Lucky

****

recensie Lucky

De weg naar Verlichting

door Tim Bouwhuis

“Realisme is een ding. Het is de gewoonte om een situatie te accepteren zoals ze is en de bereidheid hebben daarnaar te handelen”. Woordenboeken hebben de gewoonte om simpele betekenissen te vermommen als tegeltjeswijsheden. Lucky doet feitelijk niets meer dan een poging om zijn kruiswoordpuzzel af te maken, als zijn zoektocht naar synoniemen hem bij de kern van zijn persoonlijkheid brengt.

De negentigjarige Lucky (Harry Dean Stanton) is eigenzinnig, cynisch, maar ook goudeerlijk. Altijd en overal is hij op zoek naar de essentie van dingen. Naar de wetenschap dat alles eens zal verdwijnen, dat de ‘ziel’ niet bestaat. Je zou Lucky een atheïst kunnen noemen. Tijdens de film valt die term echter geen moment. De nadruk ligt niet op labels en categorieën, maar op Lucky’s menselijkheid. Als we oud zijn, en onze dood gedwongen onder ogen zien, worden onze illusies en dromen ons ontnomen. We kijken naar de wereld zoals we die op dat moment zien. Al het andere is opgeslokt door de tijd.

Lucky

Heilige regelmaat
Voor Lucky is het menszijn een symfonie van dagelijkse routines. Terug komen de yogaoefeningen, de quizprogramma’s. Er is een vaste buurtshop, een vast koffiehuis en een vaste kroeg. De koelkast is gevuld met melkpakken van hetzelfde merk. Je kunt met Lucky te doen hebben, hem een zielige einzelgänger noemen. Het is echter alsof de scenaristen (een samenwerking tussen Logan Sparks en Drago Sumonja) al van meet af aan op zo’n houding anticipeerden: een ongeruste buurtbewoner krijgt te horen dat ‘alleen zijn’ toch echt iets anders is dan eenzaamheid.

Lynchiaans leven
Stanton bijt op een heerlijk droge wijze van zich af, en brengt daarmee de verhouding tussen drama en humor in balans. Komische hoogtepunten zorgen ervoor dat de emotionele kern van het verhaal er nooit te dik bovenop komt te liggen. De scène waarin Lucky een onbeholpen advocaat (Ron Livingston) te kijk zet is goud waard, en de bijrol van David Lynch brengt alles wat de film verder nog nodig had.

Lynch lijkt gewoon zichzelf  te spelen: de gerenommeerde regisseur verschijnt als een eigenaardige barganger die op zoek is naar zijn weggelopen landschildpad. Met zijn geloof in de aantrekkingskracht van het onverklaarbare (zie Twin Peaks) is Lynch de perfecte ideologische tegenpool van Stanton, die er tot Lynch’ ergernis nog niet eens in slaagt water- en landschildpadden van elkaar te scheiden.

Lucky

Een simpel verhaal
Bovenstaande omschrijving mag misschien wat absurdistisch overkomen, met Stanton en Lynch blijft alle integriteit gewaarborgd. Sterker nog, de schildpad speelt een symbolische sleutelrol, ook al moet je daar toch echt de film zelf voor bekijken. Debuterend regisseur John Carroll Lynch (eerder als acteur in onder meer Fargo, Shutter Island en Jackie) slaagt erin met een uiterst minimale film veel te verbeelden. Door het lome tempo, de rurale en desolate setting en de muzikale toon doet Lucky sterk denken aan The Straight Story van David Lynch.

Lynch zelf maakte zijn meest conventionele film als een door en door menselijk portret, waarin de belangrijkste emoties onuitgesproken bleven. De tocht die Alvin (Richard Farnsworth) ondernam is bij Lucky van een meer spirituele aard, maar dat maakt de uitkomst niet minder waardevol.

Licht na het zwarte gat
Integendeel, de meest ingrijpende scène van de film vindt plaats als Stanton voorbij zijn dagelijkse routines en zijn starre cynisme moet redeneren. Uit het niets valt de acteur flauw in zijn woonkamer, en dan treedt de angst in: de angst voor wat komen gaat, de angst voor het zwarte gat na het einde. Stanton verwerkt zijn bangheid eerst nog als een geheim, maar geleidelijk zal hij zijn gemoedstoestand moeten accepteren. Met een grote glimlach, en zonder spijt.

Harry Dean Stanton stierf veertien maanden na de laatste opnames van Lucky.
 

3 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Drama of komedie?

Ondertussen, op de redactie:

Komedie of drama? (deel 1)

COR:

Hoe lastig mensen én films in een hokje zijn te stoppen, bewijst de uitreiking van The Golden Globes. Voor de categorie Beste Film (en ook voor Beste Acteur en Beste Actrice) is onderscheid gemaakt tussen ‘Drama’ en ‘Musical of Comedy’.

I, Tonya

Tot mijn verbazing belandde I, Tonya (vanaf 22 februari in de bioscoop) in laatstgenoemde categorie. Ik vind dit sterke portret van kunstschaatsster Tonya Harding, die samen met een stelletje idioten wraak neemt op haar grote concurrente, Nancy Kerrigan, hoofdzakelijk een drama – de hilarische verwikkelingen en Hardings asociale, vuilbekkende moeder ten spijt.

Ligt het aan mij dat ik een als komedie geafficheerde film soms veel meer als drama zie? Ook jullie hebben vast films die je veel eerder een ander genre zou toedichten.

 

ALFRED:

Die vraag – komedie of drama? – stelt niet alleen organisaties achter belangrijke filmprijzen voor lastige keuzes, regisseurs weten het zelf soms ook niet. Daar zagen we het afgelopen najaar een fraai voorbeeld van. Ik doel op Yorgos Lanthimos, de regisseur van The Killing of a Sacred Deer (die overigens nog steeds in de Nederlandse bioscoop draait).

Die film is zeer gemengd ontvangen. Sommigen vonden ‘m briljant, anderen mislukt. NRC Handelsblad publiceerde zelfs twee recensies, die diametraal tegengestelde meningen verwoordden. Ik moet bekennen dat ik tot het kamp ‘mislukt’ behoor, ik heb me in de bios stierlijk zitten te vervelen. Wat een saai gedrocht, de bedoeling komt er niet uit. Mislukt, inderdaad.

The Killing of a Sacred Deer

The Killing of a Scared Deer is schatplichtig aan een drama van Euripides en de fans van de film zien hem als drama. Of een soort horror, maar dat genre is vrijwel altijd drama (komische horror is dun gezaaid, mij schiet Young Frankenstein van Mel Brooks te binnen en veel verder kom ik uit mijn blote hoofd niet). Maar je kunt je afvragen of die liefhebbers de bedoeling van Lanthimos wel hebben begrepen, want volgens de regisseur is het een – tromgeroffel, fanfare – komedie!

Wat bijna alle kijkers van The Killing of a Sacred Deer is ontgaan en, zoals de NRC-recensent die de film negatief besprak, snedig en volkomen correct opmerkte: een grap die je moet uitleggen is … mislukt.

Drama dat uitpakt als humor levert komedie op, kijk er het oeuvre van Woody Allen op na. Maar een komedie die als drama wordt ervaren is als natgeregend vuurwerk: treurig.

 

TIM:

Drama’s zijn paradoxaal genoeg vaak de beste komedies. Tijdens het bij vlagen loodzware Manchester by the Sea viel er door de donkere humor veel te lachen, en in de diabolische wereld van Twin Peaks waren de ingevingen van Lynch koning. Nu al legendarisch is MacLachlans vertolking van een alternatieve Dale Cooper die, zoals ik ook elders las, als een metafysische Jacques Tati door Las Vegas paradeerde. Ik geloof zeker in genres, maar ook in vervagende grenzen en de kracht van overlap.

De bespottelijke tweedeling die bij de Globes gehanteerd wordt, roept bij mij enkel vraagtekens op. Ik zag I, Tonya nog niet (de film staat voor morgen op de planning), maar als je observaties kloppen had de jury het even goed kunnen omdraaien: de glorieuze winnaar in de drama-categorie (Three Billboards) had moeiteloos onder het label komedie kunnen vallen.

Three Billboards Outside Ebbing, Missouri

Conclusie: voor mij telt de film, en ik maal er niet om wanneer een titel zich niet ongestraft in een categorie laten proppen. Sterker nog, juist die films maken soms de meeste indruk, gracieus balancerend tussen traan en schaterlach.

 

PAUL:

Tim schrijft dat drama’s paradoxaal genoeg vaak de beste komedies zijn. Je kunt inderdaad denken aan films – al dan niet als tragikomedie aangeduid – waarin zwarte, of bittere of ongemakkelijke humor een integrerend onderdeel vormt. Voorbeelden te over.

Zelf denk ik dat er nog een hier subtiel van te onderscheiden subgenre bestaat,  wat je als komedie vermomd drama zou kunnen noemen, of misschien: gemaskeerd drama. Maar mogelijk heb ik alleen maar op te jonge leeftijd een verkeerde film gezien. Hoe dan ook zijn in dit type films (ik noem er uiteindelijk twee) de personages aanvankelijk opzettelijk potsierlijk, waarna onze comfortabele glimlach gaandeweg volledig van ons gezicht wordt geveegd en we uiteindelijk als een hoopje mens de bioscoop uit strompelen.

Welke film zag ik dan destijds? Midnight Cowboy van John Schlesinger uit 1969 (door mij gezien halverwege de jaren zeventig), met John Voight en Dustin Hoffman. Voight is een oliedomme cowboy uit een klein dorpje, die in de grote stad rijk denkt te kunnen worden door zijn cowboylijf aan welgestelde dames te verhuren. De manke zwerver Hoffman treedt daarbij als zijn manager op. Hahaha…? De twee mannen gaan tenslotte zodanig naar de verdommenis dat het bepaald niet leuk meer is. Ik heb het daar nog weken moeilijk mee gehad. Ook al vanwege het aanvankelijk gewekte verwachtingspatroon.

Midnight Cowboy

Toegegeven, ik was vijftien. Maar met een film uit 2006 had ik een vergelijkbare ervaring: Elementaire Deeltjes (Elementarteilchen) van Oskar Roehler, naar het boek van Michel Houellebecq. Moritz Bleibtreu is een intens seksueel gefrustreerde, rechts-radicale middelbare school docent en Christian Ulmen zijn aseksuele halfbroer, die zich als wetenschapper bezighoudt met de mogelijkheid van ongeslachtelijke voortplanting bij de mens. Beiden zijn slachtoffer van de (non-)opvoeding door hun egocentrische hippiemoeder, Niet alleen de personages, maar ook hun interacties zijn behoorlijk over the top neergezet, lijkt het. Uiteindelijk is het echter een naar de strot grijpende film, die weet te raken aan het ongenoegen van een hele generatie. Niet in de laatste plaats is dat trouwens de verdienste van de actrices die ten tonele verschijnen, de wat mij betreft fantastische Martina Gedeck en Franka Potente.

Misschien weet iemand nog recentere voorbeelden van gemaskeerd drama, als dat een term mag zijn?

 

13 januari 2018

 

Deel 2 van ‘Komedie of drama?’
Volgens Alfred zijn de Golden Globes en de Oscars als kwaliteitskeurmerk vermomde verkooptrucs en Bob denkt dat goede regisseurs zich niet bezighouden met de vraag of hun films komedie of drama zijn.

 

Meer ‘Ondertussen, op de redactie’

Le Redoutable (bio Jean-Luc Godard)

****

recensie Le Redoutable

Held stapt van zijn sokkel

door Cor Oliemeulen

Jean-Luc Godard is met zijn vernieuwende stijl en het loslaten van traditionele opvattingen één van de belangrijkste filmmakers ooit. In Le Redoutable blijkt maar weer eens dat kunstenaars moeten lijden om tot grote creatieve hoogte te kunnen stijgen.

Aan het eind van haar charmante documentaire Visages Villages (2017) pinkt filmmaakster Agnès Varda (89) aangeslagen een traantje weg, omdat haar collega Jean-Luc Godard (87) kennelijk geen zin heeft in bezoek en haar voor een gesloten deur laat staan. Zowel Varda als Godard zijn boegbeelden van de Nouvelle Vague, de Franse filmstroming die begin jaren zestig de traditionele cinema op zijn grondvesten deed schudden. Beide cineasten zijn nog steeds actief, echter Godard schijnt te leven als een kluizenaar. Als je Le Redoutable hebt gezien, komt dat niet als een verrassing.

Le Redoutable

Twijfelend genie
Dit biografische drama is een portret van Jean-Luc Godard dat zijn bewonderaars met een lichte kater zal achterlaten. Van de held die de geboren Zwitser werd na zijn doorbraakfilm À bout de souffle (1960) blijft – door eigen toedoen – bar weinig over. We maken kennis met Godard als een man vol twijfel, eenzaam en onbegrepen in zijn verwachtingen en aspiraties. Een artiest die bijna alles en iedereen afwijst, uiteindelijk zijn geliefde en zichzelf. Een zuurpruim, soms uitgesproken lomp, beledigend en masochistisch. Maar gelukkig nooit ontdaan van die typisch ironische en schertsende toon, die we regelmatig in Godards films terugzien.

Het was dan ook niet de bedoeling van de Franse regisseur Michel Hazanavicius (The Artist, 2011) om zijn illustere vakgenoot als een held neer te zetten, een keuze die bij menig filmliefhebber vooral in eigen land in slechte aarde viel. Jean-Luc Godard (fantastische rol van Louis Garrel) is in Le Redoutable een mens van vlees en bloed. Diens geniale kwaliteiten als vernieuwende filmmaker neemt de kijker voor kennisgeving aan, de focus ligt geheel op het moment dat de politieke activist in hem ontwaakt en Godards cynische kijk op de wereld tot volle wasdom komt.

Le Redoutable

Maoïstische revolutie
Zoals het een echte filmauteur betaamt, loopt zijn ontwikkeling als mens gelijk met zijn oeuvre, in Godards geval al in zijn beginjaren. Van de lichte romantiek (À bout de souffle, 1960), via de onmogelijkheid van liefde in psychologisch drama (Le mépris, 1963) naar politieke manifestatie (La chinoise, 1967). Godard wordt geïntroduceerd op het moment dat hij zijn laatstgenoemde komische drama over een studentengroepje van Franse maoïsten dat een gewelddadige revolutie predikt, heeft afgerond. De film flopt. Media betichten hem van politieke puberteit met eindeloze preken, en zelfs de Chinezen begrijpen volgens Godard hun eigen revolutie niet. Slechts een enkeling vindt dat Godards cinema pure poëzie is en zijn tijd ver vooruit, maar de meeste fans hopen vurig dat hij weer die luchtige films van weleer gaat maken.

Jean-Luc Godard, die eerder was getrouwd met zijn muze Anna Karina, is ondertussen verliefd geworden op de hoofdrolspeelster van La chinoise, Anne Wiazemsky (Stacy Martin), en zij op hem. Ze trouwen. Anne is 20, Jean-Luc is 36. Lol en liefde maken langzaam plaats voor zijn obsessie voor de revolutie: ‘weg met De Gaulle, de macht aan het proletariaat’. Ze lopen mee in de Parijse studentendemonstraties van 1968, Jean-Luc gooit stenen naar de ‘fascistische’ politie, verliest voor de zoveelste keer zijn bril (leuke running gag), spreekt tijdens manifestaties waar hij steeds vaker – tot zijn eigen begrip – wordt weggehoond en noemt alle films die hij ooit heeft gemaakt (maar ook die van bevriende collega’s als Bernardo Bertolucci) complete bagger en mensen die die films goed vinden zombies. Anne Wiazemsky houdt het twaalf jaar met hem uit. “Ik trouwde met Jean-Luc Godard, de cineast, niet Jean-Luc Godard, de politicus”, zegt zij. Le Redoutable is gebaseerd op haar boek.

Le Redoutable

Tragische kunstenaar
Hoewel Godard zich enerzijds ontpopt als een tragische figuur zien we anderzijds voortdurend de intellectuele kunstenaar met diens eeuwige zelfspot en drang tot vernieuwing en ommekeer. “Artiesten moeten sterven voor hun 35ste”, zo citeert hij Mozart. Weinig positieve woorden heeft hij over voor acteurs: “Die doen alles wat je hen vraagt. Ze huilen en lachen op commando en kruipen over de grond.” Zelfs het ‘functionele’ bloot in (zijn) films wordt op geestige wijze op de korrel genomen in een scène waarin Anne en Jean-Luc hierover discussiëren terwijl ze zelf poedelnaakt door hun woning paraderen.

Natuurlijk is regisseur Michel Hazanavicius zo slim geweest om in Le Redoutable speelse stijlkenmerken en visuele grapjes van de Nouvelle Vague (zoals snelle montage en opvallende camerabewegingen) te gebruiken. Zo lijkt het interieur met de dominante kleuren te zijn weggeplukt van Godards jaren zestig-sets, hoor je het geluid van een typemachine nog even doorratelen nadat Jean-Luc zich heeft omgedraaid en springt het beeld telkens weer van normaal naar diapositief op de tik waar de langspeelplaat blijft hangen. En zoals dat hoort, praten de personages regelmatig in de camera.

Naast het eenzijdige, maar verhelderende en intieme portret van één van de grootste filmvernieuwers ooit, is Le Redoutable (letterlijk: ‘te duchten’) een pleidooi om directe films over het ‘echte’ leven te maken. Hoe hoog je die lat het beste kunt leggen, zal Jean-Luc Godard zich tot zijn dood blijven afvragen.
 

11 januari 2018

 
MEER RECENSIES

C’est la vie

***

recensie C’est la vie

Het leven is een feest

door Cor Oliemeulen

Kun je een grandioos succes als Intouchables evenaren? Het antwoord is nee. Toch is C’est la vie een zeer onderhoudende ensemblekomedie die opnieuw een groot publiek zal behagen.

De Franse komedie Intouchables (2012) trok in eigen land twintig miljoen bezoekers. De film –  gebaseerd op de autobiografie van een aristocraat, die grotendeels verlamd raakte bij een ongeluk en wordt verzorgd door een kansloze zwarte jongen uit de banlieu – werd ook in ons land een groot succes. Charme van het verhaal zijn de grote cultuurverschillen tussen de twee, maar juist door hun onorthodoxe omgang met elkaar ontstaat een heuse vriendschap, die op het witte doek aanstekelijk werkt. Het kleine beetje maatschappijkritiek tussen alle lol is in C’est la vie, de jongste film van het regisseurs- en schrijversduo Olivier Nakache en Éric Tolédano, nergens te bespeuren. Dat is ook niet de bedoeling, want een heerlijk avondje lachen staat voorop.

C'est la vie

Tempo
Nakache en Tolédano konden met hun vorige film Samba (opnieuw met de goedlachse Frans-Senegalese Omar Sy in de hoofdrol) hun grote triomf lang niet evenaren. Dus kozen de heren ditmaal voor een onvervalste ensemblekomedie, die qua tempo en elementen soms doet denken aan de screwball comedy uit de jaren 30 en 40 van de vorige eeuw. Je zet een aantal grappige typetjes (gespeeld door in eigen land bekende komische acteurs) in een ruimte, verzint een aardige premisse met een conflict, en de applausmachine begint vanzelf te lopen. Het decor van alle verwikkelingen is een zeventiende-eeuws kasteel waar het cateringbedrijf van de ervaren rot in het vak, Max (Jean-Pierre Bacri), een grote bruiloft organiseert. We volgen hem en zijn medewerkers tijdens alle voorbereidingen en de festiviteiten.

De casting en interactie zijn prima, de Franse humor is universeel, maar aan de nodige voorspelbaarheid valt in een dergelijke formule niet te ontkomen. In het eerste deel van de film maken we kennis met de bedienden, de koks en de afwassers, met de fotograaf en zijn hulpje, de zanger van de band die het liefst zijn zelfgekozen repertoire zingt en een regelnicht die aanvankelijk met de helft van het personeel in de clinch ligt, terwijl Max zelf zowel de regie als zijn vriendin probeert te behouden.

In het tweede deel, nadat Pierre en Helena elkaar hun jawoord hebben gegeven en met hun gasten het bruiloftsfeest gaan vieren, gaan alle registers open. De misverstanden, persoonsverwisselingen, woordspelingen, technische problemen en amoureuze situaties zijn niet van de lucht. En dan is er nog de dreiging van een boete voor de illegale werknemers die Max in dienst heeft.

C'est la vie

Inspiratie
Het idee voor C’est la vie ontstond volgens de makers tijdens de opnames van Samba, waarin de openingsscène zich afspeelt tussen keuken en dinerzaal. Met hun eigen vroegere ervaringen en anekdotes in de horeca wisten Nakache en Tolédano al direct dat je van dit gegeven alleen een hele film zou kunnen maken. Al schrijvende lieten zij zich graag inspireren door Garçon! (1983) van landgenoot Claude Sautet en de waanzinnige taferelen in de Argentijnse zwarte komedie Wild Tales (2014), waaraan C’est la vie niet kan tippen.

Dat neemt niet weg dat deze Franse komedie opnieuw de potentie heeft om een groot succes te worden. Al is het alleen maar door de rol van bruidegom Pierre, die zijn kersverse echtgenote wel eventjes op een moderne dans zal trakteren. Blijft van Intouchables vooral de als boom verklede operazanger in het theater op je netvlies gebrand, in C’est la vie wordt de kijker verrast met een origineel staaltje luchtacrobatiek dat onherroepelijk en meedogenloos op de lachspieren werkt. De filmmakers beheersen de timing van hun grappen.
 

10 november 2017

 
MEER RECENSIES

Square, The

****

recensie The Square

Vertrouwen is een kunstwerk

door Alfred Bos

Met twee en een half uur is de nieuwe film van de Zweedse regisseur Ruben Östlund tjokvol. Wellicht te vol, want zijn verhaal over de museumdirecteur die zijn telefoon kwijtraakt biedt voldoende gelegenheid om zijn punt te scoren.

Ruben Östlund is een provocateur, een beetje als Paul Verhoeven. De Zweedse regisseur doet niet aan politiek correct en laat zijn publiek ongemakkelijk in hun stoelen schuiven. In zijn vorige film, Turist, was een huisvader het middelpunt van morele vragen over zorgzaamheid en persoonlijke moed. Ook in zijn nieuwe, het met de Gouden Palm van het filmfestival in Cannes onderscheiden The Square, wordt het egoïsme van een vader getest. Het is een zwarte komedie met surrealistische trekjes.

The Square

Christian (Claes Bang) is directeur van het museum X-Royali dat het kunstwerk Mirrors & Piles of Gravel van de kunstenaar Gijoni exposeert. Hij en zijn team zijn druk met de voorbereiding van de komende tentoonstelling, The Square, van de kunstenares Lole Ariane. Dat betreft een vierkant, gemarkeerd in kasseien, waar iedereen dezelfde rechten en plichten heeft. We begrijpen: dat geldt in de moderne samenleving niet meer.

Dat gegeven grijpt Östlund aan om een reeks spottende grappen over het snobisme en de luchtfietserij van de kunstwereld te maken – zie de prietpraat over de tentoonstelling die wordt gepresenteerd als non-tentoonstelling – maar het werkelijke object van zijn venijn is de moraal van het individu in het welvarende westen. Christian denkt hoog over zichzelf, maar een mondig immigrantenjongetje zet hem op zijn plek.

Telefoon is identiteit
Voor het zover is moet de kijker door 150 minuten sociale satire laveren en tussen de geslaagde scènes – waarvan er één ronduit briljant is – zitten genoeg té lang gerekte conversaties en minder relevante zijpaden om de film met een half uur te trimmen zonder aan zeggingskracht in te boeten. Die zou in meer compacte vorm wellicht nog groter zijn.

The Square toont ons het leven van Christian. De museumdirecteur is gescheiden en deeltijdpapa voor zijn twee jonge dochters. Hij is zelfingenomen en ijdel, maar ook maatschappelijk bewogen. De belangrijkste verhaallijn draait rond zijn pogingen om zijn smartphone en portefeuille terug te krijgen, nadat die hem op ingenieuze wijze, door teamwork (!), zijn ontfutseld. Die telefoon, meer nog dan zijn portemonnee, is zijn identiteit, zijn zekerheid.

Daar doorheen weeft Östlund, die tevens tekende voor het script, de voorbereidingen van de expositie over het vierkant dat vertrouwen symboliseert. De regisseur neemt alle ruimte – en op sommige momenten helaas ook iets teveel tijd – om de blaaskakerij van de eigentijdse kunstwereld te persifleren. Als een journaliste, Anne (Elisabeth Moss), Christian vraagt zijn abstracte woorddiarree om te zetten in normale taal, valt hij stil.

Anne jaagt op Christian als seksobject en de verhaallijn over hun relatie is, hoewel goed voor een stuntelige bedscène en een geestige dialoog in het museum, in feite overbodig. Dat het Christian ontbreekt aan ruggengraat hadden we al begrepen uit de scènes waarin hij zich druk maakt om zijn verdwenen telefoon. Dat hij ook in de liefde passief-agressief is, voegt niets toe. Of heeft Östland die zijlijn nodig vanwege Anne’s huisdier, een chimpansee?

The Square

Universele moraal
Östlund neemt veel op de korrel. Mediahysterie, aangejaagd door zielloze (en feitelijk a-creatieve) marketing, veroorzaakt een schandaal dat de museumdirecteur in grotere problemen brengt dan zijn verloren telefoon. Slim weeft de regisseur de thematiek rond immigranten en zwervers als running gag door het verhaal; een zwerfvrouw bedelt met de tekst “Ik heb drie kinderen en diabetes.” Tolerantie strekt tot Tourette-patiënten die met schunnige praat openbare interviews verstoren, dat heet vrijheid van meningsuiting. Bejaarden staan te dansen op de beukende techno van Justice. Ook de muziekselectie zal geen toeval zijn.

Net als in Turist blijken Zweedse kinderen tirannieke monsters. Ook Christians tegenstrever, een jongetje met een niet-Scandinavische achtergrond, lijkt zich onuitstaanbaar te gedragen en staat haaks op de beschaving die Christian personifieert, maar hij heeft geen vierkant nodig om temidden van alle surrealistische gekte een universele moraal uit te dragen.

Dat alles is zeer vermakelijk en raakt enkele open zenuwen van het westerse consumptieparadijs. Östlunds bijtende humor staat haaks op de bloedige ernst waarmee de Fransman Bertrand Bonello in Nocturama de ontzielende werking van het kapitalisme schetst. Maar het absolute hoogtepunt van de film – en wellicht het filmjaar – is het galadiner waarop de zelfgenoegzame winnaars van de maatschappelijke rat race op onnavolgbare wijze een spiegel krijgen voorgehouden. De mens is een aap met smartphone, maar nog steeds een aap.
 

7 november 2017

 
MEER RECENSIES

Blessed Benefit

**
recensie Blessed Benefit
Kleine fraudeur in Jordanië 

door Cor Oliemeulen

Een kleine aannemer wordt na een fraudegevalletje pardoes in de gevangenis gegooid. Blessed Benefit is een luchtige satire over de Jordaanse samenleving die zich centreert rond een gevangenisdrama.

De Jordaanse regisseur Mahmoud al-Massad viel internationaal op als documentairemaker. Centraal in zijn nog bescheiden oeuvre staan thema’s als armoede en de overlevingsdrang van de middenklasse in een globaliserende wereld (Recycle, 2007) in combinatie met persoonlijke zoektochten, zoals die van een dood gewaande Palestijnse jongen na de moord op zijn vader in This is My Picture when I was Dead (2010). In de eerste speelfilm van de regisseur komen die drie thema’s min of meer samen. Blessed Benefit portretteert een oudere man die zijn best doet om zijn gezin te onderhouden, maar door eigen schuld wordt geconfronteerd met wantrouwen en corruptie.

Blessed Benefit

De serieuze toon van Al-Massads documentaires maakt plaats voor een weliswaar realistische, maar tegelijkertijd satirische, kijk op de Jordaanse maatschappij, die model staat voor veel landen in het Midden-Oosten. Door de ogen van hoofdpersoon Ahmad zien we hoe werkloosheid en armoede zomaar kunnen leiden tot gevangenisstraf, en hoe tegelijkertijd wantrouwen tussen mensen kan leiden tot hoop en compassie.

Ironie
Ahmad is een kleine aannemer, die door een administratieve onhandigheid wordt opgepakt voor fraude. Het is geen groot bedrag, maar genoeg om hem, zonder tussenkomst van een advocaat, in de gevangenis te zetten. Zijn neef zal de borgstelling betalen, maar omdat deze niet zo slim is, lukt het maar niet om het benodigde geld bij elkaar te krijgen. En zo kan het gebeuren dat Ahmad zich wekenlang bevindt tussen een stuk of vijftien delinquenten die heel wat meer op hun kerfstok hebben.

Met zijn vriendelijkheid en oprechtheid weet hij zich staande te houden, want met een flinke scheut ironie is het leven een stuk minder onaangenaam. Het lijkt er zelfs op dat het leven in de gevangenis minder stress oplevert dan het bestaan buiten de gevangenis, waar Ahmad zijn best moest doen om de eindjes aan elkaar te knopen. Bovendien kan hij het goed vinden met de baas van zijn cel, Mor, die ter plekke een klein winkeltje runt. Bij hem zijn bijvoorbeeld de sigaretten goedkoper dan bij een corrupte cipier.

Blessed Benefit

Gevangenisklimaat
In Blessed Benefit wordt het gevangenisklimaat mogelijk minder realistisch neergezet. Het gebrek aan rechten en de nachtelijke controles zijn uiteraard niet prettig, echter als je met zoveel mannen etmalen lang in één cel zit, zullen de spanningen groter zijn dan de film schetst. Er wordt geen enkele klap uitgedeeld en in de douche kan iemand zonder problemen zijn gevallen zeepje oprapen. Naast wat geruzie en geharrewar is er in de cel alle ruimte voor een potje kaarten en een uitbundige groepsdans.

Deze kritische, maar vooral luchtige, film heeft de potentie om in Jordanië zelf een grote hit te worden. De onderhuidse humor over alledaagse voorvallen in deze donkere komedie zijn buiten de Arabische wereld wellicht moeilijker te bevatten. Voor de meeste westerlingen zal de amusante twist van gekochte en gestolen laptops beklijven, maar het rennen achter een ontsnapt offerschaap, het geklooi met een tl-buis en de uitsmijter van de film zijn wat aan de flauwe kant.

Het is goed dat er weer eens een Jordaanse speelfilm (gemaakt met steun van het Nederlandse Filmfonds) bij ons in de bioscoop is te bewonderen. Jammer genoeg blijft Blessed Benefit op het gebied van pure cinematografie en storytelling ver achter bij Theeb (2015), een heuse Jordaanse western die wereldwijd onder lof werd bedolven.
 

16 september 2017

 

MEER RECENSIES

Logan Lucky

*****

recensie Logan Lucky

Die kunstarm, oh, die arm!

door Alfred Bos

Ieder seizoen heeft een perfecte genrefilm te bieden en dit jaar is dat Logan Lucky. Tegen zoveel vakmanschap, vernuft en regelrecht plezier steekt het gros van het actie-aanbod magertjes af.

Fans van Steven Soderbergh kunnen opgelucht ademhalen. Na vier jaar filmstilte – en twee seizoenen van de in Nederland via Netflix vertoonde tv-serie The Knick – is de regisseur die actie, drama en humor moeiteloos weet te mengen terug van niet echt weggeweest. Logan Lucky is Soderbergh uit het boekje: sterke ensemblecast, intelligent script, gortdroge humor en een met achteloze flair gevisualiseerd verhaal, inclusief soundtrack van David Holmes (en een paar rockklassiekers, waaronder Brainbox’s Down Man). De film haakt handig in op de populariteit van het Fast & Furious-gejakker met snelle auto’s.

Logan Lucky

Het genre van de heist-film past Steven Soderbergh als – het is hier gepaste beeldspraak – een handschoen, zie Out of Sight en de Ocean’s-trilogie. Het geeft hem de gelegenheid het ondeugende jongetje te zijn dat er ook schuilt in de regisseur van onversneden drama als Erin Brockovich, Traffic en Che. Vileine humor was een hoofdbestanddeel van zijn voorlaatste, de biopic Behind the Candelabra uit 2013 over entertainmentlegende en gay icoon Liberace, en humor is het ingrediënt dat het misdaaddrama rond twee broers en een zus, gemarginaliseerde sloebers in het zuiden van Amerika, tot ijle hoogte verheft. Logan Lucky toont de verarmde onderklasse tegenover de glamour van Ocean’s 11. Het is een Ocean’s 7-11, zoals iemand in de film opmerkt.

Simpel, maar niet dom
Logan Lucky heeft in twee uur speeltijd zoveel te bieden dat één moment van afleiding, bijvoorbeeld om de tranen uit de ogen te vegen na een sublieme grap rond een kunstarm, de kijker in turbostand zet, want de plot is ook niet misselijk. En je moet wel opletten om die te kunnen volgen. De film is een fijntjes uitgebalanceerde cocktail van groteske grand guignol-effecten en geslepen list rond karakters die in hun karikaturale uitvergroting bovenal herkenbaar menselijk blijven. Iedereen kent wel een paar van de types die in Logan Lucky rondlopen. Soderbergh geeft hen charme.

Logan Lucky

Channing Tatum en Adam Driver spelen de broers Jimmy en Clyde Logan, schooiers in het boomrijke West-Virginia. Ze worden geplaagd door de familievloek, aldus Clyde, die in Afghanistan zijn linkerarm (linkeronderarm, aldus Clyde) verloor en nu achter de bar van wegcafé Duck Tape staat. Jimmy, voormalig football-ster, is vanwege een oude blessure ontslagen als bouwvakker. Zijn ex Bobbie Jo (Katie Holmes) is hertrouwd met een rijke onbenul genaamd Chapman en zus Mellie (Riley Keough) past in haar kapsalon op zijn dochtertje Sadie (Farrah Mackenzie).

Jimmy is simpel, maar niet dom. Hij gebruikt zijn kennis van de bouwplaats onder de Charlotte Motor Speedway, een racebaan in het nabij gelegen North Carolina, om een onmogelijk plan op te zetten. De buit is de kas van de populairste race van het jaar. Daarvoor is brandkastkraker Joe Bang (Daniel Craig) nodig, maar die zit in de bak. Dus bedenkt Jimmy een tweede plan om Bang ongemerkt uit en vervolgens weer in het gevang te krijgen.

Wc-brilwerpen
Logan Lucky haalt zijn spanning uit de verwikkelingen rond het opzetten en uitvoeren van de kraak, een complexe en originele, geheel naar de situatie toegesneden operatie. De humor komt uit de personages en hun inborst: Clyde neemt alles letterlijk, Mellie heeft een messcherpe tong en Bang is een meesterdief oude stijl, bruut maar eervol. En uit het contrast tussen de drie families waar de plot om scharniert: de intrigerende Logans, de Chapmans die zonder het te beseffen deel zijn van het plan, en de criminele Bangs. Joe’s jongere broers Fish (Jack Quaid) en Sam (Brian Gleeson) zijn archetypische rednecks, niet bijster snugger en gevaarlijk onvoorspelbaar. Ze weten iets van computers, zeggen ze.

Logan Lucky

Het script – van de volkomen onbekende Rebecca Blunt, een pseudoniem – zet de Amerikaanse provincie neer als een bolwerk van vlagvertoon en debiel vermaak: op de kermis onderhoudt men zich met kreefthappen en wc-brilwerpen. Maar ook digitale technologie krijgt een veeg: Jimmy is slim genoeg om van het internet weg te blijven, zodat FBI-agente Sarah Grayson (Hilary Swank) wel vermoedens maar geen bewijzen heeft. Bovendien is er nóg een twist. En een happy end, want boven alles is dit een geraffineerde feel good-film.

En zo heeft Logan Lucky alles: personages, intrige, spanning, actie, humor en sociale satire, fraai gevisualiseerd. De sociaal-kritische ondertoon is vergelijkbaar met High or Hell Water, de perfecte genrefilm van het vorige seizoen, ook over twee broers: gemangelde arbeiders pakken de bovenklasse terug. De film telt een aantal hilarische scènes, zoals de onderhandelingen tussen de opstandige gevangenen en de directeur over de Game of Thrones-boeken in de gevangenisbibliotheek, en natuurlijk de scène met de kunstarm. Oh, die arm, een betere filmgrap is er dit jaar niet te zien geweest.
 

22 augustus 2017

 
MEER RECENSIES

Edge of Seventeen, The

****

recensie The Edge of Seventeen

Als verliefdheid en vriendschap het belangrijkste zijn

door Nanda Aris

Coming-of-age film over de jonge Nadine die om moet leren gaan met verliefdheid, vriendschap, familie en onzekerheid.

Kelly Fremon Craig maakt met The Edge of Seventeen haar eerste speelfilm, en niet onverdienstelijk. Ze is ook de schrijfster en producer van het verhaal. Voor haar film kreeg Craig verschillende nominaties en prijzen en dat maakt haar een veelbelovende regisseuse die we in de gaten moeten houden.

The Edge of Seventeen

Goed en slecht
Het verhaal is een typisch opgroeiverhaal, met echter één groot verschil in vergelijking met films als Clueless (1995) en Mean Girls (2004). The Edge of Seventeen kent geen enkel personage dat geheel slecht of geheel goed is. Nadine (Hailee Steinfeld) is leuk, maar enigszins egocentrisch, haar moeder (Kyra Sedgwick) begrijpt Nadine niet, maar wil wel graag een goede moeder zijn, en Nadine’s broer Darian (Blake Jenner, die ook speelt in Everybody Wants Some!! van Richard Linklater) lijkt de vervelende broer uit te hangen, maar bekommert zich wel degelijk om Nadine.

The Edge of Seventeen lijkt in oprechtheid van de personages veel Boyhood (ook van Linklater) en maakt in tegenstelling tot bijvoorbeeld Juno (2007) minder een karikatuur van zijn personages.

Door de grond zakken
Het verhaal start met de scène waarin Nadine haar geschiedenisleraar Bruner (Woody Harrelson) vertelt dat ze zichzelf van kant wil maken. Nadine wil zichzelf niet echt van kant maken, maar heeft een blunder begaan, en wil zoals elke tiener wel eens wil, het liefst door de grond zakken.

Hij is niet de meest tactische leraar, en zegt: ‘Good luck with that’. Harrelson speelt een grappige rol als stugge leraar, die toch niet zo stug blijkt te zijn. Een aantal scènes later deelt hij zijn cookie met haar en zegt hij dat ze zijn favoriete studente is.

Jeugd
De film vertelt hoe Nadine is opgegroeid, hoe ze bevriend is geraakt met haar zo’n beetje enige vriendin Krista (Haley Lu Richardson), hoe haar vader op jonge leeftijd overleed, kortom, haar jeugd in een notendop. Wat we hier vooral uit opmaken is dat Nadine niet zo sociaal en populair is als haar broer (‘There are two types of people in this world, the people who radiate confidence and natural excel at life, and the people who hope all those people die in a big explosion’). Zij lijkt meer op haar vader, en hij op zijn moeder.

Als zestienjarige zit Nadine zichzelf soms behoorlijk in de weg, en het wordt er niet makkelijker op als Krista besluit een relatie te beginnen met haar broer. Ze voelt zich verraden, en doet gemeen tegen Krista. Krista wil niet kiezen tussen Darian en Nadine, maar wanneer Nadine erop staat, is de vriendschap voorbij.

The Edge of Seventeen

Nadine neemt het zichzelf kwalijk, ook omdat ze zich nu eenzamer voelt dan ooit. Gelukkig is er nog wel de jongen naast haar in de klas, Erwin (Hayden Szeto), heimelijk verliefd op haar, waardoor ze uiteindelijk beseft dat ze niet de enige is die eenzaam is. Doordat ze vooral bezig is met haar eigen problemen, heeft ze dat niet direct in de gaten.

Opgroeien
De rol van Nadine wordt voortreffelijk gespeeld door de jonge Steinfeld, voor wie een mooie carrière in het verschiet ligt. Ze weet de soms ongemakkelijke, soms verleidelijke, onzekere opgroeiende tiener neer te zetten. Steinfeld is grappig (vooral wanneer ze in gesprek is met Bruner), serieus en geloofwaardig, bijvoorbeeld wanneer ze zegt dat ze geen vrienden heeft om haar lunch bij op te eten. Haar ogen stralen de onzekerheid uit waarmee de tekst gepaard gaat.

Een film om te gaan zien, alleen al doordat Craig haar personages echt laat voelen, waardoor we voor eventjes terug verlangen naar de goeie ouwe tijd waarin we tiener waren, onze problemen echt leken en verliefdheid en vriendschap het belangrijkst waren.
 

30 juli 2017

 
MEER RECENSIES

After Hours

After Hours: De film die het (film)leven van Martin Scorsese redde

door Vincent Hoberg

Vraag een willekeurig persoon vijf films van Martin Scorsese op te noemen en de kans is klein dat After Hours (1985), de belangrijkste film uit zijn loopbaan, erbij zit. Logisch misschien. Scorsese’s relaas over een New Yorkse hellenacht leverde hem weliswaar een Gouden Palm op, maar is ook de laatste film van de regisseur die geen enkele nominatie kreeg tijdens het jaarlijkse Oscarfestijn.

Wie After Hours ziet, zal die ‘belangrijkste film’ stelling ook in twijfel trekken en eerder gaan voor Mean Streets, Taxi Driver of Raging Bull, de films die Scorsese rotsvast op de cinematische landkaart hadden gezet. Een nadere blik leert echter dat Scorsese zonder After Hours het maken van speelfilms zeer waarschijnlijk helemaal vaarwel had gezegd.

After Hours

Depressie
In zijn hoofd had Scorsese’s leven en loopbaan begin jaren ’80 een dieptepunt bereikt. Een zware cocaïne- en drankverslaving eind jaren ’70 had zijn tol geëist en ondanks het grote succes van Raging Bull (1980) was hij de lol in het filmen volledig kwijt. Een lievelingsproject moest uitkomst bieden, maar zijn eerste uitstap naar de spirituele kant met The Last Temptation of Christ bleek niet de verwachte redding.

De film viel, zoals Scorsese zelf zegt, ‘uit elkaar’ en nadat ook het commerciële succes van The King of Comedy (1982) uitbleef, wilde hij het hele speelfilms maken voor gezien houden en zich slechts nog richten op documentaires. En daar, op het dieptepunt van zijn depressie, was opeens het script van After Hours.

Tim Burton
Producers Griffin Dunne en Amy Robinson hadden het tijdens Sundance opgepikt en vrijwel direct Scorsese als ideale regisseur voor ogen. Wie anders zou er beter passen bij een duister verhaal dat zich afspeelde tijdens een krankzinnige nacht in New York, de stad waar hij inmiddels synoniem mee was geworden?

Na een lange radiostilte benaderden ze als tweede optie ene Tim Burton, een jonge filmmaker die zocht naar een eerste speelfilmproject, maar vrijwel tegelijkertijd ging de telefoon en bleek Scorsese dol te zijn op het idee. Terug naar de bron, een kleine film met een kleine crew, in New York, geen poespas, geen druk. Toen Burton hoorde dat de kleine meester ook geïnteresseerd was, trad hij direct terug, want ‘niemand mocht Scorsese weerhouden om die film te gaan maken als hij dat wilde’. De lange weg uit het dal kon beginnen. 

Martin ScorseseHitchkafkaïaanse waanzin
Met al deze informatie in het achterhoofd wordt After Hours een heel andere film. Het verhaal lijkt, zoals gezegd, klein en simpel. Paul Hackett (Griffin Dunne) ontmoet ’s avonds bij een diner de aantrekkelijke, ietwat vreemde Marcy (Rosanna Arquette) en denkt een leuke date voor die avond te hebben geregeld. Het loopt anders.

In bliksemvaart verzeilt Paul in steeds merkwaardiger situaties met een lange stoet karakters bij wie allemaal een flinke steek los zit. (Dat Cheech & Chong op Dunne na de meest normale figuren in de film spelen, zegt meer dan genoeg). Als een Alfred Hitchcock en Franz Kafka die samen een flinke fles pruimenschnapps soldaat hebben gemaakt, sleurt Scorsese zijn antiheld door de eindeloze nacht.

Lezers van voornoemde schrijver zullen Kafka’s beroemde Voor de Wet-parabel uit het Proces zelfs letterlijk voorbij horen komen als Paul zich met pijn en moeite voorbij een uitsmijter probeert te praten. De (vooral cameratechnische) Hitchcock-referenties zijn bijna ontelbaar, al laat een overduidelijke verwijzing naar Rear Window de beste grap van de film uit Paul’s mond rollen.

Scorsese en de in april overleden DOP Michael Ballhaus gaan helemaal los in hun eerste samenwerking: wat Ballhaus hier allemaal uitspookt met de camera behoort tot zijn allerbeste werk en Scorsese’s pure liefde voor film spat er aan alle kanten van af.

After Hours

Zelf-exorcisme
Maar wie de film nog een laag dieper bekijkt, ziet hier een overduidelijke parallel met het leven van de regisseur. De manier waarop Scorsese Paul door de hel stuurt is puur zelf-exorcisme ingekleurd met pikzwarte humor. Luid gniffelend in zijn baard schijnt hij achter de camera te hebben gezeten bij elke ramp die zijn arme held overkwam, maar één ding is zeker. Ingekakte kantoorslaaf Paul werpt de volgende dag gelouterd zijn huid af om opnieuw te beginnen.

Of Pauls leven ingrijpend veranderd is, zullen we nooit weten, maar After Hours gaf Scorsese een nieuwe impuls die drie jaar later eindelijk leidde tot zijn geliefde project The Last Temptation of Christ. De film zette een zegereeks van geweldige films in die nog steeds voortduurt. Gewoon door een kleine film te maken. Geen psychiater had het beter kunnen oplossen.

After Hours @ EYE: zaterdag 22 juli, 20:00 uur.

 

18 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE

Rock’n Roll

***

recensie Rock’n Roll

De waan van de acteur

door Alfred Bos

Komedie over een Franse acteur die in een midlife crisis belandt. Niks zeurderige Franse praatfilm, maar een milde satire over de spanning tussen waan en werkelijkheid. Guillaume Canet doet een Woody Allen: de acteur en diens vriendenkring spelen zichzelf.

Wat denk je wanneer een film opent met een camera die minuten lang een personage op een filmset volgt terwijl op de geluidsband een drummer lustig improviseert? Dan denk je: Birdman. Die film speelt zich af in het hoofd van de protagonist en toont diens waanideeën over zichzelf en zijn plek in zijn professionele wereld.

Rock’n Roll

Zo opent Rock’n Roll, de vijfde speelfilm van acteur, scenarist en regisseur Guillaume Canet, die na zijn Amerikaanse avontuur met Blood Ties (2013) terug is in zijn vertrouwde omgeving, de Franse filmwereld. En dat letterlijk, want in Rock n Roll speelt Guillaume Canet de rol van Guillaume Canet, een gevestigde acteur wiens slapen beginnen te grijzen en verbijsterd moet constateren dat jonge actrices niet langer naar hem lusten. Van die tik gaat zijn ego op tilt.

We leren Canet kennen voor de spiegel van de kleedkamer, aan de telefoon met zijn arts. Op dat moment is zijn grootste probleem een pijnlijke teelbal (‘Nee, alleen de linker, niet de rechter’). Dat ongemak is goed voor enkele geestige momenten over de fysieke malheur van middelbare mannen. Maar de midlife crisis gaat van kwaad tot erger en leidt, via nachtelijke uitspattingen en de rocker-op-middelbare-leeftijd-fase, naar een plastisch chirurg (waarom zijn dat altijd zulke griezels, zie Behind the Candelabra). Er is ook, à la Birdman, een pijnlijk publiek moment dat met smartphones wordt gefilmd.

Botox en spierversterkers
Canet, de voormalige Adonis van middelbare leeftijd, wordt dankzij botox en spierversterkers Canet, de monsterlijke Hulk. Als paria van het zelfingenomen Franse filmwereldje verkast hij naar Amerika, waar zijn karikaturale fysiek geknipt is voor de titelrol van een tv-serie van bedenkelijk allooi, Crocodile Rangers. In Miami speelt zich ook de ontknoping af, op een filmset, zoals de film begon.Canet is niet de enige die te horen krijgt dat hij te oud is.

Rock’n Roll is milde satire op de spanning tussen waan en werkelijkheid, op meerdere niveau’s. Alle rollen in deze door Canet geschreven en geregisseerde film worden vertolkt door familie en filmprofessionals uit Carnets vriendenkring. Ze spelen zichzelf, zoals Marion Cotillard (vriendin), zijn ouders, de Frans-Amerikaanse actrice Camille Rowe, Ben Foster (producer), Gilles Lellouche (acteur), Pierre Niney (acteur, Yves Saint Laurent, Frantz), de gebroeders Attal (producers) en rocklegende Johnny Hallyday en diens echtgenote Laeticia.

Rock ’n Roll drijft de spot met ijdelheid en de lichaamscultuur die de afgelopen decennia is uitgegroeid tot een miljardenindustrie. Mensen verminken zich, of laten zich verminken, tot plastic poppen in een poging hun jeugd en (vermeende) schoonheid te bewaren. De filmwereld is bij uitstek het milieu om die fixatie op illusie te persifleren.

Rock’n Roll

Zelfspot
Maar Rock’n Roll laat zich ook bekijken als een commentaar op Canets Amerikaanse filmavontuur. De gerespecteerde acteur (we zagen hem onlangs nog als Zola in Cézanne et moi) regisseerde in Hollywood het zelfgeschreven misdaaddrama Blood Ties, over twee broers aan tegengestelde kant van de wet, die jammerlijk flopte. De artistiek-burgerlijke mores van de Franse filmwereld contrasteert in Rock ’n Roll sterk met het artificiële van de Amerikaanse (film)cultuur. Het toont zich ook op de filmsets: in Parijs heeft iedereen respect voor elkaar, in Miami behandelt de regisseur een assistente als voetveeg.

Deze komedie is losjes van toon en heeft een losse vorm, soms te los. Het onderscheid tussen de droomscènes in het hoofd van Canet en de nuchtere werkelijkheid is niet altijd even helder (dat doet Birdman beter) en de als Bollywood-intermezzo’s gepresenteerde videoclips staan los van de vertelling (daar is Paolo Sorrentino handiger mee). Bij zo’n film past een kazige soundtrack waarop Demis Roussos niet mag ontbreken en een beter canvas voor Alphaville’s camp-hit ‘Forever Young’ kun je nauwelijks verzinnen.

Als Rock’n Roll Guillaume Canets therapie voor een carrièrecrisis is, dan heeft hij een tegenslag op intelligente en creatieve wijze weten om te vormen tot een zelf spottende overwinning. Zo’n man gun je een fanta.
 

4 juli 2017

 
MEER RECENSIES