Jia Zhao, nieuwe artistiek directeur CinemAsia

Jia Zhao, nieuwe artistiek directeur CinemAsia:
“Verschillen tussen culturen met elkaar vieren”

door Tim Bouwhuis

Van 10 tot 15 mei zijn Studio/K en de twee vestigingen van Rialto het Amsterdamse decor van CinemAsia 2022. Het compacte, maar breed georiënteerde festival wil niet zomaar een ‘showcase’ zijn voor Aziatische cinema, vertelt artistiek directeur Jia Zhao. “Ik wil Azië op een goede manier op de kaart zetten.”

Ik spreek Jia Zhao via een videoverbinding, een week voordat ze haar eerste editie als artistiek verantwoordelijke zal beleven. De nieuwe functie betekent ook een subtiele verandering (of eigenlijk aanvulling) van perspectief voor Zhao, die ruime ervaring heeft als producente van documentaires. In 2012 richtte zij twee productiebedrijven op: Muyi Film en Silk Road Film Salon (die laatste samen met de Afghaans-Nederlandse regisseur Aboozar Amini). Afgelopen najaar draaiden er met A Marble Travelogue (Sean Wang) en I’m So Sorry (Zhao Liang) twee door Zhao geproduceerde documentaires op IDFA.

Jia Zhao

Jia Zhao

Zhao treedt aan op het moment dat CinemAsia weer een editie kan beleven die vrij is van Covid-gerelateerde maatregelen. Ik vertel dat ik het festival in 2020 bezocht op de spreekwoordelijke vooravond van de pandemie op 7 maart. Enkele bezoekers droegen al een mondkapje, maar verder wees niets er toen zichtbaar op dat Nederland binnen een paar dagen in lockdown zou gaan. Ik vraag Zhao hoe ze terugkijkt op de voorbije periode, en vandaaruit spreken we over de rol van het festival, in een veranderde wereld en met oog op de toekomst.

“In het voorjaar van 2020 bezocht ik de Berlinale nog, en gold een beetje wat jij omschrijft (het filmfestival van Berlijn eindigde ongeveer een week voor CinemAsia, red.). Ik maak(te) CinemAsia in de eerste plaats mee als een kijker, ik ga daar gewoon films zien en kan als producente een indruk krijgen welke titels qua distributie wel of niet zouden werken.”

In hoeverre kunt u ook zeggen hoe deze periode voor de organisatie van CinemAsia is geweest?

“Binnen de organisatie van het festival zijn er de voorbije jaren een aantal keer nieuwe leidinggevenden aangetreden, en dat speelde ook al vóór de pandemie. Lorna Tee is wel een aantal jaar festivaldirectrice geweest (klik hier om de gastblog te lezen die zij in 2015 schreef bij haar aantreden, red.), dus dat heeft toch een bepaalde continuïteit met zich meegebracht. Daarna waren er ups en downs. In 2021 heeft er wel een editie van CinemAsia kunnen plaatsvinden, maar momenteel zitten we in een nieuwe situatie, en is er ook wel sprake van een nieuw begin, althans dat voel ik zo. Ik denk dat het Nederlandse publiek daar ook echt op zit te wachten. Bij CinemAsia hebben we gisteren een vrijwilligersmeeting gehad en de hoeveelheid aanmeldingen was gigantisch. Mensen willen samen zijn. Zelf heb ik onlangs ook een film in de Nederlandse bioscopen gebracht (I’m So Sorry, red.) en die is in zeventien zalen uitgegaan, wat gezien het zware thema (kernenergie en nucleair afval, red.) absoluut boven mijn verwachting was.”

In uw nieuwe functie verhoudt u zich net even op een andere manier tot films als bij de titels die u zelf produceert. Hoe komen deze twee werkzaamheden samen?

“Als producente ben ik in de eerste plaats maker van films, en als je een tijd in het circuit zit ontwikkel je daarin een eigen profiel. Ik ben Chinese, ik kwam hier als student en woon nu twintig jaar of langer in Nederland. In die tijd heb ik de veranderingen gezien in de manier waarop Azië gerepresenteerd wordt. Dat was tien jaar geleden, toen ik mijn carrière als producente startte met de oprichting van mijn productiebedrijf, de belangrijkste trigger om zo aan het werk te gaan: ‘kan dat niet ook op een andere manier? En ik kan daar misschien ook iets aan doen’. Ik heb toen mijn baan als wetenschapsdirecteur opgezegd om me daar mee bezig te gaan houden.”

“Nu sta ik na tien jaar als het ware op een nieuw punt. Ik kijk dan nog een keer naar de wereld na Covid en denk dan ‘oké, ik heb film gemaakt, ik maak nog steeds film, en ben ook sales agent. Dat is één professionaliteit die ik heb ontwikkeld’. Ik heb het druk genoeg, maar vanuit een behoefte om bij te dragen (aan de positie van Aziatische cinema binnen het Nederlandse filmlandschap, red.) heb ik ‘on top of everything’ ja gezegd tegen de baan als artistiek directeur.”

Wat is in dit licht uw visie op de rol van het festival op de korte en langere termijn?

“Het is zo dat films in Nederland over het algemeen heel weinig kans hebben om gedistribueerd te worden, en daarbij gaat het niet alleen om de films zelf maar ook om de taal, bijvoorbeeld Nederlands of Chinees gesproken. In dit kader dacht ik dat CinemAsia misschien meer kon zijn dan alleen een festival, als een soort ‘launching pad’ voor films die anders geen kans maken om gezien te worden. Het festival duurt alleen maar een week, dus we zijn ook bezig met CinemAsia On Tour, en praten met het Nederlands Filmfonds over een VOD-platform, hoe klein ook, waarop geselecteerde titels met Engelse ondertiteling worden aangeboden. Op die manier kunnen we films waarvoor we sowieso een licentie hebben kunnen krijgen voor een breder publiek gaan aanbieden.”

I’m So Sorry

I’m So Sorry

“Dat vind ik belangrijk omdat ik tijdens festivalbezoeken de afgelopen jaren nog vaak het idee kreeg dat er een soort ‘showcase’ van Aziatische cinema plaatsvond. Als je daarbinnen veel erkenning kreeg, had je de kans om iets met een film te doen, maar anders niet. Dat vind ik eigenlijk niet meer van deze tijd. Als Chinese maak ik de ontwikkelingen in Azië de laatste vijftig jaar van dichtbij mee, natuurlijk vooral in China maar ook in nabije landen. De zogeheten ‘rise of Asia’ vindt niet alleen plaats op economisch gebied, maar gaat ook gepaard met culturele ontwikkelingen. Tijdens de komende festivaleditie organiseren we over dit thema een panel met de titel ‘Placing Asia on the World Map’. Ik vind het belangrijk dat we de verschillen tussen culturen met elkaar kunnen vieren. Dat betekent ook dat we met ons festival, dat gerund wordt door Aziaten vanuit verschillende culturen, verder moeten gaan dan een ‘showcase’. We moeten echt zelf iets te vertellen hebben. Via onze eigen programmering willen we diversiteit voorop stellen. Er is niemand die zelf ‘alles’ kent. Pas als je de authentieke stemmen van verschillende andere culturen tot je neemt, kun je echt een conversatie voeren.”

“Door mijn ervaring als producente en met hulp van het netwerk dat ik heb opgebouwd, kan ik er hopelijk aan bijdragen dat nog meer waardevolle stemmen een platform krijgen in onze samenleving. Er zijn hier natuurlijk verschillende migratiegemeenschappen, waar we sinds de start van het festival (als ‘community festival’) altijd veel aandacht aan hebben gegeven, maar ik wil dat Nederlanders deze culturele diversiteit ook met ons samen kunnen vieren, en dan niet vanuit Nederland, maar vanuit de Aziaten die CinemAsia organiseren en presenteren en onze blik(ken) op de wereld kunnen delen.”

Is er voldoende contact en samenwerking met vertoners en distributeurs om de gewenste verdere verspreiding van Aziatische cinema te realiseren? Als journalist zie ik vooral een overdaad aan titels, waarbij het zeker voor kleinere titels enorm moeilijk is om ertussen te komen.

“Momenteel nog onvoldoende, denk ik, maar daarom werken we eraan om een groter geïnteresseerd publiek aan te trekken. Het fysieke festival gaat dat op zichzelf niet bereiken, en dus werken we aan het genoemde VOD-initiatief. We hebben tijdens Covid meer hybride vertoningsvormen (online/offline) gezien en zijn nu in gesprek met Pathé om één keer in de maand een film te vertonen. Vervolgens zal de betreffende titel online beschikbaar blijven. Misschien is er ook nog een samenwerking mogelijk met bestaande Nederlandse VOD-platforms (Zhao noemt PICL en Cinetree, red.), die films nu vaak alleen nog met Nederlandse ondertiteling aanbieden. Dit soort multidimensionale inspanningen kunnen op termijn hopelijk tot veranderingen leiden.”

“Ik zag bij de laatste cijfers van I’m So Sorry dat ongeveer evenveel mensen hem thuis bekeken terwijl hij nog in de bioscoop draaide. We gaan een tijd van streamingdiensten in, maar dat betekent niet dat de bioscoop niet meer belangrijk is. Als er een constante wisselwerking bestaat, kun je er ook nog eens verdiepende evenementen (zoals panels) omheen plannen. We zitten door Covid in een soort transitiefase en leven nog steeds in een complexe tijd, maar hopen binnen ongeveer drie jaar wel tot zo’n goede wisselwerking te kunnen komen.”

Hoe brengen u en uw collega’s balans aan in het gevarieerde aanbod uit verschillende Aziatische landen?

“Dat is een goede vraag, we denken daar constant met elkaar over na. Het festival is opgericht door Doris Yeung, een dame met een Oost-Aziatische achtergrond (Hong Kong-Canadese, red.), en het programma is altijd wel op Oost- en Zuidoost-Azië gefocust gebleven. Azië is een heel ongedefinieerd begrip, en om te vermijden dat we telkens overal ‘plukjes’ van meenemen, wil ik eigenlijk elk jaar een deel van Azië centraal gaan zetten in de programmering. Ik heb India daarom bijvoorbeeld bewust achterwege gelaten dit jaar, omdat ik vind dat je het volledige subcontinent dan ook moet meenemen.”

“Dit jaar is het programma geconcentreerd op Oost- en Zuidoost-Azië, maar volgend jaar zou ik waarschijnlijk naar Zuid-Azië willen gaan kijken. Iedere drie jaar zouden we dan terugkomen bij een programma gefocust op hetzelfde deel van Azië. Zo krijgen zoveel mogelijk verschillende stemmen een platform.”

White Building

White Building

Afgelopen week kwam het nieuws naar buiten dat het IFFR zich heeft gereorganiseerd en daarbij een groot aantal medewerkers heeft ontslagen. Het gaat daarbij onder andere om senior programmeurs, onder wie Shelly Kraicer, kenner van de Aziatische (en specifiek Chinese) cinema. Hoe kijkt u naar deze ontwikkeling, en welke rol nemen experts in binnen de (kleinere) organisatie waar u nu zelf leiding aan geeft?

“Ik was eerlijk gezegd wel verbaasd, en ik ben absoluut niet de enige; mensen om me heen praten erover. Ik denk dat dit probleem voor een compacter en meer gespecialiseerd festival als CinemAsia iets kleiner is. Ik werk het liefst met mijn directe netwerk, dat niet alleen artistieke oordelen deelt maar ook menselijke waarden. Zo’n netwerk bouw je in de loop van de tijd op en daar blijf je dan ook bij (Zhao spreekt hierbij binnen haar eigen kader meer van ‘adviseurs’ dan van ‘specialisten’ of ‘experts’, red.). Via lokale filmmakers en producenten kom je toch vaak tot een kleine, maar geschikte groep van mensen om een bepaalde regio voor je te dekken.”

“Ik wil ook niet té optimistisch zijn, want continuïteit is daarbij belangrijk, en juist die continuïteit ontbrak bij CinemAsia de laatste jaren. Ik wil de huidige transitiefase als een goed startpunt beschouwen, om dan verder de juiste mensen toe te kunnen voegen.”

De slotvraag zal vermoedelijk een typische kwestie van ‘kill your darlings’ zijn: zijn er films in de programmering van deze editie die er voor u uitspringen? Welke titel(s) moeten bezoekers zeker gaan zien?

“Dat is een heel moeilijke vraag, het zijn allemaal mijn ‘darlings’… kunnen we deze vraag skippen (lacht)?” Dan, na even nadenken: “Ik vind White Building (Kavich Neang, 2021) een heel bijzondere film, spannend maar tegelijkertijd ook hardcore arthouse. Er is dan ook geen kans dat die verder nog in Nederland te zien zal zijn. Het heeft misschien minder zin om So Long, My Son (Xiaoshuai Wang, 2019, special met aftertalk, red.) te noemen, want die is al uitverkocht (maar Zhao is blij de regisseur op het festival te kunnen verwelkomen, red.). Aloners (Hong-Sung eun, 2021) is één van mijn persoonlijke favorieten van de Koreaanse films die we hier hebben. En misschien is het een beetje bevooroordeeld, omdat ik zelf documentaires produceer, maar ik zou dan graag nog twee documentaires noemen die we vertonen: Ascension (Jessica Kingdon, 2021, Oscarnominatie voor beste documentaire en ook te zien via NPO PLUS, red.) en Bamboo Theatre (Cheung Cheuk, 2019). Die krijgen over het algemeen nóg minder kans om gezien te worden.”

InDeBioscoop doet verslag van Cinemasia. Onze festivalverslagen verschijnen in de loop van de week online. Bezoek de website van het festival voor ticketinformatie.

 

9 mei 2022

 

 

MEER INTERVIEWS

Westerse pathologische beeldvorming

Westerse pathologische beeldvorming

door Yordan Coban

Met de dreiging van de Derde Wereldoorlog kan het zeker geen kwaad om een kritisch licht te werpen op de westerse beeldvorming, vooral ook omdat de oorlog met Rusland voornamelijk een propagandaoorlog is.

De afbraak van de vrije Russische media is al een tijdje aan de gang maar is in deze oorlog in korte tijd redelijk geëscaleerd tot een volledige onderwerping en beheersing. Het is natuurlijk een groot goed dat we de Oekraïners helpen en de wereld massaal haar rug keert naar een bloeddorstige dictator, maar het kan geen kwaad om juist nu een kritische blik te werpen op de wijze waarop het westen bepaalde onderwerpen onder de aandacht brengt.

Caché (2005)

Caché (2005)

In dit essay kijk ik nader naar Caché (2005) van Michael Haneke. Het werk van de Oostenrijkse filmregisseur is altijd voorzien van een doortastend zelfbewust begrip van de ideologische verdovende werking van moderne media. Met dit begrip dringt de volgende vraag zich op: hoe maak je verantwoordelijke media? 

In Caché lijkt alles wat Haneke groots maakt samen te komen. Het mysterie dat zich aan de kijker opdringt, is haast niet in één bezichtiging te ontrafelen. Tegenwoordig kan je in principe elk antwoord of elke interpretatie op het internet vinden, toch is het juist een uitdaging om zelf detective te spelen. De antwoorden op de vragen die de film opwerpt, worden op het internet open en bloot gegeven. Haneke vindt dat een kijker die wanhopig op zoek gaat naar een antwoord bij het mysterie juist tegen alles ingaat waar het in zijn werk om te doen is.

Digitale schemerwereld
Haneke waarschuwt voor het digitale tijdperk waarin wij leven. De mens krijgt al zijn drama van het beeldscherm en distantieert zich daarmee van de realiteit. Het eerste shot van Caché geeft dat het beste weer. De kijker wordt bedrogen omdat het lijkt alsof je kijkt naar de realiteit, terwijl het slechts een videoband is (alhoewel het natuurlijk überhaupt al vanaf een scherm afgespeeld wordt). In Haneke’s werk zijn media en realiteit altijd vervaagd en vervlochten tot een verstoord geheel.

In Caché vindt de confronterende realiteit zich een weg tot het leven van de hoofdpersonages via opgestuurde anonieme videobanden. Deze banden bevatten lange fragmenten van het huis van George Laurent (Daniel Auteuil) en Anne Laurent (Juliette Binoche). De twee bevinden zich in welgestelde kringen van de Parijse bourgeoisie. Toch heerst er onder hun sereen bestaan een duister geheim, een diepgeworteld subtiel geweld dat aangewakkerd wordt door de mysterieuze videobanden. Geweld dat niet slechts verwikkeld ligt in de wortels van het leven van deze twee Parijzenaren maar een kritische blik werpt op de gehele westerse samenleving. Een begrip dat zich met de bezichtiging sterker wortelt in het bewustzijn van de kijker.

Sociologische parabool
De aangerichte schade van vorige generaties wordt vaak ondergesneeuwd door een hardnekkige verharding van de samenleving. Deze consequenties lijken ver begraven in het bewustzijn van welvarend Europa. Een verharding die zijn grondslag kent in hebzucht en leugens over moraal en principes. In een dogmatisch geketende wereld waarin iedereen zelf verantwoordelijk is voor zijn falen of geluk is er geen ruimte voor, zoals Mark Rutte zou zeggen, “sociologische verklaringen”.

Funny Games (1997)

Funny Games (1997)

Een daad kan nooit als een daad op zich beoordeeld worden, en dient altijd in zijn historische context bezien te worden. Caché is in dit licht een perfecte parabool voor de maatschappelijke spanningen op het gebied van migratie en de multiculturele samenleving. Daarnaast is de film een subtiele karakterstudie van een breed gedragen westerse pathologie. Maar bovenal is de film een realistische thriller die een angstaanjagend licht schijnt op onze weerloosheid in het digitale tijdperk dat zich kenmerkt door surveillance en misleiding.

Nieuwe realiteit
Media als Simulacrum zijn in de moderne tijd een belangrijk onderdeel geworden van het menselijk bewustzijn; de nieuwe realiteit. Dat fenomeen is ook accuraat verfilmd in bijvoorbeeld Videodrome (1983) en Network (1977) en terug te lezen in de filosofische ideeën van Noam Chomsky en Jean Baudrillard. De mens en het scherm zijn op gecompliceerde wijze met elkaar verbonden. In elk aspect van het moderne bestaan leeft de mens door schermen. Haneke laat in Caché zien dat de wijze waarop Europa met vluchtelingen omgaat niet alleen slechts de waanwereld van media en politiek is, maar de pijnlijke realiteit die ons waarschijnlijk met geweld zal achterhalen.

Haneke stelt dat alle mediamakers in de kern manipulators zijn. Het maken van media brengt daarom een enorme verantwoordelijkheid met zich mee. De enige manier om deze manipulatie te legitimeren, is door hier als mediamaker zelfbewust over te zijn, door de kijker te herinneren aan het feit dat hij gemanipuleerd wordt. Alleen dan neem je de kijker waarlijk serieus. De knipoog in Funny Games (1997) is misschien wel Haneke’s meest expliciete voorbeeld hiervan.

Momenteel zijn er zo’n miljoen Oekraïense vluchtelingen naar het westen gevlucht door de oorlogszucht van Poetin. Gelukkig lijkt het westen (aangezien het nu gaat om Europese vluchtelingen met de juiste huidskleur) adequaat te reageren op deze toestroom. Laat de houding tegenover Oekraïners een nieuw precedent stellen. Er is namelijk geen wezenlijk verschil tussen vluchtelingen uit Oekraïne, Afghanistan, Syrië of Irak. Die verschillen zijn er slechts in onze ideologische benadering jegens deze vluchtelingen en in onze oppervlakkige beeldvorming in de media die confronterende causale verbanden liever wegdrukken onder de pathologie van welvaart.

 

15 maart 2022


ALLE ESSAYS

Worst Person in the World, The

****
recensie The Worst Person in the World
Liefde en de vergankelijkheid van het leven

door Cor Oliemeulen

De 30-jarige Julie is zoals veel van haar generatiegenoten: ze weet vooral wat ze niet wil, maar niet wat ze wel wil. Ze is cynisch, egoïstisch, onzeker en besluiteloos, maar ook intelligent, spontaan, empathisch en grappig. Ze begon aan studies medicijnen, psychologie en fotografie, maar ze werkt nu in een boekhandel.  

The Worst Person in the World is een komisch drama over liefde en de vergankelijkheid van het leven. Hoofdpersoon is Julie (Renate Reinsve), die zoveel mogelijk van het leven wil genieten, maar zich daardoor soms de slechtste persoon in de wereld voelt. Ze heeft een relatie met de 44-jarige Aksel (Anders Danielsen), die succesvol is als maker van controversiële stripboeken, terwijl ze zelf complimenten krijgt voor haar artikel ‘Orale seks in het MeToo-tijdperk’. Aksel introduceert haar in zijn familie en wil graag kinderen, maar Julie is daar nog lang niet aan toe. Als ze op een feest de jongere Eivind (Herbert Nordrum) ontmoet, weet ze dat haar relatie met Aksel eindig is.

The Worst Person in the World

Musical zonder zang
Het is bijzonder dat een film met een dergelijk thema is gemaakt door een mannelijke regisseur. Het lukt Joachim Trier, die al zijn films samen schreef met zijn Noorse landgenoot Eskil Vogt (zoals Louder Than Bombs en Oslo, August 31st), voortreffelijk om zijn hoofdrolspeelster in al haar vrouwelijke kracht en twijfel neer te zetten, zonder te vervallen in genderclichés. The Worst Person in the World is vooral een menselijke film over de valkuilen van romantiek. Geen romantische komedie in de gangbare betekenis, maar een over het algemeen opgewekt humaan drama dat soepel en geloofwaardig uitmondt in een existentiële twist. Al die tijd spat Renate Reinsve (tijdens het filmfestival van Cannes uitgeroepen tot beste actrice) in al haar emotionele gelaagdheid van het scherm.

Door de afgebakende structuur van twaalf gefragmenteerde hoofdstukken en de speelse vorm (let bijvoorbeeld op Julie’s ervaringen in een paddotrip) voelt de film als een musical zonder zang (maar wel met een vlotte, gevarieerde soundtrack). Het meest verbluffende voorbeeld hiervan is het moment dat Julie in de keuken achter Aksel staat en de lichtschakelaar aanklikt. Plotseling beweegt Aksel niet meer en staat de tijd stil. Julie holt met een gelukzalige grijns op haar gezicht de straat op, iedereen en alles staat stil (geen computerbeeld, maar briljant geconstrueerd). Ze rent naar de cafetaria waar Eivind werkt, ze kussen elkaar en bewegen zich als een verliefd koppel door Oslo. Als Julie terugkeert in het appartement, klikt ze de schakelaar uit en gaat het leven verder. Niet lang daarna zonder Aksel.

The Worst Person in the World

Werkelijke liefde
Gelukkig voor haar denkt Julie’s leeftijdsgenoot Eivind ook niet aan kinderen, zeker niet met het oog op de onzekere toekomst door klimaatverandering. Maar zoals de kijker al kon vermoeden, is een relatie met hem waarschijnlijk ook geen lang leven beschoren. Dat alles klinkt misschien als een jonge vrouw die wel de lusten maar niet de lasten wil, echter niets is minder waar. Julie kan volledig zichzelf zijn bij Eivind, maar mist de intellectuele uitdagingen van iemand als Aksel, met wie ze bovendien veel beter kon communiceren.

Daarom straalt Julie als ze op tv een interview met Aksel ziet. Hij discussieert vol overgave met een vrouw over zijn stripboeken, die zijn gesprekspartner als seksistisch ervaart. Aksel geeft de feministe lik op stuk. Een rendez-vous van Julie en Aksel is aanstaande. Wat volgt is het meest ontzagwekkende en zielroerende hoofdstuk, met werkelijk ruimte voor liefde.

 

3 februari 2021

 

ALLE RECENSIES

Don’t Look Up

***
recensie Don’t Look Up
Geschenk uit de hemel

door Cor Oliemeulen

Dat Don’t Look Up een enorme hit op Netflix is, heeft waarschijnlijk meer te maken met de sterrencast dan met de boodschap die deze als rampenfilm vermomde satire uitdraagt.

Wat doe je als je bijna voor honderd procent zeker weet dat al het leven op aarde over zes maanden wordt vernietigd? De eerste reactie is waarschijnlijk flinke paniek. Dan ongeloof, en misschien je kop in het zand steken. De Amerikaanse regisseur Adam McKay (The Other Guys, The Big Short, Vice) trekt met Don’t Look Up veel registers open om zijn vrees voor een snel naderende klimaatcatastrofe kracht bij te zetten en veegt de vloer aan met zogenoemde klimaatontkenners. Zijn boodschap is pessimistisch, vooral als het gaat om een Hollywood-productie vol beroemde acteurs en actrices: als we niet snel actie ondernemen om de opwarming van de aarde te stoppen, is de mensheid ten dode opgeschreven. Behalve een clubje van rijken natuurlijk.

Don't Look Up

Het leven is een mediashow
De nerveuze wetenschapper Dr. Randall Mindy (Leonardo DiCaprio) en de ongedwongen doctor astronomie in wording Kate Dibiasky (Jennifer Lawrence) ontdekken dat een gigantische komeet linea recta op onze planeet afstevent. Aangekomen in het Witte Huis moeten ze lang wachten omdat president Orlean (Meryl Streep) middenin een schandaal zit en eerst haar imagoschade moet zien te beperken. Als de twee wetenschappers dan eindelijk hun verhaal kunnen doen, blijken de president en haar al even incapabele zoon en tevens stafchef Jason (Jonah Hill) niet geïnteresseerd. Wie zit er nou te wachten op zoiets heftigs?

Het lukt Randall en Kate vervolgens om te worden uitgenodigd in een grote live-nieuwsshow. Irritant genoeg moet het duo ook hier wachten om de wereld te vertellen welk onheil haar te wachten staat, want de tv-show heeft kennelijk nóg belangrijkere zaken te melden. Zoals de verbroken relatie van de grote social media-ster Riley Bina (Ariana Grande, die zelf ruim 250 miljoen volgers op Instagram heeft) die een hysterische uitvergroting van haar eigen persoon speelt en samen met Randall en Kate in de wachtruimte zit. Heel even lijkt het alsof de zangeres geïnteresseerd is in de boodschap van het duo tegenover haar. “You guys discovered a comet, that’s so dope”, kirt ze, maar direct daarna blijkt dat ze zo enthousiast is omdat ze een tattoo van een vallende ster op haar rug heeft.

Nadat Riley Bana zich tijdens de uitzending voor een kwijlend miljoenenpubliek heeft verzoend met haar al even populaire vriendje DJ Chello (Kid Cudi), is het tijd voor het onheilspellende nieuws van de astronomen. Maar al snel blijkt dat de twee door hun zenuwen en onbeholpen gedrag allerminst serieus worden genomen. Zelfs de echtgenote en de kinderen van Randall Mindy die opgewonden aan de buis gekluisterd zitten, hebben meer aandacht voor pa’s uiterlijk dan voor zijn boodschap. Nog voordat de tv-show is afgelopen, worden de wetenschappers geridiculiseerd en afgemaakt op de sociale media. In de dagen daarna zien we beelden van een ‘launch challenge’ waarin TikTokkers een vuurpijl in hun gezicht afschieten. Het mediacircus is in volle gang en ondertussen laat Randall zich versieren door talkshowsnol Brie Eventee (Cate Blanchett).

Don't Look Up

De macht van techbedrijven
Wanneer de wetenschappers van de president de verontrustende data van de naderende ‘planet killer’ bevestigen, realiseert zij zich dat actie is geboden. Het overgrote deel van mensheid zal weliswaar niet kunnen worden gered, maar volgens de geaffecteerde techno-gigant Peter Isherwell (Mark Rylance) biedt de komeet ongekende mogelijkheden vanwege de zeer waardevolle mineralen die het gevaarte bevat. Het is aan het team van rauwdouwer Benedict Drask (Ron Perlman) om de komeet in stukken te laten exploderen.

Don’t Look Up rekent niet alleen af met de zelfverrijking van machthebbers maar ook met de kwalijke invloed van techbedrijven. Tijdens een presentatie van Isherwell voor een zaal met uitzinnige fans zet hij kinderen in om zijn BASH-telefoon te promoten. Het kleinood heeft als functie om de aandacht van het echte, onoverzichtelijke leven af te leiden. Als je je slecht voelt, geeft je telefoon direct troost door het tonen van een grappig filmpje.

Ook de film zelf geeft bij tijd en wijle een somber gevoel, zeg maar gerust een verontrustend gevoel. Of zoals Randall Mindy het formuleert: ‘Kijken naar de hemel is vreselijk en prachtig tegelijk.’ Ondanks dat de meeste personages en situaties karikaturaal zijn neergezet, proef je de pré-dystopische atmosfeer. Soms voel je de angst voor het onafwendbare en zijn momenten eng realistisch, bijvoorbeeld door het kordate optreden van veiligheidsdiensten. Oproer onder het gepeupel wordt subtiel getoond in een kort shot vanuit de lucht waarin we zien hoe de rijken zich op een groot dakterras verpozen, terwijl helemaal onderaan op straat chaos heerst.

Don't Look Up

Klimaatcrisis en coronavirus
Don’t Look Up
is vlot (maar soms slordig) gemonteerd in de visuele stijl van The Big Short. Een scherpe satire zonder zoveel karikaturale grepen, maar met een meer grillig en serieus karakter was qua statement al snel beter geweest, maar al die overdrijvingen (soms flauw, soms slecht geacteerd) landen wellicht beter bij het grote publiek. Hoewel de boodschap urgent is, zal voor veel kijkers het klimaat het vast nog wel langer dan zes maanden volhouden.

De filmmakers volgen voor een groot deel de platgetreden formule van rampenfilms over zaken die de aarde dreigen te vernietigen. En natuurlijk moet Amerika de wereld redden! Of toch niet? Want de rijke en machtige elite blijkt bereid om de toekomst van de mensheid op het spel te zetten, met als doel zichzelf een nog uniekere machtspositie toe te eigenen.

De inslag lijkt onvermijdelijk, maar is veel luchtiger van toon dan het zwaar deprimerende Melancholia van Lars von Trier. Toch stemt ook Don’t Look Up zeker niet hoopvol, vandaar dat Adam McKay in de scène tijdens de aftiteling toch maar besluit met wat feelgood. Op hilarische wijze rekent hij binnen een paar seconden af met machthebbers die zichzelf hebben uitverkoren om een nieuwe wereldorde te scheppen.

Vooral om laatstgenoemde complottheorie laat deze film zich ook beschouwen als een satire op zaken die het coronavirus in gang heeft gezet. Zo zijn de klimaatontkenners nu de ‘wappies’, is er ook in dit geval polarisatie in de samenleving, lopen veel burgers als schapen achter de door de overheid gedicteerde media aan, en is het kiezen van zondebokken een beproefde methode om wanbeleid en een verborgen agenda te camoufleren.

 

2 januari 2022

 

ALLE RECENSIES

The Father beste film van 2021

The Father beste film van 2021

Hoewel de bioscopen slechts op halve kracht mochten draaien en streamingdiensten spekkoper waren, heeft onze redactie de ‘IDB-film van het Jaar 2021’ gekozen. Winnaar is The Father (met een weergaloze Anthony Hopkins als dementerende oudere), op de voet gevolgd door Quo Vadis, Aida?, The French Dispatch, Herr Bachmann und Seine Klasse, Mandibules en Beginning. De verkiezing betreft nieuwe films die het afgelopen jaar een bioscooprelease kregen.

The Father is de enige film dit jaar die mij tot tranen bracht. Niet dat dat nu de beste graadmeter is voor een film, maar het onderstreept wel een onweerlegbare emotionele lading”, aldus collega Yordan Coban. “Bijzondere films als deze confronteren de kijker met wat anderen soms moeten verdragen.”

Op de tweede plaats eindigt Quo Vadis, Aida? “Het drama van de tolk Aida die haar man en zonen vergeefs probeert te redden uit de hel van Srebrenica, de enclave onder de voet gelopen door de Servische troepen van Mladic, de machteloze rol van Dutchbat, het wegvoeren van de duizenden mannen en jongens, wier lot onontkoombaar is”, zegt Jochum de Graaf. “Die blik waarmee Aida jaren na terugkomst van het drama in de kamer van haar voormalige huis in Srebrenica rondkijkt, heeft nog het meest in mijn hoofd gespeeld.”

The French Dispatch eindigt op de derde plek, maar is misschien wel een van Wes Andersons minste speelfilms, wat een goede typering geeft voor de weinige echte hoogtepunten van dit filmjaar. Het is echter geenszins een slechte film. Sterker nog, The French Dispatch zit vol indrukwekkende verteltechnieken en fraaie verbeeldingen.

Over Herr Bachmann und Seine Klasse zegt Cor Oliemeulen het volgende: “Met zijn uiterlijk van ouwe rocker en niet-alledaagse methodieken dwingt hij respect af en weet hij zijn leerlingen in hun waarde te laten. Tijdens deze ruim drie uur durende, immer boeiende documentaire zou je wensen dat je zelf zo’n leraar had (of was).”

De jongste film van de Franse meester van het absurdisme, Quentin Dupieux (wiens Réalité in 2015 werd gekozen als IDB-film van het Jaar), behaalt de vijfde plek. “Als iets grappig is, kan het ook van een complexe werkelijkheid uitgaan. Het een sluit het andere niet uit. Dupieux maakt zijn scripts met een totaal andere logica”, aldus collega Bob van der Sterre. “Mandibules heeft geen chaos nodig voor het komische effect. Dat komt van het grappige acteerwerk van Gregoire Ludig, David Marsais en Adèle Exarchopoulos.”

Beginning eindigt eveneens op een verdienstelijke vijfde plaats. Tim Bouwhuis zegt hierover: “Dit verstillende debuut uit Georgië evoceert met zijn lang aangehouden shots en religieuze symboliek de filmkunst van Andrei Tarkovsky, om tegelijkertijd met Dea Kulumbegashvili een krachtige nieuwe stem in de (Oost-)Europese arthouse te introduceren.”

Eerdere winnaars IDB-film van het jaar
The Father past uitstekend in het rijtje van winnaars uit vorige jaren: Boyhood (2014), Réalité (2015), Hell or High Water (2016), The Handmaiden (2017), Phantom Thread (2018), de IDB-film van het millennium La grande bellezza (gekozen in 2019) en Beanpole (2020).

31 december 2021

Nr.10

****
recensie Nr.10

Mysterie ontrafeld met unieke Van Warmerdam-aanpak

door Jochum de Graaf

Nr.10 is de tiende film van Alex van Warmerdam. De vraag is of deze tiende aflevering tevens het hoogtepunt van zijn rijke oeuvre is en misschien wel het laatste afrondende hoofdstuk.

Voor Alex van Warmerdam zou het publiek het liefst zo onbevangen mogelijk zijn nieuwe film Nr.10 moeten gaan zien. Daarom het vriendelijke doch dringende verzoek (hij overwoog zelfs een schriftelijke verklaring ter ondertekening af te dwingen) aan de recensenten om geen spoilers te geven. En in interviews geeft hij aan niet over de betekenis van zijn werk te kunnen praten, hij slaat dan dicht. Je kunt dit af doen als humbug: een afleidingsmanoeuvre om de publiciteit rond de film op te voeren.

Nr.10

Warrig maar samenhangend
Wanneer je Nr.10 zou willen beschrijven – met de vele afwisselende scènes, de sterk wisselende locaties, de nodige plotwendingen – zou je een nogal warrig verhaal krijgen. Maar de film hangt onmiskenbaar samen. Hij begint als een film over theater, een klein theatergezelschap repeteert voor een nieuwe voorstelling. Acteur Marius (Pierre Bokma) kan zijn teksten niet onthouden, omdat naar eigen zeggen zijn vrouw ernstig ziek is, maar bij thuiskomst blijkt daar maar weinig van. Hij heeft vooral een moeizame relatie met tegenspeler Günther (Tom Dewispelaere): er ontspint zich een machtsspelletje wie de belangrijkste rol mag hebben. En op typisch Van Warmerdamse wijze worden de rollen en de handelingen omgedraaid, de scènes telkens opnieuw uitgevoerd. Volgens de moderne toneelopvatting van regisseur Karl (Hans Kesting) moeten ze het spelen van rollen loslaten en eenvoudigweg teksten uitspreken, het gaat niet langer om een toneelstuk, maar om het maken van een ‘collage zonder logica’.

Bij de uitvoering moet er een souffleur aan te pas komen, die door Günther met geweld uit het hokje wordt verdreven waarop hij vervolgens Marius met forse hamerslagen aan het podium vastnagelt. De reminiscentie met het christendom en met name de rooms-katholieke variant daarvan wordt verderop in de film nog verder uitgediept.

Bij het toneelgezelschap speelt ook nog een rol dat actrice Isabel (Anniek Pheifer) een relatie heeft met regisseur Karl, maar er ook een affaire met collega Günther op nahoudt. Na het spelen met toneelspel komt nu overspel aan de orde. Op zeker moment achtervolgt Karl Isabel op weg naar Günther, die op zijn beurt heimelijk gefilmd wordt door zijn dochter Lizzy (Frieda Barnhard), een tafereel dat wordt gadegeslagen door een raadselachtige overbuurman (Gene Bervoets) die we ook weer later in de film zullen tegenkomen. Enfin, van die dingen, volgt u het nog?

Twist
Dan krijgt de film een twist, waarover we verder dus niet meer veel over zeggen en volgen we Günther op zijn queeste naar het vinden van zijn afkomst. Lijkt Nr.10 in het eerste deel een thriller, met achtervolgingen, het elkaar schaduwen, nu krijgt de film sf-achtige trekjes, zonder uiteraard in de clichés van het genre te vervallen. Er ontvouwt zich een raadselachtig mysterie dat vervolgens met de unieke Van Warmerdam-aanpak volstrekt logisch wordt ontrafeld. En dat alles ingetogen in licht donkere kleuren gefilmd in het decor van de haven van IJmuiden, de oostelijke eilanden van Amsterdam, een zwaar katholiek klooster, een klein houten kerkje op een open plek in een diep donker Duits bos.

Nr.10

Adoptie, misbruik in de katholieke kerk, zendingsdrang, het willen verspreiden van het ware geloof, het eeuwige gedoe tussen mannen en vrouwen, de vraag waar we vandaan komen en waar we naartoe gaan, in Nr.10 krijgen we het mysterie van het leven weer op bijzondere wijze voorgeschoteld. Van Warmerdam laat het acteur Marius op voor hem kenmerkende wijze zeggen: ‘We zijn in de war om alles wat we zien en wat we krijgen toegefluisterd’ en parafraseert Vondel en Shakespeare op al even typische eigen wijze: ‘De wereld is geen schouwtoneel, ik zal u tonen wat u zien wilt, de stille, stille wereld waarin wij allen zijn geboren.’ En misschien vat de prelude van de film symbolisch zijn kijk op de wereld nog wel het beste samen: beelden van een woeste zee in slow motion afgedraaid.

Tijdreis door eigen filmgeschiedenis
35 jaar geleden stormde Alex van Warmerdam met Abel op verpletterende wijze de Nederlandse filmwereld binnen. Met De Noordelingen, De Jurk, Kleine Teun, Grimm, Ober, De Laatste Dagen van Emma Blank, zonder uitzondering als zeer geslaagde zwarte filmkomedies bestempeld, leek hij zich op den duur te herhalen. Met Borgman en vervolgens Schneider vs. Bax, films waarin hij nu eens niet een (hoofd)rol speelde, sloeg hij een nieuwe richting in. Nr.10 , waarin hij een soort tijdreis door zijn eigen filmgeschiedenis maakt, is een nieuw hoogtepunt en na Abel zijn beste film. Mocht Nr.10 inderdaad de laatste afrondende aflevering zijn, Van Warmerdam loopt tenslotte tegen de 70, dan is het ook wel mooi, heel bijzonder mooi geweest.

 

29 september 2021

 

ALLE RECENSIES

Themamaand Charlie Chaplin

Charlie Chaplin

Charlie Chaplin

– A King in New York: Lieve wraak van Chaplin – 21 oktober 2021
– Limelight: Zwanenzang van de komiek Chaplin – 19 oktober 2021
– Monsieur Verdoux: De anti-Chaplin als seriemoordenaar – 17 oktober 2021
– The Great Dictator: Joodse kapper met geheugenverlies – 14 oktober 2021
– City Lights: Ware kern van menselijkheid – 12 oktober 2021
– The Circus: Ultieme kluns met hart van goud – 10 oktober 2021
– The Gold Rush: Een pinguïn in het barre noorden – 8 oktober 2021
– A Woman of Paris: Zoekende Chaplin in drama met conservatieve filmstijl – 6 oktober 2021
– The Kid: Nog even actueel als een eeuw geleden – 3 oktober 2021
– Omstreden maar vooral geniaal – 30 september 2021

Welke periode in de filmgeschiedenis vind jij het meest interessant?

Ondertussen, op de redactie:

Welke filmperiode vind jij het meest interessant?

COR:

Beste allemaal,

Veel filmliefhebbers vinden 1939 een van de meest succesvolle jaren in de filmgeschiedenis. Amerika was hersteld van de Grote Depressie en er verschenen meer dan 500 films in de bioscoop. Gone with the Wind was de absolute kaskraker, maar ook populaire films als Mr. Smith Goes to Washington, Jesse James, The Wizard of Oz, Stagecoach en Wuthering Heights zijn 82 jaar na dato nog uitstekend genietbaar. Ondanks het feit dat de vertrutting van Hollywood had toegeslagen…

De roep om filmcensuur ontstond in de jaren 20 na enkele Hollywood-schandalen die breed in de pers werden uitgemeten. Na enkele mislukte initiatieven werd voormalig postzegelplakker Will Hays aangesteld als eerste voorzitter van de Motion Picture Producers and Distributors of America (MPPDA) die geweld en seks in films een halt moest toeroepen. Pas nadat de Amerikaanse aartsbisschop John McNicholas de Catholic Legion of Decency (CLOD) had opgericht om de ‘vernietiging van de onschuld van de jeugd’ tegen te gaan en in een poging de bioscopen van immorele uitingen te zuiveren, werd besloten dat films vanaf 1 juli 1934 een certificaat van goedkeuring moesten hebben, afgegeven door de zogenaamde Production Code Administration (PCA).

Me Jane, You Tarzan

Me Jane, You Tarzan

Er kwam een hele lijst met zaken die niet meer op het witte doek mochten worden vertoond. Naast seks en geweld kun je denken aan naaktheid, suggestief dansen, illegaal drugsgebruik, ridiculiseren van religie en overheidsdienaren, homoseksualiteit, onwelvoeglijk taalgebruik, excessief kussen, ontrouw, chirurgische ingrepen en rassenmenging. De censuur leidde al snel tot het maken van enkele nieuwe opnamen voor bijvoorbeeld Tarzan and his Mate (1934), waarin een naakt zwemmende Jane een jurkje moest dragen en zelfs de scène van een ondeugend glurende chimpansee Cheeta de prullenbak inging.

De periode tussen de algehele introductie van de geluidsfilm in 1929 en de invoering van de PCA in 1934 heet Pre-Code. Ik vind dit een van de meest interessante periodes in de filmgeschiedenis, omdat Hollywood toen nog alle registers kon opentrekken en nauwelijks schaamte leek te kennen. Sexy geklede dames in overweldigende musicals, freaks in het circus, drugsgebruik, overspel, homoseksualiteit, horror, ondubbelzinnig taalgebruik en geweld, soms met erg grof geschut. Je kunt het je bijna niet meer voorstellen welke vrijheden filmmakers zich bijna een eeuw geleden veroorloofden.

Bioscoopbezoekers snakten tijdens de economische malaise na de beurskrach naar escapisme. Hoofdrolspelers van gangsterfilms werden helden, vooral ook omdat zij in deze beroerde tijden onaantastbaar leken en het wél voor elkaar boksten om geld te verdienen. Heel even leek het alsof William A. Wellman al in 1931 in de eerste grote gangsterfilm, The Public Enemy, iets van zelfcensuur toepaste: de afrekening door het personage van James Cagney vindt plaats in een restaurant buiten beeld, maar is juist daardoor nog monumentaler. Hays en consorten moesten uiteraard niets hebben van het verheerlijken van gangsters.

De laatste Pre-Code film was On Human Bondage, die drie dagen voor de invoering van de PCA uitkwam. Het feit dat het hoofdpersonage van Bette Davis niet meer sterft aan syfilis (zoals in het boek en het scenario) maar aan tuberculose verraadt de overgang naar de brave Amerikaanse cinema die officieel tot 1968 zou duren.

Natuurlijk wisten filmmakers tijdens de verpreutsing van Hollywood door de nodige creativiteit de censuur te omzeilen. Het bekendste voorbeeld is de screwball comedy waarin razendsnelle dialogen voor een seksuele ondertoon zorgden en vrouwen vaak juist zeer geëmancipeerd werden neergezet. Maar met de invoering van de zelfcensuur door de grote Hollywood-studio’s was het grotendeels gedaan met het portretteren van echte mensen van vlees en bloed. Dat leidde meer dan eens tot belachelijke, maar soms inventieve, kunstgrepen zoals de ‘romantische’ scène in Indiscreet (1958) van Stanley Domen waarin Cary Grant en Ingrid Bergman tóch samen in bed kunnen liggen.

Welke periode in de filmgeschiedenis vinden jullie het meest interessant?

 

TIM:

Mijn liefde voor de filmgeschiedenis is mede aangewakkerd door de verschillende filmcursussen die ik op bachelor- en masterniveau heb kunnen volgen.

Het gaat dan niet alleen om lessen filmgeschiedenis maar ook om filmtheorie en wat men “wereldcinema” noemt. Door die lessen heb ik ‘noodgedwongen’ (lees: vrijwillig)
geleerd om me zo breed mogelijk te oriënteren en het belang van verschillende perioden in te zien. Met één belangrijke kanttekening bij de vraag van Cor: ‘perioden’ is één manier om ernaar te kijken, even vaak verlegt de discussie zich naar stromingen of naar filmlanden. Afbakenen is natuurlijk het moeilijkst.

Ik ga een (wellicht) saai antwoord op je vraag geven: hoeveel films ik ook zie uit andere tijden, ik ben denk ik het meest geïnteresseerd in films die nu uitkomen.

Een van de redenen dat film mij als medium zo boeit, is dat de werken die uitkomen een neerslag zijn van de tijdsgeest en de verschillende issues die wereldwijd spelen. Film is veel meer dan amusement en het jaarlijkse aanbod is een bombardement van betekenisvolle beelden en ideeën. Precies daarom ben ik ook steeds meer geïnteresseerd geraakt in de programmering van filmfestivals. Filmfestivals mediëren tussen het globale en lokale: als kijker kun je bredere trends ontdekken maar tegelijkertijd ook geconfronteerd worden met politieke conflicten die tot specifieke landsgrenzen zijn beperkt. Door me hiermee bezig te houden voel me ik geëngageerd met de wereld waarin ik leef, en kan ik mijn eigen houding ten opzichte van al die verschillende kwesties (mede) bepalen.

 

ALFRED:

Ieder zijn meug en de mijne zijn de jaren vijftig.

Wat me direct te binnen schiet: Is film noir een genre of een stijl? Het laatste, dunkt me. Ik heb een afwijking voor duistere en stemmige verhalen over een samenleving die existentieel en corrupt is. Hardgekookte thrillers met bruuske mannen en listige vrouwen, op papier en celluloid. Ik heb een vrolijk wereldbeeld, wat?

René Clair

René Clair

Mijn voorkeur gaat uit naar de cinema van Frankrijk, Italië en Japan. Dan zit je met de jaren vijftig op de eerste rij. In Frankrijk kijken we naar de onvolprezen – en onderschatte – Henri-Georges Clouzot, de reus René Clair en de aanzetten tot nouvelle vague (Agnès Varga, Louis Malle). In Italië zien we de neorealisten (Rossellini, Visconti, De Sica) en de eerste films van Antonioni en Fellini. Over de Japanse cinema heb ik me eerder uitgelaten, dat is bijna een universum op zich.

Naast film noir pieken genres als western, de Britse horror van de Hammer-studio en begint sciencefiction de moeite waard te worden. En we zien in de jaren vijftig technische verbeteringen: draagbare camera’s, kleur – al ben ik een liefhebber van zwart-wit – en afwijkende beeldformaten.

En dan de jazz op die soundtracks!

 

SJOERD:

Echt veel in een specifieke periode verdiep ik me vaak niet, ik duik eerder volledig in het werk van een specifieke regisseur bijvoorbeeld.

Maar een beweging waar ik met interesse naar kijk is de Mumblecore uit de Verenigde Staten in de ‘Noughties’ (2000-2009), een losse verzameling filmmakers die vergelijkbare films maakten over vaak losgeslagen/onzekere jongeren, onafhankelijk geproduceerd en geestelijk dan wel stilistisch in het krijt staand van mijn favoriete regisseur (en voorbeeld voor mijn eigen film die hopelijk in september opgenomen gaat worden) John Cassavetes.

Het leverde briljante werken op als het aangrijpende Dance Party, USA (2006), Funny Ha Ha (2002), The Puffy Chair (2005), Frownland (2007) van de editor/co-scenarist van de gebroeders Safdie of Yeast (2008) met onder andere een jonge Greta Gerwig die haar eerste stappen zette in deze gemeenschap. Zelfs de regisseur van Godzilla vs. Kong maakte zijn eerste films binnen deze groepen! Het was dus een ware voedingsbodem voor veel uiteenlopende Amerikaanse filmmakers.

Yeast (2008)

Yeast (2008)

 

PAUL:

Jaren tien vorige eeuw Zweden: Sjöström, Stiller.

Jaren twintig (dertig) Duitsland: Murnau, Wiene, Lang, in die volgorde ongeveer.

Jaren veertig (vijftig) Italië: De Sica, De Santis, vroege Visconti.

Jaren zestig Frankrijk: Truffaut, maar toch ook Godard (voeger vond ik het een irritante, poserende ‘íntellectueel’, maar tegenwoordig beleef ik hem als ironischer, speelser.

Flink generaliserend zou je kunnen zeggen dat de grote antagonist in het verhaal van mijn filmliefde gevormd wordt door de dominante massaproductie van de Verenigde Staten. Wat was in verschillende tijden, in verschillende Europese landen het antwoord daarop? Dat boeit mij. Wie dit stokje sinds de jaren zestig hebben overgenomen weet ik niet zo goed. Ik laat me daarover graag bijlichten.

 

BOB:

Ik heb altijd een voorkeur voor de cinema van de jaren zeventig gehad. Ik hou enorm veel van dat bedaarde tempo en de vrijheid die de films in deze tijd kenmerken. Een ideale combinatie.

Stel je voor wat je in de jaren zeventig gewoon zou hebben gevonden als je frequente bioscoopbezoeker was.

Zin in een thriller? Dan ging je naar geweldige Amerikaanse thrillers van Alan J. Pakula en Polanski en anderen: The Parallax View, All the President’s Men, Chinatown, Klute, The Conversation, The Day of the Jackal.

Franse thrillers: Claude Chabrol maakte bijna jaarlijks een film. Politieke thrillers: Elio Petri maakte met Gian Maria Volonté een paar onvergetelijke films.

Je kon je laten onderdompelen in de avonturenfilms van Werner Herzorg en Coppola, zoals Aguirre en Apocalypse Now.

Je kon grinniken om een aantal geslaagde absurde en satirische Franse komedies (Le Magnifique, Buffet Froid, Le Sucre), en daarna kon je naar Annie Hall en Blazing Saddles.

De horrorfan zou genieten van de giallo en andere intussen klassieke horrorfilms.

Zin in een kalme misdaadfilm? Dan ging je naar Melvilles Un Flic en Le Cercle Rouge. Of bezocht je het Amerikaanse werk: The French Connection, Mean Streets… Of juist keiharde poliziotto’s vol adrenaline: Milano calibro 9, Poliziotto Sprint.

Le Cercle Rouge (1970)

Le Cercle Rouge (1970)

Meer zin in eigenzinnigheid? Dan had je keus genoeg. Je kon naar de films van Marco Ferreri, Buñuel, Bertrand Blier, Ettore Scola, Francesco Rosi, Resnais, Terrence Malick, Robert Altman, David Lynch, Chantal Akerman, Wajda, Satyajit Ray… The Guardian somt er nog meer op…

Voor wie dat nog niet eigenzinnig genoeg was: de jaren zeventig hadden ook nog Dusan Makavejev, Jodorowsky en talloze anderen.

Dus zou ik voortaan maar van één decennium nog films mogen kijken (ik wil niemand op het idee brengen), zou deze het zijn.

 

COR:

Fijn om al die voorkeuren te lezen! Hopelijk zien we daarvan nog het nodige terug in artikelen op InDeBioscoop.

 

27 juni 2021

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

De toekomst van de bioscoop

Ondertussen, op de redactie:

De toekomst van de bioscoop

SJOERD:

Hallo allemaal,

De eerste opleving van de eerste golf van het coronavirus herinnert er weer aan dat de pandemie voorlopig aanblijft. Ondanks dat we in Nederland een belangrijkere discussie hebben te voeren (over de groepsimmuniteitstrategie van de Nederlandse overheid) roept dat toch de vraag op hoe het de cinema verder zal vergaan.

Tenet (2020)

Tenet (2020)

Tenet trok niet bijster veel bezoekers en onlangs werd de release van de nieuwe James Bond-film wederom uitgesteld. Dus zelfs de blockbusters waar de grote studio’s het van moeten hebben laten voorlopig op zich wachten. En komt er straks een inhaalslag met moordende concurrentie? In Nederland kampen de bioscopen met een flinke teruggang in omzet, vooral funest voor de kleinere bedrijven. Ondertussen spinnen de streamingdiensten er garen bij.

Voor The Guardian is e.e.a. aanleiding om een discussie te starten over de toekomst van de cinema, in het bijzonder de releasestructuur en de bioscoop als plek van vertoning: https://www.theguardian.com/film/2020/oct/08/the-future-of-cinema-seven-experts-on-industry-now

Filmcriticus Wolfgang M. Schmitt ziet ook donkere wolken en vreest voor de toekomst: https://www.youtube.com/watch?v=LI7LsGl4Khg

Hoe hebben jullie zelf de afgelopen maanden de bioscoop ervaren? Maken jullie je ook zorgen? Hoe straks verder met de cinema?

Zelf ben ik sinds het IFFR niet meer naar de bioscoop geweest en mijd ik liever de festivals aangezien online m.i. geen vervanger is.

 

TIM:

Bij je aanzet moet ik denken aan de Ondertussen die ik enkele maanden geleden startte naar aanleiding van de rol van filmkritiek tijdens en na (?) de Coronacrisis. Natuurlijk spraken we in dat kader ook al over het bredere verhaal: de filmbeleving in bioscopen en filmtheaters staat op zichzelf al geruime tijd onder druk. Dat geldt uiteraard helemaal voor festivals op locatie. Ik was tijdens het schrijven van een vooruitblik op het Nederlands Film Festival meer tijd kwijt aan het overdenken van de implicaties van een ‘hybride editie’ dan aan de films zelf.

Nu het beleid weer aantrekt, neemt de druk alleen maar verder toe, en ik vind het op zijn minst bijzonder dat ik afgelopen week de Gouden Kalf-winnaar ‘gewoon’ nog op een groot doek kon zien. Voor mij is het geen probleem het filmtheater weer te bezoeken, ook omdat ik voldoende in de gelegenheid ben om overdag te gaan en zo minder snel stuit op ‘volle’ zalen. Wel moet ik wennen aan het verplicht achterlaten van telefoonnummers (hoor ik nog iemand over AVG?, de ironie) en zie ik mezelf een stuk minder (of misschien helemaal niet meer) gaan als men in Nederland nog definitief zou zwichten voor een mondkapjesplicht in de zaal (dat is nu nog een ‘dringend’ advies voor de wandelruimtes). Dat meer mensen er zo over denken, hebben de uitbaters in België al moeten ondervinden, waar de omzet naar verluid flink terugliep toen men landelijk eenmaal had besloten dat het masker alleen nog maar af mocht voor een slok cola of een hap popcorn. In zo’n situatie worden streamingdiensten ineens toch weer extra aantrekkelijk, hoezeer ik mezelf ook een voorvechter van de bioscoopervaring noem :)

Buladó (2020), winnaar Gouden Kalf beste film

Buladó (2020), winnaar Gouden Kalf beste film

Ik spreek hierboven vooral over mijn eigen ervaring, maar de situatie is onmetelijk zorgelijk. De grote releases worden keer op keer uitgesteld en dat sloopt de uitbaters, zeker als titels nog vaker naar On Demand gaan verschuiven. Je kunt geen klassiekers blijven uitbrengen, en naarmate de crisis in een zogenoemde ’tweede golf’ verder aantrekt zal het aanbod niet de enige reden zijn dat kijkers thuis (moeten) blijven.

 

ALFRED:

We kunnen sinds juni met beperkingen en sinds juli met iets minder (maar nog steeds) beperkingen weer naar de bioscoop, maar wat zien we daar?

Films uit de oude doos, hervertoningen van recente en minder recente klassiekers. En ‘derderangs arthousefilms die zonder corona nooit in Nederland zouden zijn uitgebracht’, aldus Martin Koolhoven, toen we voor de deur van Eye Filmmuseum een sigaretje stonden te roken. Ik had die dag het programma van mijn favoriete buurtbioscoop bestudeerd en knikte instemmend.

Voor de filmliefhebber is het ontbreken van een gevarieerd en boeiend filmaanbod een probleem, zij het een luxeprobleem. Voor de bioscoopexploitant is het een serieus probleem. Wanneer de nieuwe James Bond nóg een keer wordt uitgesteld dondert het bioscoopwezen in de afgrond, stelt een publicist in The Guardian. Engeland is Nederland niet, maar het is geen reden om je schouders op te halen. Wat als Disney – goed voor veertig procent van de filmmarkt – failliete bioscoopketens opkoopt en aldus niet alleen productie maar ook distributie controleert?

Streamingdiensten waren voor corona al een bedreiging voor de bioscopen en floreren in de huidige situatie. Ze zijn (voorlopig?) de winnaar op dit speelveld. Disney+, de streamingdienst van Disney, heeft een krankzinnig bedrag vrijgemaakt om de koning van de onlinefilm-en-tv-platforms, Netflix, van de troon te stoten. Zo dreigt de entertainmentmoloch zelf een virus te worden dat alles aanvreet.

Terug naar het bioscoopbezoek. Dat kon deze zomer weer, al was het aanbod, zoals opgemerkt, beperkt. Mijn buurtbios zal het wellicht overleven, ze zijn eigenaar van het pand. Er waren grappige ervaringen, zoals het stel giebelmiepen dat vlak voor aanvang van Shirley kwam binnen stommelen. Ze begrepen niet dat de rijen stoelen met rode stickers niet bedoeld waren om op te gaan zitten. Ze waren overduidelijk niet op hun plek. En, je zag het aankomen, na een kwartier stonden ze op en stommelden weer naar buiten. Binnenpretje bij deze kijker.

Vooraf reserveren? Geen probleem. Anderhalve meter in de bioscoop? Ook geen probleem, voor de bezoeker althans. De exploitant kan met die anderhalvemeterbeperking maximaal een kwart van zijn capaciteit benutten. Ik probeer drukke plekken en dito momenten zoveel mogelijk te mijden en zag Tenet om half een ’s middags in (bijna) mijn eentje.

Maar het kan ook misgaan, bijvoorbeeld als je domweg vergeet te reserveren. Zo kwam ik als allerlaatste toch nog een Keuze van Koolhoven-avond in Eye binnen omdat een gereserveerd kaartje niet werd opgehaald. In de pauze bietste Koolhoven een sigaret en vertelde ik hem over mijn bijna-misser. Hij was ook verbaasd over de toeloop. Zijn maandelijkse avond in de kleine zaal was snel uitverkocht en verplaatst naar de grote zaal, die vervolgens ook uitverkocht.

Into the Night (1985)

Into the Night (1985)

Het kan dus wel, volle zalen trekken in tijden van corona. Koolhoven had een zelden vertoonde jarentachtigfilm geprogrammeerd (Into the Night van John Landis) en hield er een – onderhoudend, deskundig en leerzaam – praatje bij. Dat is wellicht waar Delphine Lievens, box office analist, in The Guardian op doelt, wanneer ze stelt: ‘De industrie kan hier van groeien.’

Door een ander soort film te vertonen, buiten de blockbusters van Hollywood. Familiefilms, lokale (lees: niet-Amerikaanse studio) films, animatiefilms, documentaires, speciale voorstellingen. En door een inleiding of een Q&A of iets extra’s rond de film te programmeren, als meerwaarde die de streamingdiensten niet bieden. Inderdaad, door film te presenteren zoals Martin Koolhoven dat doet. Dus door de kijker als liefhebber te behandelen, niet als consument. Want die blijven thuis of lopen na een kwartier weg, leert corona.

 

COR:

Voor mij is er qua film kijken niet veel veranderd door corona. In onze plattelandsgemeente staat weliswaar een bioscoop, echter die programmering is niet zo aan mij besteed. Een filmpje pakken in een naburige stad kost mij inclusief reistijd een halve dag. Die tijd kan ik meestal beter besteden, bijvoorbeeld door het kijken van twee films!

Thuis heb ik een grote tv met aardig geluid. In mijn eigen huiskamer kijk ik een paar honderd films per jaar. Als hoofdredacteur van deze filmsite kan ik veel films al kijken voordat die in première gaan. Verder put ik volop uit mijn eigen filmcollectie, streamingdiensten en films die op andere wijzen worden aangeboden.

Een groot doek mag dan wel de filmbeleving versterken, echter ik was al nooit echt fan om schouder aan schouder in een afgeladen bioscoopzaal te zitten, met links krakende chipszakken, rechts iemand die regelmatig zijn veel te lichtgevende mobieltje checkt of iemand achter je die op foute momenten, of gewoon irritant, lacht. Ook pré-Corona ging ik het liefst ’s middags naar een bioscoop: heerlijk die hele zaal bijna voor jou alleen!

In mijn thuisbioscoop (gordijnen dicht, lampen en telefoon uit) bepaal ik zelf wel wie ik uitnodig, hoe relaxed ik voor mijn scherm zit en wat ik nuttig. Ook is het handig om een film om wat voor reden dan ook op pauze te zetten. Voor de meeste interessante films – in mijn geval vooral films uit de vorige eeuw – heb ik sowieso weinig in het gros van de bioscopen te zoeken. Dat neemt niet weg dat ik het verschrikkelijk zou vinden als vooral de kleine filmtheaters de deuren moeten sluiten. Ik houd trouwens mijn hart vast voor heel veel andere culturele instellingen.

Beyond the Forest (1949)

Beyond the Forest (1949)

Uit een crisis kunnen prachtige initiatieven verrijzen. Ook ik denk dat de branche nog veel beter haar best zal moeten doen zich van de streamingdiensten te onderscheiden. Dan denk ik niet aan trillende stoelen en rook bij rampenfilms of de mogelijkheid om met je vrienden of vriendinnen vanuit een jacuzzi te kijken naar een zomerblockbuster, maar eerder aan vlotte inleidingen en interessante napraatsessies aan de bar. Ik denk echter dat zulke initiatieven aan woonplaatsen als de mijne zullen voorbijgaan, omdat filmliefhebbers die zich graag willen verdiepen een steeds kleinere minderheid vormen. De grote steden daargelaten, vrees ik dat de bioscoopbezoeker post-Corona een nog grotere eenheidsworst krijgt voorgeschoteld.

In mijn thuisbioscoop staan vandaag nog twee films op het programma: Beyond the Forest (1949) en Payment on Demand (1951). Dat boek over Bette Davis zal er toch vroeg of laat moeten komen! :-)

 

BOB:

Misschien kijk ik iets te ver dan het coronaheden maar waarom niet… Want corona kan best wel eens de nagel aan de doodskist van de cinema zijn.

Laatst las ik over een sombere regisseur die zei: ‘Bioscoopbezoek dreigt uit te sterven.’ Ik weet niet meer wie het was maar daar zit wel iets in. De bioscoopervaring wordt als het ware van alle kanten aangevallen, waarvan veel dingen al zijn genoemd: streamingdiensten, problemen door corona, hype van series, thuisbioscopen, downloaden, games die films steeds beter imiteren (je speelt zelf ook nog de hoofdrol), En ook van binnenuit: de industrie die steeds wanhopiger trekt aan allang dode paarden (superheldenfilms tjokvol voorspelbare actie en arthousedrama tjokvol voorspelbaar drama). Die twee keurslijven zijn niet echt bevorderlijk voor de ontwikkeling van nieuw eigenzinnig talent.

Wat is dan nog de meerwaarde van een bioscoopbezoek, vraag je je af.

Misschien is de bioscoop wel de LP van de toekomst, dacht ik toen.

Mooie dingen keren vaak terug. De vinylhype van vandaag de dag (wie had dat gedacht in pakweg 2002)… publiek dat zelfs toneel bezoekt op z’n Shakespeares… jaren 50’s Diners in de VS… wie wil er geen Alfa Romeo uit 1960 hebben? Eigenzinnige bioscopen voor filmliefhebbers, bioscopen met een eigen signatuur, met gevoel voor geschiedenis: daar is een markt voor, ben ik het met Alfred helemaal eens. Een Rotterdammer wist mij te vertellen dat Kino nu al zo’n soort plek is. Ik had zelf jaren geleden ook zo’n ervaring met een liefhebbersbioscoop in Brussel.

Dat zal groeien uit wat we nu hebben. We moeten nu alleen even door een tussenperiode, waarbij we het ‘ecosysteem van de film’ langzaam zullen zien inzakken, zoals in het artikel in The Guardian staat.

Bullitt (1968)

Bullitt (1968)

Na pak hem beet nog tien magere jaren gaan we in 2030 weer voor het eerst naar net geopende piepkleine zaaltjes met aftandse stoelen (maar nu met superieure naar het lichaam vormende kussens). Dan bezoeken we liefhebberijvoorstellingen gepresenteerd onder bezielende leiding van de duo’s Martin en Alfred (even avonden) en Sjoerd en Tim (oneven avonden). Cors filmcursussen zijn dan maanden van te voren uitverkocht en ja, als men mij vraagt wil ik ook wel een paar Camera Obscura-sessies doen. Tegen die tijd kan cinema ook profiteren van de ontwikkeling van techniek. Alle films gerestaureerd in super-ultra-HD-kwaliteit. En in zintuiglijk opzicht kan de cinema nog best vorderen. Als mensen het goed leren doen… dus als je het rubber in de achtervolging van Bullitt bijvoorbeeld echt ruikt, en het geluid van piepende banden echt goed hoort, wil ik daar straks mijn vrije avond in 2030 wel aan opofferen. 

 

12 oktober 2020

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

10 grensverleggende films

Tien grensverleggende films

10 grensverleggende films

Feitjes over films zijn altijd leuk. Nog leuker is om je te realiseren wat ze allemaal in gang hebben gezet. Tien mijlpalen in de filmgeschiedenis die de grenzen verlegden: van de allereerste speelfilm tot en met de eerste bewustwordingsfilm over voeding.

door Cor Oliemeulen

1. – The Story of the Kelly Gang (1906) – allereerste speelfilm

Niet Amerikanen of Europeanen maakten de allereerste speelfilm. Ene Charles Tait uit het Australische goudzoekersparadijs Castlemaine en twee van zijn broers vertoonden op 26 december 1906 het bijna zeventig minuten lange The Story of the Kelly Gang. Dit westerndrama gaat over de beruchte Ierse balling Ned Kelly, die na de moord op drie politiemannen vogelvrij werd verklaard. Veel fragmenten op de filmrol hebben de tand des tijds niet goed doorstaan of zijn simpelweg verdwenen. In de gerestaureerde versie zijn foto’s en teksten geplakt om de leemtes in het verhaal op te vullen. Wat opvalt is het gebruik van echte pistolen! Tijdens schermutselingen wordt er vaak bewust in de grond of in de lucht geschoten, waarna tegenstanders toch dood neervallen. Charles Tait kreeg negen kinderen en maakte geen tweede speelfilm.

 

2. – Nanook of the North (1922) – eerste documentaire

Robert J. Flaherty was goudzoeker aan de andere kant van de wereld, in het hoge noorden van Canada, en maakte daar prachtige natuuropnames met mens en dier. Op een dag knoeide hij sigarettenas op zijn kilometerslange, uiterst brandbare rollen celluloid en werden alle opnamen vernietigd. Flaherty, die een relatie met een Eskimofamilie had opgebouwd, begon weer vol goede moed aan zijn film over het leven van de Inuit. Maar wat bleek later? Sommige fragmenten waren in scène gezet, zoals de vangst van een zeehond – die al dood was toen die zogenaamd door Nanook en zijn gezin onder het ijs vandaan werd getrokken. De vraag is of Nanook of the North door het manipuleren van de werkelijkheid een echte documentaire is. In ieder geval schetst de film een authentiek beeld van de ongerepte natuur in het noordelijk poolgebied.

 

3. – La coquille et le clergyman (1928) – eerste surrealistische speelfilm

Het door de Franse schrijver André Breton in 1924 gepubliceerde Manifest van het Surrealisme predikte een levenshouding. Fantasierijk, volledige vrijheid, loslaten van het verleden en zich niets aantrekken van bestaande regels. De visuele verbeeldingskracht staat los van verstand en logica, en is toepasbaar op alle kunstvormen. De beroemdste vroege surrealistische film is Un chien andalou (1928), waarmee Luis Buñuel en Salvador Dalí de gevestigde orde schokten. Maar de allereerste surrealistische speelfilm verscheen eerder dat jaar. In La coquille et le clergyman (De zeeschelp en de priester) van regisseuse Germaine Durlac maken we kennis met de dromen en erotische fantasieën van een priester. Het zowel originele als maffe script is van Antoine Artaud, die later met de introductie van zijn Wrede Theater ‘te surrealistisch’ werd bevonden door Breton en consorten.

 

4. – The Ox-Bow Incident (1943) – eerste humane western

In westerns werden indianen als bloeddorstige barbaren afgeschilderd. Dat negatieve beeld veranderde met de revisionistische western, waarin indianen en Mexicanen juist als sympathieke mensen worden neergezet. Mooie voorbeelden zijn High Noon (1952), Little Big Man (1970) en Dances with Wolves (1990). Al in 1943 verscheen The Ox-Bow Incident van William A. Wellman dat een sleutelrol speelt in de geschiedenis van de western. Deze eerste humane western houdt een pleidooi voor de rechtstaat als fundament van de samenleving. Drie mannen worden verdacht van moord en zonder proces opgehangen door een hysterische menigte. Later blijken ze onschuldig. Eén van de terechtgestelden had nog een afscheidsbrief mogen schrijven. In de ontroerende finale leest het personage van Henry Fonda, één van de weinigen die de executies probeerde te verhinderen, de brief voor aan een saloon vol daders.

 

5. – Sommaren med Monika (1953) – eerste vrijgevochten film

De Zweedse filmmaker Ingmar Bergman genoot een strenge opvoeding (vader was luthers predikant), was bang voor de dood en twijfelde aan God en het geloof. Dat resulteerde in 1957 in het meesterwerk Det sjunde inseglet (Het Zevende Zegel). Vier jaar eerder zorgde Bergmans doorbraakfilm Sommaren med Monika (Zomer met Monika) al voor de nodige ophef. Een vrijgevochten meisje (Harriet Andersson), dat met haar vriendje vlucht voor haar burgerlijke ouders, gaat uit de kleren. In Amerika ging de schaar in Bergmans vernieuwende, realistische filmstijl, en bleven hoofdzakelijk beelden van het stoute meisje over. “In de buurt werd er gesproken over een naaktscène. Zoiets was destijds ongehoord in Amerikaanse films”, zei regisseur Woody Allen, die net als veel anderen pas later Bergmans werkelijke kwaliteiten zou ontdekken.

 

6. – L’avventura (1960) – eerste moderne filmvertelling

Naast Bergman plaveide Michelangelo Antonioni de weg voor Europese films in Amerika. Tijdens zijn hele oeuvre bestudeerde de Italiaanse maestro van de moderne cinema de zoektocht naar betekenis en toonde hij zijn personages niet conform de toen geldende filmwetten. Zo worden hartstochtelijke vrouwen en communicatief impotente mannen in een dialoog met de rug naar elkaar geplaatst om hun psychologische afstand te symboliseren. Vanaf L’avventura (1960) wordt het verhaal ondergeschikt aan de gevoelens en worden de personages geplaatst in een omgeving die hun gemoedstoestand benadrukt, soms heel nietig in een overweldigend landschap of als een stipje voor een gigantische muur. Tijdens de wereldpremière op het filmfestival van Cannes klonk veel gejoel. Het publiek vond de shots veel te lang en kon het niet verteren dat hoofdrolspeelster Anna zomaar verdwijnt om vervolgens niet meer terug te keren in het verhaal.

 

7. – Straw Dogs (1971) – eerste verkrachtingsscène

Nog voordat de Hays Code in de Verenigde Staten werd afgeschaft, trok een schietgraag overvalkoppel in Bonnie and Clyde alle ongecensureerde registers open. Seks, drugs en vooral geweld vulden vanaf 1967 het witte doek. Gevlucht voor de verruwing in zijn geboorteland betrekt een Amerikaanse astrofysicus met zijn Britse vrouw in Straw Dogs een groot huis op het Engelse platteland. Helaas loopt hun relatie met enkele ingehuurde werklieden niet van een leien dakje en duurt het niet lang voordat iemand zich aan de vrouw des huizes (Susan George) vergrijpt. Natuurlijk kende de filmgeschiedenis al suggestieve aanrandingen, maar zeker een regisseur als Sam Peckinpah wist wel raad met het schokkend in beeld brengen van de dubbele verkrachtingsscène (waarbij het lijkt alsof de vrouw aanvankelijk nog geniet). Het is aan manlief (Dustin Hoffman) om zich uiteindelijk over te geven aan een bloederige wraakorgie.

 

8. – Westworld (1973) – eerste film met CGI

Beste millennial. Er was een tijd dat een grote ruimte vol computerkasten minder capaciteit had dan een enkele chip in je telefoon. Tegenwoordig kan film elke illusie creëren en digitale animatie zie je in bijna elke game en Hollywoodproductie. Wat nu normaal is, was vroeger bijna lachwekkend. De eerste speelfilm waarin CGI (Computer Generated Imagery) werd toegepast, is Westworld (1973). In het sciencefictionverhaal van debuterend regisseur Michael Crichton slaan bij een ‘gunslingerrobot’ (Yul Brynner) in een futuristisch amusementspark de stoppen door. Gelukkig is zijn zicht – dat bestaat uit grove pixels (gemaakt door de computer) – wat beperkt. Hoe knullig de scène er nu ook uitziet, hij zette wel de deur open voor bijvoorbeeld de eerste volledig met de computer gemaakte film: Toy Story (1995).

 

9. – Festen (1998) – eerste Dogme 95-film

In het ontwaakte digitale tijdperk kregen filmmakers in Denemarken de behoefte terug te keren naar de basis. Lars von Trier en Thomas Vinterberg stelden een manifest met tien regels op. Je moest voortaan op 35mm filmen, op locatie met de camera in je hand, zonder extra belichting. De film mocht geen oppervlakkige actie bevatten en het manipuleren van beelden (effecten en filters) was natuurlijk uit den boze. Deze ‘eed van zuiverheid’ leidde tot de eerste zogenoemde Dogme 95-film: Festen (1998). Het beeld van de reünie waar de zestigste verjaardag van pa wordt gevierd, is korrelig, soms schokkerig, en oogt authentiek. Het drama is zo werkelijk dat Thomas Vinterberg tijdens de beroemde incesttoespraak een deel van de acteurs in het ongewisse hield over de afloop. Ondanks het nobele streven, was na een paar jaar weinig meer van Dogme 95 over.

 

10. – Food, Inc. (2008) – eerste bewustwordingsfilm over voeding

Terwijl in Nederland de meeste boeren hun best doen om een verantwoord product op tafel te zetten, nemen ze het in Amerika niet zo nauw. Food Inc. gaf als eerste film een interessant kijkje achter de façade van vrolijk huppelende koeien in groene weiden die op pakken zuivel staan afgebeeld. Overzee blijkt voedselproductie in handen van megagrote bedrijven die nauwelijks oog hebben voor dierenwelzijn en verantwoord bodemgebruik. Ze worden bovendien gesubsidieerd door de overheid, want op groente en fruit valt weinig winst te behalen. In hamburgers zit soms ‘vlees’ van tientallen runderen, waardoor de oorsprong van eventuele ziektekiemen moeilijk is te achterhalen. Ook documentaires als Super Size Me (2004), waarin je lekker onverantwoord kunt eten bij McDonalds, maakten de weg vrij voor een reeks bewustwordingsfilms over dierenonwelzijn, vet, suiker en tal van andere producten waarvan we het naadje van de kous niet wisten.

 

21 december 2019

 
Alle leuke filmlijstjes