Snowman, The

*

recensie The Snowman

Nordic noir op zijn bleekst

door Alfred Bos

Een spannend boek laat zich niet zo maar vertalen naar een spannende film. The Snowman bulkt van de sterren, heeft een capabele regisseur en is even ergerlijk als natte sneeuw.

Jo Nesbø is een manusje van alles: econoom, muzikant, verslaggever en bedenker van tv-series, aldus Wikipedia. Maar we kennen hem vooral als auteur van een reeks luchthaven-thrillers rond de gewelddadige alcoholist Harry Hole, die vanwege zijn uitmuntende oplossingspercentage (Harry gaat door roeien en ruiten) door de politie van Oslo wordt getolereerd als moordrechercheur van dienst. Ook in Nederland worden de boeken stuk gelezen.

The Snowman

Harry Hole heeft een donkere ziel. Harteloos opgevoed, weerbarstig in de liefde, behept met een drang naar zelfdestructie. Harry heeft iets te bewijzen, Harry is complex. Vergeleken bij hem is de fictieve Zweedse politiecommissaris Kurt Wallander van Henning Mankell een zachtgekookt ei met een bloeddooier. Daar zien we allemaal weinig van terug in The Snowman, de verfilming van de zevende roman uit de Harry Hole-reeks.

De film is behangen met A-acteurs uit velerlei windstreken en in de regisseursstoel zit Tomas Alfredson, de Zweed die in 2008 de originele vampierfilm Låt den rätte komma in (internationaal bekend geworden als Let The Right One In) afleverde en drie jaar later John le Carré’s ingetogen spionagethriller Tinker Tailor Soldier Spy verdienstelijk verfilmde. Ziet er op papier goed uit. Op het filmdoek helaas niet.

Onduidelijke flashbacks
Probleem is het script. Nesbø is niet vies van knaleffecten en zijn plots zijn, hoe ongeloofwaardig ook, tot vier decimalen achter de komma kloppend in elkaar gestoken. Daar kan de auteur doorgaans zo’n vijfhonderd boekpagina’s de tijd voor nemen en die heeft de regisseur simpelweg niet, want na twee uur moet de film bekeken zijn. Daar gaat de complexe plot, foetsie al het vernuft en de zorgvuldig geplante hints en rode haringen, weg de psychopathologie van de gestoorde moordenaar.

In het boek staat de sneeuwman op de besneeuwde aarde, in de film zweeft hij in de lucht. Dat wil zeggen, de beweegredenen van de seriemoordenaar om echtgenotes met een losse moraal letterlijk een kopje kleiner te maken – iets met een zeldzame erfelijke ziekte, te danken aan een overspelige moeder – zijn platgeslagen tot het jeugdtrauma waarover de proloog bericht. Waarom hij sneeuwpoppen inzet als signatuur blijft volstrekt onduidelijk.

Zoals alles in deze film onduidelijk is en uit de lucht komt vallen. De verhaallijn wordt enkele malen onderbroken door flashbacks die niet direct als flashback zijn te herkennen en de intrige nog onoverzichtelijker maken dan hij al is. The Snowman is een puzzelfilm: het blijft voor de kijker gissen wie wat doet en waarom.

The Snowman

Schroeikoord
Voor de batterij gekende acteurs valt er weinig eer te behalen, ze moeten personages van karton spelen. De Harry Hole van Michael Fassbender is een karikatuur van een binnenvetter. Wat zijn tijdelijke assistente Katrine Bratt (Rebecca Ferguson) en haar afwezige vader, de speurneus Rafto (Val Kilmer) die dertig jaar eerder vergelijkbare moorden onderzocht, in de film doen is volstrekt onduidelijk. Charlotte Gainsbourg heeft als Harry’s ex Rakel de ondankbare taak als emotioneel contrapunt én prooi te fungeren. De geslaagde zakenman  Arve Stop (J.K. Simmons), in het boek een spilfiguur, is gereduceerd tot decor. In een bijrol zien we een onderbenutte Toby Jones. Dito Chloë Sevigny.

Deze Scandinavische thriller is een staaltje kleuren-met-vakjes waarin alleen het moordwapen – een schroeikoord waarmee professionele slachters dieren onthoofden – getuigt van een originele geest. De panoramabeelden van een winters Noorwegen zijn kil bleekblauw en wanneer het spannend moet worden roffelen de trommels. The Snowman is geen noir, eerder asgrauw. Geen idee wat Martin Scorsese heeft gewogen om zich als producer aan deze zeperd te verbinden. Wie een film over verweesde kinderen wil zien, vervoege zich bij Loveless.
 

31 oktober 2017

 
MEER RECENSIES

What Happened to Monday

***

recensie What Happened to Monday

Watskeburt met maandag?

door Ralph Evers

In het jaar 2043 kampt de aarde met een onoverkomelijke overbevolking. Een wereldwijde eenkindpolitiek moet een leefbare planeet betekenen. Wat doe je dan als vader met een zevenling?

Klimaatverandering en overpopulatie zou voldoende materiaal voor de filmindustrie moeten zijn. Toch blijven we vaak vooral rampenfilms zien: de VS heeft uiteindelijk een oplossing, het kerngezin blijft intact, iedereen gelooft braaf in God en de dag erna is als alle anderen, alsof er nooit wat gebeurt is. Rampen als orkanen, mislukte oogsten en verschroeiende branden zijn aan de orde van de dag, doch klimaatverandering vraagt in de filmwetten een gezicht, anders verkoopt het nauwelijks.

What Happened to Monday

Overbevolking
Streamingdienst Netflix zag voldoende brood in de overpopulatiethematiek, met als vanouds een dystopisch sausje. Die overbevolking in What Happened to Monday wordt overigens in elk buitenshot nogal in je gezicht gedrukt. Er wordt losjes gerefereerd naar bekende dystopische literatuur en eerdere films als equals, de Divergent-serie en de klassenmaatschappij in Brave New World, aangevuld met wat Bond-thema’s als een grote corporatie – in dit geval het Child Allocation Bureau (CAB), dat achter de schermen schurk blijkt. Ook de zeven zussen krijgen – na zo’n dertig jaar gebonden aan regels van de dag te leven – zo hun rebelse trekjes.

Wanneer moeder sterft tijdens de geboorte van een identieke zevenling kiest vader (gespeeld door Willem Dafoe) ervoor zijn zeven dochters te houden en ze middels ingenieuze manieren binnen de eenkindpolitiek te passen. Binnenshuis hebben ze hun eigen karakter en talenten, buitenshuis zijn de zussen eenzelfde persoon. Vader vernoemt hen dan ook naar de weekdagen, zodat verwarring over wie wat doet zoveel mogelijk uitblijft.

Het verhaal komt op gang wanneer Maandag plots vermist raakt. Niet veel later breekt de pleuris uit en hebben de zussen de geoliede moordmachines (uitgerust met gepersonaliseerde wapens, zoals we die al eens zagen in Cronenbergs Cosmopolis) van het CAB achter zich aan. Waar de eerste dertig minuten zich prima lenen voor een uitgebreidere serie, leent de resterende negentig minuten zich voor een goede actiethriller. Dit weet regisseur Tommy Wirkola (Død snø, Hansel and Gretel: Witch Hunters) goed uit te buiten.

What Happened to Monday

Sensatie versus plotgaten
Hoewel de premisse van het verhaal sterk is, kent de uitwerking te veel zwakke momenten. De film vraagt vooral niet teveel na te denken over gegevenheden zoals dat de zeven zussen al jaren in een appartement wonen, wat linksom of rechtsom verdacht zou zijn. Of een conciërge die opmerkt dat Karen gisteren nog ziek was en nu ineens niet meer.

Wirkola weet charmant met een goede spanningsboog en actie de vaart er voldoende in te houden om ons af te leiden van de vele plotgaten. Noomi Rapace zet de zeven zussen overtuigend neer, een trucje dat al eerder te zien was in het eveneens door Netflix uitgezonden Orphan Black, waar Tatyana Maslani de show steelt met een veelvoud aan gekloonde zussen. Dat er gelukkig wat karakterontwikkeling plaatsvindt komt de kijker en de spanning goed uit. In de film is een leuke rol weggelegd voor de Nederlandse acteur Marwan Kenzari (Wolf, Loft, The Mummy), die naast CAB-werknemer een mens blijft.

What Happened to Monday stipt het probleem van overbevolking op sensationele wijze aan, maar vervalt in een Hollywoodiaanse kramp waar het goed en kwaad te simplistisch neergezet wordt. Dat de film bij tijden lekker meedogenloos is, redt het geheel echter niet. Misschien toch maar een serie met meer oog voor detail en het dilemma van eenkindpolitiek en de dilemma’s van overbevolking volwassen neerzetten, zonder dat er een oplossing hoeft te komen.
 

26 oktober 2017

 
MEER RECENSIES

Logan Lucky

*****

recensie Logan Lucky

Die kunstarm, oh, die arm!

door Alfred Bos

Ieder seizoen heeft een perfecte genrefilm te bieden en dit jaar is dat Logan Lucky. Tegen zoveel vakmanschap, vernuft en regelrecht plezier steekt het gros van het actie-aanbod magertjes af.

Fans van Steven Soderbergh kunnen opgelucht ademhalen. Na vier jaar filmstilte – en twee seizoenen van de in Nederland via Netflix vertoonde tv-serie The Knick – is de regisseur die actie, drama en humor moeiteloos weet te mengen terug van niet echt weggeweest. Logan Lucky is Soderbergh uit het boekje: sterke ensemblecast, intelligent script, gortdroge humor en een met achteloze flair gevisualiseerd verhaal, inclusief soundtrack van David Holmes (en een paar rockklassiekers, waaronder Brainbox’s Down Man). De film haakt handig in op de populariteit van het Fast & Furious-gejakker met snelle auto’s.

Logan Lucky

Het genre van de heist-film past Steven Soderbergh als – het is hier gepaste beeldspraak – een handschoen, zie Out of Sight en de Ocean’s-trilogie. Het geeft hem de gelegenheid het ondeugende jongetje te zijn dat er ook schuilt in de regisseur van onversneden drama als Erin Brockovich, Traffic en Che. Vileine humor was een hoofdbestanddeel van zijn voorlaatste, de biopic Behind the Candelabra uit 2013 over entertainmentlegende en gay icoon Liberace, en humor is het ingrediënt dat het misdaaddrama rond twee broers en een zus, gemarginaliseerde sloebers in het zuiden van Amerika, tot ijle hoogte verheft. Logan Lucky toont de verarmde onderklasse tegenover de glamour van Ocean’s 11. Het is een Ocean’s 7-11, zoals iemand in de film opmerkt.

Simpel, maar niet dom
Logan Lucky heeft in twee uur speeltijd zoveel te bieden dat één moment van afleiding, bijvoorbeeld om de tranen uit de ogen te vegen na een sublieme grap rond een kunstarm, de kijker in turbostand zet, want de plot is ook niet misselijk. En je moet wel opletten om die te kunnen volgen. De film is een fijntjes uitgebalanceerde cocktail van groteske grand guignol-effecten en geslepen list rond karakters die in hun karikaturale uitvergroting bovenal herkenbaar menselijk blijven. Iedereen kent wel een paar van de types die in Logan Lucky rondlopen. Soderbergh geeft hen charme.

Logan Lucky

Channing Tatum en Adam Driver spelen de broers Jimmy en Clyde Logan, schooiers in het boomrijke West-Virginia. Ze worden geplaagd door de familievloek, aldus Clyde, die in Afghanistan zijn linkerarm (linkeronderarm, aldus Clyde) verloor en nu achter de bar van wegcafé Duck Tape staat. Jimmy, voormalig football-ster, is vanwege een oude blessure ontslagen als bouwvakker. Zijn ex Bobbie Jo (Katie Holmes) is hertrouwd met een rijke onbenul genaamd Chapman en zus Mellie (Riley Keough) past in haar kapsalon op zijn dochtertje Sadie (Farrah Mackenzie).

Jimmy is simpel, maar niet dom. Hij gebruikt zijn kennis van de bouwplaats onder de Charlotte Motor Speedway, een racebaan in het nabij gelegen North Carolina, om een onmogelijk plan op te zetten. De buit is de kas van de populairste race van het jaar. Daarvoor is brandkastkraker Joe Bang (Daniel Craig) nodig, maar die zit in de bak. Dus bedenkt Jimmy een tweede plan om Bang ongemerkt uit en vervolgens weer in het gevang te krijgen.

Wc-brilwerpen
Logan Lucky haalt zijn spanning uit de verwikkelingen rond het opzetten en uitvoeren van de kraak, een complexe en originele, geheel naar de situatie toegesneden operatie. De humor komt uit de personages en hun inborst: Clyde neemt alles letterlijk, Mellie heeft een messcherpe tong en Bang is een meesterdief oude stijl, bruut maar eervol. En uit het contrast tussen de drie families waar de plot om scharniert: de intrigerende Logans, de Chapmans die zonder het te beseffen deel zijn van het plan, en de criminele Bangs. Joe’s jongere broers Fish (Jack Quaid) en Sam (Brian Gleeson) zijn archetypische rednecks, niet bijster snugger en gevaarlijk onvoorspelbaar. Ze weten iets van computers, zeggen ze.

Logan Lucky

Het script – van de volkomen onbekende Rebecca Blunt, een pseudoniem – zet de Amerikaanse provincie neer als een bolwerk van vlagvertoon en debiel vermaak: op de kermis onderhoudt men zich met kreefthappen en wc-brilwerpen. Maar ook digitale technologie krijgt een veeg: Jimmy is slim genoeg om van het internet weg te blijven, zodat FBI-agente Sarah Grayson (Hilary Swank) wel vermoedens maar geen bewijzen heeft. Bovendien is er nóg een twist. En een happy end, want boven alles is dit een geraffineerde feel good-film.

En zo heeft Logan Lucky alles: personages, intrige, spanning, actie, humor en sociale satire, fraai gevisualiseerd. De sociaal-kritische ondertoon is vergelijkbaar met High or Hell Water, de perfecte genrefilm van het vorige seizoen, ook over twee broers: gemangelde arbeiders pakken de bovenklasse terug. De film telt een aantal hilarische scènes, zoals de onderhandelingen tussen de opstandige gevangenen en de directeur over de Game of Thrones-boeken in de gevangenisbibliotheek, en natuurlijk de scène met de kunstarm. Oh, die arm, een betere filmgrap is er dit jaar niet te zien geweest.
 

22 augustus 2017

 
MEER RECENSIES

After Hours

After Hours: De film die het (film)leven van Martin Scorsese redde

door Vincent Hoberg

Vraag een willekeurig persoon vijf films van Martin Scorsese op te noemen en de kans is klein dat After Hours (1985), de belangrijkste film uit zijn loopbaan, erbij zit. Logisch misschien. Scorsese’s relaas over een New Yorkse hellenacht leverde hem weliswaar een Gouden Palm op, maar is ook de laatste film van de regisseur die geen enkele nominatie kreeg tijdens het jaarlijkse Oscarfestijn.

Wie After Hours ziet, zal die ‘belangrijkste film’ stelling ook in twijfel trekken en eerder gaan voor Mean Streets, Taxi Driver of Raging Bull, de films die Scorsese rotsvast op de cinematische landkaart hadden gezet. Een nadere blik leert echter dat Scorsese zonder After Hours het maken van speelfilms zeer waarschijnlijk helemaal vaarwel had gezegd.

After Hours

Depressie
In zijn hoofd had Scorsese’s leven en loopbaan begin jaren ’80 een dieptepunt bereikt. Een zware cocaïne- en drankverslaving eind jaren ’70 had zijn tol geëist en ondanks het grote succes van Raging Bull (1980) was hij de lol in het filmen volledig kwijt. Een lievelingsproject moest uitkomst bieden, maar zijn eerste uitstap naar de spirituele kant met The Last Temptation of Christ bleek niet de verwachte redding.

De film viel, zoals Scorsese zelf zegt, ‘uit elkaar’ en nadat ook het commerciële succes van The King of Comedy (1982) uitbleef, wilde hij het hele speelfilms maken voor gezien houden en zich slechts nog richten op documentaires. En daar, op het dieptepunt van zijn depressie, was opeens het script van After Hours.

Tim Burton
Producers Griffin Dunne en Amy Robinson hadden het tijdens Sundance opgepikt en vrijwel direct Scorsese als ideale regisseur voor ogen. Wie anders zou er beter passen bij een duister verhaal dat zich afspeelde tijdens een krankzinnige nacht in New York, de stad waar hij inmiddels synoniem mee was geworden?

Na een lange radiostilte benaderden ze als tweede optie ene Tim Burton, een jonge filmmaker die zocht naar een eerste speelfilmproject, maar vrijwel tegelijkertijd ging de telefoon en bleek Scorsese dol te zijn op het idee. Terug naar de bron, een kleine film met een kleine crew, in New York, geen poespas, geen druk. Toen Burton hoorde dat de kleine meester ook geïnteresseerd was, trad hij direct terug, want ‘niemand mocht Scorsese weerhouden om die film te gaan maken als hij dat wilde’. De lange weg uit het dal kon beginnen. 

Martin ScorseseHitchkafkaïaanse waanzin
Met al deze informatie in het achterhoofd wordt After Hours een heel andere film. Het verhaal lijkt, zoals gezegd, klein en simpel. Paul Hackett (Griffin Dunne) ontmoet ’s avonds bij een diner de aantrekkelijke, ietwat vreemde Marcy (Rosanna Arquette) en denkt een leuke date voor die avond te hebben geregeld. Het loopt anders.

In bliksemvaart verzeilt Paul in steeds merkwaardiger situaties met een lange stoet karakters bij wie allemaal een flinke steek los zit. (Dat Cheech & Chong op Dunne na de meest normale figuren in de film spelen, zegt meer dan genoeg). Als een Alfred Hitchcock en Franz Kafka die samen een flinke fles pruimenschnapps soldaat hebben gemaakt, sleurt Scorsese zijn antiheld door de eindeloze nacht.

Lezers van voornoemde schrijver zullen Kafka’s beroemde Voor de Wet-parabel uit het Proces zelfs letterlijk voorbij horen komen als Paul zich met pijn en moeite voorbij een uitsmijter probeert te praten. De (vooral cameratechnische) Hitchcock-referenties zijn bijna ontelbaar, al laat een overduidelijke verwijzing naar Rear Window de beste grap van de film uit Paul’s mond rollen.

Scorsese en de in april overleden DOP Michael Ballhaus gaan helemaal los in hun eerste samenwerking: wat Ballhaus hier allemaal uitspookt met de camera behoort tot zijn allerbeste werk en Scorsese’s pure liefde voor film spat er aan alle kanten van af.

After Hours

Zelf-exorcisme
Maar wie de film nog een laag dieper bekijkt, ziet hier een overduidelijke parallel met het leven van de regisseur. De manier waarop Scorsese Paul door de hel stuurt is puur zelf-exorcisme ingekleurd met pikzwarte humor. Luid gniffelend in zijn baard schijnt hij achter de camera te hebben gezeten bij elke ramp die zijn arme held overkwam, maar één ding is zeker. Ingekakte kantoorslaaf Paul werpt de volgende dag gelouterd zijn huid af om opnieuw te beginnen.

Of Pauls leven ingrijpend veranderd is, zullen we nooit weten, maar After Hours gaf Scorsese een nieuwe impuls die drie jaar later eindelijk leidde tot zijn geliefde project The Last Temptation of Christ. De film zette een zegereeks van geweldige films in die nog steeds voortduurt. Gewoon door een kleine film te maken. Geen psychiater had het beter kunnen oplossen.

After Hours @ EYE: zaterdag 22 juli, 20:00 uur.

 

18 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE

Hebzucht en walging in Casino

‘The fucking bottom line is cash’
Hebzucht en walging in Casino’s Las Vegas

door Alfred Bos

Casino (1995) is een van de films die het thema visualiseert dat als een rode draad door het werk van Martin Scorsese loopt: de overlevingsstrijd van het individu in een vijandige wereld.

In het oeuvre van Martin Scorsese zitten een aantal films die fungeren als wegwijzer. Ze staan op afstand van elkaar en markeren de centrale route door het psychische landschap van Scorsese’s cinemavertellingen. Hoezeer de regisseur ook afdwaalt naar B-wegen en afgelegen oorden – kinderfilm: Hugo, kostuumdrama: The Age of Innocence (Scorsese’s Barry Lyndon), psychologische thriller: Shutter Island, de ‘spirituele trilogie’ The Last Temptation of Christ, Kundun en Silence – hij komt vroeg of laat terug op het hoofdpad. Daar is het niet pluis.

Casino

Kleine gangsters met grote ambities
Dat pad begint met Mean Streets (1973) en loopt via Goodfellas (1990) voor dit moment door tot The Wolf of Wall Street (2013). Het pad is de kruisweg van de kleine gangster met grote ambities, de hellevaart van de morele twijfelaar die zich moet handhaven in een wereld zonder scrupules. Langs dat pad, al staan ze iets verder van de weg, zou je ook films als Cape Fear (1991) en The Aviator (2004) kunnen plaatsen, maar het zijn vooral Scorsese’s ‘gangsterfilms’ (bij gebrek aan een beter woord) die de weg wijzen. Langs dat pad vinden we ook Casino (1995).

Mean Streets en Goodfellas schetsen het milieu van Italiaanse immigranten die zich in de Nieuwe Wereld handhaven door vast te houden aan de mores van hun Oude Wereld. De films tonen een botsing van beschavingen, of eigenlijk: gebrek aan beschavingen. Ze gaan over integratie, of eigenlijk: het gebrek aan integratie. Wat de kleine gangsters met de grote ambities bindt aan de Amerikaanse samenleving is het kleinste gemene veelvoud dat de smeltkroes van nationaliteiten en culturen bijeen houdt: materialisme en geweld.

Gaandeweg wordt de wereld waarin Scorsese de existentiële strijd van zijn personages situeert steeds groter. En het gevecht minder Italiaans en meer algemeen menselijk. Mean Streets speelt in de Italiaanse wijk van New York, Goodfellas in het Italiaanse milieu van het nabijgelegen New Jersey (waar Clint Eastwood zijn biopic Jersey Boys over The Four Seasons draaide, waarover later meer) en in The Wolf of Wall Street is de cirkel uitgedijd tot de Amerikaanse samenleving, waarvan de financiële wereld van Wall Street het hart is.

Shakespeareaanse allure
Casino
ligt halverwege de haltes Goodfellas en The Wolf of Wall Street. Het is gebaseerd op het boek Casino: Love and Honor in Las Vegas van de Amerikaanse misdaadjournalist Nicholas Pileggi, net als Scorsese zoon van immigranten uit Zuid-Italië. Goodfellas is eveneens gebaseerd op een boek van Pileggi, Wiseguy: Life in a Mafia Family.

Casino grondt in de werkelijkheid en vertelt de Werdegang van twee gangsters, Frank ‘Lefty’ Rosenthal (in de film Sam ‘Ace’ Rothstein, gespeeld door Robert De Niro) en diens jeugdvriend Tony ‘The Ant’ Spilotro (in de film Nicky Santoro, gespeeld door Joe Pesci). Ze zijn door een kabal van schimmige maffiabazen aangewezen om het casino van het Stardust Hotel (in de film het Tangiers Hotel) in Las Vegas te managen.

Rothstein is de hersens van het tweetal, maar krijgt van de staat Nevada geen vergunning vanwege zijn verleden als professionele gokker. Santoro is de spierbal bij Rothsteins brein, behept met een onmogelijk temperament en de onbeheersbare drang tot juwelenroof. Beiden hebben hun zwakheden: Rothstein valt voor de getroebleerde prostituee Ginger McKenna (Sharon Stone in wellicht haar beste rol, goed voor een Golden Globe en een Oscar-nominatie); Santoro kan zijn driften niet beheersen.

Casino

Al is de ecotoop van Casino dat van het Italiaanse misdaadmilieu van Mean Streets en Goodfellas, de cirkel is ditmaal wijder. Rothstein is Jood, geen Italiaan, en de misdaad in Las Vegas is een paar ordes van grootte ambitieuzer en lucratiever dan de pot waar in Mean Streets en Goodfellas om wordt gestreden. De film is in filmische en vertel-technische termen evenredig ambitieuzer. Het is een drama van Shakespeareaanse allure met een speelduur van 2 uur en 58 minuten, verteld op een manier die volstrekt uniek is in de – niet alleen Amerikaanse – cinema.

Casino is een virtuoos gemonteerde collage van traditionele scènes en panoramavertelling, van voice-over (in twee perspectieven, dat van Rothstein én Santoro) en dialoog, van episodisch vertellen en muziekclip, en al die stijlvormen worden zo vloeiend verweven dat het niet eens opvalt dat de eveneens briljante soundtrack even vaak wel als geen directe relatie met het beeld op het scherm heeft. Het is een masterclass in filmisch vertellen, avant-garde in de vorm van een publieksfilm.

Joe Pesci als oerkracht
Casino is ook een studie in moraliteit. Rothstein is het interessante, meer gelaagde personage van het vriendenduo, want Santoro heeft geen enkel moreel besef. Dat leidt weer tot geestig (wan)gedrag, zoals het inbreken in luxe villa’s om juwelen te stelen, want 1) er zijn veel juwelen in Vegas 2) de politie is met andere dingen bezig en 3) het is nu eenmaal de aard van ‘The Ant’.

Het boeiende aan de door Joe Pesci meer dan overtuigend neergezette Santoro is diens volstrekte gebrek aan enig inzicht: in zichzelf, in anderen, in het systeem. Hij is een natuurkracht, een speelbal van zijn emoties, afgunst en jaloezie voorop. Onmogelijk te dresseren, niet door Rothstein (van wiens echtgenote hij niet kan afblijven, met desastreuze consequenties) en niet door de schimmige maffiabazen. Zijn ondergang is een van de gruwelijkste scènes die Scorsese op het filmdoek heeft gebracht.

Pesci, die dankzij zijn rol in Raging Bull als filmacteur door Hollywood werd ontdekt, speelt in Casino in essentie dezelfde rol als in Goodfellas, maar diens Tommy DeVito is klein bier vergeleken bij de animale agressie van de psychopaat Santoro. Dit is het moment om een uitstapje te maken naar Clint Eastwoods Jersey Boys, want werkelijkheid en film lopen met Joe Pesci en Tommy DeVito op onnavolgbare wijze door elkaar.

Casino

Pesci’s Tommy DeVito uit Goodfellas is een fictief personage, gebaseerd op de gangster Tommy DeSimone. In het echte leven was Tommy DeVito de oprichter en gitarist van de Amerikaanse jaren zestig-popgroep The Four Seasons, het onderwerp van Eastwoods biopic. Daarin speelt acteur Joey Russo de rol van—Joe Pesci, de man die Tommy DeVito introduceerde bij Bob Gaudio, het latere groepslid en voornaamste songschrijver van The Four Seasons. De echte Tommy DeVito was een kruimelcrimineel met een kort lontje die een aantal maanden had gebromd, jaren voor zijn groep uitgroeide tot hit-act. Om kort te gaan: Pesci kent het milieu en de types uit eigen ervaring. ‘The fucking bottom line is cash’ filosofeert Santoro hardop.

Stabiliserende factor
‘Ace’ Rothstein heeft als personage meer reliëf. Hij kent zijn kracht: wedstrijduitslagen juist voorspellen. En zijn zwakte: vanwege zijn criminele verleden is het twijfelachtig dat de Licensing Commision van de staat Nevada hem een vergunning zal verlenen, dus moet hij buiten het zicht van het gezag als casinodirecteur opereren. Zijn flamboyante kledingstijl staat in contrast met zijn ingetogen karakter en waakzame natuur. Hij complementeert Santoro. En stuurt hem, voor zover mogelijk.

Voor Rothstein draait het leven om vertrouwen. Zijn grootste zwakte is echter zijn liefde voor en loyaliteit aan een geestelijk labiele vrouw, de junkie-societyhoer Ginger McKenna. In de driehoek Rothstein-McKenna-Santoro vormt hij de stabiele factor, maar een driehoek op zijn kop is, zoals bekend, gedoemd te kantelen. En dat gebeurt. De set-up is perfect: de geldstroom van het casino wordt afgeroomd en die room weer afgeroomd, terwijl de overheid machteloos toekijkt. Toch rafelt het maffiasprookje uiteen. Eerst langzaam, dan sneller, tot er geen redden meer aan is.

Zowel McKenna als Santoro desintegreren in crescendo, uitgezonderd een laatste moment van relatieve rust, wanneer ze stabiliteit bij elkaar zoeken en voor even vinden. Maar het overspel vormt de inleiding tot de definitieve onttakeling, het misdaadparadijs gaat spectaculair ten onder. Santoro en McKenna sterven zoals ze geleefd hebben, als gangster respectievelijk junkie. Zij hebben het vertrouwen – van Rothstein, van de maffiabazen – beschaamd. Daar is in de wereld van clans maar één straf voor.

Casino kent geen helden, alleen overlevers en de enige die na 2 uur en 58 minuten aan het eigenhandig gecreëerde noodlot blijkt te zijn ontsnapt, is Rothstein. In de epiloog zien we hem in een luw bestaan, als Henry Hill (Ray Liotta) in Goodfellas, bezig met zijn oude activiteit, het voorspellen van wedstrijduitslagen en het plaatsen van winnende weddenschappen. Hij heeft rust gevonden.

Flirt met het kwaad
Robbie Robertson, voormalig gitarist van The Band, is verantwoordelijk voor de samenstelling van Casino’s geluidsband. Die is het beste voorbeeld uit Scorsese’s filmoeuvre van de aanpak die hij introduceerde met Mean Streets: een collectie populaire muziek van uiteenlopende stijl en achtergrond. Die methode is in Casino geperfectioneerd.

Casino

De film is een virtuoos vlechtwerk van allerhande manieren van filmisch vertellen en bij uitstek geschikt om Scorsese’s grote innovatie als het gaat om de geluidsband – muziek visualiseert het innerlijk van de filmpersonages – toe te passen. De voorbeelden zijn legio, een selectie: Heart of Stone van The Rolling Stones wanneer Rothstein Ginger ontmoet; Roxy Musics Love Is The Drug voor de relatie tussen Ginger en haar ex-vriend, de pooier en gokker Lester Diamond (James Woods); Can’t You Hear Me Knocking, opnieuw van de Stones, wanneer Santoro uit inbreken gaat.

Can’t You Hear Me Knocking is om meerdere redenen vermeldenswaard (en bovendien een van de sterkste nummers uit de Stones-catalogus). De direct herkenbare gitaarriff waarmee Keith Richards het nummer opent valt samen met een harde cut in de montage, niet alleen naar een nieuwe scène, maar tevens naar een andere vertelstijl. Vervolgens illustreert het nummer de handeling op het doek. Dan is die episodische scène klaar—maar het nummer loopt gewoon door onder de volgende scène. En het klopt nog ook.

Robertson koos muziek uit een veelheid van genres, veel rhythm & blues uiteraard (zijn specialiteit), maar ook Italiaanse pop, jazz standards en hits uit de jaren zeventig en begin tachtig, de periode waarin Casino speelt. Er zijn maar liefst zeven Stones-nummers op de soundtrack te horen, (I Can’t Get No) Satisfaction in de vorm van een coverversie door de new wave-act Devo. Het is bekend dat Scorsese veel affiniteit heeft met de muziek van de Rolling Stones en Casino windt daar geen doekjes om.

Rolling Stones maakten van hun hang naar het donkere, het satanische, hun imago en ook Scorsese is in zijn films gefascineerd door de worsteling met verleiding, de omgang met het kwaad. Casino is een moreel drama over mensen die flirten met het kwaad dan wel het omarmen, en de prijs die ze daar voor betalen.

Er zijn echo’s van Abraham Polonksy’s film noir-klassieker Force of Evil (1948): Amerika is gebouwd op naakte hebzucht en er is geen wezenlijk verschil tussen de corporate en de onderwereld. Casino verhaalt over de teloorgang van het klassieke Las Vegas waar de rol van de maffia vervolgens is overgenomen door de zakelijke bovenwereld; in die zin is The Wolf of Wall Street feitelijk Casino 2.

Casino is de Scorsese’s meest onderschatte film, een meesterwerk met een geheel eigen, afwijkende vorm en een geheel eigen, persoonlijke toon. Voor dit soort films is de bioscoop uitgevonden.

 

14 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE
 
 
MEER ESSAYS

Mean Streets

Mean Streets: de start van een fantastische loopbaan

door Bob van der Sterre

Johnny Boy is een roekeloos en hersenloos karakter. Schulden rechts en links. Charlie, gek op de nicht van Johnny Boy, wil hem op het juiste pad houden. Maar Johnny Boy lijkt de reddingspogingen eerder te saboteren dan te waarderen. ‘What’s the matter with you?’ 

Iedereen haat Johnny Boy. Hij heeft schulden bij Jan en alleman en van afbetalen komt niets. En iedereen adviseert Charlie om hem te laten gaan. Dat is begrijpelijk. Een etterbak die niet nadenkt en geniet van provocatie. Wat moet je ermee?

Charlie doet klusjes voor zijn oom, een maffiabaas. Hij is bevriend met Tony (cafébaas) en Michael (hosselaar). Hij heeft een vriendinnetje, Teresa. Het doel: een eigen restaurant.

Charlie is eigenlijk te vriendelijk voor het misdaadwereldje. Zijn echte roeping is het zijn van een soort Franciscus van Assisi. Een vredestichter. Af en toe zoekt hij rust in de kerk. Maar de straat blijft roepen.

Mean Streets: de start van een fantastische loopbaan
Twintig jaar geleden
Wat onthoud je eigenlijk weinig van een film die je meer dan twintig jaar geleden hebt gezien. Neem Mean Streets. Ik wist nog iets vaags van een bar, New York in de jaren zeventig, maar ik herinnerde me vooral de alsmaar oplopende irritatie over het karakter Johnny Boy. Wie wil hem niet achter het behang plakken?

Wat je dan ineens opvalt. Er is bijna permanent muziek. Van Rolling Stones tot onvervalste soul, van opera tot gekke feestdeuntjes. Een film als een jukebox – en dat is geen toeval. Dat hoort bij de herinnering van regisseur Martin Scorsese aan zijn jeugd.

Die muziek past zo geweldig bij de scènes – vooral door schaamteloos aanwezig te zijn, als een rode audiodraad door de hele film. De platen kwamen vooral uit zijn eigen collectie. Geen wonder dat de helft van het budget op ging aan betalen voor de rechten van de muziek. Zelfs jaren later kwamen er nog artiesten geld opeisen.

Martin Scorsese-maand: Goodfellas - Goeie gastenEn dat Johnny Boy halverwege de film eigenlijk ineens uit beeld verdwijnt, om pas op het einde weer terug te komen. Behoorlijk slimme scriptzet. Het geeft de soms wat meanderende film de kans op een spannend plot.

En hoe goed De Niro hier wel de intrigant speelt… Met zijn samengeknepen ogen, spottende blik en hoedje en dat geschmier. Zóóó irritant. Zijn rol is gebaseerd op een jeugdvriend van Scorsese, Sally GaGa, die van het pad af ging vanaf het moment dat hij per ongeluk een dronken man doodde.

En al die improvisaties! Scorsese legde later uit dat veel improvisatie was gefilmd tijdens repetities en later in het script werd verwerkt. De dronken homo die een lift krijgt (een scène die oorspronkelijk nog langer duurde maar door nalatigheid van een crew-member verloren is gegaan). Charlie die biljartballen zegent. Op straat duelleren de twee met deksels van vuilnisbakken (tijdens het filmen geïmproviseerd). Een bijzonder geslaagde improvisatie is als Keitel De Niro terechtwijst in de achterkamer van de bar, in de vorm van een soort Abbott & Costello-routine. Zie hier.

De jonge Scorsese dacht minder na dan de moderne Scorsese en ging meer op zijn instinct af. Wat misschien ook meespeelt is dat de nouvelle vague in 1973 nog niet zo oud was.

Mean Streets: de start van een fantastische loopbaan

Persoonlijke visie
Scorsese was 31 toen hij deze film maakte. Zijn loopbaan, met twee complete films op zijn cv, moest eigenlijk nog echt beginnen. Maar op dat moment had hij daar natuurlijk geen idee van. Als je je verplaatst naar Scorsese in 1973 waren er helemaal geen zekerheden. Zijn loopbaan kon met een mindere film zo weer afgelopen zijn.

Mean Streets was best een risicovolle film. Nu herken je veel van Scorseses latere kwaliteiten als regisseur maar het had zomaar anders kunnen lopen. De lovende kritieken hielpen de jonge regisseur enorm. Zie bijvoorbeeld deze review in Thew New York Times. ‘(…) the once-promising young director (…) who has now made an unequivocally first-class film.’ Filmcritica Pauline Kael oordeelde: ‘A true original, and a triumph of personal filmmaking.’

Het geringe budget noopte tot creatieve oplossingen. Daarom werd er vrij veel gefilmd met de handheldcamera en niet met tracking shots. En met licht en inventiviteit kun je veel doen. Let bijvoorbeeld op deze momenten:

  • Het feestje, met de camera die aan Keitels hoofd is gebonden. Hier is de clip. Verrassende scène met geweldige muziek. Een truc die je tegenwoordig vaak in cinema ziet om een trippy sfeer aan te geven. Al uitgevonden in 1966 in Seconds, zie deze clip.
  • De bar, rood licht, slow-motion en Johnny Boy komt binnen lopen, twee dames aan zijn arm, Jumping Jack Flash knalt uit de speakers. Zo vaak geïmiteerd, ik bedoel: echt heel erg vaak, maar ongeëvenaard.
  • De vechtpartij in de poolhal. Heel fraai is het achteruitlopende gevecht, die zowat de hele hal doorgaat, en dan hoor je Mr. Postman.
  • Het openingsshot met tegenlicht op de brug (camera pant naar rechts en dan weer naar links).
  • Een subtiele close-up van een Jezusbeeld bovenop een gebouw, waarmee je naar beneden naar de New Yorkse straten staart.

De persoonlijke visie van Scorsese compenseerde het gemis aan budget. De kracht van Mean Streets zit hem in die beelden van New York en Little Italy, met (ook weer niet te veel) shots van morsige New Yorkse straten. De karakters zijn er bijgehaald om dat in te kleuren, niet andersom.

En de spirituele thematiek – ook een rode draad in Scorseses oeuvre. De kern is de voice-over waarmee Scorsese naar eigen zeggen een poging waagde om met zichzelf in het reine te komen, zoals Charlie denkt nobel te zijn terwijl hij maffiawerk zit te doen. ‘You don’t make up for your sins in church. You do it in the streets. You do it at home. The rest is bullshit and you know it.’ Charlie spreekt in zijn eigen hoofd maar het is de stem van Scorsese.

Plus de vele cinematografische verwijzingen. The Birds, I Vitelloni, Back to Bataan, The Public Enemy, The Big Heat, Point Blank. Mooi is het eerbetoon aan Roger Corman, de man die Scorseses carrière een duwtje gaf, als Johnny Boy en Charlie Tomb of Ligeia kijken in de bioscoop.

En de schets van een wereldje. Dat is echt een van Scorseses topkwaliteiten. De film biedt een fraai tableau van Little Italy en New York in 1973, vaak nagedaan in moderne series en films, maar dit was the real deal. Nog niet de dure hipsterstad van vandaag de dag, maar een stad in crisis, vol hosselende overlevers, waar het barstte van de Michaels en Charlies. Scorsese filmde onder andere in de Chicano-buurt ‘waar de misdaad veel erger was dan ook maar iets wat je in de film zag’.

De Niro die geen Johnny Boy wilde spelen
Achteraf kijken is makkelijk. Een goede film is vaak een optelsom van toevalligheden. Wat als Herman J. Manckiewicz, Orson Welles’ scriptschrijver van Citizen Kane, nooit bevriend was geweest met krantenmagnaat Randolph Hearst? Met Mean Streets is het niet veel anders.

Om te beginnen hád Scorsese al een film waar hij aan kon refereren als hij wilde uitleggen wat hij van plan was. Who’s That Knocking at my Door (1967) was Scorseses film over de Lower East Side. Mean Streets was min of meer onderdeel van een trilogie (waarvan het tweede deel nooit zou verschijnen).

Tweede toevalligheid: wat als Scorsese niet collega-filmmaker John Cassavetes had ontmoet, die hem na het zien van Boxcar Bertha de harde waarheid vertelde: ‘Je hebt net een jaar verspild. Jij bent beter dan de mensen die dit soort films maken.’ Hij moest volgens hem iets totaal anders proberen.

Mean Streets: de start van een fantastische loopbaan

Of wat zou er gebeurd zijn als Scorsese was gezwicht voor de riante zak met geld die producer/regisseur Roger Corman hem bood. De enige eis? Van zijn film een Blaxploitationfilm te maken. Hij zei letterlijk: ‘If you’re willing to swing a little’…

Ten vierde: wat zou er gebeurd zijn als Sandra Weintraub, zijn vrouw in die tijd, niet van het vooral religieus bedoelde script Season of the witch had gezegd: ‘Ik vind die stukjes die je me vertelt over de tijd in Little Italy veel leuker. Waarom maak je daar geen film over?’ En daar ging het mes in het religieuze gedeelte.

En wat als er niet een 26-jarige roadmanager van Bob Dylan was opgedoken die ‘iets met films wilde doen’? Toen zat Scorsese niet ruim in zijn producers. Een nadeel: alles moest worden gefilmd in Los Angeles. Een beetje smeken sorteerde effect want hij peurde er acht dagen filmen in New York uit.

Toevalligheid nummer zes: wat als Brian De Palma niet De Niro bij hem had geïntroduceerd? Ze hadden dezelfde achtergrond, hadden gemeenschappelijke kennissen, maar kenden elkaar niet. Het leek trouwens niets te worden want De Niro wilde juist de rol van Charlie. (Het scheelde trouwens niets of Jon Voight zou Charlie hebben gespeeld, maar Voight belde af vlak voor de film in productie ging.) Keitel werd er bijgehaald en nota bene hij wist De Niro te overtuigen om toch Johnny Boy te spelen. De Niro en Scorsese zouden uiteraard samen nog veel films maken.

En wat als er niet toevallig zoveel talent om hem heen rondliep? De crew die sinds Scorseses Boxcar Bertha (1972) samenwerkte, zou verder gaan met klassiekers als Taxi Driver en Raging Bull. Met De Niro maakte Scorsese acht films, met Keitel zes films, met Victor Argo vijf films. De hele filmcrew ging flexibel om met de beperkingen van een klein budget.

En wat als de distributie niet gelukt was? De afgevaardigde van Paramount verliet al na tien minuten de screening. Wat als Warner Brothers ook niet had toegehapt? Mean Streets zou misschien het einde van Scorseses carrière hebben betekend.

En wat als hij geen goede vrienden had gehad? Een beetje illegaal filmen tijdens het San Gennaro-festival zonder vergunning leverde een boete op van 5.000 dollar. Een flink bedrag voor de jonge regisseur. Frances Coppola leende hem het geld.

En om de tien toevalligheden vol te maken: het is mei 1973 en we reizen naar Cannes, en zien daar de nog onbekende Scorsese in gesprek met Fellini, te vertellen over zijn film. Fellini wordt dan net onderbroken door zijn distributeur. Hij heeft de film niet gezien maar overtuigt die man in een paar minuten om de film op te pakken.

Salonfähig
Scorsese kwam, zag en overwon met Mean Streets. Hij vervolgde hierna met het maken van interessante, uitdagende films. Het heeft hem geen windeieren gelegd. Hij is volgens mij zo salonfähig als maar kan. Wie noemt hem niet de allerbeste nog levende regisseur?

Mean Streets: de start van een fantastische loopbaan

Zijn films hebben dat typische Scorsese-achtige: sterke karakterportretten die met de nodige visuele flair zijn klaar gestoofd. Films die een onuitputtelijke inspiratiebron blijken voor filmers die ‘films als Scorsese’ willen maken. Misdaad, komedie, drama, karakters: Hollywood raakt niet uitgekeken op die dingen. Hoeveel imitaties er ook volgen, er is maar een Casino en een Goodfellas.

Hij liep ver, ver voor op de trend van het realistisch drama van nu. Veel misdaad tv-series van nu lijken schatplichtig aan zijn films. Geen wonder. Hij verenigde twee dingen: gevoel voor Hollywoodklassiekers en de artistieke vrijheid van de jaren zeventig. Een gouden combinatie. Daarom maakte hij zo’n geweldige tandem met Paul Schrader, die scriptschrijver was van zowel Raging Bull als Taxi Driver, en meesterlijk was in het beschrijven van eenzaamheid.

Experimenteel en perfectionist tegelijkertijd
Ik zou mezelf een gematigde bewonderaar willen noemen van het werk Scorsese. Ik ben altijd meer een fan geweest van de spot van regisseurs als Robert Altman of Orson Welles dan het drama van Scorsese. Goodfellas, Mean Streets en Casino zitten minder vast aan het genre drama en behoren om die reden tot mijn favoriete films van hem.

Wat ik wel bewonder is dat Scorsese tegelijk zo experimenteel en perfectionist kon zijn. Die twee voorkeuren zullen geregeld in hemzelf geknokt hebben voor aandacht. Geen wonder dat hij vanwege burn-outs en drugsgebruik regelmatig in een ziekenhuis moest worden opgenomen. Hij was een groot liefhebber van het werk van Powell en Pressburger en hij vroeg Michael Powell vaak om advies.

Wat me minder aanspreekt, is dat veel verhalen van Scorsese variaties zijn op hetzelfde liedje: de opkomst en ondergang van een temperamentvolle man in een of ander wereldje. Ook in Mean Streets zie je een film die veel meer interesse heeft in mannenpsychologie dan in vrouwenpsychologie. Teresa, de enige vrouw in Means Streets, krijgt ironisch genoeg aldoor te horen dat ze moet zwijgen.

Daar moet ik wel meteen aan toevoegen dat uitgerekend de volgende film van Scorsese Alice Doesn’t Live Here Anymore was – een gevoelig drama van een door Arizona reizende weduwe.

Sleutelwerk
Het woord ‘sleutelwerk’ wordt vaak misbruikt in essays maar Mean Streets is precies dat: een sleutelfilm voor Scorseses oeuvre. De film bracht in de eerste plaats voor het eerst echt aandacht en artistieke erkenning. Met eenendertig maakte hij eindelijk de film die hij wilde maken (en die hij zelf nooit meer helemaal zag want het was te persoonlijk).

Luisteren naar John Cassavetes heeft zich dubbel en dwars uitbetaald. Hij leerde dat zijn persoonlijke aanpak werkte. Zijn eerste short maakte hij al in 1959, Boxcar Bertha in 1972 was een film om het ambacht mee te leren en in 1973 was Scorseses geest eigenwijs genoeg om zijn meest persoonlijke film tot dan toe te maken.

Het lage budget noopte hem tot creatieve, improviserende oplossingen, iets wat hij later nog vaker zou herhalen. De vaak terugkerende samenwerking met De Niro begon hier. De voorkeur voor films over duistere wereldjes eveneens. De stad. De misdaad.

Kortom: de echte, eigenzinnige filmmaker Scorsese werd met deze film geboren.
 

Netflixers hebben geluk: de film staat er in zijn geheel op.
Mean Streets is ook nog te zien in EYE Amsterdam: vrijdag 11 augustus en donderdag 17 augustus. 

 

8 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE
 
 
MEER ESSAYS

Taxi Driver

Taxi Driver: Een zelf opgelegde eenzaamheid

door Nanda Aris

De woensdagochtend tijdens mijn studie betekende film kijken in de bioscoop. Zo ook bekeken we Taxi Driver uit 1976 van Martin Scorsese. Meestal ging ik onvoorbereid de zaal in, een docent sprak voor de film altijd over het belang van de film. Ik had geen idee dat ik na het zien van deze film de zaal vrij verontrust zou verlaten.

Het idee voor het script kreeg Paul Schrader doordat hij net zelf gescheiden was, en zich eenzaam en depressief voelde. Het was nooit het idee om er een commercieel succes van te maken, Schrader schreef de film als therapie voor zichzelf. Daarnaast liet hij zich inspireren door de dagboeken van de 21-jarige Arthur Bremer, die in 1972 gouverneur George Wallace neerschoot.

Taxi Driver

Schrader dacht een film te maken over eenzaamheid, maar kwam er gaandeweg achter dat het niet zozeer alleen eenzaamheid was, als wel een zelf opgelegde eenzaamheid, met tegenstrijdige impulsen. En dat is juist wat ik uit de film haalde, en wat mij nogal beangstigde en verontrustte. 

Taxi
Travis Bickle, gespeeld door een voortreffelijke Robert de Niro, speelt een jonge oorlogsveteraan. Door slapeloosheid geteisterd besluit hij taxichauffeur te worden. “All the animals come out at night – whores, skunk pussies, buggers, queens, fairies, dopers, junkies, sick, venal. Someday a real rain will come and wash all this scum off the streets. I go all over. I take people to the Bronx, Brooklyn, I take ‘em to Harlem. I don’t care. Don’t make no difference to me. It does to some. Some won’t even take spooks. Don’t make no difference to me.”

Dit is tegenstrijdig: aan de ene kant vindt hij het gespuis, de junks en hoeren, aan de andere kant heeft hij geen moeite met het rijden door deze buurten en het bezoeken van pornografische films in de bioscoop.

Dates
Martin Scorsese-maand: Goodfellas - Goeie gasten
Wanneer hij de mooie blonde Betsy (Cybill Shepherd), die werkt voor senator Palentine, rondrijdt, besluit hij haar uit te vragen. De dates verlopen niet geheel soepel, vooral niet wanneer Bickle besluit haar mee te nemen naar een pornografische film.

Omdat Bickle boos is over de mislukte dates, besluit hij op een dag pistolen aan te schaffen, om de senator neer te kunnen schieten. Het boos zijn is niet de enige reden voor hem, het gaat hem er vooral om een ‘grote daad’ te verrichten. Hij voelt de behoefte om gezien en erkend te worden.

De beroemdste scène uit de film volgt: “Are you talking to me..?”, oefent Bickle in de spiegel het moment waarop hij zijn pistool tevoorschijn zal trekken om de senator te vermoorden. De grijns op zijn gezicht, over het feit dat hij iets zal doen wat indruk maakt, is verontrustend.

Verknipt
Uiteindelijk zal hij voor de piepjonge prostituee Iris (Jodie Foster) opkomen. Travis heeft haar ook eens rondgereden, en begrepen dat ze voor een pooier werkt. Hij besluit verhaal te gaan halen bij deze pooier, Sport (Harvey Keitel) genaamd.

Voor vele mensen eindigt de film gek, er wordt veel gespeculeerd over de bedoelingen van het einde van de film. Voor mij is het zo duidelijk als maar kan. Het is geen droom, het is realiteit. Mensen kunnen zo verknipt zijn…

De film was af, en het licht in de bioscoop ging aan. Ik stapte naar buiten met andere ogen. Zulke mensen bestáán, en opeens keek ik anders naar de man die me tegemoet kwam lopen, de man die me voorbij fietste, de man die in de supermarkt zijn boodschappen deed.

Taxi Driver

Goed en kwaad
De scheidslijn tussen goed en kwaad is zo dun voor Bickle, het gaat hem niet om goed of kwaad doen. Aandacht, daar draait het hem om. Bickle is een verknipte persoonlijkheid, heeft een kort lontje, en is sociaal gezien heel onhandig – hij krijgt het niet voor elkaar om een normale relatie met iemand op te bouwen. Een ongeleid projectiel, dat op elk moment uit kan barsten.

Zo is er het moment dat hij naast een man van de secret service gaat staan, en hem zegt dat hij interesse heeft om ook bij de secret service te komen. Dit doet hij echter zo onhandig (lang stilstaan naast de man zonder iets te zeggen, vragen welke wapens ze allemaal dragen, zijn grijns op het gezicht), dat de man van de secret service hem direct verdacht vindt. Bickle denkt zijn gegevens te geven zodat hij ook bij de secret service kan komen, maar in werkelijkheid schrijft de man Bickles gegevens neer omdat hij hem verdacht vindt.

Naast dat Bickle vreemd en raar is, is hij zielig. Hij wil dolgraag echt contact met mensen, maar krijgt dit niet voor elkaar. Hij zegt: “Loneliness has followed me my whole life. Everywhere. In bars, in cars, sidewalks, stores, everywhere. There’s no escape. I’m God’s lonely man…”
 

4 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE

Goodfellas

Goodfellas: Goeie gasten

door Suzan Groothuis

Wat me van Scorseses beste en populairste gangsterfilm is bijgebleven is dat kleine opgewonden standje, al vloekend en tierend, om niets zijn pistool heffend en schietend of het een lust is. Ik heb het natuurlijk over Joe Pesci in de rol van Tommy, “the funny guy”, maar zo kan je ‘m beter niet noemen.

“No no, I don’t know, you said it. How do I know? You said I’m funny. How the fuck am I funny, what the fuck is so funny about me? Tell me, tell me what’s funny!”
Overigens was Goodfellas niet Pesci’s eerste rol in een Scorsese-film, want tien jaar eerder, in 1980, sierde hij samen met Robert de Niro het witte doek in Raging Bull.

Martin Scorsese-maand: Goodfellas - Goeie gasten

Terug naar Goodfellas. Scorsese heeft aardig wat gangsterfilms in zijn oeuvre, zoals Mean Streets uit 1973 en Casino uit 1995. Maar geen is zo goed als Goodfellas. Het was de zoveelste samenwerking met acteur en goede vriend Robert De Niro, maar ook die typische koppen in gangster- en misdaadfilms komen voorbij: Paul Sorvino, Mike Starr, Frank Sivero en Frank Vincent als de gedoemde “Go home and get your shine box…” Billy Batts. De film is gebaseerd op het boek ‘Wiseguy’ van Nicholas Pileggi, een journalist gespecialiseerd in misdaadverslaggeving. Diezelfde Pileggi was ook verantwoordelijk voor het script van Casino.

Goodfellas, uit 1990, viel goed in de prijzen. Drie Oscars, waarvan één, terecht, voor Joe Pesci. Heeft ‘ie niet voor niets zo’n indruk achtergelaten. En nu, ter ere van de Scorsese-expositie in Eye (en onze maandspecial op InDeBioscoop), nemen we de film opnieuw onder de loep.

Altijd al een gangster willen zijn
Martin Scorsese-maand: Goodfellas - Goeie gasten
De openingscredits schieten zoevend voorbij. Als auto’s op de snelweg. De Niro. Liotta. Pesci. En dan de eerste beelden: een auto op weg in het nachtelijk donker, drie mannen erin, en gebonk vanuit de achterbak. Prompt wordt de auto aan de kant van de weg gezet, de klep geopend en het nog levende slachtoffer (was niet helemaal de bedoeling) aanschouwd. Joe Pesci zet zonder pardon het mes erin, De Niro maakt het af met pistoolschoten. Liotta kijkt de camera in en zegt: “As far back as I can remember, I’ve always wanted to be a gangster.” Welkom in Goodfellas, de wereld van de wiseguys.

En dan gaan we terug in de tijd. De tijd dat Henri Hill (Ray Liotta) nog een puber was en bij de grote jongens wilde horen. Geleidelijk aan werkt hij zich op, beginnend bij een taxistandplaats en eindigend als, jawel, gangster onder leiding van buurtbaas Paulie (Paul Sorvino). Als tiener verdient hij al meer dan zijn ouders, die zich voor weinig centen uit de naad werken. Maar niet Henri: met zijn semi-Italiaanse afkomst krijgt hij een plek in het Italiaans-Amerikaanse misdaadsyndicaat. Zijn gangstermaatjes zijn de opvliegende, onvoorspelbare Tommy (Joe Pesci) en de gewiekste Jimmy Conway (Robert De Niro). Maar er zijn regels: “never rat on your friends and always keep your mouth shut”.

We kijken mee vanuit Henri’s perspectief. We zien hem ouder worden, trouwen, kinderen krijgen. En hoewel het Henri niet slecht afgaat (het geld stroomt binnen) zien we hem ook meer risico’s nemen. Leuk detail is dat zijn vrouw Karen (Lorraine Bracco) later te zien is in de rol van psychiater Jennifer Melfi in gangster hitserie The Sopranos.

Rauw, verhit en markant
Goodfellas zit vol rauw geweld, gevatte en verhitte dialogen en een snel tempo. Af en toe bevriest het beeld en spreekt Henri de kijker toe. Een briljante scène is die waarin Henri, Tommy en Jimmy net een afrekening achter de rug hebben en bij Tommy’s moeder langs gaan. Het bebloede mes nog in Tommy’s hand, staat de moeder er op dat de drie aanschuiven aan tafel om te genieten van een heerlijke Siciliaanse maaltijd. Ondertussen babbelt ze er op los. Zij blijkt niemand minder dan Scorseses eigen moeder.

Martin Scorsese-maand: Goodfellas - Goeie gasten

De film is rijk aan markante personages, die in een eveneens memorabele scène geïntroduceerd worden. Jimmy Two Times bijvoorbeeld, de man die alles twee keer zegt (“I’m gonna go get the papers, get the papers”). Of het korte rolletje van Samuel L. Jackson als Stacks, die een grote deal verpest en daarom een onverwacht bezoekje krijgt van Tommy. En dan is er nog de altijd om geld zeurende Morrie.

Goodfellas toont de verleidelijke en minder rooskleurige kanten van het gangsterleven. Het grote geld, dure auto’s, mooie vrouwen en de beste wijnen en prosciutto tegenover corruptie, dagelijks geweld, drugs en leven in angst. Eten heeft een prominente plek in Scorseses film, zoals de royale maaltijd die Henri maakt voor zijn broer. Niet in de minste omstandigheden, want hij wordt geschaduwd door helikopters. En dan is er nog de scène die bewijst dat je ook in de gevangenis lekkere pastasaus kan eten, met zeer dun gesneden (lang leve het  scheermesje!) plakjes knoflook.

Dankzij de Martin Scorsese-expositie is er nu opnieuw de kans om Henri’s wel en wee in Goodfellas in 4K in Eye te zien. Ofwel in de woorden van Jimmy Conway: ”It’s gonna be a good summer.”
 

1 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE

Baby Driver

****

recensie Baby Driver

In Edgar Wright’s nieuwste draait alles, maar dan ook alles om muziek

door Vincent Hoberg

Op papier lijkt het een standaard gangsterfilm vol uitgekauwde thema’s, maar schijn bedriegt. In het zeer vermakelijke Baby Driver wordt een dusdanig  perfect huwelijk tussen soundtrack en film gesmeed dat je de genreclichés met gemak vergeet.

Na het enorme succes van Pulp Fiction (1994) probeerden zoveel filmmakers mee te liften in de slipstream van de verrassingshit dat er zowaar sprake was van een ‘nieuwe’ stroming. De ingrediënten van deze Nouvelle Violence: coole gangsters, hippe dialogen boordevol referenties aan pop culture, over-the-top geweld en een soundtrack met klassieke hits.

Baby Driver

De resultaten pakten soms goed uit (met name Things to Do in Denver When You’re Dead en Boondock Saints), maar weinig regisseurs hadden de flair waarmee Quentin Tarantino zijn bekendste film zo memorabel had gemaakt, zodat het grootste deel van de films kon worden weggezet als ordinair jatwerk. De Nouvelle Violence stierf vooral daarom een betrekkelijk stille dood ergens begin deze eeuw, dus het getuigt van groot lef dat Edgar Wright met Baby Driver de stroming een dikke tien jaar later al weer nieuw leven inblaast. Maar godzijdank is Wright een van de meest originele geesten die momenteel rondloopt in filmland.

Cliché
De plot van Baby Driver is op het eerste gezicht een cliché van jewelste: ‘Crimineel wordt verliefd en wil uit het wereldje stappen, maar moet eerst nog Die Ene Laatste Klus Doen.’ Dat die klus niet zo soepel loopt als verwacht, is natuurlijk geen spoiler want we hebben het al duizend keer gezien. En Wright weet dat dondersgoed. Net als in zijn eerdere films Shaun of the Dead en Hot Fuzz rekent hij juist op onze kennis van een  bepaald filmgenre en gebruikt hij onze verwachtingen om de clichés uit te vergroten, om te keren en in te zetten voor een komisch effect, zodat we toch op het verkeerde been worden gezet.

Waar in de gebruikelijke heistfilm altijd slechts één specifiek bendelid door gestoord of agressief gedrag de zaken in het honderd stuurt (zoals Mr. Blonde in Reservoir Dogs of Waingro in Heat) hebben hier alle gangsters een lontje van een millimeter, zodat je geen idee hebt wie uiteindelijk gaat zorgen voor de onvermijdelijke gewelddadige climax. Vooral Jon Hamm (lichtjaren verwijderd van Mad Men’s Don Draper) is goed op dreef als de ogenschijnlijk vriendelijke Buddy met een enorme liefde voor het nummer Brighton Rock van Queen.

Baby Driver

Nederlands tintje
En daarmee komen we aan bij de muziek, het woord dat centraal zal gaan staan in elke recensie die over deze film geschreven gaat worden. Want wat Baby Driver zo goed maakt, is de manier waarop Wright dat allergrootste Nouvelle Violence-cliché omtovert tot een levend, ademend karakter. Waar de coole golden oldies op de soundtrack van soortgelijke films vooral dienstdeden als prettige ondersteuning van de beelden, verweeft Wright ze hier met alles wat we zien gebeuren.

Hoofdpersoon Baby (een ultrarelaxte Ansel Elgort) is in het bezit van meer iPods dan een gemiddelde Apple-winkel en hij verricht al zijn handelingen, van het besturen van vluchtauto’s tot het halen van koffie, op de klanken van een immense (en fantastische) playlist. Zelden was muziek zo integraal verbonden met de beelden van een film als hier, met als onvergetelijk hoogtepunt een achtervolging in de slotakte op de tonen van Hocus Pocus, de klassieke jodelrockstamper van Focus met vlak daarna Golden Earring’s Radar Love als extra Nederlandse muziekkers op de taart.

Het is een briljante vondst die in de handen van een mindere regisseur waarschijnlijk slecht had uitgepakt. Maar Wright krijgt het voor elkaar en weet daarnaast een volstrekt frisse en originele draai aan overbekend materiaal te geven. Baby Driver zit zo vol kinetische energie dat meerdere kijkbeurten nodig zijn om alle beeld/muziekgrapjes te kunnen ontdekken. En dat is absoluut geen straf.
 

26 juni 2017

 
MEER RECENSIES

Free Fire

****

recensie Free Fire

Pret met eeuwigdurende shoot-out

door Bob van der Sterre

Een deal op een afgelegen locatie. Mensen die elkaar niet kennen en die wantrouwig zijn van nature. Allemaal bewapend. En het is nog een wapendeal ook.

Boston 1978. Twee partijen komen bij elkaar in een oude fabriek. Aan de ene kant Ieren die wapens komen kopen (Stevo, Frank, Chris). Aan de andere kant Amerikanen en een Zuid-Afrikaan die de handel willen verkopen (Vernon, Ord, Martin). Justine kent beiden en brengt ze bij elkaar in een oude fabriek. Men draagt wapens en is wantrouwig.

Free Fire

Bij het weigeren van een uitgestoken hand: ‘You didn’t masturbate before you got here, did you?’ ‘What?’ ‘Told you I don’t work with anybody who’s carrying a loaded weapon.’ ‘Fuck the small talk. Let’s buy some guns, eh?’

De spanning loopt meteen op als blijkt dat de verkeerde wapens zijn geleverd. Maar Chris en Ord houden de twee partijen in het gareel. Totdat een van de Ieren een van de Amerikanen herkent en weet dat hij wraak op hem wil nemen.

Een lange shoot-out
Je verraadt niets van het plot door te vertellen dat de film één lange shoot-out is. De fabriek wordt compleet aan gort geschoten. Maar het is geen esthetische shoot-out à la John Woo. Explosies à la Michael Bay hoef je niet te verwachten. Over the top stoerheid à la Don Siegel ontbreekt. De kogels komen hier bij de kijker bijna net zo hard aan als bij de karakters die elkaar bestoken. Waar we wel naar kijken, is bijna een ouderwetse grappige shoot-out à la Tarantino in zijn oude tijd, toen hij nog onpretentieus amusement maakte.

Deze opzet was een risico. Niet veel films hebben echt maar een locatie waar de film zich afspeelt. En vaak blijft zo’n idee niet lang grappig.

Maar bij Free Fire staat er een groep acteurs die de hele film kan boeien – want humor en geweld heeft meer goed acteerwerk nodig dan je beseft. Ze lopen in de invulling van hun vak als acteur erg uiteen. Cilian Murphy (28 Days Later). Armie Hammer (The Man from UNCLE). Noah Taylor (ooit Hitler in Max). Babou Ceesay (Eye in the Sky). Brie Larson (Room). Sharlto Copley (District 9). Er is bijna geen grotere verscheidenheid te bedenken. Maar dat is juist een van de krachten van deze film. Ze passen bij hun rollen. Het is zoals je zo vaak voetbaltrainers hoort zeggen: ‘Ze speelden echt als een team…’

Free Fire

Teamgevoel
Is dat teamgevoel misschien de invloed van regisseur Ben Wheatley, die immers in Sightseers ook aanstekelijke chemie creëerde tussen de hoofdrolspelers? Hij revancheert zich hiermee voor het ambitieuze, maar ook het niet zo evenwichtige High-Rise uit 2015.

Je ziet hier ook het probleem bij beide films. Net als in Sightseers is Free Fire wel leuk kijkvoer, maar niet briljant. Dat ligt vooral aan hoe beide films worstelen met het verhaal zelf. De scripts worden in beide gevallen als het ware voortgedreven door de actie. Maar het zou in een echt goede film andersom moeten zijn – het verhaal bepaalt wanneer de actie opkomt.

Voor de meeste mensen is dat kommaneuken van het zuiverste soort. En een beetje gelijk hebben ze wel. Dit is gewoon een grappige film met veel vaart en energie (negeren die mensen die achteraf zeggen: ‘Deze film ging helemaal nergens over’). Het beste is vooraf om geen trailers te kijken, met weinig verwachtingen de film te gaan kijken en je vervolgens onder te dompelen in een energieke roes van humor en kogels.
 

22 april 2017

 
MEER RECENSIES