Inherent Vice

***

recensie  Inherent Vice

Eén keer kijken is niet genoeg

door Cor Oliemeulen

Er is geduld nodig voor het kijken naar Inherent Vice. In deze mix van mysterie, komedie en psychedelische thriller met maffe dialogen raak je gegarandeerd verstrikt in alle losse eindjes, maar dat is kennelijk van ondergeschikt belang.

Thomas Pynchon is volgens sommigen de belangrijkste Amerikaanse schrijver die het moderne en complexe leven vanaf de jaren zestig beschrijft. Historisch, wetenschappelijk, dromerig, mysterieus, humoristisch en aanstekelijk tegelijk. In zijn boeken zitten veel verwijzingen naar de cinema, echter van een film kwam het nog nooit: te moeilijk. Paul Thomas Anderson nam de uitdaging aan en verfilmde het overweldigend gecompliceerde verhaal over de voortdurend bedwelmde privédetective Doc Sportello (Joaquin Phoenix).

Recensie Inherent Vice

De met zware bakkebaarden uitgeruste Doc is een kruising tussen de stevig drinkende eenling Philip Marlowe in The Big Sleep (1939) en de eeuwige blower The Dude in The Big Lebowski (1998). Van de ene kant de stoere, melancholische privédetective die door roeien en ruiten gaat, van de andere kant de slome, lepe hippie die nog geen deuk in een pakje boter kan slaan.

Flagrante personages
Doc’s ex-geliefde Shasta Fay Hepworth (Katherine Waterston), een vrijgevochten strandmeisje, duikt uit het niets op met een verdwijningsverhaal dat bij zowel Doc als de kijker voor de nodige hoofdbrekens zal zorgen. Shasta’s huidige vriend Mickey Wolfmann (Eric Roberts), die zijn miljarden heeft vergaard omdat hij traditionele buurten in Los Angeles heeft weggevaagd ten faveure van luxe optrekjes voor de rijken, blijkt namelijk plotseling verdwenen. Advocaat Sauncho Smilex (Benicio Del Toro) geeft Doc advies, terwijl saxofonist Coy Harlingen (Owen Wilson) zijn eigen dood in scène zet zodat hij undercover als verklikker kan fungeren.

En dan zijn er nog Martin Short als Dr. Rudy Blatnoyd, de altijd geile, coke snuivende tandarts die banden heeft met het mysterieuze Golden Fang-imperium, en de zichtbaar genietende Josh Brolin als de met chocola overgoten bevroren bananen etende en om pannenkoeken schreeuwende politierechercheur Christian ‘Bigfoot’ Bjornsen, die een haat-liefdeverhouding met Doc heeft, burgerrechten aan zijn laars lapt, maar wel thuis onder de plak zit van zijn vrouw.

Creatief team
Paul Thomas Anderson heeft bovendien de beschikking over een creatief team van Oscarwinnaars met wie hij eerder samenwerkte. Zo verzorgt Robert Elswit (There Will Be Blood, 2007) de fotografie: ditmaal veel medium shots en close-ups. Het productieontwerp van David Crank (The Master, 2012) plaatst je knap terug in de tijd – al was de typische jaren zeventig-setting in Andersons Boogie Nights (1997) veel treffender.

Kostuumontwerper Mark Bridges, die voor genoemde schets van de Californische porno-industrie niet veel kledingkasten hoefde open te trekken en later een Oscar won voor The Artist (2011), draagt ook sterk bij aan het oproepen van de vereiste nostalgische sfeer. En dan is er nog de beheerste, evenwichtige soundtrack van Jonny Greenwood van de Britse band Radiohead met een geslaagde mix van seventies grooves, zachte romantische strijkers en de folk van Neil Young.

Melancholie versus verloren onschuld
Het is Andersons bedoeling om de laag van melancholie onder Doc’s onderzoek exact neer te zetten zoals Thomas Pynchon het in zijn boek beschrijft. Een twijfelend gevoel van hoop dat veel mensen in die tijd voelen en betrokkenheid bij het lot van Amerika. Een periode waarin idealisten de Californian Dream van terug naar de natuur langzaam zien vervliegen door projectontwikkelaars, Amerikaanse troepen in Cambodja, studentenprotesten met doden, engerds als Charles Manson en politiek activisme dat de kop wordt ingedrukt door spionage, infiltratie en smerige politieke spelletjes, zoals Watergate.

Recensie Inherent Vice

Tegen die achtergrond speelt Inherent Vice. Een samenleving die langzaam zijn spirituele onschuld verliest, terwijl consumentisme en paranoia ervoor in de plaats komen. Terugverlangen naar wat bijna is verdwenen en hopen op het beste. Een strompelende tegencultuur waarvan Doc deel uitmaakt. In de film merken we jammer genoeg te weinig van die typische overgang van de jaren zestig naar de jaren zeventig in het toenmalige Los Angeles. Hoewel Doc aan het strand woont, zien we er maar één scène van terwijl er ook nauwelijks aandacht is voor de Sunset Strip waar hippies, muzikanten en gokkers zich kunnen overgeven aan het wilde leven net buiten de stad. Inherent Vice is vooral een praatfilm geworden.

Overvloed
Pas als je bereid en bij machte bent de situaties, handelwijzen en gedachten van de personages in hun sociaalhistorische context te plaatsen, ontplooit zich een technisch en artistiek ongeëvenaard kunstwerk. Zo niet, dan bestaat de kans dat je zelf snel afglijdt in een laconieke staat van bedwelming, omdat de dwingende vorm, inhoud en stijl in combinatie met de overvloed aan details zomaar kunnen verzanden in een vage, langdradige en onoplosbare whodunnit.

Eén keer kijken is eigenlijk niet genoeg. Het is als een schilderij van Kandinsky: hoe vaker je kijkt, hoe meer je ontdekt en hoe meer je denkt te begrijpen. Maar hoeveel bioscoopgangers doen dat?

 

30 januari 2015

 
ALLE RECENSIES
 

Tien drugsfilms: populaire narcotica door de tijd heen

Black Coal

****
recensie Black Coal
Het mysterieuze meisje van de stomerij

door Cor Oliemeulen

Heuse film noir over gewone mensen in het snel veranderende hedendaagse China combineert het lot van een ex-agent die een moordmysterie probeert te ontrafelen met zijn zoektocht naar een nieuwe liefde.

In een Noord-Chinese stad wordt tussen steenkool een arm gevonden. De politie ontdekt de andere lichaamsdelen op vijftien verschillende locaties, verspreid over zes steden. Het is direct duidelijk dat er iemand goed overweg kan met een zaag, en het ligt voor de hand dat er meerdere zieke geesten verantwoordelijk zijn. Maar wat heeft een schaatser met deze lugubere vondsten te maken?

Recensie Black Coal

Black Coal is een exponent van de moderne Chinese cinema: een realistisch hedendaags verhaal, technisch vaardig uitgevoerd. Oorspronkelijke kunstzinnige arthouse – voorzien van ‘westerse’ absurditeiten en zwarte humor – mikt op het grote publiek in binnen- en buitenland. In zijn derde speelfilm voegt regisseur Yi’nan Diao een interessant, en voor China uniek, element toe: film noir. Met als inspiratiebron The Third Man (1949) doorspekt hij zijn misdaadfilm met een dolende detective, femme fatale, mysterieuze moordzaak en pummelig politiewerk. Alles tegen een decor van ijskoud pokkenweer, neon bij nacht en vuurwerk bij daglicht. Gelardeerd met een soundtrack van klassieke strijkers tot en met Chinese popsongs.

Absurd schouwspel
De eigenzinnige, ongelikte politieman Zhang (Liao Fan) is zojuist gescheiden, maar voelt zich niet te beroerd om zijn ex voor de laatste keer te bespringen op het perron net voordat zij in de trein stapt. Op het bureau krijgt hij te maken met de ontdekking van de geamputeerde lichaamsdelen. Met enkele collega’s betreedt Zhang een kapsalon, waar twee jongens zich verdacht gedragen en met veel moeite staande worden gehouden. Het is een idioot schouwspel: terwijl de agenten zitten uit te blazen en een collega zich beklaagt dat hij door de arrestatie geen lot heeft kunnen kopen, weet een van de hippe knapen een pistool te trekken, waarna iedereen binnen een paar seconden levenloos neervalt en Zhang zelf gewond achterblijft.

Even absurd en zwart komisch is een volgend fragment, dat zich zes jaar later blijkt af te spelen, waarin de tot beveiliger gedegradeerde Zhang stomdronken en halfbevroren naast zijn motor in een tunnel ligt. Een passerende man op een klein brommertje komt poolshoogte nemen en gaat er vervolgens vrolijk met de motor vandoor.

Zhang ontmoet later zijn oud-collega Wang die vertelt dat er nog steeds her en der lichaamsdelen worden gevonden. Nu alcohol alleen niet helpt om zijn frustraties uit het verleden weg te spoelen, besluit Zhang in zijn eentje op zoek te gaan naar de moordenaars. Alle lijnen komen samen bij de jonge dame Wu Zhizhen (Gwei Lun Mei) die in een kleine stomerij werkt. Ze is erg in zichzelf gekeerd en moet niets hebben van (mannelijke) aandacht. Zeker niet van Zhang die haar blijft achtervolgen – op zijn nieuwe brommertje – en haar gaat zien als passieobject in zijn uitzichtloze wereldje.

Recensie Black Coal

Zwart en wit, werkelijkheid en dromen
De internationale titel is Black Coal, Thin Ice. De titel refereert aan de twee centrale motieven: steenkool (zwart) en ijs (wit). Bovendien begeven de hoofdpersonages zich letterlijk en figuurlijk op dun ijs (thin ice). De keuze voor het korte Black Coal impliceert dat filmdistributeurs soms kiezen voor een filmtitel die gemakkelijker te onthouden is, echter in dit geval wel aan zeggingskracht inboet. Opvallender is dat de oorspronkelijke, Chinese filmtitel Bai ri yan huo letterlijk wordt vertaald als Vuurwerk in daglicht. Volgens de regisseur is het verschil tussen de twee filmtitels het verschil tussen werkelijkheid en dromen. Kool en ijs zijn echt; vuurwerk tijdens daglicht is onwerkelijk en een fantasie, en kan worden geduid als een schild dat mensen gebruiken tegen de verharding van hun leefomgeving.

Door de deels matige montage en enkele plotgaten is Black Coal niet altijd even gemakkelijk te volgen, maar biedt het misdaaddrama wel op ongekende wijze een boeiende weerspiegeling van het hedendaagse China dat snel verandert – zowel op industrieel als crimineel gebied. Mensen stoeien met zingeving, liefde en verlossing in een verhaal dat nooit verveelt. De finale oogt afgeraffeld en dient kennelijk als onderbouwing van de metafoor van de Chinese filmtitel. Terwijl een verdachte door de politie wordt afgevoerd, ontsteekt iemand een enorme partij vuurwerk vanaf een gebouw. Wat blijkt? Er zijn meerdere slotversies in omloop, want op filmfestivals kon je zien wie het vuurwerk afsteekt, in de Nederlandse bioscoopversie is er geen aandacht voor de man op het dak. Niet dat het heel veel uitmaakt, maar toch opmerkelijk en onverklaarbaar.

 

2 januari 2015

 

MEER RECENSIES

 

Wolf at the Door, A

****

recensie  A Wolf at the Door

Rampspoed in Rio

door Alfred Bos

Gelauwerde debuutfilm uit Brazilië maakt indruk met onderkoeld verteld verhaal over overspel dat gruwelijk ontspoort.

A Wolf at the Door (O Lobo atrás da Porta), de debuutfilm van de Braziliaanse regisseur Fernando Coimbra, heeft op diverse Latijns-Amerikaanse en Europese filmfestivals prijzen gewonnen. Vertolkt door buiten Brazilië onbekende acteurs is het een onderkoeld verteld relatiedrama over een overspelige echtgenoot die gokt in de liefde en alles dreigt te verliezen. En hij niet alleen.

Recensie A Wolf at the Door

Sylvia, een huisvrouw in Rio de Janeiro, komt haar zesjarige dochtertje Clarinha van school halen en krijgt van de lerares te horen dat ze al is vertrokken met een bekende. Welke bekende dan? Dat weet de lerares ook niet, maar Clarinha kende haar, ze was heel vertrouwd. Het is de opmaat van een tragedie rond de eeuwenoude thema’s lust en bedrog. De regisseur, die tevens tekent voor het scenario, noemt het een voorstedelijke variant op het Griekse treurspel Medea.

Kind van de rekening
De wolf aan de deur blijkt een ravissante verschijning, waar buschauffeur Bernardo als een blok voor valt. Na zeven jaar is de bruis uit zijn huwelijk met Sylvia en zoekt hij vertier bij een scharrel. De mid-twintiger Rosa woont nog thuis en weet niet zo goed wat ze met haar leven aan moet. Bernardo heeft een mooie sportauto. Hij zou beter moeten weten, deze Rosa heeft doorns, maar de leugen is verleidelijker dan de waarheid.

Dat kan niet goed gaan en het gaat dan ook goed fout. Op Rosa’s aandringen, vrijt hij een keer zonder condoom en presto, Rosa blijkt bezwangerd. Dan botsen de verwachtingen, met fatale gevolgen. Het kind van de rekening is Clarinha en zij niet alleen. Wanneer alle emoties tot een taboedoorbrekende – en barbaarse – climax komen, blijken er uitsluitend slachtoffers te zijn.

Recensie A Wolf at the Door

Semi-documentaire stijl
De inspiratie deed Coimbra op in een tijdschriftartikel over een vergelijkbare, waargebeurde zaak uit de jaren zestig. Hij brengt het verhaal via flashbacks, in een rauw-realistische, semi-documentaire stijl. Veel scènes zijn vanaf de schouder gedraaid en de mimiek van de acteurs wordt via telelens in close-up getoond. Dialogen draait Coimbra in lange statische shots.

Het is een manier van filmen die herinnert aan het Italiaanse neorealisme en de Japanse cinema van de jaren vijftig, toen film uit de studio stapte, de wereld in, en zijn toneelmatigheid verloor. Daarnaast vertelt de film à la Rashômon hetzelfde verhaal vanuit verschillende gezichtspunten, zowel van het slachtoffer als de dader. Ze komen op meesterlijke wijze samen aan het slot, wanneer de kijker zijn donkere vermoedens bevestigd ziet.

A Wolf at the Door ging vorige maand in Nederland in première tijdens het Film by the Sea Festival in Vlissingen en is nu in roulatie. Overigens is Nederland, buiten Brazilië en Spanje, een van de weinige landen waar deze opvallende debuutfilm in de bioscoop draait. Zonder computeranimaties en met levensechte personages is het de antithese van de Hollywood-blockbuster. Fernando Coimbra is een regisseur om in de gaten te houden.

 

27 oktober 2014

 
ALLE RECENSIES

Sin City: A Dame to Kill For

****

recensie  Sin City: A Dame to Kill For

Film als ‘beeld’verhaal

door Alfred Bos

De Amerikaanse tekenaar en stripauteur Frank Miller is een fenomeen. In 2005 maakte hij met coregisseur Robert Rodriguez van zijn jaren negentig strip Sin City een visueel verbluffende film. De opvolger – nu in 3D – is wederom een studie in vorm.  

Toen Sin City in 2005 wereldwijd in de bioscoop debuteerde was er verbazing. Nimmer was een stripverhaal zo authentiek en ‘stripachtig’ vertaald naar het filmdoek; nog niet eerder waren live action, computer graphics en ouderwetse grimeurtechnieken zo radicaal geïntegreerd; en zelden was er zoveel bruut geweld over de kijker uitgestort.

Recensie Sin City: A Dame to Kill For

Sin City toonde een archetypische verteltrant in een unieke beeldtaal en was de visueel verbluffende filmvertaling van Frank Millers gelijknamige reeks hoogst eigenzinnige (contrastrijk zwart-wit, met een enkel detail in kleur) en vernieuwende comics. De filmversie was bijna een nieuw genre, iets tussen strip en film in, die de filmadaptatie uit 2003 van Millers Daredevil strips naar de kleuterklas verwees.

Film noir is sinds het begin van zijn loopbaan als stripschrijver en -tekenaar de voornaamste inspiratiebron voor Miller en Will Eisner, de man die in de jaren veertig de stripfiguur The Spirit bedacht, zijn grote voorbeeld. Drie jaar na Sin City  waagde Miller zich aan een filmadaptatie van The Spirit, maar dat draaide uit op een commerciële en artistieke flop. Kennelijk had hij toch de helpende hand van Robert Rodriguez, de coregisseur van Sin City, nodig om de beelden van het tekenvel naar het grote scherm over te brengen.

Levensmoede rechercheur
Negen jaar na hun eerste werkstuk (en acht jaar later dan aangekondigd) verschijnt het vervolg, Sin City: A Dame to Kill For. Wie zich heeft vergaapt aan de voorganger, kan met een gerust hart gaan kijken naar de nieuwe avonturen van Marv, de bruut met het kleine hart (een onherkenbaar geschminkte Mickey Rourke), de nachtclubdanseres Nancy (Jessica Alba) en de totaal corrupte politicus Senator Roark (Powers Boothe). Al is de schok er na de eerste film wel een beetje af en figureert een van de hoofdpersonages van de vorige film, de levensmoede rechercheur John Hartigan (Bruce Willis), slechts in een enkele scène als geest. De indrukwekkende visuele stijl, het nihilistische wereldbeeld en het cartooneske ultrageweld zijn gebleven.

Sin City heet eigenlijk Basin City, maar de eerste twee letters van het naambord zijn door kogelgaten onleesbaar gemaakt. Het is een denkbeeldige stad in Amerika, waarin Miller alle clichés van de Amerikaanse hard boiled misdaadromans uit de jaren dertig en veertig heeft samengebald tot een (letterlijk in zijn strips) inktzwarte cocktail van verloedering, corruptie en geweld, inclusief de aan het genre eigen voice over. Ook in de films is het immer nacht en als het niet stort van de regen worden de straten bevolkt door gespuis, snollen en losers. Sin City is de metafoor voor een samenleving waarin recht en orde niet (meer) bestaan en gevoel is vervangen door sensatie. Heel eigentijds, dus.

Recensie Sin City: A Dame to Kill For

Femme fatale
Nieuw in deze aflevering zijn Joseph Gordon-Levitt en Josh Brolin, die respectievelijk de bravouretiener Johnny en Dwight McCarthy, het centrale karakter van de serie, spelen; Brolin neemt de rol over die Clive Owen in de vorige film vertolkte. Johnny krijgt aan het aan de stok met Senator Roark, Dwight moet zich een femme fatale, Ava (Eva Green, die de boosaardige Artemisia speelde in 300: Rise of an Empire, de verfilming van Millers striproman Xerxes) van het lijf houden. Naast revolvers blijken snel ladende kruisbogen en vlijmend scherpe samoeraizwaarden populair onder de bewoners van Sin City.

Fans maken zich druk over de chronologie van de stripverhalen (zes romans en elf korte verhalen, gepubliceerd tussen 1991 en 2000) en bijbehorende verfilmingen, maar Miller heeft nooit de bedoeling gehad een rechttoe rechtaan relaas te vertellen; Sin City is een fictief universum waarin een reeks karakters figureren. Net als de eerste film combineert A Dame to Kill For een aantal episodes van de stripreeks tot een min of meer samenhangend geheel. Wie wil weten hoe het allemaal zit kan op Wikipedia terecht voor alle achtergronden en details van Millers diverse malen bekroonde werk. Sin City: A Dame to Kill For is film zoals film bedoeld is, als ‘beeld’verhaal.

 

25 augustus 2014

 
ALLE RECENSIES

City of Violence

***

recensie  City of Violence

Geen land voor watjes

door Alfred Bos 

Orlando Bloom schittert in een harde actiethriller die speelt in Kaapstad. De multiculturele cocktail van Zuid-Afrika bruist, maar niet van het leven.  

Goed idee van de Franse thrillerauteur Caryl Férey om zijn roman Zulu uit 2008 te situeren in Zuid-Afrika. Het land van de vervlogen ‘rainbow nation’ droom is een hogedrukpan van culturele, sociale en economische tegenstellingen, een proeftuin voor de eenentwintigste eeuw als het ware. Roofmoord en verkrachting zijn er dagelijkse routine, vaak zijn de daders gedrogeerd. In die poel van ontaarding klotst tik  rond, een extreem krachtige speed-variant met hallucinogene bijwerkingen. 

Recensie City of Violence

Een gemodificeerde versie van tik is de motor achter de plot van Zulu, of City of Violence, zoals de verfilming in deze Frans-Zuidafrikaanse coproductie heet. Met Orlando Bloom als de morsige rauwdouw-rechercheur Brian Epkeen en Forest Whitaker in de rol van Ali Sokhela, een Zulu-commissaris met een geheim, zijn de hoofdrollen sterk bezet. Ze rennen en racen door het zonovergoten Kaapstad, van de beveiligde villa’s in de heuvels naar de shanty towns nabij het strand. Er verdwijnen zwarte kinderen en de politie haalt haar schouders op. Dan wordt een blanke studente gruwelijk vermoord.  

Exotisch in cultuur en geweld
Zuid-Afrika telt elf officiële talen en drie daarvan zijn te horen in City of Violence: Engels, Afrikaans en Zulu. Niet alleen die culturele verscheidenheid en de drugs zijn exotisch, dat is ook het geweld. Kaapstad is geen plek voor theedrinkende dienders, het geweld hangt als een donderwolk in de lucht en manifesteert zich onverwacht, explosief en snoeihard. Wie zijn wenkbrauwen fronst bij de confronterende proloog, kan beter een oude aflevering van Inspector Morse uit de kast trekken.

City of Violence is de eerste film van de Franse regisseur en scenarist Jérôme Salle die de Nederlandse bioscoop haalt. Hij maakte eerder twee speelfilms rond de in Frankrijk populaire stripheld Largo Winch, maar die verdienstelijke actiethrillers kwamen hier niet verder dan een dvd-release. Met steracteurs als Bloom (onherkenbaar goed, zijn beste rol tot nu toe) en Whitaker op de titelrol heeft City of Violence internationale allure en beleefde zijn première tijdens het Cannes Film Festival van vorig jaar.  

Recensie City of Violence

Merkwaardige finale
De eerste akte is ijzersterk en culmineert in een bloedstollende scène op het Muizenbergstrand van Kaapstad, waarbij het beslissende detail al in de opening, een klein half uur daarvoor, is opgezet. Het is tekenend voor de kwaliteit van het script en de kundigheid van de regisseur dat vaart en subtiliteit elkaar niet in de weg zitten. Tot ver in de derde akte lijkt City of Violence de verrassingsthriller van 2014 te zijn, maar de merkwaardige finale – een wraakwestern? – trekt de film uit het lood en dat kost een ster.  

Met zijn couleur locale, sterke protagonisten en vlotte verteltrant steekt de film positief af tegen de generieke thrillers van Amerikaanse of Scandinavische snit. En voor wie bekend is met de hiphop van Die Antwoord, de fotografie van Roger Ballen of de romans van Lauren Beukes is City of Violence verplichte kost: visuele flessenpost uit een land waar de cyberpunk clash van hightech en low life werkelijkheid is geworden.

 

10 juni 2014

 

 

ALLE RECENSIES

 

Starred Up

****

recensie  Starred Up

Koning van de tralies

door George Vermij

Starred Up is een intens gevangenisdrama dat je gelijk al in de openingsscènes naar de strot vliegt en niet loslaat. Voor regisseur David Mackenzie is het gelukkig een terugkeer naar rauwe cinema die in Engeland een lange traditie heeft.

Gewelddadig straatschoffie Eric wordt in de eerste beelden van Starred Up een Britse gevangenis ingeleid. Hij lijkt nog een rustige en stille jongen als hij zich uitkleedt om gecontroleerd te worden door een cipier. Acteur Jack O’Connell is echter al bekend van het nare Eden Lake  waar hij als agressieve puber een koppel terroriseert. Nu komt de dreiging tot uiting als Eric tot brute uitersten gaat om zijn machtspositie binnen de bajes te bewijzen.

Recensie Starred Up

Daar is vervolgens een maatschappelijk werker, gespeeld door Rupert Friend, die gelooft dat hij tot Eric kan doordringen. Probleem is wel dat Erics vader in dezelfde bajes zit waardoor er een machtsstrijd tussen vader en zoon ontstaat. Een nerveuze gevangenisdirecteur probeert ondertussen de orde te handhaven met behulp van gevangenen die niet schuwen om geweld te gebruiken.

Brutaal en agressief
Starred Up is een brutale en agressieve film die wonderbaarlijk genoeg ook ruimte openlaat voor emoties in zijn tweede helft. Als kijker heb je dan wel al wat brute scènes voorbij zien trekken die je niet in de koude kleren gaan zitten. Regisseur David Mackenzie maakte eerder de meer absurde en surrealistische films Hallam Foe en Perfect Sense. Die laatste is een pretentieus en symbolisch relaas over de kracht van zintuigen en heeft een sensuele Eva Greene om dat te benadrukken.

Die wereld is ver te zoeken in Starred Up. Mackenzie hanteert met zijn op-de-huid-van camera een realistische stijl die overtuigt. Het geweld is rauw in beeld gebracht in de traditie van Britse regisseurs zoals Alan Clarke, wiens Scum wat gelijkenissen vertoont met de film. Verder doet de film in zijn focus op het leven binnen de muren ook denken aan Un prophète.

Recensie Starred Up

Beklemmend en intens
Mackenzie kan terugvallen op een solide en charismatische cast. O’Connell weet moeiteloos over te gaan van keiharde bajesklant naar een getroebleerd persoon met familieproblemen. Zijn vader wordt gespeeld door Ben Mendelsohn die sinds Animal Kingdom een indrukwekkende reputatie heeft opgebouwd door zijn dreigende aanwezigheid waarnaar je kunt blijven kijken.

Intens en beklemmend is wat je uiteindelijk krijgt. Geen makkelijke of vermakelijke film, maar een oprecht en compromisloos beeld van het leven achter de tralies en de vieze machtsspelletjes die er plaatsvinden.

 

20 mei 2014

 
ALLE RECENSIES

Blue Ruin

***
recensie Blue Ruin
Oog om oog maakt blind

door Alfred Bos

Alsof Albanië naar Pennsylvania is verplaatst: in Blue Ruin vernietigen eerwraak en bloedvete de dagelijkse orde. Cinematograaf Jeremy Saulnier haalde via Kickstarter het budget op voor een opvallende arthousethriller. 

Wraak is het oudste thema van menselijke verhalen, in elk medium. Van Homerus tot Jeremy Saulnier, de regisseur van deze verrassende low budget (anti)thriller, loopt het oog-om-oog motief als een bloedrood spoor door literatuur, opera en cinema, doorgaans met onbedoelde afloop. De Chinese wijsgeer Confucius wist het al: wie uit is op vergelding, kan beter twee graven spitten.

Recensie Blue Ruin

Dwight, de protagonist van Blue Ruin, is een angstige nerd die zichzelf opdraagt zijn vervreemde familie te beschermen wanneer de moordenaar van zijn ouders uit de gevangenis wordt ontslagen. Zonder enige kennis van zaken begint (of beantwoordt?) hij een bloedvete tegen de Cleland-clan, die jaren daarvoor het pad van zijn ouders heeft gekruist, met fatale gevolgen. Waarom de vete ooit is begonnen wordt pas in de bloederige finale duidelijk. De film legt niets omstandig uit, waardoor de onzekerheid van Dwight langzaam op de kijker overslaat.

Onopgesmukt geweld
Dwight wordt vertolkt door Macon Blair, die ook meespeelde in Saulniers debuut, de horror pastiche Murder Party (2007). De regisseur, van huis uit cinematograaf, schraapte voor zijn tweede, zelf geschreven speelfilm het microbudget van twee ton onder meer via Kickstarter bijeen. Het resultaat is een geslaagde arthousethriller die oogt als een medium budget project. Blue Ruin ontregelt de verwachtingen van de kijker door genreclichés te negeren of op zijn kop te zetten. Dwight ontdekt dat de trucs van jaren tachtig mannetjesputter Rambo filmische fictie zijn.

De verteltrant is minimalistisch. Er is weinig dialoog, waardoor de soundtrack – met unheimische ambient – extra nadruk krijgt en de paranoia groeit. Dwight wordt zonder enige achtergrond geïntroduceerd; het duurt 25 minuten eer we zijn naam leren kennen en beginnen te begrijpen wat er speelt. Dan is het eerste bloederige moment al geweest. Er zullen er meer volgen en ze zijn van een onopgesmukt realisme: grof en in een mum voorbij. “De man met het wapen vertelt de waarheid”, zoals een Cleland-clanlid tegen Dwight zegt. Het had het motto van de film kunnen zijn.

Recensie Blue Ruin

Verwant aan Coen Brothers
Anders dan in Out of the Furnace – waarin een volksjongen het opneemt tegen een criminele aso – is de hoofdpersoon van Blue Ruin  een antiheld, of eigenlijk een non-held, die voor eigen rechter gaat spelen omdat het gezag niet is geïnteresseerd of erger, niet functioneert. Zo is Blue Ruin een parabel over het lot van miljoenen Amerikaanse burgers die door de overheid in de steek zijn gelaten en op eigen kracht moeten zien te overleven in een door mensen geschapen wildernis. “Je bent zwak”, zegt zijn zus tegen Dwight. Hij bewijst het tegendeel en op de soundtrack zingt Little Willie John (de man van Fever) No Regrets.

Blue Ruin moet het niet hebben van spetterende marketing, gelikte computeranimaties of een reeks steracteurs. De enige bekende naam op de titelrol is die van Amy Hargreaves (bekend van tv-series als Homeland en Law & Order); ze vertolkt Dwights zus Sam. De film vertoont overeenkomsten met de absurdistische wereld van de Coen Brothers, waarin klunzige helden verhaal komen halen, al vanaf hun debuut Blood Simple. Blue Ruin doet het evenwel zonder hun verfijnde ironie.

 

19 mei 2014

 

MEER RECENSIES

Brick Mansions

*

recensie  Brick Mansions

Spectaculair hersenloos

door Wouter Spillebeen

Paul Walker is dood en daarom is elke film waarin hij postuum het hoofdpersonage portretteert automatisch aan hem opgedragen. In het geval van Brick Mansions is dat niet noodzakelijk een eer.  

Luc Besson is het brein achter actiefilms als de The Transporter– en Taxi-reeks, net zoals het diepgaande Léon en de culthit The Fifth Element. Naar zijn script regisseerde Pierre Morel in 2004 Banlieue 13, een commentaar op het neerkijken op de achterbuurten van Parijs met een typische Besson-flair: vol actie, explosies en free running. De Hollywood-remake door de Franse debutant Camille Delamarre heet Brick Mansions en ruilt Parijs in voor Detroit en een snel aftakelende buurt met dezelfde naam als deze film, waar criminaliteit welig tiert.

Brick Mansions

Wanneer een gangsterbende een superbom steelt en per ongeluk de timer start, moet undercoveragent Damien Collier (Paul Walker) in Brick Mansions infiltreren om die binnen dertien uur onschadelijk te maken. Aangezien de bendeleider zijn vader heeft omgebracht, doet hij dat maar wat graag. Hij roept de hulp in van de Robin Hood van Brick Mansions, Lino Dupree (parkourlegende David Belle herneemt zijn rol uit Banlieue 13).

Sociale denkoefening
Het sociaal commentaar op de Parijse achterbuurten vertaalt niet slecht naar een dystopische versie van Detroit. Het is interessant te fantaseren over een afgesloten wijk vol criminelen, waar ziekenhuizen, scholen en supermarkten plaats maken voor bendes die elkaar te lijf gaan, drugs dealen en auto’s opfokken. Het zou een kwestie van tijd zijn vooraleer de gangsters uit de verpauperde en half verwoeste appartementsblokken de stadsbewoners als vijanden gaan zien. Binnen de kortste keren zouden politici en brave burgers niets met een wijk als Brick Mansions te maken willen hebben. Die sociale denkoefening is prominent in Banlieue 13, maar Brick Mansions schijnt meer bezorgd om spectaculaire achtervolgingsscènes dan om politiek engagement.

Belles free running en Walkers jiujitsu (waarvoor hij postuum een zwarte band kreeg) geven wat afwisseling voor de monotone vuurwapengevechten. De autoachtervolgingen pogen dat ook te doen, maar slagen daar minder in: die scènes doen verlangen naar de betere films uit de Fast and Furious-reeks. De vele razendsnelle, wazige jump cuts in een al overdadig snelle montage, zorgen ervoor dat de actie veelal niet te volgen is, een cliché dat actiefilmfans al jaren bejammeren. Toch is de razendsnelle actie de (enige) troef van Brick Mansions, aangezien het acteerwerk veelal gruwelijk onnatuurlijk is, vooral wanneer Belle zijn stunt- en vliegwerk inruilt voor gedoodverfde oneliners.

Brick Mansions

Plottwist
De grootste zonde van Brick Mansions is het verhaal. Menig intellectueel zal de wenkbrauwen sterk fronsen bij het zien van de geforceerde, onlogische, onjuiste en gewoonweg hersenloze plottwist. Dialogen zijn zo dun gezaaid dat het verhaal in negentig minuten niet eens de kans krijgt het minste beetje te ontwikkelen. De eigen denkprocessen tijdelijk volledig uitschakelen is een absolute must om uit deze film enig genieten te puren.

3 mei 2014
ALLE RECENSIES

Metro Manila

****

recensie  Metro Manila

Engels talent verrast opnieuw

door Alfred Bos

Kleine grote film over de boer Oscar Ramirez die in de Filippijnse hoofdstad een nieuw bestaan voor zijn gezin probeert op te bouwen. Onschuld en fatsoen tegenover hebzucht en corruptie, met een Shakespeareaans slot.

Zijn vorige film haalde in Nederland het filmdoek niet en ook op zijn nieuwe werkstuk was het even wachten – België en Frankrijk gingen ons de afgelopen zomer voor – maar Metro Manila is alle geduld waard. Het is een onafhankelijk geproduceerde film van een Engelse regisseur, die speelt in de Filipijnse hoofdstad en is gedraaid met lokale, voor de Europese kijker volstrekt onbekende acteurs. Die zijn meer dan overtuigend in een film over de corruptie van een goedwillende ziel.

Recensie Metro Manila

Goede wil is het laatste wat Oscar Ramirez, zijn vrouw Mai en hun twee jonge kinderen in Manilla aantreffen, wanneer ze noodgedwongen hun boerenbestaan opgeven en naar de Filipijnse megapool trekken. Daar dolen ze verloren door een warboel van modernistische hoogbouw en treurige sloppenwijken, bevolkt door menselijke roofdieren die elke zwakte genadeloos uitbuiten. Ramirez vindt emplooi als bewaker van gewapende geldtransporten en er gloort hoop voor het gezin. Zo lijkt het.

Originele geest
Regisseur Sean Ellis is een originele geest en een creatief buitenbeentje. Hij debuteerde in 2004 met het surrealistische en mild-komische Cashback, over een onderpresterende dromer die de tijd kan stilzetten en in die droomtijd zijn werkelijke leven leeft. Ook zijn tweede, de psychologische thriller met horrortrekjes, The Brøken (in Nederland alleen op dvd), was vindingrijk van verhaal en uitvoering. Metro Manila is een stuk rauw-realistischer dan beide voorgaande films, maar valt wederom op door zijn aandacht voor de personages en zijn oorspronkelijke benadering.

In zijn schets van individuen die worden vermalen in een door hebzucht en corruptie vergeven tijgereconomie vertoont Metro Manila overeenkomsten met A Touch of Sin van de Chinese regisseur Jia Zhang-Ke. Als een moderne Dickens geeft Ellis blijk van een empathische blik en ontwaart hij wrange poëzie in treurnis en ellende. Wanneer Oscar en zijn gezin arriveren in de megapool zien we de grootsteedse chaos door hun ogen en klinkt er verstilde ambient op de geluidsband; pas na enige tijd raast het kabaal. Het verbeeldt hoe overdonderend en sprookjesachtig de eerste kennismaking met de grote stad is. Het is teveel om allemaal in één keer te bevatten.

Recensie Metro Manila

Indringend realisme
Metro Manila is grotendeels vanaf de schouder gedraaid en oogt als een sociale reportage, wat de film indringender maakt dan fraai gestileerde cinematografie had kunnen bewerkstelligen. De kijker raakt betrokken bij Oscars werdegang, die tegen de klippen op volhardt in zijn fatsoen. Ook als zijn collega-geldloper, de geharde ex-politieman Ong die in de gepantserde geldwagen bij voorkeur naar Maria Callas luistert, minder onschuldig blijkt dan hij zich voordoet weet Oscar een integere uitweg te verzinnen uit een onmogelijke situatie.

De verrassing wending schuilt in de climax, die zowel spijkerhard als ontroerend is. Net als bij zijn beide voorgaande films is Ellis naast de regie verantwoordelijk voor scenario, productie en cinematografie. Metro Manila is zijn derde rake film op rij, wederom een eigen variant op een bekend genre en gerealiseerd op een afwijkende, originele manier. Het wordt tijd voor een productie voor een grote studio, met een navenant budget, want oorspronkelijke talenten als het zijne zijn schaars.

 

19 april 2014

 
ALLE RECENSIES

Keeper of Lost Causes, The

***

recensie  The Keeper of Lost Causes

Solide start Deense thrillerfilmreeks

door Alfred Bos 

Na een niet aflatende stroom thrillerreeksen, tv-series en spannende-boekverfilmingen uit Scandinavië is er een franchise die een succesvolle reeks uit Denemarken naar de bioscoop brengt. De introductie is gemaakt door de regisseur van Borgen. 

De thrillers uit Scandinavië blijven komen en met de wassende kwantiteit raakt de kwaliteit wel eens uitgespoeld. Op uitstekende tv-series als The Killing en Arne Dahl en het internationale succes van The Girl With The Dragon Tattoo verfilming stroomden tv-scherm en filmdoek  – bijna onvermijdelijk – over van verdunde middelmaat dan wel brakke ellende; herinnert u zich de Noorse serie Varg Veum nog? The Keeper of Lost Causes combineert de marketing-aanpak van boekverfilming en tv-serie: hij introduceert een reeks boekverfilmingen voor de bioscoop. 

Recensie The Keeper of Lost Causes

Cold case-onderzoeker Carl Mørck is een schepping van de Deense auteur Jussi Adler-Olsen. Die publiceerde in 2007 Kvinden i buret (De vrouw in de kooi), de eerste van een reeks thrillers – inmiddels zes delen groot en groeiende – onder de overkoepelende noemer Afdeling Q. Mørck wordt vertolkt door de in eigen land veelgevraagde Nikolaj Lie Kaas, die eerdaags ook te zien is in de met internationale sterren bezaaide verfilming van Tom Rob Smiths succesroman Child 44. Voor de regie tekent Mikkel Nørgaard, bekend van een aantal afleveringen van Borgen. 

Blauw-grijs gefilterd
The Keeper of Lost Causes biedt liefhebbers van de Scandinavische thriller precies wat ze blieven: een contactgestoorde hoofdpersoon die ijzerenheinig meerderen en collegae schoffeert, politiek-correcte kwezels die protocols hoger achten dan resultaten en buitenscènes die een blauw-grijs gefilterde blik bieden op contreien waar de winter nooit helemaal lijkt te verdwijnen. Gelachen wordt er niet, gemopperd ook nauwelijks. Men is vooral druk met het ophouden van de schijn. 

In deze door de werkmaatschappij van Lars von Trier, Zentropa, geproduceerde introductie op de reeks maken we kennis met inspecteur Mørck en leren over het ontstaan van Afdeling Q. Zoals de licht-autistische Sherlock Holmes met zijn omgeving communiceert via de trouwe en ietwat sullige Watson, zo wordt Mørcks gebrek aan sociale vaardigheden gecompenseerd door zijn assistent Assad, een geassimileerde vluchteling uit Syrië, gespeeld door de in Libanon geboren acteur Fares Fares. Ook dat is de Scandinavische thriller: ziet u Grijpstra al rechercheren met een Ahmed aan zijn zijde? 

Psychologie boven actie
In The Keeper of Lost Causes (een generieke titel, die de serie inluidt en niets zegt over de plot) staat het wraakmotief centraal. Mørck gelooft niet dat een verdwenen politica zelfmoord heeft gepleegd en hij krijgt gelijk. Uiteraard is zijn huwelijk kapot en wordt hij tegengewerkt door zijn baas, maar de film overstijgt de clichés door de aandacht voor het motief van de dader. Dat is aanzienlijk beter – en origineler – onderbouwd dan in de doorsnee-thriller uit Amerika, waar actie het doorgaans wint van psychologie. Bovendien bevat de film een aantal sadistische horrorscènes die niet op het effect spelen, maar de claustrofobische sfeer accentueren. 

Recensie The Keeper of Lost Causes

De introductie van deze franchise is bij regisseur Mikkel Nørgaard in veilige handen. Hij verfilmde eerder een aantal thrillers van Arne Dahl voor de naar deze Zweedse auteur (opmerkelijk genoeg niet naar de hoofdpersoon) vernoemde tv-serie en gebruikt voor The Keeper of Lost Causes een bijna strip-achtige aanpak van korte scènes, afwijkende cameravoering, snelle montage en karige dialoog: inderdaad, een tv-film voor het witte doek. De opvolger van deze solide genrefilm, De Fazantenmoordenaars (Engelse titel: The Absent One), is al klaar.

 

7 april 2014

 

ALLE RECENSIES