willen, zijn lastige hoofdpersonen om naar te kijken.

In de jaren nul is New York vooral behang in actiefilms, horrorfilms, remakes (heel veel) en romantische komedies. De stad is vaak ‘in gevaar’, wat mogelijk verwijst naar het collectieve trauma van de aanslag op 11 september 2001 in New York.

De gentrificeerde stad levert niet meer de klassiekers af zoals in de jaren zeventig en tachtig; toch waren er wel wat indiefilms die allemaal op een eigen manier de stad laten zien:

  • Sidewalks of New York (Edward Burns)
  • Pieces of April (Peter Hedges)
  • 25th Hour (Spike Lee)
  • Before the Devil Knows You’re Dead (Sidney Lumet)
  • Precious (Lee Daniels)
  • Brooklyn’s Finest (Antoine Fuqua)
  • The Notorious Betty Page (Mary Harron)
  • Keane (Lodge Kerrigan)
  • New York, I Love You (diverse regisseurs)

Over indie gesproken, de New Yorkse indiecinema (‘mumblecore’) brak ook door in deze periode:

  • Funny Ha Ha (Andrew Bujalski)
  • Quiet City (Aaron Katz)
  • Dance Party U.S.A. (Aaron Katz)
  • Manito (Eric Eason)
  • Hannah Takes the Stairs (Joe Swanberg)
  • Nights and Weekends (Joe Swanberg en Greta Gerwig)
  • Frances Ha (Greta Gerwig)

Meer lezen: https://www.criterion.com/current/posts/7292-man-push-cart-a-melancholy-pull

Kortom…

New York en films: een liefde die al een eeuw duurt. Misdaad is de duidelijkste link tussen die twee. Je kunt zo een stapel misdaadklassiekers opnoemen die er zijn opgenomen. De stad was de bakermat van diverse beroemde regisseurs die zich in dat genre ontwikkelden.

Maar er was ook cultuur. New York had broedplaatsen voordat broedplaatsen bestonden. De focus van de kunstwereld lag decennialang op New York. Graffiti, hiphop, new wave/punk kwamen hiervandaan. Alleen werd die wereld helaas minder vaak naar celluloid gebracht dan de misdaad. De muziek deed het beter en elk genre heeft zo zijn klassieken (denk aan Sid and Nancy voor punk).

Wat goed past bij de stad waar niemand zelf kookt, zijn beroemde filmrestaurants. Denk aan locaties als Katz Diner (When Harry met Sally), Tom’s Restaurant (Seinfeld), Carnegie Deli (Broadway Danny Rose), Café des Artistes (My Dinner with Andre), Lenny Pizza (Saturday Night Fever), en dus 21 Club en Toots Shor’s… Om maar een paar te noemen.

Ik denk dat er geen periode méér New York is dan het einde van de jaren zeventig en begin jaren tachtig. Rauw, vies en experimenteel, alternatief. Zelfs Manhattan had verpauperde stukken. Niet voor niets werd het half gesloopte South Bronx veel in films over apocalyptische tijden gebruikt. Het zal ook zo gevoeld hebben. De liefhebber van deze tijd kan ik de serie The Deuce aanraden: een doorleefd portret van de ‘stedelijke ecosystemen’ in een tijd dat zelfs Times Square verloederd was.

Het mooie is wel dat New York zelf zijn eigen talenten ontwikkelde. Denk bijvoorbeeld aan Alvie die in Annie Hall zegt: “Denk je niet dat de rest van het land naar New York kijkt alsof we linkse, communistische, Joodse, homoseksuele pornografen zijn? Ik denk soms ook zo over ons en ik woon hier.”

 

Bronnen 

 

Lees ook deel 1: Camera Obscura Special: Parijs

 

5 september 2022

There is No Evil

****
recensie There is No Evil
De gevolgen van doodstraf en executie

door Jochum de Graaf

Toen de Iraanse regisseur Mohammad Rasoulof in 2020 de Gouden Beer won in Berlijn kon hij die niet persoonlijk in ontvangst nemen, zijn paspoort was ingenomen en hij kon het land niet uit. Half juli dit jaar, een maand voor de bioscooprelease van There is No Evil in ons land kwam het bericht dat Rasoulof gearresteerd was omdat hij regime-kritische posts op social media geplaatst had.

Rasoulofs werk wordt als propagandistisch en gevaarlijk beschouwd en al sinds zijn film Manuscripts Don’t Burn (2013) is zijn complete oeuvre in Iran verboden. There is No Evil is deels in het geheim opgenomen en Rasoulof stelt hierin opnieuw een zeer controversieel en gevoelig thema aan de kaak, de uitvoering van de doodstraf.

There is No Evil

Vierluik
In een vierluik van afzonderlijke hoofdstukken, elk ontworpen als een op zichzelf staande korte film, verkent hij telkens een ander facet van het onderwerp. In het gelijknamige eerste deel There is no evil zien we Heshmat (Ehsan Mirhosseini), een zwijgzame, vriendelijke man die zo op het oog een doodgewoon leven leidt. Hij kibbelt wat met zijn vrouw, verft haar haren, brengt zijn dochter naar school, gaat bij zijn zieke moeder op bezoek, redt de kat van de buren. In de beginscène krijgt hij een grote vormeloze zak in zijn kofferbak. Omdat je het thema van de film kent, denk je al gauw aan een lijk, bij een verkeerscontrole blijkt het echter om een zak rijst te gaan.

Hesmats leven lijkt zich rustig voort te kabbelen. Tot om drie uur ’s nachts de wekker gaat, de nachtdienst begint. Hij rijdt door een verlaten Teheran en moet tergend lang voor een stoplicht staan. Vanuit de garage, die we van de zak rijst herkennen, komt hij in zijn werkkamer, kleedt zich om, zet koffie. Onder een wazig raam flikkeren rode lampjes, als ze na een tijdje groen worden, drukt Hesmat op een knop. Wat volgt is een scène waarmee de banaliteit van het kwaad op zeldzaam schokkende wijze in beeld wordt gebracht.

Het tweede hoofdstuk She said: you can do it verkent een tegenovergestelde positie. De jonge militair Pouya (Kaveh Ahangar) komt in ernstige gewetensnood wanneer hij het bevel krijgt een gevangene te executeren. Iraanse mannen kunnen geen baan vinden of een paspoort aanvragen zonder een certificaat te overleggen dat ze hun verplichte militaire dienst met goed gevolg hebben voltooid. In de nacht voor de executie zweert hij dat hij geen bloed wil vergieten maar dat als hij toch gedwongen wordt iemand te executeren hij zijn opdrachtgever zal doden. Als het zover is, blijft de ter dood verklaarde kalm terwijl beoogde beul Pouya een emotioneel wrak is. Hij onderneemt een verzetsdaad die even dwaas als opzienbarend is.

Geweten
In het derde deel Birthday lijkt soldaat Javad (Mohammad Valizadegan) misschien ook op de vlucht. Hij trekt zijn uniform uit en baadt in de rivier voordat hij naar zijn vriendin Nana (Mahtab Servati) gaat om haar ten huwelijk te vragen. Hij is op een kort driedaags verlof, het baadritueel lijkt bedoeld om zijn geweten te zuiveren. In tegenstelling tot Pouya volgt Javad bevelen op en is hij bereid tot het uitvoeren van een executie. Zijn medesoldaten houden vol dat in hun land niemand zonder reden ter dood gebracht wordt.

Op de verjaardag van zijn verloofde komt hij er achter dat er een link is tussen hem en de man die hij doodde. Hij wordt nog verder onder druk gezet door zijn schoonmoeder die hem vraagt waarom hij in dienst is gegaan. Javad pareert met de opmerking dat hij gehoorzaam is aan de wet en zwijgt veelbetekenend wanneer zij zegt dat hij toch de keus heeft om nee te zeggen. Rasoulof lijkt hier te zeggen dat de doorsnee Iranees uit zelfbehoud misschien wel blind wil zijn voor de onmenselijkheid van het autoritaire regime, maar roept op zijn manier toch op tot verzet.

There is No Evil

Familiegeschiedenis
Het slothoofdstuk Kiss me speelt zich af ver van de bewoonde wereld – het schitterende decor van het Iraanse platteland met dorpsdokter en imker Bahram (Mohammad Seddighimehr), die gebukt gaat onder een lang verborgen geheim. Op zekere dag arriveert de jonge expat Darya (Baran Rasoulof) en komt langzaam maar zeker de familiegeschiedenis naar boven: haar moeder heeft Bahram verlaten omdat hij een executie heeft voltrokken. Darya maakt bezwaar wanneer haar oom haar meeneemt om te gaan jagen, ze weigert levende wezens te doden.

Met dat al lijkt de les van de film: er is kwaad in de wereld en het corrumpeert ons als we daar niet tegen in het geweer komen. Maar wat zouden jij of ik doen als je in de schoenen van de personages stond?

There is No Evil is niet zozeer een vlammende aanklacht, maar veeleer een somber stemmende beschouwing over wat de gevolgen zijn van het perfide systeem van de doodstraf en executie.

De Islamitische Republiek Iran is al jarenlang verantwoordelijk voor meer dan de helft van de geregistreerde executies in de wereld. Volgens een rapport van Amnesty International is er dit jaar sprake van een executiegolf: in de eerste helft van 2022 zijn al meer dan 250 mensen vermoord, pakweg de helft van het ‘normale’ aantal. Een gegeven waarmee There is No Evil nog eens extra aan urgentie wint.

 

11 augustus 2022

 

ALLE RECENSIES

Guess Who’s Coming to Dinner

Guess Who’s Coming to Dinner (1967) met Sidney Poitier
Lastige thema’s aansnijden als een stuk taart

door Bob van der Sterre

Een bijzondere film, Guess Who’s Coming to Dinner. Gemengde relaties als onderwerp van de film? Gewaagd! Maar is de film echt goed? En hoe zit het met de tranen van Katharine Hepburn?

Witte dochter komt bij witte ouders en toont haar nieuwe vlam: een zwarte man. Ze kennen elkaar tien dagen en willen trouwen. Niet eenvoudig te slikken voor de ouders. Ook al gaat vader Matt juist prat op zijn liberale denken. Het is wat anders als je het zelf moet doen.

Guess Who's Coming to Dinner (1967)
Ze trekken de zere pleister er maar meteen af: is dat maar gedaan. Een avond hebben de ouders om hun zegen te geven. Gelukkig is John een perfecte dokter, die en passant de wereld met VN-operaties erop vooruit helpt. Dat maakt het wel minder zuur. Maar toch. Waarom zo snel?

Eerst komt een vriend, een priester, zijn woordje doen. Dan komen de ouders van John ook op bezoek. Die twijfelen zelf ook. Zelfs de zwarte huishoudster Tilly heeft haar bedenkingen: ze is zeker dat John een oplichter is.

Spanning is om te snijden en eindigt met een speech van vader Matt waarbij hij alle reacties langsgaat.

Van mens tot mens
Guess Who’s Coming to Dinner is zo’n film die vastberaden komt aangerend om een beladen sociaal thema, gemengde huwelijken, aan te snijden als een stuk taart. Dat gebeurt eens niet onder het mom van een thriller maar gewoon, rechtstreeks: van mens tot mens. Soms luchtig, soms serieus.

Dit was ook nog 1967, een zeer woelige tijd waarbij de raciale ongelijkheid nog veel groter was. Niet voor niets zegt vader Prentice tegen zijn zoon: “In zestien of zeventien staten zou je de wet breken. Je zou een crimineel zijn.” Dat was geen overdrijving, dat was echt zo.

Hoe overleeft Guess… anno nu?
Eerst het goede nieuws: veel films missen hart en ziel: niet deze. Dit verhaal van scriptschrijver William Rose (die met het idee kwam) bevat verrassend veel krachtige monologen die je nu nog steeds raken. En bovendien nog wat wranggeestige oneliners: “Hij denkt dat je gaat flauwvallen omdat hij een zwarte man is.” “Nou ik ga niet flauwvallen, maar ik ga er wel even bij zitten.”

Het helpt dat je naar ijzersterk drama-acteerwerk kijkt van acteurs met in wezen komische aanleg, die vaak juist goed hun mannetje of vrouwtje staan in dramafilms. Laat dat maar aan Spencer Tracy, Katharine Hepburn en Sidney Poitier over. Frappant hoe ze zulke schetsmatige typetjes vrij eenvoudig tot leven krijgen. Hepburns nicht Katharine Houghton als Joey werkt verrassend goed als contrast bij deze acteerkanonnen.

En dus een paar mooie oprechte scènes waarbij je even moeten slikken. Met als hoogtepunt als Sidney Poitier tot tranens aan toe aan zijn vader uitlegt dat hij niet zijn eigendom is…

Poitier haalt echt alles uit de kast tijdens deze korte scène. Let op zijn vele blikveranderingen en toonveranderingen als hij die memorabele woorden zegt: “Pa, je bent mijn vader. Ik ben je zoon. Ik hou van jou. Heb ik altijd gedaan en zal ik altijd blijven doen. Maar jij denkt aan jezelf als een man van kleur. Ik denk aan mezelf als een man.”

Of als de ogen van Katharine Hepburn vol tranen staan… Daar komen we nog op terug.

Schematisch en voorzichtig
Dan wat minder goed werkt: de film is voorzichtig en schematisch.

Regisseur Stanley Kramer en scriptschrijver William Rose wisten de film perfect ‘hart’ te geven, maar ze wisten niet hoe ze dat vernieuwend moesten brengen. De film is schaamteloos toneelstukkerig. Alle gesprekken worden onnatuurlijk aan elkaar geregen. En de muziek is ook vrij pover. Alsof het verhaal ‘helaas’ verplicht verfilmd moest worden.

Té schematisch is bijvoorbeeld de metafoor als Matt ijs bestelt en dat hij niet kent maar hem goed smaakt. Vervolgens rijdt hij een zwarte man aan en geeft hém de schuld van de aanrijding. Voilà: hier zijn persoonlijke dilemma in een notendop.

En als liefhebber vraag je je wel een beetje af: wat blijft er over als je het beladen thema uit de film haalt? Op goed acteerwerk en enkele hartverwarmende momenten na, niet veel denk ik. Zonde. In een andere recensie las ik een vergelijking met The Graduate (ook 1967), dat ook over een taboe gaat maar dat aldoor voor minder gewone oplossingen kiest.

De film heeft ook wat eigenaardigheden als je erover nadenkt: de film gaat over wit en zwart maar de ouders van John zijn minder goed ontwikkeld in de film dan de ouders van Joey. En waarom toch die haast?! Zeker voor een stel dat elkaar tien dagen kent… Het geeft het script vaart maar is ook een beetje dwaas. En tot slot heeft John geen enkele slechte eigenschap. Dat maakt hem in feite minder geloofwaardig.

De tranen van Katharine Hepburn
Daar zijn we dan: hoe zit het met de tranen van Katharine Hepburn? Dat is puur verdriet.

Hepburn heeft deze film nooit meer gekeken. Reden: dit waren haar laatste herinneringen aan haar levensgezel Spencer Tracy, met wie ze in negen films samen speelde. Hij was heel ziek tijdens het maken van de film en stierf tien dagen nadat de film klaar was, in juni, terwijl de film pas in december in de VS in roulatie zou gaan.

Katharine Houghton die Joey speelde: “Dat wisten we allemaal. Het was helemaal geen leuke tijd.” Ze hadden zelfs twee scripts: een voor als Tracy eerder zou overlijden, en het gewone.

Misschien dat er daarom zoveel tranen vloeien in deze film. Hepburns ogen schieten iedere tien minuten wel een keer vol. Maar ook de andere acteurs laten de tranen gaan.

Er is een specifieke, bijzonder ontroerende zin aan het einde die haar zichtbaar immens ontroert. Zij dacht alleen op dat moment niet aan de situatie van haar dochter, maar aan haar en Tracy en zijn aankomende sterven. Twee keer ontroering voor de prijs van een.

Tracy zelf was opgelucht dat hij de film nog kon afmaken. De laatste scène was ook zijn laatste scène ooit. Met die wetenschap kijk je toch anders naar deze film. Het is ronduit verbijsterend wat Tracy in zijn doodzieke staat nog aan acteerwerk wist te leveren.

Guess Who's Coming to Dinner (1967)

En Sidney?
Voor Sidney Poitier zou het heel anders gaan: de laatste twintig jaar van zijn leven speelde hij niet meer in films. Anders dan Tracy (die overleed op zijn 67ste) haalde hij de respectabele leeftijd van 94 jaar. Hij overleed afgelopen januari.

Het was een eenzame wereld voor zwarte acteurs in zijn tijd. In een necrologie van NBC wordt een eerdere, schrijnende quote aangehaald: “Ik maakte films toen de enige andere zwarte man daar de schoenenpoetser was. Ik was een beetje de lone guy.”

Misschien was het in zekere zin een voordeel als acteur en als mens dat hij de ballast van Amerikaanse segregatie miste. Hij werd geboren in de VS maar groeide op in de Bahama’s – is zelfs ambassadeur geweest voor de Bahama’s – waar vrijwel iedereen zwart was. Hij ging pas op achttienjarige leeftijd naar Harlem, New York. Was even dakloos, hobbelde van baantje naar baantje. Hij oefende op zijn accent en na een paar toneelstukken ging het opeens snel en debuteerde hij op zijn 23ste in een film.

En toen ging het snel en werd hij een soort symbool als eerste bekende zwarte acteur in de jaren vijftig en zestig. Zijn rollen gingen óók over zijn uiterlijk. Pas in 1965 zou hij in een film spelen waarin zijn kleur geen rol speelde (The Bedford Incident).

Poitier was een intelligente man die kalm omging met alle raciale issues die voor zijn voeten kwamen. Luister naar deze fantastische opmerkingen van Poitier in 1968, bijna weer een speech van Guess… op zichzelf. Het was een eenzame wereld voor zwarte acteurs.

Dus de perfecte rol voor Guess Who’s Coming to Dinner… Net als zijn karakter zou hij zelf ook veel doen voor de burgerrechtenbeweging in de VS. Uiteindelijk deed niets méér voor de zwarte zaak dan meedoen aan deze film die, hoe plompverloren en conservatief ook, toch bijdroeg aan meer onderling begrip. “Hij was de Hollywoodafdeling van de burgerrechtenbeweging!” zei Wesley Morris, criticus van The New York Times.

Het blijft altijd zo vreemd als filmlevens en echte levens via een bizarre kronkel samenkomen.

 

Kijk hier wanneer Guess Who’s Coming to Dinner draait.

 

15 juli 2022

 

Meer Sidney Poitier & Denzel Washington

Camera Obscura Special: Het échte Parijs

Camera Obscura Special:
Het échte Parijs

door Bob van der Sterre

Parijs alias de lichtstad. Al sinds mensenheugenis een bron van inspiratie voor regisseurs. Films als Breathless, Jules et Jim, Last Tango in Paris, La Haine en Amélie maakten de stad nog beroemder. De mooiste en beste films over en in Parijs: de eerste aflevering in de serie Camera Obscura Special over films in wereldsteden.

Het valt bij films over Parijs op dat vooral Amerikanen het romantische beeld van Parijs koesteren. Denk aan Woody Allens Midnight in Paris, Linklaters Before Sunset, Baz Luhrmans Moulin Rouge, Stanley Donens Funny Face, Martin Scorsese’s Hugo, Nora Ephrons Julia & Julia of zelfs Pixars Ratatouille. Parijs is een mooie, romantische, bijzondere stad. Een oase onder de wereldsteden.

Paris, Je t’aime (2006)

Het is een Parijs dat niet echt bestaat – tenzij in de verbeelding van de Amerikaanse regisseurs. Toppunt van die liefdesverklaring is Paris, Je t’aime (2006) met over bijna elk arrondissement een korte film. Onder meer met bijdragen van de Coen-broers, Gus Van Sant, Alexander Payne en Wes Craven.

Ware liefde is ook dat je mindere punten accepteert. In Franse films over Parijs zie je vaak drukke boulevards (erfenis van Baron Haussmann, een van de meest beroemde (of beruchte) stadsplanners van de geschiedenis), de gevolgen van stadsverbouwing en zijn we ooggetuige van misdaad. Films als L.627 (Tavernier), Brief von Paris (Borowczyk) en La Haine (Kassovitz) laten een Parijs zien dat de Amerikanen zich niet kunnen voorstellen.

Dit zijn geen recensies of analyses van films! Ook geen top tien. Ik wil alleen een verhaal vertellen over de samenhang tussen film en stad en kies daarvoor per decennium een passende film. Ik heb niet alle films ter wereld gezien, dus hier en daar zal ik een uitstekende film gemist hebben.

 

Bassin des Tuileries (1896)

Bassin des Tuileries (1896): de gebroeders Lumière in Parijs

Locaties: Centrum, 1e arrondissement

Rondom de Lumière-broers bestaan na 125 jaar nog steeds misverstanden:

  1. Ze maakten níet de oudste film ter wereld; in Leeds was al in 1888 iemand bezig.
  2. Er bestonden al oudere opnamen van Venus (meer in de documentaire All Light Everywhere).
  3. Hun eerste films gingen níet over Parijs (ze waren geboren in Besançon en filmden hun lokale grote stad, Lyon, als eerste).
  4. De beroemde treinaankomst in Le Ciotat (vlakbij Marseille) is níet de oudste film van de Lumière-broers; daarvoor hadden ze al twintig korte films gemaakt.

Wel waren ze met hun ‘cinematographe’ verantwoordelijk voor de eerste commerciële filmvoorstelling in Parijs. Dat gebeurde in 1895 in de Salon Indien aan de Boulevard des Capucins.

De oudste film van Parijs is nog niet zo eenvoudig als het lijkt om uit te vogelen via de catalogus van de Lumière-studio. De oudste zou deze opname van de vijver van Tuileries kunnen zijn (april 1896). Of deze opnamen van de Champs Elysées (ook april 1896). Er is ook een opname van de autorit van Paris-Meudan bij Porte Maillot (mei 1896).

Waarom moeilijk doen als het makkelijk kan. Deze digitaal gerestaureerde video met films van Parijs combineert diverse Lumière-films uit de periode 1896-1900. We kijken achtereenvolgens naar opnamen van de Notre-Dame, Pont de l’Alma, Avenue des Champs-Élysées, Place de la Concorde, de brandweer, Tuileries (van de titel), een rolstoep en de Eiffeltoren. De video werd gemaakt door Guy Jones en ingekleurd door Denis Shiryaev.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=fo_eZuOTBNc
Meer lezen: https://catalogue-lumiere.com/faq-movies/

 

Fantômas contre Fantômas (1914)

Fantômas contre Fantômas (1914): fragmenten van Parijs

Locaties: Parc des Buttes Chaumont en veel interieurlocaties, 19e arrondissement en elders in Parijs

De eerste speelfilms die zich (letterlijk) in Parijs afspeelden waren de Fantômas en Les Vampires-series van Louis Feuillade. Grappige, interessante films met veel snelheid en actie. De vroegste pulpfilms zou je kunnen zeggen, uit een tijd dat films net aandacht begonnen te krijgen.

Veel van Parijs zie je niet want bijna alles speelde zich binnen af in Parijse studio’s. Er waren een paar buitenlocaties. Zoals het shot van het Parc des Buttes Chaumont in Fantômas contre Fantômas (1915). In Fantômas III – Le mort qui tue (1913) zien we hetzelfde park en de daken van het Palais de Justice. Verder is er weinig te zien.

Aardig is de link met een andere Parijse film uit 1996: Irma Vep, van Olivier Assayas. Jean-Pierre Léaud worstelt daarin als regisseur met een nieuwe Vampires-film. En dat heeft ook een cinematografische link want Léaud dwaalde zelf in diverse Truffaut-films ook overal en nergens rond door Parijs.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=7tyaZ3_wnww
Meer lezen: https://traumundexzess.com/2015/03/15/fantomas-20187271/

 

Paris qui dort (1924)

Paris qui dort (1924): Parijs op de pauzeknop

Locaties: Faubourg Saint-Germain, 7e arrondissement

De eerste echte noemenswaardige outdoor-film over Parijs is de komische zwijgende film Paris qui dort van René Clair uit 1924. Albert woont en werkt bovenop de Eiffeltoren. Ga dan maar ‘even’ een krant halen. We zien hoe hij alle trappen omlaag loopt. De Parijse straten zijn opeens leeg, zelfs de Place de la Concorde. Wat is er gebeurd? Hij ziet mensen maar ze staan stil.

Dan ontmoet hij een aantal mensen die ook gewoon bewegen, waaronder een zakenman, een agent met dief en een vrouw ‘wier enige doel is om plezier te hebben’. Zij beseffen dat om 15:25 alles wat zich niet in de lucht bevond tot stilstand gekomen. Zo betrapt de zakenman zijn stilstaande vrouw met een stilstaande minnaar.

Het geeft kopzorgen. Dan beseffen ze dat alles mogelijk is: zwemmen in de vijvers van Trocadero, woningen plunderen, ergens jezelf volvreten. Ze ontmoeten vervolgens een vrouw en haar oom blijkt een straal te hebben ontworpen die de wereld stilzet. ‘Wakker worden? Daar heb ik nooit aan gedacht eigenlijk.’ Dan blijkt de pauzeknop ook een groot wapen te zijn.

Interessante speelse film over Parijs; knap werk voor een debuut (regisseur was René Clair). De lege straten: de cinema zou het nog vaak gaan terugzien. Ik genoot van de effecten met vogelperspectieven vanaf de Eiffeltoren. Doen ook denken aan het werk van Harold Lloyd in Safety Last! dat een jaar ervoor was gemaakt. Na bijna 100 jaar ziet het er nog steeds ingenieus uit.

En dit was min of meer het filmdebuut van de beroemde toren, die daarna niet meer weg te denken was in cinema over Parijs en bijna overal een ‘cameo’ maakte.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=RP6JkUdMRrE
Meer lezen: https://festival.ilcinemaritrovato.it/en/film/paris-qui-dort-2/

 

Le roi des Champs-Élysées (1934)

Le roi des Champs-Élysées (1934): Buster Keaton in Parijs

Locaties: Champs Elysees, Trocadero, 8e en 16e arrondissement

Buster Garniers baantjes gaan telkens mis. In plaats van nepgeld uitgeven, geeft hij echt geld uit. En dan wordt hij acteur, speelt hij een crimineel maar is er een verwisseling met een echte crimineel.

In 1934 had Buster Keaton in de VS weinig mogelijkheden meer. In Frankrijk zagen ze hem nog wel graag in de cinema en reisde hij daarheen met zijn vrouw met de boot (om geld te besparen). Hij deed er drie films die als redelijk obscuur de boeken zijn ingegaan.

Parijs is hier vooral in het begin in beeld, als Buster rondrijdt om het namaakgeld uit geven. We zien Buster als een ster op de Champs-Élysées vanuit de auto met geld smijten. We zien Buster ook geld uitdelen bij Café du Trocadero. Dat is nu een prachtig art deco-café vlakbij Place Trocadero en de Eiffeltoren. Verder vooral interieurscènes, de villa van de gangster en het theater.

Het is niet Keatons beste natuurlijk maar er zijn wel wat vermakelijk persoonsverwisselingen (sukkelige Buster en ruwe gangster). De beste stukjes van de film: het huwelijk dat Keaton verpest door echt geld uit te delen, de mislukte zelfmoordactie (gas wordt afgesloten), de twee vechters die geld krijgen en dan weer doorvechten, de schattigheid van zijn eerste ontmoeting met actrice Paulette Dubost, en de klassieke onnozelheid als hij op het toneel een muurtje moet beklimmen.

Gek idee: hij werd gedubd door een acteur die een raar Amerikaans accent deed. Een keer hoor je Keaton zelf zeggen: Go get me a drink. En de achtervolging doet denken aan Das Testament des Dr. Mabuse? Dat klopt! Die opnamen werden gebruikt om de kosten te drukken.

Film: https://www.youtube.com/watch?v=G8jkwmVr104
Meer lezen: https://thelostlaugh.com/tag/buster-keaton-talkies/

 

Les Dames du Bois de Boulogne (1945)

Les Dames du Bois de Boulogne (1945): de bossen van Parijs

Locaties: Bois du Boulogne, Boulogne-Billancourt (nabij 16e arrondissement), 2e en 18e arrondissement

Wat doe je als je favoriete man zegt dat hij óók blij is als jij het uitmaakt? Terwijl jij dat alleen deed om zijn aandacht te krijgen. Dan bedenk je natuurlijk een gemeen plan: je biedt een prostituee een adres en laat haar jouw favoriete man zijn hoofd dol maken. En dan hopelijk rent hij weer terug in je armen. Dat is het plot van Les Dames du Bois de Boulogne. Het gaat natuurlijk altijd anders.

De jaren veertig hebben weinig films met buitenscènes te bieden. Heel veel werd (om begrijpelijke redenen) in studio’s gefilmd. Het zat in elk geval niet in de weg om klassiekers te maken: Quai des Orfèvres, Orphée, Les Portes de la Nuit, Les Enfants du Paradis. Prachtige films die zich afspelen in Parijs. Maar ‘studio Parijs’ is toch wat anders dan ‘echt Parijs’.

Deze redelijk bekende film van Robert Bresson kun je met zijn vele interieurshots ook nauwelijks een Parijse film noemen. We zien een paar shots van het Bois du Boulogne. Dat zie je niet heel vaak in films. We kijken bijvoorbeeld naar de waterval van het Bois du Boulogne, net zo kunstmatig als de twee namaakgrotten in het park. Daar houdt het verder wel mee op.

Meer lezen: https://www.criterion.com/films/451-les-dames-du-bois-de-boulogne

 

Bob le Flambeur (1956)

Bob le Flambeur (1956): nachtelijk gedoe in Montmartre

Locaties: Place Pigalle, Montmartre; 9e en 18e arrondissement (en Normandië)

Bob le Flambeur, de drinkende gokker (‘le flambeur’), is goede maatjes met de politie. Hij is een crimineel buiten dienst. Wat zulke lui doen: spelletjes kaart spelen, slempen in bars en rondrijden. Pigalle, Montmartre, toen nog een achterbuurt, is zijn wijk.

Een dame krijgt een sandwich bij de bar aangereikt. ‘Laat die sandwich’, zegt hij, ‘kom bij ons zitten voor een echte maaltijd.’ Later vraagt ze: ‘Wat gaan we doen?’ ‘We? Het is tijd om te slapen.’ ‘En? Slaap ik bij jou vanavond?’ Stopt geld in haar tasje. ‘Neem een hotel.’

Het verhaal draait om een ‘laatste job’. Als Bob een koffer met 800 miljoen franc kan stelen, kan hij mooi gebruikmaken van zijn goede reputatie bij de politie. Niemand die hem ervan verdenkt. Hij doet het met hulp van een aantal makkers. Hoe verbazingwekkend in 1956 een overval werd voorbereid: je oefende gewoon op een grasveldje.

Bob le Flambeur bouwt rustig op. Het misdaadverhaal biedt veel aandacht voor het menselijke element. En dan krijg je nog die mooie beelden erbij. Avontuurlijke shots, creatief gebruikmakend van zwart-wit-tegenstellingen. Sfeervolle beelden van kroegen vol rook. De opnamen duurden maar liefst twee jaar. Het oog voor detail betaalt zich uit want de film bulkt van de sfeer.

Daarmee wedijvert de film met de beste Amerikaanse film noirs. Geen wonder dat diverse Amerikaanse regisseurs van naam fan zijn van Bob le Flambeur, zoals Stanley Kubrick, Quentin Tarantino, Paul T. Anderson en Jim Jarmusch. Regisseur Jean-Pierre Melville ontwikkelde een eigen stijl en zou hierna het misdaadgenre een nieuwe draai geven met films als Le Samouraï, Le doulos en Le cercle rouge. Dat betekent niet dat hij een eitje had aan deze film: Melville kon zijn acteurs amper betalen; hoofdrolspeler Roger Duchesne had een drankprobleem (dus dat acteert ie niet); en de actrice was nog geen zestien…

Het 9e en 18e arrondissement in het noordwesten van de stad waren in de jaren vijftig nog wel vrij ruige wijken. ‘Montmartre is tegelijk hemel… en de hel’, begint de film. Het was in de jaren negentig mijn eigen eerste ontmoeting met Parijs: uitstappen in Gare du Nord en een hotel vlakbij Boulevard Barbès Rochechouart. En al die neonsekskitsch bij Place Pigalle – waar trouwens François Truffaut opgroeide. Als Amsterdammer uit een achterstandswijk voelde ik me daar trouwens prima op mijn gemak.

De jaren vijftig bracht meer Parijse outdoor-klassiekers voort:

  • Les quatre cent coups (de eerste van de Doinel-reeks van François Truffaut, een klassieker)
  • Pickpocket (Robert Bresson)
  • Si Paris nous était conté (Sacha Guitry)
  • Les amants (Louis Malle)
  • Du rififi chez les hommes (Jules Dassin)

Meer lezen: https://www.parisupdate.com/montmartre-decor-de-cinema/

 

La boulangère de Monceau (1963)

La boulangère de Monceau (1963): arrogante koekjespeuzelaar

Locaties: Monceau, Clichy, Batignolles; 8e en 17e arrondissement

Twee mannen – studenten – lopen over Boulevard Batignolles. Ze zien telkens een leuke vrouw passeren en op een dag trekt een de stoute schoenen aan. Ze blijkt Sylvie te heten. ‘Wil je een keer wat drinken?’ ‘Niet nu. We zien elkaar toch vaak genoeg op straat.’

De jongeman loopt rond maar ziet haar nooit meer. Tijdens zijn pauzes wandelt hij steeds verder, in de hoop een glimp van Sylvie op te vangen. We zien en horen hem voice-overend slenteren door Rue Levis, Rue Legendre, Rue Saussure en Rue Lebouteux, waar op de hoek het bakkerijtje zit dat hij binnengaat. Daar koopt hij elke dag een koekje bij hetzelfde bakkerijmeisje: Jacqueline.

Hij regelt een date met Jacqueline. Hij wil er eigenlijk niet heen maar ‘mijn groep vrienden was er niet’ en ‘Het was een tijdsbesteding zo goed als alle andere’. Later: ‘Het schokte me dat ze dacht dat ik haar leuk zou vinden. Ze moest leren om niet met vuur te spelen.’

De hoofdpersoon ergert iedere filmkijker denk ik, maar een plus is dat de film zich bijna helemaal buiten afspeelt. We kijken naar het 17e arrondissement (pal naast het arrondissement van Bob le Flambeur). Aardig dat Barbet Schroeder, ook een beroemd filmmaker (documentaire Idi Amin, speelfilms Barfly en More), de antipathieke slenteraar speelt. Triple leuk is dat regisseur Bernard Tavernier, ons helaas pas ontvallen, de voice-over doet.

Voor de vrouwen in de film liep het minder goed af: Claudine Soubrier speelde nooit meer een andere rol dan dit bakkerijmeisje; Michele Girardon, Sylvie in de film, werd maar 36 jaar (pleegde zelfmoord). Zij had de hoofdrol in Rohmers film Le Signe de Lion een jaar eerder, waarin trouwens ook half Parijs wordt doorgewandeld.

Een plus van de film is het inkijkje in de befaamde wereld van de Franse taartjeswereld. Met verrukkelijk ogende sablés, abrikozentaartjes, gâteaux Lorraines, appeltaarten en een ‘baba’ (rumcake). En hij propt het allemaal even oncharmant naar binnen op straat en flikkert de zakjes meteen in de goot (lekker milieubewust). En de bakkerij zelf? Die is er natuurlijk niet meer, hoewel er aan de huizen hier weinig is veranderd.

Eric Rohmers films zijn zo ongelooflijk gelijkmatig altijd. Statische kletspartijen, weinig emoties, maar ze prikkelen je daardoor juist wel. Dit was de eerste ‘morele vertelling’ van de uiteindelijk zes die Rohmer er zou maken. In 1963 filmde hij deel twee van de morele vertellingen: La carrière de Suzanne. Dat zit wat complexer maar ook wat rommeliger in elkaar. Het was dus het begin van een serie van zes films, waarvan ik persoonlijk Ma nuit chez Maud de mooiste vind.

De jaren zestig boden enorm veel outdoor-opnamen van Parijs: de nouvelle vague in volle bloei:

  • Paris vu par… (diverse regisseurs)
  • Adieu Philippine (Jacques Rozier)
  • Paris nous appartient (Jacques Rivette)
  • Zazie dans le Métro (Louis Malle)
  • Jules et Jim en de hele Antoine Doinel-serie (François Truffaut)
  • À bout de souffle (Jean-Luc Godard)

Meer lezen: https://www.criterion.com/films/786-the-bakery-girl-of-monceau

 

Touche pas à la femme blanche (1974)

Touche pas à la femme blanche (1974): western bij Les Halles

Locaties: Les Halles; 1e arrondissement

In Touche pas à la femme blanche van Marco Ferreri kan generaal George Custer niet wachten tot hij de indianen zal verpletteren. Hij heeft het nergens anders over. Ondertussen wordt hij verliefd op Marie-Hélène, die dus niet aangeraakt mag worden door een indiaan, Mitch, een informant van Custer. Buffalo Bill trekt zich weinig aan van Custer.

De eigengereide filmer Marco Ferreri koos ervoor om de slag om Little Big Horn – en de aanloop – op en rondom Les Halles te filmen. Dat werd in 1974 ten tijde van het filmen neergebuldozerd en vervangen door een modern (en overdekt) winkelcomplex. Wie wil weten hoe het ooit was: bekijk deze film.

Een geweldig decor en de film pakt daardoor prachtig uit. De vechtpartijen, de paarden, schermutselingen zijn allemaal op de restanten van de sloop van de gebouwen rond Les Halles. Als de toren opgeblazen wordt, verwerken ze dat in het verhaal. Twee legerleiders kijken naar een huis dat gesloopt wordt met een sloopkogel. ‘Dat is nou vooruitgang.’ Of wanneer een kanon wordt afgeschoten en daarna de hallen instorten.

Anders dan in Les visiteurs zijn er geen eindeloze grappen over de confrontatie met de moderne tijd. De karakters nemen het allemaal zoals het is. Zoals Custer die naar een Coca Cola-reclame wijst en zegt: ‘Mijn vrouw’. Veldslag in een bouwput. Indianen die wapens bekijken in een moderne wapenwinkel.

Krachtig is de spot met racisme (en kolonialisme). ‘Ik snap de indianen niet. Het is toch duidelijk dat de Heer dit land aan de blanken heeft gegeven zodat ze zich kunnen vestigen.’ ‘Soms denk ik wel eens dat ze door demonen bezeten zijn.’ De film gaat niet over waar het wél over lijkt te gaan: de Amerikaanse geschiedenis.

Het aardigste is dat je kunt genieten van de komische talenten van zowat de hele Franse acteerelite van de jaren zeventig. Ze kwamen allemaal opdraven in de bouwput van Les Halles: Serge Reggiani, Michel Piccoli, Philippe Noiret, Catherine Deneuve, Alain Cuny, Ugo Tognazzi en Marcello Mastroianni. En niemand is hier uit de toon. Allemaal voelden ze de absurde humor aan die Ferreri met zijn film beoogde. Zoals de geweldige scène waarin Catherine Deneuve en Marcello Mastroianni naar elkaar smachten en zij dan ernstig zegt: ‘Mijn arme hart is als een galopperende pony.’

De jaren zeventig was sowieso een topdecennium voor films met Parijs in een ongewone setting:

  • Brief von Paris (Valerian Borowcyk)
  • Daguerrotypes (Agnes Varda; portret van winkeliers in de straat waar zij leefde, Rue Daguerre)
  • C’était un rendez-vous (Claude Lelouch scheurt door Parijs in een korte ‘film’)
  • Last Tango in Paris (Bernardo Bertolucci)
  • Céline et Julie vont en bateau (Jacques Rivette)
  • Le grand blond avec une chaussure noire (Yves Robert)
  • Buffet Froid (Bernard Blier; komedie rondom de flats in La Defense)

Film: https://www.youtube.com/watch?v=LyJbSPd-yAk
Korte documentaire over de film: https://www.dailymotion.com/video/xff7wf

 

Le Pont du Nord (1981)

Le Pont du Nord (1981): tour door Parijs

Locaties: 48 verschillende locaties door heel Parijs; 3e, 4e, 5e, 9e, 10e, 12e, 14e, 15e, 16e, 19e en 20e arrondissement

Twee vrouwen klungelen wat aan in Parijs tot ze elkaar tegenkomen via een ongeluk. Ze kopen croissantjes, bekijken standbeelden van leeuwen, posten brieven. De een houdt van vandalisme, de ander is op zoek naar iemand.

Pas na twintig minuten beginnen Marie en Baptiste met elkaar te praten. Een opmerkelijk vrouwelijk verhaal van de hoofdrolspeelsters zelf, die moeder en dochter zijn in het echt: Bulle (Marie) en Pascale Ogier (Baptiste, al heel modern aldoor met een enorme koptelefoon op). Ze schreven dat samen met Suzanne Schiffmann en regisseur Jacques Rivette.

Het script is langdradig en vaag en Pascale kan niet zo goed acteren. Toch is er veel ongewoons in details te zien. Solex en motor dagen elkaar uit als moderne paarden. Een levensgevaarlijke spurt naar de Arc de Triomphe. Flauwvallen in de metro. Wakker worden in een auto.

En natuurlijk véél Parijs: 48 locaties in verschillende arrondissementen. Iemand heeft ze allemaal opgezocht en er zelfs een kaart van gemaakt. Le Pont du Nord bevat cameragenieke locaties als de Arc de Triomphe, Place Denfert-Rochereau, Rue de Bellefon (die komt ook voor in Le Grand Blond), Place Gustave Toudouze, Rue des Eaux, Place Félix Eboué (fontein met leeuwenstandbeelden), Pont Bir-Hakeim, Place Stalingrad, Rue d’Hautpoul, de markt bij Le Carreau du Temple, Rue Perrée, La Petite Ceinture (verlaten treinspoor). Je kunt praktisch in hun voetsporen lopen.

De film hopt vrij achteloos van de ene plek naar de andere. Echt logisch is het niet maar de stad is hier een soort fraaie bijzaak in een film die zich helemaal buiten afspeelt. Passend dus bij het concept van de nouvelle vague. Rivette bleef trouwer aan dat concept dan Godard. Voor deze film maakte hij eerst nog een versie van 30 minuten, Paris s’en va. In feite dezelfde beelden maar zonder dialoog.

Ook hier het thema van de huizensloop. In Le Pont du Nord zien we in de Rue de la Croix Saint-Simon (Montreuil, 20e arrondissement) een Parijs met hekken en hijskranen, dat stinkt van de dieseldampen. Met de afbraak van de abattoirs van Vaurigard doet de film ook denken aan Touche pas à la femme blanche. En net als bij Tati wil een moderne telefooncel je liever vermoorden dan je helpen. Dit Parijs van 1981 is niet romantisch, maar ook niet cynisch; simpelweg een moderne stad.

Er zijn niet enorm veel filmklassiekers in Parijs van de jaren tachtig:

  • Diva (Jean-Jacques Beineix)
  • Les uns et les autres (Claude Lelouch)
  • Les nuits de la pleine lune (Éric Rohmer)
  • Police (Maurice Pialat)

Meer lezen: https://www.thecinetourist.net/le-pont-du-nord-locations-identified.html

 

Chacun cherche son chat (1996)

Chacun cherche son chat (1996): buurt zoekt kat

Locatie: Bastille; 11e arrondissement

In Chacun cherche son chat (1996) brengt Chloe haar kat (Gris-Gris) vanwege een vakantie tijdelijk onder bij Madame Renée. De kat loopt weg. Voor ze het weet, bemoeit de hele buurt zich ermee. Djamel gaat wel héél enthousiast zoeken terwijl Chloe juist ook driftig op zoek is naar liefde.

Mijn lievelingsfilm in hoe Parijs wordt neergezet als gemeenschap. Het idee is eenvoudig maar effectief: door een spoorloze kat worden burenrelaties ineens herontdekt. Een pure liefdesverklaring aan het arrondissement waar ik zelf ook twee weken ‘woonde’: het 11e arrondissement, ten oosten van de Place de la Bastille. Een leuke, gemengde wijk, waar de toeristen niet snel komen want er zijn geen echte attracties. In de film zien we onder andere de Passage de Taillandiers, Rue de Charonne, Avenue Ledru-Rollin. Café Pause bestaat ook nog steeds!

De film laat zien dat een komedie ook serieuze thema’s kan behandelen, zoals gentrificatie en eenzaamheid. Het eerste beeld zegt genoeg: vier hijskranen in beeld. Het barst van de gebouwen die gesloopt worden (ook hier weer een flashback naar Touche pas à la femme blanche) en braakliggende terreinen. Lokale winkeltjes worden vervangen door dure, hippe kledingzaken die niets met de buurt hebben. Madame Renée klaagt er al over: ‘Koffie is duur bij die cafés. Tien franc voor een bakje. Elders kost het maar vier franc. Dat is ook prima.’

Regisseur Cédric Klapisch heeft altijd een lichtvoetige manier van vertellen. Zo introduceert hij het 11e arrondissement met geluid van een drummer. Terwijl Chloe door de wijk loopt, gaat de drumbeat mee. Ook het shot van de kakofonie van telefoongesprekken is mooi in beeld gebracht. En hoe ze op vakantie gaat, is hilarisch. Misschien zijn alleen de droompassage en Chloe’s flirt met haar huisgenoot iets teveel van het goede.

Latere films van Cédric Klapisch werden meer soapy en langdradiger (denk aan de trilogie L’auberge espagnole (2002, Barcelona), Les poupées russes (2005, Sint-Petersburg) en Casse-tête chinois (2013, New York)). Hoofdrolspelers: Audrey Tautou en Romain Duris (die hier de drummer speelt). Toch zijn die film nog steeds goed te doen en daarnaast waren ze ook nog eens een commercieel succes. Dan is er nog Klapisch’ Paris (2008), óók met Romain Duris: een ex-danser bekijkt de stad gedwongen vanaf zijn balkon omdat hij een hartprobleem heeft.

In de jaren 90 werd meer dan ooit in Parijse straten gefilmd:

  • La Haine (Matthieu Kassovitz)
  • L.627 (Bertrand Tavernier)
  • Les amants de Pont-Neuf (Leos Carax)
  • On connaît la chanson (Alain Resnais)
  • Okno v Parizh (Yuri Mamim)
  • Louise (Take 2) (Siegfried)
  • Les rendez-vous de Paris (Éric Rohmer)

Meer lezen: https://filmkrant.nl/recensies/chacun-cherche-son-chat/

 

De battre mon cœur s'est arrêté (2005)

De battre mon cœur s’est arrêté (2005): vuist versus piano

Locatie: diverse plaatsen; 1e en 14e arrondissement

Om muziek te oefenen heb je rust in je donder nodig. Dat heeft Thomas niet. Als beroep slaat hij mensen uit hun huizen. Zijn vader is ook nog eens onhandig met geld. Als Thomas de ‘Toccata’ van Bach oefent, lijkt zijn voornaamste doel om zo snel mogelijk het einde te bereiken. En daar is zijn Chinese pianojuf niet zo blij mee.

Een drama dat goed in elkaar zit, dat zie je niet elke dag. Het is niet feilloos (het morele dilemma van de hoofdpersoon zie je van ver aankomen, er blijven wat verhaallijnen onafgerond). Het is vooral de kraak en smaak waarmee Jacques Audiard deze remake van Fingers (1978) in elkaar heeft gezet. En hoe goed Romain Duris past in de rol van Thomas Seyr: nerveus, opgejaagd, gozer van de straat, en ook een beetje kunstzinnig.

Het Parijs in deze film is volstrekt anoniem. Bars, cafés, straten, boulevards, huizen: je herkent helemaal niets. Er is geen bordje of naam van een plek te zien. We zien alleen (het intussen gesloten) Café Les Jardins d’Issoire. Parijs is misschien bedoeld als een stedelijke vertaling van New York in het origineel: dan is de Eiffeltoren niet zo gepast.

De jaren nul zijn een afspiegeling van de tijd: weinig films weten meer van Parijs te maken dan clichés. Neem een grote misdaadfilm als 36 Quai des Orfèvres. Heeft zelfs een adres als naam maar trekt toch meer tijd uit voor nietszeggende close-ups dan voor de stad zelf. The Dreamers van Bertolucci komt bij mij toch niet verder dan een krampachtige poging om Jules et Jim te evenaren.

De stad figureert meer dan ooit in grote Hollywoodfilms (The Bourne Identity, The Da Vinci Code, The Devil Wears Prada, Before Sunset, Inception, Taken). Het is meer de stad waar de film neerstrijkt, dan een film die écht over de stad gaat. Franse (indie-)cineasten filmen volgens mij juist steeds vaker in andere steden en gebieden in Frankrijk. Voor deze periode kan ik alleen de tv-serie Engrenages (2005-2020) aanraden voor meer van het échte Parijs.

Meer lezen: https://www.lemonde.fr/cinema/article/2005/03/15/de-battre-mon-c-ur-s-est-arrete-dans-la-ville-corrompue-par-l-argent-la-redemption-est-au-bout-des-doigts_401700_3476.html

 

Bronnen

 

Lees ook deel 2: Camera Obscura Special: New York

 

5 juni 2022

Westerse pathologische beeldvorming

Westerse pathologische beeldvorming

door Yordan Coban

Met de dreiging van de Derde Wereldoorlog kan het zeker geen kwaad om een kritisch licht te werpen op de westerse beeldvorming, vooral ook omdat de oorlog met Rusland voornamelijk een propagandaoorlog is.

De afbraak van de vrije Russische media is al een tijdje aan de gang maar is in deze oorlog in korte tijd redelijk geëscaleerd tot een volledige onderwerping en beheersing. Het is natuurlijk een groot goed dat we de Oekraïners helpen en de wereld massaal haar rug keert naar een bloeddorstige dictator, maar het kan geen kwaad om juist nu een kritische blik te werpen op de wijze waarop het westen bepaalde onderwerpen onder de aandacht brengt.

Caché (2005)

Caché (2005)

In dit essay kijk ik nader naar Caché (2005) van Michael Haneke. Het werk van de Oostenrijkse filmregisseur is altijd voorzien van een doortastend zelfbewust begrip van de ideologische verdovende werking van moderne media. Met dit begrip dringt de volgende vraag zich op: hoe maak je verantwoordelijke media? 

In Caché lijkt alles wat Haneke groots maakt samen te komen. Het mysterie dat zich aan de kijker opdringt, is haast niet in één bezichtiging te ontrafelen. Tegenwoordig kan je in principe elk antwoord of elke interpretatie op het internet vinden, toch is het juist een uitdaging om zelf detective te spelen. De antwoorden op de vragen die de film opwerpt, worden op het internet open en bloot gegeven. Haneke vindt dat een kijker die wanhopig op zoek gaat naar een antwoord bij het mysterie juist tegen alles ingaat waar het in zijn werk om te doen is.

Digitale schemerwereld
Haneke waarschuwt voor het digitale tijdperk waarin wij leven. De mens krijgt al zijn drama van het beeldscherm en distantieert zich daarmee van de realiteit. Het eerste shot van Caché geeft dat het beste weer. De kijker wordt bedrogen omdat het lijkt alsof je kijkt naar de realiteit, terwijl het slechts een videoband is (alhoewel het natuurlijk überhaupt al vanaf een scherm afgespeeld wordt). In Haneke’s werk zijn media en realiteit altijd vervaagd en vervlochten tot een verstoord geheel.

In Caché vindt de confronterende realiteit zich een weg tot het leven van de hoofdpersonages via opgestuurde anonieme videobanden. Deze banden bevatten lange fragmenten van het huis van George Laurent (Daniel Auteuil) en Anne Laurent (Juliette Binoche). De twee bevinden zich in welgestelde kringen van de Parijse bourgeoisie. Toch heerst er onder hun sereen bestaan een duister geheim, een diepgeworteld subtiel geweld dat aangewakkerd wordt door de mysterieuze videobanden. Geweld dat niet slechts verwikkeld ligt in de wortels van het leven van deze twee Parijzenaren maar een kritische blik werpt op de gehele westerse samenleving. Een begrip dat zich met de bezichtiging sterker wortelt in het bewustzijn van de kijker.

Sociologische parabool
De aangerichte schade van vorige generaties wordt vaak ondergesneeuwd door een hardnekkige verharding van de samenleving. Deze consequenties lijken ver begraven in het bewustzijn van welvarend Europa. Een verharding die zijn grondslag kent in hebzucht en leugens over moraal en principes. In een dogmatisch geketende wereld waarin iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn falen of geluk is er geen ruimte voor, zoals Mark Rutte zou zeggen, “sociologische verklaringen”.

Funny Games (1997)

Funny Games (1997)

Een daad kan nooit als een daad op zich beoordeeld worden, en dient altijd in zijn historische context bezien te worden. Caché is in dit licht een perfecte parabool voor de maatschappelijke spanningen op het gebied van migratie en de multiculturele samenleving. Daarnaast is de film een subtiele karakterstudie van een breed gedragen westerse pathologie. Maar bovenal is de film een realistische thriller die een angstaanjagend licht schijnt op onze weerloosheid in het digitale tijdperk dat zich kenmerkt door surveillance en misleiding.

Nieuwe realiteit
Media als Simulacrum zijn in de moderne tijd een belangrijk onderdeel geworden van het menselijk bewustzijn; de nieuwe realiteit. Dat fenomeen is ook accuraat verfilmd in bijvoorbeeld Videodrome (1983) en Network (1977) en terug te lezen in de filosofische ideeën van Noam Chomsky en Jean Baudrillard. De mens en het scherm zijn op gecompliceerde wijze met elkaar verbonden. In elk aspect van het moderne bestaan leeft de mens door schermen. Haneke laat in Caché zien dat de wijze waarop Europa met vluchtelingen omgaat niet alleen slechts de waanwereld van media en politiek is, maar de pijnlijke realiteit die ons waarschijnlijk met geweld zal achterhalen.

Haneke stelt dat alle mediamakers in de kern manipulators zijn. Het maken van media brengt daarom een enorme verantwoordelijkheid met zich mee. De enige manier om deze manipulatie te legitimeren, is door hier als mediamaker zelfbewust over te zijn, door de kijker te herinneren aan het feit dat hij gemanipuleerd wordt. Alleen dan neem je de kijker waarlijk serieus. De knipoog in Funny Games (1997) is misschien wel Haneke’s meest expliciete voorbeeld hiervan.

Momenteel zijn er zo’n miljoen Oekraïense vluchtelingen naar het westen gevlucht door de oorlogszucht van Poetin. Gelukkig lijkt het westen (aangezien het nu gaat om Europese vluchtelingen met de juiste huidskleur) adequaat te reageren op deze toestroom. Laat de houding tegenover Oekraïners een nieuw precedent stellen. Er is namelijk geen wezenlijk verschil tussen vluchtelingen uit Oekraïne, Afghanistan, Syrië of Irak. Die verschillen zijn er slechts in onze ideologische benadering jegens deze vluchtelingen en in onze oppervlakkige beeldvorming in de media die confronterende causale verbanden liever wegdrukken onder de pathologie van welvaart.

 

15 maart 2022


ALLE ESSAYS

10 grensverleggende films

Tien grensverleggende films

10 grensverleggende films

Feitjes over films zijn altijd leuk. Nog leuker is om je te realiseren wat ze allemaal in gang hebben gezet. Tien mijlpalen in de filmgeschiedenis die de grenzen verlegden: van de allereerste speelfilm tot en met de eerste bewustwordingsfilm over voeding.

door Cor Oliemeulen

1. – The Story of the Kelly Gang (1906) – allereerste speelfilm

Niet Amerikanen of Europeanen maakten de allereerste speelfilm. Ene Charles Tait uit het Australische goudzoekersparadijs Castlemaine en twee van zijn broers vertoonden op 26 december 1906 het bijna zeventig minuten lange The Story of the Kelly Gang. Dit westerndrama gaat over de beruchte Ierse balling Ned Kelly, die na de moord op drie politiemannen vogelvrij werd verklaard. Veel fragmenten op de filmrol hebben de tand des tijds niet goed doorstaan of zijn simpelweg verdwenen. In de gerestaureerde versie zijn foto’s en teksten geplakt om de leemtes in het verhaal op te vullen. Wat opvalt is het gebruik van echte pistolen! Tijdens schermutselingen wordt er vaak bewust in de grond of in de lucht geschoten, waarna tegenstanders toch dood neervallen. Charles Tait kreeg negen kinderen en maakte geen tweede speelfilm.

 

2. – Nanook of the North (1922) – eerste documentaire

Robert J. Flaherty was goudzoeker aan de andere kant van de wereld, in het hoge noorden van Canada, en maakte daar prachtige natuuropnames met mens en dier. Op een dag knoeide hij sigarettenas op zijn kilometerslange, uiterst brandbare rollen celluloid en werden alle opnamen vernietigd. Flaherty, die een relatie met een Eskimofamilie had opgebouwd, begon weer vol goede moed aan zijn film over het leven van de Inuit. Maar wat bleek later? Sommige fragmenten waren in scène gezet, zoals de vangst van een zeehond – die al dood was toen die zogenaamd door Nanook en zijn gezin onder het ijs vandaan werd getrokken. De vraag is of Nanook of the North door het manipuleren van de werkelijkheid een echte documentaire is. In ieder geval schetst de film een authentiek beeld van de ongerepte natuur in het noordelijk poolgebied.

 

3. – La coquille et le clergyman (1928) – eerste surrealistische speelfilm

Het door de Franse schrijver André Breton in 1924 gepubliceerde Manifest van het Surrealisme predikte een levenshouding. Fantasierijk, volledige vrijheid, loslaten van het verleden en zich niets aantrekken van bestaande regels. De visuele verbeeldingskracht staat los van verstand en logica, en is toepasbaar op alle kunstvormen. De beroemdste vroege surrealistische film is Un chien andalou (1928), waarmee Luis Buñuel en Salvador Dalí de gevestigde orde schokten. Maar de allereerste surrealistische speelfilm verscheen eerder dat jaar. In La coquille et le clergyman (De zeeschelp en de priester) van regisseuse Germaine Durlac maken we kennis met de dromen en erotische fantasieën van een priester. Het zowel originele als maffe script is van Antoine Artaud, die later met de introductie van zijn Wrede Theater ‘te surrealistisch’ werd bevonden door Breton en consorten.

 

4. – The Ox-Bow Incident (1943) – eerste humane western

In westerns werden indianen als bloeddorstige barbaren afgeschilderd. Dat negatieve beeld veranderde met de revisionistische western, waarin indianen en Mexicanen juist als sympathieke mensen worden neergezet. Mooie voorbeelden zijn High Noon (1952), Little Big Man (1970) en Dances with Wolves (1990). Al in 1943 verscheen The Ox-Bow Incident van William A. Wellman dat een sleutelrol speelt in de geschiedenis van de western. Deze eerste humane western houdt een pleidooi voor de rechtstaat als fundament van de samenleving. Drie mannen worden verdacht van moord en zonder proces opgehangen door een hysterische menigte. Later blijken ze onschuldig. Eén van de terechtgestelden had nog een afscheidsbrief mogen schrijven. In de ontroerende finale leest het personage van Henry Fonda, één van de weinigen die de executies probeerde te verhinderen, de brief voor aan een saloon vol daders.

 

5. – Sommaren med Monika (1953) – eerste vrijgevochten film

De Zweedse filmmaker Ingmar Bergman genoot een strenge opvoeding (vader was luthers predikant), was bang voor de dood en twijfelde aan God en het geloof. Dat resulteerde in 1957 in het meesterwerk Det sjunde inseglet (Het Zevende Zegel). Vier jaar eerder zorgde Bergmans doorbraakfilm Sommaren med Monika (Zomer met Monika) al voor de nodige ophef. Een vrijgevochten meisje (Harriet Andersson), dat met haar vriendje vlucht voor haar burgerlijke ouders, gaat uit de kleren. In Amerika ging de schaar in Bergmans vernieuwende, realistische filmstijl, en bleven hoofdzakelijk beelden van het stoute meisje over. “In de buurt werd er gesproken over een naaktscène. Zoiets was destijds ongehoord in Amerikaanse films”, zei regisseur Woody Allen, die net als veel anderen pas later Bergmans werkelijke kwaliteiten zou ontdekken.

 

6. – L’avventura (1960) – eerste moderne filmvertelling

Naast Bergman plaveide Michelangelo Antonioni de weg voor Europese films in Amerika. Tijdens zijn hele oeuvre bestudeerde de Italiaanse maestro van de moderne cinema de zoektocht naar betekenis en toonde hij zijn personages niet conform de toen geldende filmwetten. Zo worden hartstochtelijke vrouwen en communicatief impotente mannen in een dialoog met de rug naar elkaar geplaatst om hun psychologische afstand te symboliseren. Vanaf L’avventura (1960) wordt het verhaal ondergeschikt aan de gevoelens en worden de personages geplaatst in een omgeving die hun gemoedstoestand benadrukt, soms heel nietig in een overweldigend landschap of als een stipje voor een gigantische muur. Tijdens de wereldpremière op het filmfestival van Cannes klonk veel gejoel. Het publiek vond de shots veel te lang en kon het niet verteren dat hoofdrolspeelster Anna zomaar verdwijnt om vervolgens niet meer terug te keren in het verhaal.

 

7. – Straw Dogs (1971) – eerste verkrachtingsscène

Nog voordat de Hays Code in de Verenigde Staten werd afgeschaft, trok een schietgraag overvalkoppel in Bonnie and Clyde alle ongecensureerde registers open. Seks, drugs en vooral geweld vulden vanaf 1967 het witte doek. Gevlucht voor de verruwing in zijn geboorteland betrekt een Amerikaanse astrofysicus met zijn Britse vrouw in Straw Dogs een groot huis op het Engelse platteland. Helaas loopt hun relatie met enkele ingehuurde werklieden niet van een leien dakje en duurt het niet lang voordat iemand zich aan de vrouw des huizes (Susan George) vergrijpt. Natuurlijk kende de filmgeschiedenis al suggestieve aanrandingen, maar zeker een regisseur als Sam Peckinpah wist wel raad met het schokkend in beeld brengen van de dubbele verkrachtingsscène (waarbij het lijkt alsof de vrouw aanvankelijk nog geniet). Het is aan manlief (Dustin Hoffman) om zich uiteindelijk over te geven aan een bloederige wraakorgie.

 

8. – Westworld (1973) – eerste film met CGI

Beste millennial. Er was een tijd dat een grote ruimte vol computerkasten minder capaciteit had dan een enkele chip in je telefoon. Tegenwoordig kan film elke illusie creëren en digitale animatie zie je in bijna elke game en Hollywoodproductie. Wat nu normaal is, was vroeger bijna lachwekkend. De eerste speelfilm waarin CGI (Computer Generated Imagery) werd toegepast, is Westworld (1973). In het sciencefictionverhaal van debuterend regisseur Michael Crichton slaan bij een ‘gunslingerrobot’ (Yul Brynner) in een futuristisch amusementspark de stoppen door. Gelukkig is zijn zicht – dat bestaat uit grove pixels (gemaakt door de computer) – wat beperkt. Hoe knullig de scène er nu ook uitziet, hij zette wel de deur open voor bijvoorbeeld de eerste volledig met de computer gemaakte film: Toy Story (1995).

 

9. – Festen (1998) – eerste Dogme 95-film

In het ontwaakte digitale tijdperk kregen filmmakers in Denemarken de behoefte terug te keren naar de basis. Lars von Trier en Thomas Vinterberg stelden een manifest met tien regels op. Je moest voortaan op 35mm filmen, op locatie met de camera in je hand, zonder extra belichting. De film mocht geen oppervlakkige actie bevatten en het manipuleren van beelden (effecten en filters) was natuurlijk uit den boze. Deze ‘eed van zuiverheid’ leidde tot de eerste zogenoemde Dogme 95-film: Festen (1998). Het beeld van de reünie waar de zestigste verjaardag van pa wordt gevierd, is korrelig, soms schokkerig, en oogt authentiek. Het drama is zo werkelijk dat Thomas Vinterberg tijdens de beroemde incesttoespraak een deel van de acteurs in het ongewisse hield over de afloop. Ondanks het nobele streven, was na een paar jaar weinig meer van Dogme 95 over.

 

10. – Food, Inc. (2008) – eerste bewustwordingsfilm over voeding

Terwijl in Nederland de meeste boeren hun best doen om een verantwoord product op tafel te zetten, nemen ze het in Amerika niet zo nauw. Food Inc. gaf als eerste film een interessant kijkje achter de façade van vrolijk huppelende koeien in groene weiden die op pakken zuivel staan afgebeeld. Overzee blijkt voedselproductie in handen van megagrote bedrijven die nauwelijks oog hebben voor dierenwelzijn en verantwoord bodemgebruik. Ze worden bovendien gesubsidieerd door de overheid, want op groente en fruit valt weinig winst te behalen. In hamburgers zit soms ‘vlees’ van tientallen runderen, waardoor de oorsprong van eventuele ziektekiemen moeilijk is te achterhalen. Ook documentaires als Super Size Me (2004), waarin je lekker onverantwoord kunt eten bij McDonalds, maakten de weg vrij voor een reeks bewustwordingsfilms over dierenonwelzijn, vet, suiker en tal van andere producten waarvan we het naadje van de kous niet wisten.

 

21 december 2019

 
Alle leuke filmlijstjes

Mizoguchi en de Japanse cinema van de jaren vijftig

Kenji Mizoguchi en de Japanse cinema van de jaren 50
Ambacht en vrijheid in een nieuwe wereld

door Alfred Bos

Kenji Mizoguchi is geboren in 1898, het jaar waarin de eerste Japanse speelfilm werd gemaakt. De Japanse cinema kende in de jaren vijftig en begin zestig van de vorige eeuw een periode van ongekende bloei. Artistiek vakmanschap en creatieve vrijheid produceerden een reeks van meesterlijke films.

Was het een propagandafilm? Het eerste deel van Kenji Mizoguchi’s The 47 Ronin verscheen op 1 december 1941 in de Japanse bioscoop, zes dagen voor de aanval op Pearl Harbour; deel twee volgde op 11 februari 1942. Het tweeluik gaat over trouw aan de erecode van de samoerai. Liever harakiri dan eerloos door het leven, bushidō (de weg van de krijger) als doodcultus.

The 47 Ronin: Part 1 (1941)

The 47 Ronin: Part 1 (1941)

Vier jaar later lag Japan volledig in puin. Industrie en infrastructuur waren verwoest, een aanzienlijk deel van de bevolking was dakloos en leed honger. Het militaire regime van de jaren dertig, met de keizer als goddelijk idool, had geen glorie, maar dood en ellende gebracht. Na de Tweede Wereldoorlog kwam het land onder Amerikaans bestuur en werd in ijltempo gemoderniseerd, om in de jaren vijftig economisch en cultureel uit te groeien tot een macht van formaat.

Tijdens de oorlogsjaren zagen Mizoguchi en andere Japanse regisseurs een aanzienlijk deel van hun werk verloren gaan. Het werd verwoest tijdens het vuurbombardement in de nacht van 9 op 10 maart 1945, toen de Amerikaanse luchtmacht een half miljoen napalmbommen over de hoofdstad van Japan uitstrooide. Nog geen tien jaar later was de Japanse cinema een fenomeen en won prijzen op de filmfestivals van Venetië en Cannes.

Ongekende bloei in jaren vijftig
Kenji Mizoguchi (1898-1956) wordt met Yasujirō Ozu en Akira Kurosawa gerekend tot het gouden trio van de Japanse cinema uit de jaren vijftig, een tijd van ongekende bloei. Hun werk was voor het eerst buiten Japan te zien, de regisseurs kregen internationale erkenning en aan de stroom filmische meesterwerken van Japanse makelij leek geen eind te komen.

Het topje van de ijsberg: Rashōmon (Kurosawa 1950, Gouden Leeuw Venetië 1951), The Life of Oharu (Mizoguchi 1952, Internationale Prijs Venetië 1952), Ugetsu (Mizoguchi 1953, Zilveren Leeuw Venetië 1953), Sanshō the Bailiff (Mizoguchi 1954, Zilveren Leeuw Venetië 1954), Seven Samurai (Kurosawa 1954, Zilveren Leeuw Venetië 1954), Gate of Hell (Teinosuke Kinugasa 1953, Grote Prijs Cannes 1955).

Waar komt die bloei vandaan? De grond was rijp, het klimaat gunstig.

Al werd het westen zich er pas in de jaren vijftig van bewust, Japan heeft een van de oudste – en grootste – filmindustrieën ter wereld. In de jaren twintig van de vorige eeuw ontstond een dynamische bedrijfstak waarin jonge creatievelingen de mogelijkheden van het nieuwe medium verkenden. Jidai-geki of antiek drama, meestal gesitueerd in het feodale Edo-tijdperk van de shoguns (1600-1868), werd even populair als het eigentijdse drama (gendai-geki) van buitenlandse afkomst of eigen origine.

Regisseurs als Ozu en Mizoguchi hadden reeds vanaf de jaren twintig een reeks films gemaakt; vaak zonder geluid, tot eind jaren dertig bleef een aanzienlijk deel van de Japanse filmproductie stom. Met vaste creatieve teams en technici produceerden ze voor de studio’s meerdere films per jaar, als een gedisciplineerde en geoliede machine. De studio’s dicteerden, zij draaiden. Aldus werd de eerste generatie Japanse cineasten – naast Mizoguchi en Ozu onder meer Tomotaka Tasaka en Hiroshi Shimizu – meesters van hun ambacht. Daar deed de verloren oorlog niets aan af.

Ugetsu Monogatari (1953)

Ugetsu Monogatari (1953)

Creatieve explosie
In 1932 nam het leger de macht over in Japan en vanaf 1939 werd de vrijheid van de filmindustrie beperkt; de overheid dicteerde de productie van propagandafilms en documentaires over Japanse cultuur en traditie. Na de Tweede Wereldoorlog werd het land onder Amerikaanse bezetting en bestuur ingrijpend hervormd; en de media gecensureerd op verheerlijking van keizer en traditie. En verkrachting door Amerikaanse soldaten, een epidemie in de naoorlogse bezettingsjaren.

In 1952 eindigde het Amerikaanse bestuur en kreeg Japan zijn soevereiniteit terug. Een generatie van filmmakers met dertig jaar ervaring kon plots in vrijheid, niet gehinderd door overheid of censuur, aan de slag in een nieuwe samenleving. Het gevolg: een explosie van creativiteit, goed voor een aantal van de mooiste zwart-witfilms ooit gemaakt.

De gouden eeuw van de Japanse cinema duurt van 1948, het jaar waarin Akira Kurosawa zijn eerste film maakte met acteur Toshirō Mifune (Drunken Angel), tot en met 1964, het jaar waarin Kurosawa zijn laatste film met Mifune (en laatste zwart-witfilm) draaide, Red Beard. In 1949 vond Yasujirō Ozu zijn hoogstpersoonlijke stijl in Late Spring, de eerste van een reeks films die werd afgebroken door zijn dood in 1963. In de eerste helft van de jaren vijftig maakte Kenji Mizoguchi zijn belangrijkste films.

New wave
Hoe intens de Japanse cinema bloeide in die gouden periode illustreert de volgende, tot creatieve pieken beperkte opsomming. Muzoguchi en Ozu waren niet de enige veteranen van de jaren twintig-generatie die een nieuw niveau van expressie bereikten. Teinosuke Kinugasa, die in 1926 het surrealistische avant-garde meesterwerk A Page of Madness had gemaakt, kwam met het samoeraidrama Gate of Hell (1953), de eerste Japanse film gedraaid in Eastmancolor. Keisuke Kinoshita, een leeftijdgenoot van Kurosawa, maakte het wonderschone Twenty-Four Eyes (1954), een film die meer erkenning verdient.

The Burmese Harp (1956)

The Burmese Harp (1956)

Kon Ichikawa trok de aandacht met zijn de anti-oorlogfilms The Burmese Harp (1956) en Fires on the Plain (1959). De door Mizoguchi beïnvloede Kaneto Shindo maakte met The Naked Island (1960) een existentieel drama zonder dialoog. Seijun Suzuki (beroemdste film: Tokyo Drifter, 1966) en Ishirō Hondo, de assistent-regisseur van Kurosawa, werden groot als regisseur van genrefilms; Hondo creëerde met Godzilla (1954) het genre van de monsterfilm, kaiju. Het oeuvre van Mikio Naruse, met zijn tragische vrouwen en humanistische toon, kan wedijveren met dat van Mizoguchi en Ozu.

Bovendien debuteerde een nieuwe generatie regisseurs, ze zouden met maatschappelijk geëngageerde en fel-realistische films de ruggengraat vormen van de Japanse new wave van de jaren zestig: Masaki Kobayashi (debuut: Youth of the Son, 1952), Shohei Imamura (debuut: Stolen Desire, 1958), Nagisa Oshima (debuut: A Town of Love and Hope, 1959), Masahiro Shinoda (debuut: One-Way Ticket for Love, 1960) en Susumu Hani (debuut: Bad Boys, 1961). De cinema van Japan was in luttele jaren uitgegroeid tot een grootmacht. Soft power in plaats van militair machismo.

Traditie versus moderniteit
De dynamiek van de Japanse cinema in de jaren vijftig reflecteert de spanning tussen traditie en de moderne tijd. Vertrouwde ideeën staan onder druk, nieuwe westerse (Amerikaanse) waarden worden populair. In een hiërarchisch georganiseerde samenleving waarin elk aspect van sociale interactie verloopt volgens regels en riten, is vrijheid een bron van onzekerheid en verwarring. Traditie versus moderniteit is het hoofdthema van de dertien films die Yasujirō Ozu tussen 1949 en 1962 maakte. Ozu’s toon is empathisch en berustend. In films als Scandal (1950) en The Bad Sleep Well (1959) van Akira Kurosawa dreigen morele corruptie en chaos de overhand te krijgen. Ze bruisen van energie.

De beeldtaal van Ozu is streng formalistisch: het beroemde kikkerperspectief. Kurosawa’s filmstijl daarentegen is heel dynamisch (westers, meent men in Japan) qua cameravoering en montage. In Scandal wordt een kunstschilder lastig gevallen door roddelfotografen, ruim voor het fenomeen paparazzi in het Rome van de jaren vijftig opgang deed. In The Bad Sleep Well experimenteert Kurosawa met geluid: de werkelijkheid van de scène en de geluidsband vallen niet samen.

Kenji Mizoguchi zit tussen die twee uitersten. Zijn naoorlogse films zijn jidai-geki, periodedrama spelend in het Edo-tijdperk of in de Japanse middeleeuwen, en de cameravoering is niet zozeer formalistisch, eerder gestileerd, maar tegelijkertijd dynamisch, met elegante crane en dolly shots. Zijn artistieke uitgangspunt ‘één scène, één shot’ – overgenomen door Tarkovski – vereist een tot in detail gecomponeerde mise-en-scène, die meesterlijk is uitgelicht. Het resultaat zijn zwart-witfilms die betoveren met grijstinten.

The Story of the Last Chrysanthemums (1939)

The Story of the Last Chrysanthemums (1939)

Dames van plezier
Veel van Mizoguchi’s films behandelen de positie van de vrouw in de samenleving en hun leven als tweederangsburgers die blootstaan aan vernedering en geweld. Zijn eerste succesfilm, Osaka Elegy (1936), gaat over een zelfstandige vrouw die haar baan en bestaan opgeeft voor een getrouwde man, om verstoten en in totale eenzaamheid te eindigen. Dat overkomt ook een van de twee geisha’s in Sisters of the Gion (1936), de ander wordt na alle emotionele mishandeling een mannenhaatster.

Mizoguchi’s persoonlijke stijl van lange shots en doorgecomponeerde mise-en-scène vindt zijn vorm in The Story of the Last Chrysanthemums (1939), waarin een vrouw haar persoonlijke geluk offert voor de glorie van haar (aanstaande) echtgenoot, een acteur. Met collega en tijdgenoot Mikio Naruse heeft Mizoguchi zijn medeleven gemeen voor vrouwen die moeten overleven door als geisha, yūjo (dame van plezier) of oiran (courtisane) mannen te vermaken. Dat heeft wellicht een persoonlijke reden: zijn zus werd verkocht als geisha, zijn vader was een bruut die zijn moeder en andere zus mishandelde.

The Life of Oharu (1952) is, zoals veel naoorlogse films van Mizoguchi, gebaseerd op een historische vertelling. De regisseur ontleende het verhaal van een concubine die door haar vader tot prostitutie is gedwongen, aan een roman uit de zeventiende eeuw. Oharu eindigt het in flashbacks vertelde verhaal – net als de maîtresse uit Osaka Elegy – eenzaam en alleen. Ook The Crucified Lovers (1954), gebaseerd op een achttiende-eeuws toneelstuk over twee gedoemde minnaars, is een catalogus van misogynie en wreedheid tegen vrouwen.

In Mizoguchi’s films zijn ze de speelbal van mannelijke grillen en het lot. Ze worden mishandeld, ontvoerd, verhandeld, uitgebuit, verkracht, gebrandmerkt, gekruisigd en vermoord. Het overkomt Miyagi, de vrouw van de pottenbakker in Ugetsu (1953), de verfilming van een spookverhaal uit de achttiende eeuw. In de feodale wereld van de historische films is de vrouwenhaat nog een tandje heftiger dan in Muzoguchi’s eigentijdse drama.

Sanshō the Bailiff (1954)

Sanshō the Bailiff (1954)

Vrouwelijke genade
Geen film van Mizoguchi is daar duidelijker over dan Sanshō the Bailiff (1954), de meest kernachtige verbeelding van zijn hoofdthema’s. De film, gebaseerd op een volksverhaal, is één litanie van lijden en het boeddhisme speelt een centrale rol in het verhaal. Het leven is een martelgang, leert de film; genade en opoffering fungeren als schild tegen de wreedheid van de corrupte feodale wereld van het middeleeuwse Japan.

“Zonder genade is een mens geen mens”, houdt een integere gouverneur zijn zoontje voor in een flashback aan het begin van de film. Nadat de bestuurder is verbannen, worden zijn vrouw en kinderen ontvoerd en verkocht; de moeder als prostituee, de dochter en zoon als kindslaaf in het werkkamp van een corrupte gouverneur. Het wordt bestierd door Sanshō, een gewetenloze wreedaard.

Het contrast met Sanshō, de schurk naar wie de film is vernoemd, is diens zoon Tarō. Hij keert zich af van zijn vader en wordt monnik. Als hoofd van een tempel helpt hij Zushiō, de zoon van de gouverneur, te ontsnappen. Sanshō the Bailiff telt meer bekeringen, inkeer is een thema van de film. Een ander thema is opoffering en het zijn de vrouwen die, zoals in al Mizoguchi’s films, hun welzijn opgeven voor een man: een geliefde, familie, een vreemdeling met goede inborst. Hier geeft de zus haar leven voor haar broer.

In de hartverscheurende slotscène, op het strand waar de moeder uitkeek naar haar kinderen, vinden moeder en zoon elkaar na meer dan tien jaar van scheiding. De moeder, blind inmiddels, herkent haar zoon aan het erfstuk dat zijn vader ooit aan hem gaf, een beeld van Kwan Yin, de boeddhistische godin van de genade. De zoon vraagt haar vergiffenis voor een morele keuze: als gouverneur ontmantelde hij het werkkamp in plaats van naar zijn moeder te zoeken. Ze antwoordt: “Je hebt de leer van je vader gevolgd en daardoor hebben we elkaar weer kunnen treffen.” Voor Muzoguchi is vergeving bij uitstek een vrouwelijke eigenschap.

Japan Restored, van 6 tot en met 23 december in Eye Filmmuseum, IJpromenade 1, Amsterdam, met digitaal gerestaureerde films uit de jaren vijftig van Kenji Mizoguchi (The Life of Oharu, The Crucified Lovers, Sanshō the Bailiff) en Yasujirō Ozu (Late Spring, The Flavor of Green Tea over Rice, Tokyo Story, Floating Weeds), en The Ballad of Nayarama (1983) van Shohei Imamura. Vanaf 23 januari gaan Late Spring, The Flavor of Green Tea over Rice en Tokyo Story van Ozu in landelijke roulatie.

 

3 december 2019


ALLE ESSAYS