Hoe iets zinnigs te vertellen over deze film, terwijl het pas de tweede film is die ik van Wilder zie? De eerste die ik zag was Sunset Blvd. Hoewel voldoende vermakelijk, laat Stalag 17 een fletse indruk achter, een echo van de vermeende ‘grote’ Billy Wilder.
Jaren geleden zag ik La vita è bella van filmclown Roberto Benigni en dat is één van de vreselijkste filmervaringen die ik ooit had. Ik moest kort aan die film terugdenken toen ik Stalag 17 zag, vanwege het irritante personage Animal en de kekke stemmetjes van sommige acteurs. De irritatie sloeg toe en ergens ook een oordeel dat films over dit thema wel iets volwassenere, iets doordachtere humor kunnen gebruiken.
In Stalag 17 lukt de komedie overigens wel een aantal keer. Men heeft tijdens het schrijven van het plot aan meerdere lagen gedacht, wat de film voldoende cachet geeft om te blijven kijken. Zo is met name het verraadplot leuk gedaan, al heeft de oplettende kijker al snel door hoe een en ander zit.
Personages inkleuren Ik moest bij het kijken van Stalag 17 nog aan een andere film denken, zich afspelend in een gevangenenkamp met een ontsnapping. Eén van de spannendste films die ik ooit zag, omdat het zo realistisch lijkt te gebeuren: Un condamné à mort s’est échappé ou Le vent souffle où il veut van Robert Bresson. Het grote verschil tussen deze twee films is dat in de film van Bresson jij het personage kan zijn, terwijl Wilder zijn personages al inkleurt. Stalag 17 doet dan ook af en toe aan als een toneelvoorstelling, met z’n beperkte decor. Hetgeen overigens niet zo gek is, want de film is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Doald Bevan en Edmund Trzcinski.
Stalag 17 was in zijn tijd erg succesvol. Wilder werd genomineerd voor een Oscar met deze film en William Holden won de Oscar voor beste mannelijke hoofdrol. De film draait om twee vrienden die proberen te ontsnappen, betrapt worden en doodgeschoten. De overgeblevenen vermoeden dat er een spion in hun midden is en met de cynische opstelling van sergeant Sefton is er snel een verdachte aangewezen.
Sefton stelde voor te gaan gokken of de vrienden hun ontsnapping zouden overleven en maakt veel winst met de uitkomst. Later is er een nieuwe gevangene, James Dunbar, die verdacht wordt van sabotage en daarvoor geëxecuteerd zal gaan worden. Men beraamt een nieuwe ontsnappingspoging voor om Dunbar uit handen van de SS te houden. Sefton is inmiddels bezig te onderzoeken wie wél de spion is.
Onbevredigend Stalag 17, een afkorting van Stammlager, is een gevangenenkamp voor geallieerde piloten die boven Duits (bezet) grondgebied zijn neergeschoten. De condities waarin de gevangenen werden gehouden zijn vergeleken met veel andere kampen tijdens nazi-Duitsland, best wel oké. Al wordt over die situatie in deze film weinig bekend. Het kan overal zijn, zo gelijkmatig zijn de dagen en het gemoed van de personages. Dichtbij de barakken van de veelal Amerikaanse piloten is een barak vol Russische vrouwen, wat ruimte geeft voor wat vooroordelen over ‘die knappe Russinnen’ en de ‘foute communisten’ toch nog als lustobject enigszins positief in een Amerikaanse film kan passen.
Dat de film uiteindelijk toch wel lekker wegkijkt, heeft ongetwijfeld te maken met enerzijds het vakmanschap van Wilder en anderzijds de goede plotuiteenzetting. Het zat blijkbaar al vroeg in het DNA van Hollywood dat films Amerikaanse helden en slimheid kennen en dat ze nauwelijks zwaar op de hand zijn. Zeker niet wanneer er prijzen gewonnen moeten worden of het commerciële succes de boventoon voert.
Het zwakt deze film voor mij af, doch past het in de lijn van ‘kampfilms’, van Amerikaanse makelij, die ik zag. Films vol historische onjuistheden en sprankjes hoop, hetgeen gedrochten als The Grey Zone en The Boy in the Striped Pyamas oplevert. Als Benigni zijn gedrocht niet gemaakt had, had ik kunnen zeggen dat Europeanen toch beter in dit genre zijn. Benigni is de uitzondering op die regel.
The Private Life of Sherlock Holmes lijkt op het eerste gezicht een buitenbeentje in Billy Wilders oeuvre. De film deed het ook niet goed in de bioscoop en werd lauwtjes onthaald door critici.
Die ontvangst kan misschien verklaard worden door veranderingen in de smaak van het filmpubliek. De film ging eind jaren 60 in productie als een episch portret van ‘s werelds beroemdste detective. In eerste instantie zou het een musical worden met Peter O’Toole in de hoofdrol, maar dat idee ontwikkelde zich geleidelijk tot iets heel anders. Zo nam theateracteur Robert Stevens het stokje over van O’Toole. De film zou zich richten op Holmes’ studententijd en daarna gaan over een zaak die hij als professionele speurneus op zich neemt.
Wegvallen van illusies en oude waarden Het eindresultaat is met zijn twee uur, maar een deel van een film die eigenlijk langer had moeten zijn. In 1970 was de aandacht van de bioscoopbezoeker al verschoven naar meer eigentijdse films. The Private Life of Sherlock Holmes was toen al verouderd in vergelijking met al die nieuwe hippe titels die inspeelden op een jonger publiek. Een lot dat David Leane’s epische Ryan’s Daughter ook was beschoren. Maar verouderd is maar een relatief begrip en het is nou net dat element dat de film vandaag de dag juist zijn charme en uiteindelijk zijn bittere kracht geeft. The Private Life of Sherlock Holmes gaat over het wegvallen van illusies en oude waarden en dat in een Engeland dat een nieuwe eeuw tegemoet gaat.
De openingsscène vindt plaats als Holmes en Watson al lang tot stof zijn wedergekeerd. In een statige bank wordt een kluis geopend. Vervolgens worden wat objecten afgestoft: een deerstalker hoed, een viool en een grote loep. Het zijn herkenbare rekwisieten die iedereen associeert met Arthur Conan Doyle’s held. Maar wat doet die mysterieuze injectiespuit bij al die spullen? En hoe zit het nou met dat grote manuscript? Het blijkt een tekst die Holmes’ trouwe metgezel John H. Watson met veel zorg heeft geschreven. Het is een verslag van een pijnlijke zaak die de smetteloze reputatie van de privédetective in een heel ander daglicht zet.
Ontleding van de mythe En zo gaan we naar een mistig Londen in het fin de siècle. Holmes en Watson komen net thuis na een van hun avonturen. De meesterdetective is echter niet blij met Watsons stukken over hem die geregeld verschijnen in The Strand Magazine. Moet hij nu steeds met die belachelijke hoed rondlopen omdat lezers dat verwachten? En hij kan wel vioolspelen, maar hij zit niet te wachten op uitnodigingen van orkesten. Zo goed is hij ook weer niet. Het is een mooie ontleding van de mythe die de man overschaduwt.
De scène speelt ook met de ontwikkelingen die de fictieve figuur in het echt heeft meegemaakt. Zo is er nog steeds discussie over de deerstalker hoed die wordt gezien als een handelsmerk, maar in de boeken alleen vluchtig voorbijkomt. En zo is het vaak aangehaalde citaat ‘Elementary, my dear Watson.’ niet in Doyle’s teksten terug te vinden. Iedereen die zich waagt aan een nieuwe bewerking van deze fictieve figuur lijkt er elementen aan toe te voegen. Die worden stapsgewijs een onmiskenbaar deel van de fictieve persoon.
Wrang staartje Billy Wilders’ film gaat over deze discrepantie tussen verwachting en werkelijkheid aan de hand van een zaak die onschuldig begint, maar een wrang staartje krijgt. De eerste akte start nog komisch in de beste dubbelzinnige Wilder-traditie. Holmes wordt door een gerenommeerde Russische ballerina gevraagd om als zaaddonor te dienen. Hij is nu eenmaal een begeerde vrijgezel wegens zijn uitmuntende reputatie. Daar kunnen toch alleen maar briljante kinderen uit voortkomen? Toch moet hij de ietwat verlopen Russische dame teleurstellen.
Robert Stevens is perfect als de gevatte Holmes die vliegensvlug op het idee komt om maar subtiel te hinten dat hij homoseksueel is. ‘Ach net als Tsjaikovski!’, zegt een teleurgestelde koppelaar. Helaas wordt Watson (een uitstekende Colin Blakely) ook betrokken bij deze leugen. En dat terwijl hij enthousiast aan het flirten is met kokette danseressen.
Van deze grappige misverstanden en decepties komen wij plotseling bij een mysterieuze vrouw die uit de Thames is gevist. Ze wordt voor Holmes’ huis gedropt omdat zij zijn adres bij zich heeft. Deze buitenlandse dame is door het ongeluk haar geheugen tijdelijk kwijt geraakt. Holmes is duidelijk gefascineerd door deze elegante verschijning die uit België blijkt te komen. Haar man is vermist en ze heeft Holmes’ hulp nodig om hem terug te vinden. Het begin van een grote speurtocht waar dwergen, Schotse kastelen, het monster van Loch Ness en geheimzinnige voertuigen de revue passeren.
Complexe relatie met vrouwen Het knappe van de film is dat dit wilde avontuur gecombineerd wordt met een intiem portret van Holmes. Zo wordt zijn complexe relatie met vrouwen gaandeweg blootgelegd door subtiele openbaringen. Holmes klaagt over hoe Watson hem in zijn verhalen portretteert als een misogyne man. Hij is geen vrouwenhater, hij vertrouwt ze gewoon niet.
In een ongebruikelijke ontboezeming aan de Belgische Gabrielle vertelt Holmes waar zijn wantrouwen vandaan komt. Een verloofde stelde hem teleur op het moment dat ze in het huwelijksbootje zouden stappen. Typisch onderkoeld en met een vleugje ironie zegt Holmes dat ze stierf door een ziekte. Kortom, je kunt niet op ze rekenen die vrouwen.
Stevens heeft de juiste toon te pakken om deze schijnbaar emotieloze gentleman gevoelens mee te geven. Het zijn ook die onderdrukte emoties die zorgen voor de verrassende ontknoping van het verhaal. Ondanks zijn perfectionisme heeft de speurder ook zijn kwetsbare kanten. Zijn talenten om alles tot in de puntjes uit te zoeken kunnen ook gemanipuleerd worden. Gabrielle is daarbij de spil. Misschien niet zo gek dat Wilder die in zijn films noirs de femme fatale ruimte gaf, hier ook gebruik maakt van die figuur.
Melancholiek Anders dan die fatalistische films noirs is The Private Life of Sherlock Holmes meer een melancholieke film. Het draait om een man die zijn talenten gebruikt zodat hij kan vluchten van de realisatie dat hij te bang is om iemand echt lief te hebben. Zijn bescheiden verslaving aan verdovende middelen vloeit daar ook uit voort. Stevens heeft aan wat kleine gebaren genoeg om dit geloofwaardig over te brengen. Zijn teksten zijn ook heerlijk vooral als hij iemand scherp van repliek voorziet zoals zijn sluwe broer Mycroft, een prima gecaste Christopher Lee.
Het is jammer dat de film in zijn tijd geen groot publiek kon vinden. Toch is de waardering voor de film door de jaren gegroeid. Criticus Kim Newman vindt het nog steeds de beste Sherlock Holmes-verfilming. Steven Moffat en Mark Gattis gaven ook toe dat zij zich door de film lieten inspireren toen ze het scenario van een eigentijdse versie van de detective schreven. Die BBC-serie met Benedict Cumberbatch als Holmes werd een groot succes. Naar mijn mening is deze film toch beter en verplichte kost voor iedereen die zijn hart heeft verloren aan deze knappe kop wonende op 221b Baker Street.
In deze kille tijden is de doldwaze koortsdroom van The Man Who Killed Don Quixote een welkome remedie. Het passieproject van 25 jaar in de maak doet echter te veel aan navelstaarderij en mist de warmte van Cervantes’ opus Don Quixote, waarop het is gebaseerd.
Toen Don Quixote leefde was het ridderschap al uitgestorven, laat staan in onze tijd. Hoffelijkheid is ver te zoeken in het publieke discours. Zo ook op de filmset van Toby (Adam Driver), een regisseur van advertenties. Gepokt en gemazeld door de marketingwereld lijkt elke vorm van fantasierijke geestdrift uit hem gewrongen. Hij snauwt bevelen in het rond en is alleen nog maar met zichzelf bezig.
Tijdens de moeizame productie van een reclamespot in Spanje ontdekt hij dat hij in de buurt is waar hij ooit zijn afstudeerfilm over Don Quixote opnam. Bij terugkeer naar dit dorp waar hij als nog jonge maker durfde te dromen, ontmoet hij zijn oude hoofdrolspeler (Jonathan Pryce), die is doorgedraaid en denkt dat hij Don Quixote is. Toby wordt door hem aangezien voor zijn schildknaap Sancho Panza. De twee beleven burleske avonturen zoals het boek van Cervantes, waarbij Toby steeds meer het verschil tussen droom en realiteit uit het oog verliest.
Avontuurlijk absurdisme The Man Who Killed Don Quixote volgt de persoonlijke ontwikkeling van Toby nauwgezet in zijn stijl. Hoe langer de film doorgaat, hoe grootser en fantastischer de avonturen worden. Waar in het begin de gekte vooral van ‘Don Quixote’ afstamt, wordt de film zelf een waanvoorstelling naarmate Toby meer gaat fantaseren. Dit surrealistische karakter, waar droom en werkelijkheid samensmelten, komt voort uit het verheven absurdisme van regisseur Terry Gilliam. De vliegende, ronddolende camera vangt beelden van dermate overdaad dat de realiteit vanzelf een hallucinatie wordt.
Het doet sterk denken aan Gilliam’s eerdere werk Fear and Loathing in Las Vegas, waar de vreemde taferelen ook door elkaar zweven in een waas. Niet geheel verrassend schreef Gilliam met frequente coscenarist Tony Grisoni dan ook het scenario voor beide films. En de ijlende beeldtaal, gecreëerd door cinematograaf Nicola Pecorini en editor Lesley Walker, is ook in die film te bewonderen.
Hedendaagse herinterpretatie Het verhaal rond de productie van de film is berucht (en deels naverteld in de documentaire Lost in La Mancha). Terry Gilliam kon het financieel niet bolwerken begin jaren ‘90. Een tweede poging ging in 2000 in productie, maar werd geplaagd door tegenslagen, van een stortvloed die apparatuur verwoestte tot hoofdrolspeler Jean Rochefort die met een hernia afgevoerd moest worden. Een aantal jaar later overleed acteur John Hurt, die was gecast bij weer een poging. Zelfs tot aan de uiteindelijke release dit jaar waren er nog gerechtelijke problemen met een rancuneuze producent. Dat Gilliam het al die tijd heeft weten vol te houden, verdient dan ook bewondering. Zelf vergelijkt hij zijn trouw aan de film met Sancho Panza’s trouw aan Don Quixote. De passie voor dit project is dan ook voelbaar.
De liefde van Gilliam voor Don Quixote’s avonturen spreekt daarbij juist door het boek te laten voor wat het is. Toby’s hallucinaties zijn tactvolle citaten uit Cervantes’ meesterwerk, die door deze te plaatsen in onze huidige tijd een nieuwe dimensie krijgen. De windmolens kunnen hierbij niet ontbreken, maar orden wonderlijk subtiel afgezet tegen Toby’s filmset, waar windturbines op de achtergrond de heuveltop bevolken. Romantische hoffelijkheid versus cynische moderniteit.
Toch had The Man Who Killed Don Quixote enige mate van terughoudendheid kunnen gebruiken. Gilliam weet wellicht zijn stokpaardjes in het gareel te houden wat betreft het boek, maar dit geldt niet voor alle andere zaken. De absurde taferelen zijn dermate hoogdravend dat de film erg in zichzelf gekeerd wordt. En de focus ligt sterk op Toby’s artistieke ontwikkeling, wat een te grote breuk met het bronmateriaal vormt. Met het accent op de veelal nare Toby treedt de excellerende Jonathan Pryce als de tragikomische, romantische Don Quixote op de achtergrond, wat voelt als een gemis.
Koude karakters De breuk blijkt ook uit de verschillende karakters die deze hedendaagse herinterpretatie van het oude maar springlevende epos bevolken. Een aantal van hen weet niet te overtuigen. Zo is er het jonge meisje Angelica (Joana Ribeiro) die geïnspireerd door de jonge Toby een mislukte acteercarrière achterna joeg. Haar motivaties rondom Toby en haar escort werkzaamheden zijn dubieus. Maar belangrijker is dat de extravagante branie van de avonturen vermindert door de cynische kilheid die uit de meeste figuren spreekt. Ondanks dat Adam Driver voor deze rol zijn volledige reikwijdte als acteur kan gebruiken, van vreemde hufter (zoals in de serie Girls) tot aandoenlijke dromer (zoals in Paterson), blijven de andere acteurs achter.
Waar in Cervantes’ boek de emotionele diepgang komt door de warmte waarmee de karakters met elkaar omgaan, heeft iedereen in The Man Who Killed Don Quixote een koude uitstraling en berekenende houding. Met name de kwaadaardige Russische maffiabaas valt uit de toon. Het had de film gesierd om de gloedvolle menselijkheid van Cervantes te behouden en te vertalen naar onze tijd. Nu valt niet aan een gevoel van teleurstelling te ontsnappen, als je bedenkt dat Gilliam er 25 jaar over heeft gedaan.
The Seven Year Itch maakte van Marilyn de beroemdste filmster
Op hol geslagen mannenfantasie
door Cor Oliemeulen
De beroemdste pose uit de filmgeschiedenis is de opwaaiende witte jurk van Marilyn Monroe die bovenop een metrorooster staat. In de film zelf is dit iconische beeld een stuk minder pikant dan bijna iedereen denkt.
In de roman ‘Opwaaiende zomerjurken’ (1979) van Oek de Jong denkt hoofdpersoon Edo terug hoe hij bij zijn moeder achterop de fiets zit en hoe haar jurk omhoog wappert. In een uitgelaten stemming laten Edo’s moeder en de buurvrouw de wind heerlijk spelen met hun jurken. Sinds die dag zijn opwaaiende zomerjurken voor Edo het toppunt van vrijheid en geluk.
De broeierige septembernacht van 1954
De opwaaiende zomerjurk van Marilyn Monroe in The Seven Year Itch (1955) staat voor veel meer dan vrijheid en geluk. De meest beeldbepalende pose uit de filmgeschiedenis maakte van de in 1926 in Los Angeles geboren Norma Jean Baker in één klap de meest besproken actrice uit de filmgeschiedenis. Als je de bewuste scène bekijkt, vraag je je af waarom ze ook in figuurlijke zin zoveel stof deed opwaaien.
Staande op een ventilatierooster van de metro waait de witte jurk van Marilyn’s personage, The Girl, in de film op tot halfweg haar bovenbenen. Je zou zeggen niet al te schokkend voor het preutse Amerika van de jaren vijftig. Het waren echter vooral de opnames in de broeierige nacht van 15 september 1954 op de hoek van 52nd Street en Lexington Avenue in New York die een eigen leven gingen leiden en het einde van haar huwelijk met honkballegende Joe DiMaggio inluidden.
Marilyn Monroe was zojuist doorgebroken als archetypisch dom blondje in Gentlemen Prefer Blondes (1953) en sierde in hetzelfde jaar vrolijk lachend in een weinig verhullend zwart jurkje de cover van het allereerste nummer van Playboy. Oprichter Hugh Hefner gebruikte stijlvolle naaktfoto’s van de blondine die vier jaar eerder waren gemaakt voor een kalender, maar die destijds te sexy waren bevonden (desondanks weigerde een postbedrijf de kalender te versturen). De 50.000 exemplaren van Playboy waren in no-time verkocht.
Slipje, twee slipjes of helemaal geen slipje?
Aangezien The Seven Year Itch voor een groot deel op locatie in New York werd geschoten en Marilyn Monroe hot was, hadden naar schatting vijfduizend, voornamelijk mannelijke, fans en fotografen zich op dit nachtelijk uur toegang tot de filmset weten te verschaffen. Nadat The Girl en haar buurman Richard Sherman (Tom Ewell) na een voorstelling van Creature from the Black Lagoon de bioscoop verlaten, zoekt zij verkoeling op een ventilatierooster van de metro. Regisseur Billy Wilder draaide de scène tientallen keren (volgens hem vergat zij steeds haar tekst) en het opgewonden publiek riep dat het nog meer wilde zien.
Hoewel Marilyn Monroe met volle teugen genoot van alle aandacht vroeg zij zich ter plekke af of Wilder al die opnames misschien later met zijn vrienden in een achterafkamertje zou gaan bekijken, want de camera kwam steeds dichterbij haar kruis. De actrice constateerde dat je door al het licht bijna door haar broekje heen kon kijken. Ze was ook bang dat men haar schaamhaar zou kunnen zien en trok voor de zekerheid een extra slipje aan.
Tegenspeler Tom Ewell hing echter in 1984 in een televisie-interview een heel ander verhaal op. Billy Wilder zou het duo niet hebben verteld dat er plotseling lucht uit het rooster zou blazen en Marilyn zou juist helemaal niets onder haar opwaaiende zomerjurk hebben gedragen. Misschien was voor Ewell de wens de vader van de gedachte; kennelijk was de herinnering aan die zwoele tijd met de ouder wordende acteur aan de haal gegaan.
Joe DiMaggio voelde zich publiekelijk vernederd tijdens de eindeloze buitenopnames van de opwaaiende jurk en wist nu zeker dat de vrouw met wie hij acht maanden geleden was getrouwd geen ambities als huisvrouw en moeder had, maar niets anders wilde dan de spotlights. Na een handgemeen later in hun hotel vloog de honkballer terug naar Los Angeles en beklonk de scheiding van de twee Amerikaanse supersterren nog voordat de opnames van The Seven Year Itch waren afgerond. Ze bleven wel contact houden. DiMaggio escorteerde Monroe zelfs nog tijdens de filmpremière en regelde zeven jaar later haar uitvaart.
Het gezicht van God
Het idee van een opwaaiend kledingstuk boven een luchtrooster was niet nieuw. In de korte Amerikaanse stomme film Putting Pants on Philip (1927) van Laurel & Hardy waait de Schotse kilt van Stan Laurel steeds omhoog als hij over een rooster heen loopt – op het eind heeft hij door een niesbui zijn onderbroek verloren en vallen enkele vrouwen flauw bij het aanschouwen van het tafereel. Van die Schotse kilt hebben we nooit iets meer vernomen, maar de witte jurk van Marilyn Monroe werd in 2011 voor 4,6 miljoen dollar verkocht op een veiling.
En wat te denken van deze opname uit 1901 van de filmstudio van Thomas Edison. De cameraman lijkt te wachten totdat hij beet heeft.
Hoe beeldbepalend en geruchtmakend de opnames van Marilyn Monroe boven het ventilatierooster van de ondergrondse ook waren, ze werden opmerkelijk genoeg niet gebruikt in de film. Door de toegestroomde menigte en het rumoer bleek de geluidsband onbruikbaar. Bovendien bleken de door de filmcrew aangebrachte ventilatoren onder het rooster te hard te blazen, zodat de jurk volgens de censuurcommissie veel te ver was opgewaaid. Filmmaker Nicolas Roeg toont in Insignificance (1985) hoe een technicus in de ruimte onder het rooster de ventilator onder de jurk van de actrice richt en prevelt dat hij zojuist ‘het gezicht van God’ heeft mogen aanschouwen.
Ook moest de roosterscène worden ingekort, omdat een deel van de dialoog te suggestief werd geacht. Zo zegt The Girl in de ongecensureerde buitenversie dat de frisse lucht haar enkels verkoelt en dat ze blij is dat ze een jurk draagt in plaats van de hot pants van buurman Richard. De scène werd later in de studio opnieuw opgenomen (er zouden nog veertig takes nodig zijn geweest); de jurk waait daar beduidend minder hoog en er is geen enkel broekje zichtbaar. Maar het ‘kwaad’ was al geschied: posters, foto’s, merchandise en een vijftien meter hoge kartonnen Marilyn Monroe op de gevel van een bioscoop op Times Square tonen de volle lengte van Marilyn’s benen en een deel van haar onderbroekje(s).
Toneelstuk is veel minder braaf
Je zou bijna vergeten dat er om die wereldberoemde scène ook een film is geconstrueerd. The Seven Year Itch is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van George Axelrod. In het bloedhete New York heeft zakenman Richard (Golden Globe voor Tom Ewell, die tijdens de filmpremière al drie jaar dezelfde rol in het stuk op Broadway speelde) zijn vrouw en zoontje naar het veel koelere Maine gestuurd. Hij heeft net een boek gelezen over de theorie dat mannen in het zevende jaar van hun huwelijk vreemdgaan. Vanaf de eerste ontmoeting met zijn nieuwe bovenbuurvrouw, een reclamemodel, slaan zowel zijn hormonen als zijn fantasie op hol.
Billy Wilder – die in eerdere films al controversiële thema’s als verleiding, overspel en alcoholisme had behandeld – moest al zijn creativiteit aanwenden om de sfeer van het toneelstuk naar de film te vertalen. Alles wat ontrouw suggereerde, moest uit het script, vooral veel dialogen. Volgens de Hays Code mocht je over het thema overspel immers geen grapjes maken. Dat is de reden dat seks tussen de personages van Monroe en Ewell alleen voorkomt in de fantasie van laatstgenoemde. In het toneelstuk hebben de twee buren wel degelijk seks.
The Seven Year Itch werd de best bezochte filmkomedie van het jaar en Marilyn Monroe de grootste seksbom van de eeuw. Vanaf haar doorbraakfilm Gentlemen Prefer Blondes (1953) voer al een legertje van acteerdocenten, dressers en kappers in haar kielzog, na het recente succes stelde ze haar ambities verder bij. Ze wilde voortaan serieuzere rollen en zeggenschap over scripts. Maar haar ambigue persoonlijkheid zou haar parten blijven spelen. Enerzijds die genadeloze combinatie van sexy en onschuldig, anderzijds de neiging tot zelfdestructie vanwege haar traumatische kindertijd.
Niemand is perfect
Bijna alle twintig regisseurs met wie Monroe in zeven jaar tijd had gewerkt, waren radeloos van haar geworden: ze kwam niet of te laat op de set, was verward en vergat heel vaak haar tekst. Zo ook Otto Preminger, regisseur van River of No Return (1954): “Directing Marilyn was like directing Lassie – you needed fourteen takes even to get the bloody bark right.”
Ook Billy Wilder had gezworen nooit meer met Marilyn Monroe te werken, maar besloot toch om met haar Some Like It Hot (1959) te maken. Het werd één van de beste filmkomedies allertijden. Tony Curtis zei na de opnames dat het kussen van Marilyn hetzelfde was als het kussen van Hitler en ook bij Billy Wilder waren soms de stoppen doorgeslagen. “De vraag is of Marilyn wel een persoon is – ze heeft borsten van graniet, ze trotseert de zwaartekracht, en haar hersenen zijn, net als Zwitserse kaas, vol gaten. Ze heeft nog niet het vaagste idee hoe laat het is; ze komt te laat en zegt dat ze de studio niet kon vinden, ondanks het feit dat ze hier al vijftien jaar werkt.”
Wilder vond het heel moeilijk om serieus over Monroe te praten, omdat de actrice zo ongrijpbaar was. “Ze leek op de vlucht te gaan voor alles wat serieus was. Plus dat ze heel moeilijk was om mee te werken. Maar het uiteindelijke resultaat was altijd weergaloos. Ze had nu eenmaal die enorme uitstraling. En geloof het of niet, ze had een perfect gevoel voor timing in de dialogen. Ze wist precies waar de lach zat. Maar ze kostte je heel wat extra draaidagen.”
Billy Wilder en Marilyn Monroe zijn samen verantwoordelijk voor de beroemdste pose uit de filmgeschiedenis. Hoewel ze samen slechts twee films maakten, blijven hun namen voor altijd met elkaar verbonden. De bewondering was wederzijds en ze voelden zich allebei allesbehalve volmaakt. Precies zoals het personage van Joe E. Brown Some Like It Hot zo treffend afsluit met de woorden: “Nobody’s perfect.”
In de makelaardij geldt de stelregel dat het allemaal draait om locatie, locatie en locatie. Dat geldt ook voor The Apartment, een van regisseur Billy Wilders meest bekroonde films.
Kantoorklerk C.C. Baxter (Jack Lemmon) verdient een extra zakcentje door zijn appartement uit te lenen aan collega’s, die er hun maîtresses mee naartoe nemen. Zijn carrière raakt hierdoor in de lift. Dat geldt echter niet voor zijn ambities aangaande Fran Kubelik (Shirley MacLaine), het liftmeisje op wie een oogje op heeft. Zij heeft een gecompliceerde relatie met directeur Sheldrake (Fred MacMurray), die ook gebruikt begint te maken van Baxters appartement tegen diens zin.
Ondanks dat de film uit 1960 stamt, is deze nog verrassend eigentijds. Binnen de muren van de ouderwetse Airbnb voltrekt zich een subversieve romantische komedie, die duistere thema’s als eenzaamheid en depressie tackelt op Wilders kenmerkende cynische wijze.
Numerieke efficiëntie De wereld van The Apartment is naamloos. De corporatie functioneert als een geestdodend eerbetoon aan de efficiëntie, waar alleen nummers tellen. De opening van de film is in dat opzicht veelzeggend, als Baxter vol trots de ene statistiek na de andere opnoemt terwijl een druk kantoor in een onpersoonlijk New York opdoemt.
De verzekeringsmaatschappij, waar percentages en rapporten de dienst uitmaken, is de ultieme reflectie van wat filosoof Jean Baudrillard de ‘spiegel van productie’ noemt. Ingegeven door de techniek hebben wij de handel in goederen tot hoogste waarde verheven, waardoor de maximalisering van productie het doel van al onze activiteiten is geworden.
Het kantoor krioelt van de ijverig typende mensen vastgepind aan hun bureau. Het gebouw is spaarzaam gemeubileerd en iedereen is vergelijkbaar gekleed. Efficiënte productie wordt gespiegeld in deze eendimensionale samenleving. Baxter lijkt aan het begin een vergelijkbaar credo te harte te hebben genomen met zijn liefde voor statistiek. En de vraag rijst op, of zijn omgeving nog andere waarden aanhangt dan die van een procentpunt meer of minder.
Competitie en acquisitie De niet aflatende roep om verhoogde productie heeft zijn weerslag op de karakters in The Apartment. Tegenover een technisch systeem, dat alles efficiënt regelt, voelt men zich machteloos. De handel is geïnternaliseerd en komt tot uiting in een competitieve dynamiek. Het enige wat telt in de vrije tijd is de acquisitie van seksuele escapades. Het is een spel met winnaars en verliezers. Baxters klanten en directeur Sheldrake beschouwen anderen als een middel om hun doel van seksuele acquisitie te bereiken, zoals brandstof nodig is voor een auto. Doeltreffend geven zij hun orders op afstand, terwijl Baxter als een malle door zijn agenda bladert om iedereen te accommoderen.
Baxter is dan ook een van de verliezers, die deze piramide draagt. Zonder acquisitie is hij gedoemd tot banaal escapisme achter de televisie, zoals een hedendaagse single de wereld van Skyrim bezoekt. Kubelik is niet beter af. Haar onafhankelijkheid blijkt fragiel als Sheldrake haar weer nodig heeft.
Beiden hebben dus een gespleten persoonlijkheid. Ze zijn als de spiegel van Kubelik, die als tragisch symbool in het midden gebroken is. “It makes me look the way I feel”, verzucht Kubelik. Met subtiele hints, zoals Kubeliks unieke kapsel, wordt duidelijk dat beiden iets missen wat hun omgeving hen niet kan geven. Ze zijn buitenbeentjes die eigenlijk niet thuis horen in deze efficiënte wereld van acquisitie.
De connectie In de handelswereld van ‘voor wat, hoort wat’ heeft de efficiëntie elke vorm van onproductief samenzijn geëlimineerd. Een eenzaam mens zonder echte verbindingen is het residu. Uit de beproevingen van beide karakters blijkt deze diepe eenzaamheid. Als Kubelik realiseert dat Sheldrake haar slechts gebruikt als aangename verpozing, neemt The Apartment een duistere wending. Niemand lijkt om haar te geven en ze grijpt naar de slaappillen. Op morbide ironische wijze neemt Baxter juist dan voor het eerst iemand mee naar huis, de verkeerde impressie van zijn buren bevestigend.
Was Kubelik ook slechts een potentiële acquisitie voor hem? Het lijkt er niet op, als Baxter met laaiend enthousiasme de kaarten te voorschijn haalt voor een potje gin rummy. Dit is het startsein voor beiden om uit hun diepe dal omhoog te klimmen. Ze spelen in plaats van te produceren of zich iets toe te eigenen. In het sobere decor van The Apartment vallen de speelse elementen extra op. Geluk is niets meer en minder dan het afgieten van spaghetti met een tennisracket. Het samenzijn zonder slinks motief. Ze reiken zo elkaar de handvatten aan om hun deprimerende eenzaamheid de baas te zijn.
Shut up and deal Als Baxter en Kubelik weer verenigd worden aan het eind, komt The Apartment met een laatste twist op de formule van de romantische komedie. Er is geen hartelijke omhelzing noch een gepassioneerde kus. Het potje gin rummy moet afgemaakt worden. Toch kan het ambigue einde worden opgevat als een triomf voor beiden. Kubelik heeft een echte vriend gevonden, die haar waardeert om wie ze is, niet om het vertier wat ze kan brengen. Baxter heeft geleerd niet meer op te komen voor mensen die hem gebruiken, maar voor zichzelf en zijn vrienden. Het gaat niet om de liefde, maar om de vriendschap die zegeviert. Daar zitten ze samen op de bank. “Shut up and deal.”
Kubeliks bruuske afwijzing van Baxter maakt korte metten met alle problemen in de wereld van The Apartment. Geen competitieve dynamiek. Geen seksuele acquisitie. Want dit zijn twee vrienden. Laat de kaarten delen zoals ze komen, samen een onzekere toekomst tegemoet.
Charlie & Hannah gaan uitwil zich op alle fronten bewijzen met een overdadige mix van stijlen. Deze aanpak werkt averechts, want de bewijsdrang gaat ten koste van een onderhoudend verhaal.
Op een avond gaan hartsvriendinnen Charlie en Hannah op stap in de stad met een stel vrienden. Uit voorzorg hebben ze een mysterieus snoepje met hallucinerende werking genomen. De beide dames splitsen op, als Charlie vroeg naar huis gaat. Ze wordt vergezeld door Hannah’s eenmalige scharrel Fons, die een onderhoudende nachtelijke conversatie beginnen. Hannah legt wat aan met nieuwe scharrel Vincent. Al snel volgen de knotsgekke belevenissen elkaar in rap tempo op. Of het nu door de snoepjes komt of niet, de gebeurtenissen zijn bij vlagen bizar. Van rondwandelen in een zwart gat tot het volgen van een ananas naar een spookhuis. De rode draad van het verhaal is de liefdeslevens van beide dames.
Kleurrijke pastiche De film is het debuut van schrijver-regisseur Bert Scholiers en dit blijkt wel uit de speelsheid waarmee de fantasierijke taferelen elkaar in rap tempo opvolgen. Zo ongeveer elke stijl passeert de revue met een geestdrift die doet denken aan de Franse Nouvelle Vague (bijvoorbeeld Pierrot le Fou, 1965). Van een bedrieglijke slice of life-opening tot geanimeerde totaalbeelden van de stad.
Ook het zwart-wit van de beelden is niet heilig, zoals voor een spookhuis sequentie in kitscherige neonkleuren zoals bij een Italiaanse giallo. De enige consequente factor is de camera, die op naturalistische wijze de karakters rond laat lopen in de maffe situaties. Dit draagt bij aan de surrealistische atmosfeer, alsof alle gebeurtenissen droomscènes zijn die voor de dromers zelf echt aanvoelen. Het geheel doet denken aan een frivole versie van Holy Motors, niet in de laatste plaats omdat er nu pratende gebouwen in plaats van pratende auto’s zijn.
Pronken met plaatjes Ook de karakters weten te voorkomen dat de carrousel niet volledig op hol slaat. Nuchter als ze zijn, laten ze zich niet uit het veld slaan door weer een rare wending. Met natuurlijk spel en dialoog geven de hoofdspelers een inkijkje in de psyche van met name Charlie en Hannah. De mindset van deze karakters lijkt de intentie achter de hele beeldparade te verraden.
De invloed van Woody Allen is duidelijk te zien in het algehele verhaal over liefdesperikelen en de dagelijkse praktijken van de gegoede middenklasse. De twee dames hadden met hun neurotische ideeën over het leven zo uit een van zijn scenario’s kunnen zijn gekopieerd. In plaats van welgestelde mensen in een midlifecrisis gaat het nu over jonge mensen met een quarterlife-crisis. De kleurrijke pastiche komt daardoor voornamelijk over als een manier om te pronken, net zoals jonge mensen spitsvondige plaatjes op sociale media posten. Dit wordt verder versterkt doordat de karakters meerdere malen het publiek toespreken, om de nonchalante ironie extra vet te onderstrepen.
Op veilig spelen Op deze manier heeft de film dezelfde zwakte die Woody Allen ook vaak heeft. De bizarre droomscènes lijken een poging om lol te trappen met de gezapige levens van de karakters. Maar het weet niet te ontsnappen aan hetgeen het de draak mee steekt. Charlie & Hannahgaan uit komt daarom gewaagder over dan de film werkelijk is. Het spervuur aan ideeën heeft geen onderliggende visie. De scènes gaan alle kanten op en de willekeur ligt op de loer.
Omdat alles kan in de film, is er geen reden aan te wijzen waarom voor deze specifieke uitvoeringen gekozen is. Het geheel komt daarom gekunsteld over, met onhandige overgangen van de ene naar de andere situatie. Aangezien de karakters weinig diepgang hebben naast het neuroticisme, zijn hun perikelen nogal triviaal. Paradoxaal genoeg speelt de film ondanks de ogenschijnlijke risico’s die het neemt met de stijlenblender daardoor op veilig. Het is niets meer en minder dan een verzameling maffe clips, waar weinig subversieve geluiden uit voortkomen.
In IJsland hebben ze kennelijk geen Rijdende Rechter om in een burenconflict te bemiddelen, dus escaleren de perikelen rondom een boom snel, nadat er een kat is verdwenen. Under the Tree is een ideale inspiratiebron voor steggelende buren.
Under the Tree begint als een drama met thrillerelementen. Nadat Atli (de in eigen land populaire komiek Steinþór Hróar Steinþórsson) door zijn vrouw Agnes met een hand in zijn broek wordt betrapt als hij een sekshomevideo van hem en zijn ex-vriendin Rakel kijkt, is hun toch al moeizame relatie direct over. Rakel vervangt het slot van de voordeur en ontneemt Atli contact met hun dochtertje Asa. Dat leidt onder meer tot onaangename bezoeken aan de peuterspeelzaal en Agnes’ kantoor, alsook een spannende achtervolgingsscène.
Kettingzaag
Atli wil tijdelijk bij zijn ouders gaan wonen en merkt dat ook moeder Inga en vader Baldvin middenin een conflict zitten. Inga is zichzelf niet meer na de zelfgekozen dood van haar oudste zoon. Met de komst van Atli neemt haar irritatie en drankgebruik alleen maar toe. Haar frustratie viert zij verbaal bot op Eybjorg, de nieuwe vrouw van buurman Konrad. Inga vindt Eybjorg een tikkeltje te sportief en aantrekkelijk en bovendien schijt haar herdershond Askur weleens in hun tuin. Nee, als het aan Inga ligt, wordt er nog geen takje gesnoeid, ook al neemt hun boom bijna alle zon uit Eybjorgs en Konrads tuin weg.
Baldvin is een goedzak, die in een mannenkoor zingt en wel begrip heeft voor de klacht van de buren. Maar als op een dag de vier banden van zijn auto zijn lek gestoken, krijgt hij zijn twijfels. Als dan ook nog Inga’s kat spoorloos is, raken de poppen aan het dansen. Bloemen worden uit de grond getrokken, tuinkabouters worden verhuisd en ook Askur verdwijnt, maar meldt zich later op wonderbaarlijke wijze weer op de stoep bij de voordeur. En als Inga haar buurman een kettingzaag uit de kofferbak ziet halen, blijkt die aangeschafte veiligheidscamera geen overbodige luxe.
Akkoord
In zijn pas derde speelfilm Under the Tree weet de IJslandse regisseur Hafsteinn Gunnar Sigurðsson subtiele Noord-Europese droogheid uitstekend te combineren met een dramatisch plot vol zwarte humor. Na elke pesterij toont hij een tussenshot van de omstreden boom: even langzaam als de zonnestralen zich een weg banen door de bladeren, verdwijnen ze ook weer. Geleidelijk krijgt de dreigende muziek wat frivolere klanken.
De plot van de overspelige man die zijn vrouw om vergeving vraagt omdat hij zijn dochtertje wil blijven zien en de plot van de ruziënde buren vormen samen een gedoseerde reeks van escalaties die leiden tot een regelrechte tragedie. Het meest sprekende personage is Baldvin (Sigurður Sigurjónsson, o.a. Rams) die zich lange tijd zoveel mogelijk afzijdig houdt maar zijn ogen boekdelen laat spreken. Hij heeft ook de mooiste dialoog, bijvoorbeeld als hij tot zijn zoon Atli spreekt: ‘Ik dacht dat jullie wel tot een akkoord zouden komen, zoals volwassenen dat doen.’
Tot de gewelddadige finale van Under the Tree beweegt de kijker zich tussen een gevoel van lachen en janken. Maar als aan alle ruzies dan een definitief einde is gekomen, realiseer je je in één simpel shot hoe kinderachtig volwassenen kunnen zijn. Zelfs in IJsland, waar je relatief weinig bomen en zonuren hebt.
Tully geeft een gevoelige inkijk in depressie en komt daarbij net zo fris verrassend voor de dag als het titulaire kindermeisje.
Marlo (Charlize Theron) is een moeder van twee kinderen, van wie zoontje Jonah (Asher Miles Fallica) een speciale aanpak vereist. Ondanks dat zij en haar man Drew (Ron Livingston) langs elkaar heen leven, is er een derde kind op komst. Maar deze gebeurtenis lijkt Marlo niet al te veel te doen. Zonder energie en motivatie strompelt ze door het leven en lijkt voor de kinderen zorgen meer een plicht dan een deugd. Als ze op aandringen van haar gefortuneerde broer Craig (Mark Duplass) zijn gift van een night nanny accepteert zodra de derde is geboren, verandert haar leven zoals beloofd door hem. De vrolijke guitige oppas Tully (Mackenzie Davis) neemt het kind over in de nacht en bouwt een speciale band op met Marlo.
Ingetogen spitsvondigheden De film brengt regisseur Jason Reitman, scenariste Diablo Cody en Charlize Theron weer samen na hun vorige collaboratie. Waar Young Adult een disfunctionele jongvolwassen vrouw volgde, is het nu de beurt aan een vrouw in midlifecrisis waar eerder sprake is van een prenatale depressie dan postnatale.
Zoals gebruikelijk bij Diablo Cody zijn de karakters rondwandelende vocabulaires vol spitsvondigheden. Waar de scherpe oneliners in haar eerste scenario Juno vooral het doel leken te dienen om Cody’s slimme vondsten ten toon te stellen, zijn de gevatte opmerkingen dit keer subtiel met de karakters verweven tot komisch effect. Het geeft tevens de ruimte aan de lethargisch voortbewegende Theron, wiens dysthymie extra invoelbaar wordt doordat alle andere karakters de juiste hoeveelheid tegengas geven. Ron Livingston als onwetende man en Mark Duplass als flamboyante broer accentueren Therons spel door ingetogen te blijven. Het maakt de entree van de excentrieke Tully inslaan als een bom.
Delicaat onecht Vanaf het moment dat Marlo overstag gaat en de nanny neemt, ontpopt Tully zich meer en meer tot een onvervalste feelgoodfilm. De komst van Tully brengt warme beelden met zich mee. Haar ontwapenende openheid geeft kleur aan Marlo’s leven en dat wordt dankzij Reitmans efficiënte regie, die zonder al te veel opsmuk de nadruk legt op het acteerwerk, goed invoelbaar.
Net als in Up in the Air weet Reitman ook hier delicaat het sentiment aan de goede zijde van de tranentrekker te houden en Tully vervalt dan ook nergens in kitsch. Elk shot heeft een duidelijke functie, geen enkel beeld is uit op opportunistisch inspelen op de emotie. De gevoelens die loskomen bij Marlo door haar interactie met Tully komen bevrijdend over. Het is de verdienste van Reitman door Tully zo uit te laten steken tegenover de andere karakters met haar atypische gedragingen dat elk zoetsappig element welhaast onecht aan gaat voelen.
Oprechte verrassing Ondanks dat het verhaal welbekende plotpunten doorloopt die je wel vaker in een feelgoodfilm uit Hollywood voorbij ziet komen, weet de film in de latere delen te verrassen. Alles wat op subtiele wijze wrong, wordt rechtgemaakt in een emotioneel geladen wending, die juist door de achteloosheid waarmee deze wordt gebracht extra inwerkt.
Paradoxaal genoeg is het de manier waarop de kijker op het verkeerde been wordt gezet wat de film laat transformeren van innemende feelgoodfilm naar oprechte karakterstudie. De lichtvoetige kwinkslagen en de bitse sarcastische manier waarop karakters met tegenslagen omgaan, geven het gezapige lusteloze leven van Marlo een bitterzoet randje, wat wordt afgemaakt door de ontknoping die alles op de juiste plaats laat vallen.
Ensemblefilm met een rolbezetting van topacteurs over de dans om de macht in de USSR, na het overlijden van dictator Josef Stalin. The Death of Stalin is historisch kostuumdrama, maffiafilm en satire in een.
Wanneer Lavrenti Beria, de beul van Stalin en hoofd van de Russische geheime dienst, kwam aanlopen met een bosje bloemen, moest je als vrouw wegduiken. Als de dame – of vaker: het meisje – het boeket aannam, werd ze door hem verkracht. Weigerde ze de attentie, dan werd ze gearresteerd. Of erger. Beria was voor niemand bang, behalve voor zijn mentor, Stalin.
Josef Stalin, geboren Dzjoegasjvili, was een crimineel uit Georgië die banken beroofde en zo de Bolsjewieken hielp hun revolutie te financieren. Als de man van staal transformeerde hij de Sovjet-republiek in moordend (en dat letterlijk) tempo van achterlijk boerenland tot industriële grootmacht. Onder zijn terreur werden miljoenen mensen de dood in gejaagd. Stalin, wiens paranoia niemand deed vertrouwen, regeerde via angst. Onder het mom van zuiveringen waren executies van politieke tegenstanders, trouwe aanhangers en willekeurige burgers routine. Niemand was veilig, zelfs zijn familie niet.
En Stalin zelf ook niet, want na zijn plotselinge dood op 5 maart 1953 zijn de speculaties over moord nooit verstomd. De man van staal – met lamme arm en horrelvoet – was een gangster, aan de top van de Sovjet-macht omringd door gangsters, loerend naar elkaar. Was het Beria, de serieverkrachter die uit Stalins gratie was gevallen? Of Molotov, Stalins voorganger als secretaris-generaal van de communistische partij wiens vrouw op last van Stalin was opgepakt en die nu zelf voor zijn leven vreesde? Of was het gewoon een fatale hersenbloeding?
Zwarte komedie
Over dat gezelschap van machtswellustige, door angst gedreven mannen gaat The Death of Stalin, een zwarte komedie die uit de pen van het Monthy Python-gezelschap had kunnen komen. Scenarist en regisseur Armando Iannucci, de man achter sublieme komedieseries als I’m Alan Partridge en Veep, houdt zich grotendeels aan de historisch feiten, uit respect voor de miljoenen slachtoffers van Stalins terreur. De film is geestig omdat het gegeven, de stoelendans in het machtsvacuüm na de dood van Stalin, zo krankzinnig en angstaanjagend is. Wie zoekt naar een precedent komt uit bij Dr. Strangelove, vermomd als The Godfather.
The Death of Stalin is tegelijk grimmig en hilarisch, geen kleine verdienste. Naast de absurdistische – maar realistische – dialogen is daarvoor verantwoordelijk de voortreffelijke ensemblerolbezetting met Simon Russell Beale als het addergebroed Beria, Michael Palin als de geplaagde intrigant Molotov, Jeffrey Tambor als de ijdeltuit Malenkov, en Steve Buscemi in de rol van hofnar Chroesjtsjov als de voornaamste leden van het Politbureau, aangevuld met Jason Isaacs (testosteronbom maarschalk Zjoekov), Andrea Riseborough (Stalins getraumatiseerde dochter Svetlana) en Richard Friend (Stalins alcoholistische zoon Vasili). Ze spreken eigentijds Engels, zonder namaak-Russisch accent.
Het zijn geen karikaturen maar personages, elk met hun eigen tics. Een onwaarschijnlijk gezelschap van intellectuelen en boeren, bedreven in het overlevingsspel van manipulatie en intrige. De kolderieke scènes rollen vanaf de proloog, fijntjes gesitueerd buiten de kring van Stalin, in hoog tempo over elkaar. Het gesjor met het lijk van de dictator (Adrian McLoughlin), de mist van intrige in en om diens dascha in Koenstevo, de bijeenkomsten en stemmingen van het Politbureau, de verwikkelingen rond Stalins begrafenis die ontaarden in een slachting—het zijn onontwarbare kluwen van surrealisme en dodelijke ernst. Was Iannucci’s debuutfilm In the Loop politieke satire, The Death of Stalin heeft meer dan één register.
Nihilistische portret
Aan de vraag of Stalin werd vermoord en zo ja, door wie, waagt de regisseur zich niet. Het is hem te doen om de immoraliteit van mensen die uit naam van de goede zaak routinematig verraad plegen en moorden. De afloop is bekend: Beria ziet zijn kans schoon, maar Chroesjtsjov weet Stalins opvolger Malenkov tegen hem over te halen en het leger, in de persoon van Zjoekov, zet Beria en diens de geheime dienst buiten spel. “Zo gaan mensen dood, als hun verhaal niet klopt”, aldus Chroesjtsjov.
Ondertussen is The Death of Stalin niet alleen superieure satire, maar ook een film die wijst op de donkere kanten van politiek, op de bewustzijnsvernauwing van een gesloten kaste, op de ongecontroleerde macht die monsters kweekt, de consequenties van institutionele paranoia en op de verloederende werking van nepnieuws en een gescripte werkelijkheid. Een film over de wereld van vandaag dus. De running gag van The Death of Stalin zijn de terloops bevolen executies: “Eerst zijn vrouw en zorg dat hij het ziet, daarna hij.” Zo’n film is het dus, het nihilistische portret van een nihilistisch systeem. Karl Marx wist het al, na de tragedie herhaalt de geschiedenis zich als farce.
Ontroerend, speels en komisch opgroeiverhaal over een 17-jarig meisje dat botst met haar moeder en haar plaatsje probeert te veroveren in het Californië van 2002.
‘I wish I could live through something’, verzucht Christine in de auto met haar moeder. ‘Well, aren’t you?’, vraagt haar moeder lichtelijk geïrriteerd en ze starten te kibbelen – precies zoals een moeder en dochter dat kunnen. De opmerkingen worden venijniger en al snel worden er dingen gezegd die geen van beiden zo vervelend bedoeld heeft te zeggen. Het is een prachtige opening van de film, waarin de moeder-dochterrelatie een belangrijke rol speelt.
Debuut Lady Bird is de solo-debuutfilm van actrice Greta Gerwig (Frances Ha, Maggie’s Plan, 20th Century Women), en dat bleef niet onopgemerkt. Ze kreeg meerdere prijzen en nominaties voor haar schrijven en regisseren van Lady Bird. Ze maakt dankbaar gebruik van een goede cast, zoals hoofdrolspeelster Saoirse Ronan, die in 2008 op 13-jarige leeftijd haar eerste Oscar-nominatie voor haar rol in Atonement (2007) in de wacht sleepte en ook dit jaar kanshebber voor de Academy Award was. Ook Timothée Chalamet, Christine’s geliefde Kyle in Lady Bird, kreeg toen een Oscar-nominatie: voor zijn optreden in Call Me by Your Name.
Sacramento Het verhaal speelt in 2002, Sacramento, Californië, waar Gerwig zelf opgroeide. De 17-jarige Christine, oftewel Lady Bird, zoals ze zichzelf graag noemt, heeft weinig affiniteit met haar geboortestreek (net als Gerwig vroeger zelf). Liever zou ze richting het oosten gaan – daar waar cultuur is – naar een stad als New York. Ze besluit zich aan te melden voor studies aldaar, zonder medeweten van haar moeder, maar met haar vaders steun.
Ondertussen gaat het laatste jaar op de christelijke school door, met alle perikelen die daarbij komen kijken. Jongens, vriendschappen, en cijfers maken het voor een 17-jarige niet makkelijk. De film is komisch, zoals wanneer Lady Bird achter de auto van de non op school een bord ‘Married to Jesus’ hangt. Gelukkig kan de non er zelf ook om lachen.
Arm Het gezin waarin Lady Bird opgroeit is niet rijk. Haar vader is net zijn baan verloren, haar moeder werkt als verpleegkundige en haar broer werkt samen met zijn vriendin in de supermarkt. Ze wonen ‘aan de verkeerde kant van het spoor’, zoals Lady Bird dat zelf noemt. De favoriete zondagsbesteding van moeder Marion en Lady Bird is het doen alsof ze interesse hebben in dure huizen, en daar rondkijken en wegdromen.
Marion is een mooie rol van Laurie Metcalf. We proeven de liefde die ze voelt voor haar dochter, maar tegelijkertijd wil ze haar ook opvoeden, haar behoeden voor misstappen en daardoor kan ze soms behoorlijk pinnige opmerkingen maken.
Speels Gerwig’s stijl doet denken aan films als 20th Century Women (waarin ze dus zelf speelt) en aan Boyhood (2014). De luchtige en grappige speelsheid waarmee belangrijke thema’s als opgroeien, volwassen worden, vriendschappen en het leven in al zijn facetten behandeld worden zijn vergelijkbaar. Het is fijn dat personages geen karikaturen zijn, en dat situaties begrijpelijk zijn. Geen grote tragedies, gewoon het leven zoals het is.