Florence Foster Jenkins

***

recensie Florence Foster Jenkins

Zo vals zingen is ook een kunst

door Cor Oliemeulen

“Ze mogen zeggen dat ik niet kon zingen, maar niemand kan zeggen dat ik níet zong.“ Florence Foster Jenkins, een rijke societydame in het New York van de jaren 40, leefde voor de operamuziek en groeide uit tot een fenomeen.

Zij werd zowaar een cultfiguur (Foster Jenkins’ opname ‘The Glory of the Human Voice’ was een van de 25 favoriete vinylplaten van David Bowie) en het komische biografische drama van Stephen Frears zal vast leiden tot een run op YouTube-filmpjes van deze ‘slechtste operazangeres aller tijden’.

Florence Foster Jenkins

Engel
Florence Foster Jenkins werd in 1868 geboren in een stadje in Pennsylvania. Haar schatrijke vader stond niet toe dat zij in het buitenland muziek ging studeren, en als reactie hierop trouwde ze op haar zeventiende met een arts in Philadelphia. Ze ging werken als lerares en pianiste. Aan het huwelijk kwam prompt een eind nadat de arts haar had besmet met syfilis. In 1900 vertrok ze naar New York, alwaar ze zich vol overgave in de muziekwereld stortte. Met de erfenis van haar vader richtte ze de Verdi Club op als eerbetoon aan de Grand Opera en begon ze met het financieel ondersteunen van tal van culturele activiteiten. De film begint als Florence (wie anders dan Meryl Streep) er na 25 jaar voor het laatst optreedt als Angel of Inspiration. Ze zingt en figureert in eigenzinnige tableaux vivants, vaak in buitenissige, zelfontworpen jurken.

Haar dubieuze muzikale talent is dan allang in kleine kring bekend, daarbuiten heeft haar naam bijna mythische proporties aangenomen. Dat is vooral te danken aan haar huidige partner, de mislukte Shakespeareaanse acteur met aristocratische roots, St. Clair Fayfield (Hugh Grant), die er persoonlijk op toe ziet dat alleen maar vrienden en andere welwillende, door Florence gesponsorde, gasten de besloten recitals bezoeken. Hoezeer ze ook dagelijks luistert en oefent, ook op haar zestigste heeft Florence nog de grootste moeite met ritme, toonhoogte en zuiverheid. In haar eigen hoofd klinkt haar gezang prachtig, maar ze heeft niet in de gaten dat velen haar achter haar rug dubbel liggen van het lachen. Eén van de meest kostelijke scènes in de film is het moment dat pianist Cosme McMoon (Simon Helberg), die geen idee heeft van Florence’s (gebrek aan) kwaliteiten, voor het eerst met haar gaat oefenen.

Florence Foster Jenkins

Ambitie
Net als de pianist, krijgen muziekrecensenten door St. Clair geld toegestopt, anderen schrijven zo dubbelzinnig over Florence’s zangkwaliteiten dat de verwachtingen voor haar eerste openbare optreden, nota bene in Canergie Hall (voor de film nagebouwd in het bijna even beroemde London’s Hammersmith Apollo!), zo hoog gespannen zijn dat het concert binnen twee uur is uitverkocht. Hoewel de zeer toegewijde St. Clair (omdat Florence een besmettelijke ziekte heeft wipt hij wel buiten de deur) het debacle wil voorkomen, stemt hij toch in en is wat geruster als de duizend, veelal beschonken, oorlogsveteranen getuige zijn van de ambities van wannabe-operazangeres, die de lat hoog legt met haar geliefde aria’s van Mozart, Verdi en Strauss.

Florence Foster Jenkins is een tot de verbeelding sprekend verhaal over een legendarische valse sopraan dat al een paar keer op de planken is gebracht en vorig jaar in de bioscoop verscheen onder de titel Marguerite, dat zich afspeelt in het Parijs van de jaren 20, maar veel losser op het leven van Foster Jenkins is gebaseerd. Hoe realistisch en overtuigend Meryl Streep ook acteert én zingt, de film van Stephen Frears is zeker het bekijken waard, maar kan niet tippen aan de tragikomedie van Xavier Giannoli met een subliem acterende Catherine Frot in de titelrol. Florence Foster Jenkins heeft weliswaar een even mooie aankleding als Marguerite, maar beduidend minder diepgang en chemie tussen de vertolkers. Daarentegen vormen Streeps live geregistreerde opnames een dik pluspunt.
 

17 september 2016

 
MEER RECENSIES

Race

**

recensie Race

Marathon zonder kleur

door Cor Oliemeulen

Jesse Owens is een van de meest aansprekende atleten uit de geschiedenis. Met zijn vier gouden medailles op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn zette hij Adolf Hitler met zijn idee over het superieure Arische ras finaal te kakken. Hoog tijd voor een biografisch drama.

Race neemt ruim de tijd om zowel het unieke sporttalent in het zonnetje te zetten als het gekonkel over een eventuele Amerikaanse boycot uit solidariteit met de door de nazi’s onderdrukte joden op te tekenen. Maar zelfs 134 minuten blijken te weinig om enige nuance in deze zwart-wit registratie aan te brengen, waarmee de hapklare brok zich veilig op het grote publiek richt. Met soms wat digitale beeldeffecten zodat we ons terug in de tijd wanen, midden in de sportarena.

Race

Het grote manco van Race is karakterontwikkeling. Een filmdrama dat men biografie durft te noemen, zou op zijn minst een paar keer diep op de persoonlijke beleving en omstandigheden van de hoofdrolspeler moeten ingaan. Het feit dat de stevige roker Jesse Owens in de film nooit met een sigaret is te zien en dat het sporticoon op zijn zesenzestigste zou overlijden aan een agressieve vorm van longkanker, hoeft weliswaar weinig betoog, want dat is minder van belang dan de verhouding met zijn vader, zijn vrouw, de blanke atleet en zijn trainer (Jason Sudeikis in een serieuze rol). Voor elke relatie heeft het scenario een paar gemeenplaatsen en volzinnen paraat en de kijker hoeft zich geen moeite te getroosten deze verhoudingen verder in te kleuren.

Sprint
Ook wanneer de stugge Avery Brundage (Jeremy Irons) namens het Amerikaanse Olympische Comité wordt afgevaardigd om met nazipropagandaminister Joseph Goebbels te onderhandelen over deelname is het beeld stereotiep. Terwijl de Amerikaan naar de plaats van afspraak wordt gereden, ziet hij in één minuut het actuele Jodenleed aan zijn oog voorbijtrekken: leuzen, marcherende soldaten en natuurlijk wordt er precies op dat moment een joodse familie vanuit het huis in een legertruck gemanoeuvreerd en afgevoerd.

Carice van Houten had ook een beter lot verdiend. Zij kwijt zich prima van haar taak om de eigenzinnige en feministische kant van documentairemaakster Leni Riefenstahl uit te beelden, maar wordt regelmatig dwars gezeten door de haastige spoed van regisseur Stephen Hopkins die deze neiging mogelijk heeft overgehouden aan zijn jarenlange productie van tv-series (24, House of Lies, 24: Legacy). Riefenstahl heeft de opdracht een propagandafilm over de Olympische Spelen van 1936 te maken en conflicteert enkele malen met Goebbels. De regisseuse wil 45 camera’s in het Olympisch stadion en geen enkele restrictie. Goebbels: “Het zijn míjn Spelen!” Riefenstahl: “Het is míjn film! Zonder mijn film zullen uw Spelen volgend jaar vergeten zijn.” (Ze zou gelijk krijgen: haar tweedelige documentaire Olympia uit 1938 geldt ook nog in 2016 als artistiek sterk en historisch waardevol.)

Race

Kapstok
Verder dan terechte bewondering voor de atleet Jesse Owens komt Race nauwelijks. Zijn optreden op een atletiekwedstrijd op 25 mei 1935 in Michigan leverde een ongeëvenaarde sportprestatie op: drie wereldrecords in drie kwartier tijd (200 yards, 200 yards hordelopen en verspringen). Maar zijn prestaties op de baan overvleugelen spijtig genoeg zijn karakterontwikkeling. Dus kan het zomaar gebeuren dat het belangrijkste personage, zeker niet onsympathiek vertolkt door de Canadese acteur Stephan James in zijn eerste hoofdrol, in feite wordt gemarginaliseerd als bijrol – een kapstok om de politieke en maatschappelijke discussie over wel of geen boycot van de Olympische Spelen aan op te hangen. Gelukkig verschijnt er op de valreep nog wel een dik uitroepteken achter de Amerikaanse hypocrisie: wel begaan met de overzeese Jood, maar ondertussen ongegeneerd doorgaan met stelselmatige discriminatie van de eigen zwarte burger – zelfs van Olympisch kampioen Jesse Owens.

Het verschrikkelijk afgezaagde liedje onder de aftiteling onderstreept de oppervlakkigheid van Race, dat met de erg voor de hand liggende titel (‘race’ betekent zowel ‘wedstrijd’ als ‘ras’) sowieso niet in aanmerking komt voor de originaliteitsprijs. Met het jankerige deuntje en strofes als ‘Let the games begin, let the best one win’ zou zelfs een finaleplaats op het Songfestival nog hoog gegrepen zijn. Op de redactie van Indebioscoop zouden we Race bestempelen als ‘pizza-film’: een cinematografisch tussendoortje zonder kraak of smaak. Hap, slik, weg.

 

16 juni 2016

 
MEER RECENSIES

Trumbo

****

recensie  Trumbo

Rode Gevaar op Zwarte Lijst

door Ashar Medina

Bryan Cranston (Mr. Breaking Bad) trekt alles uit de kast in een enerverende biopic over een van Hollywoods meest legendarische scenarioschrijvers. Die toevallig ook nog eens een communist was.

Het gevaar van de biopic is dat makers nogal eens verzanden in ongegeneerde verering van hun onderwerp. Over de doden niets dan goeds, luidt het devies. Maar in werkelijkheid waren zelfs de doden natuurlijk niet perfect. Trumbo pakt dit anders aan. We krijgen naast zijn bewonderenswaardige eigenschappen ook zijn zwaktes te zien. Dalton Trumbo was een ‘Mensch’ – en echte mensen laten ook soms een steekje vallen. De man was koppig, trots en (te) scherp van tong. Tel daarbij ook nog eens een zwakte voor alcohol en pijnstillers op en je hebt een uiterst explosieve mix. Dit leverde niet alleen problemen op in zijn persoonlijke leven, het verwoestte bijkans ook zijn carrière.

Trumbo

Top van de filmwereld
Wanneer we de schrijver ontmoeten, staat Trumbo aan de top van de filmwereld; de grootste producenten willen met hem werken, de beste acteurs willen zijn monologen uitdragen. Maar zijn idealisme staat hem in de weg. Trumbo is een uitgesproken communist, en wil vechten voor zijn recht om dat te mogen zijn. Hierdoor wordt hij al snel het doelwit van een heksenjacht geleid door de legendarische westernacteur John Wayne, die Hollywood probeert te zuiveren van communistische invloeden.

Trumbo wordt onderdeel van The Hollywood Ten: tien prominente filmmakers (vooral schrijvers) die niet meewerken aan een onderzoek van het congres. Hij belandt hierdoor zelfs in de gevangenis. Trumbo’s standvastigheid is bewonderenswaardig, maar eist wel zijn tol. Zijn familie komt financieel in de problemen en wordt met de nek aangekeken door de buren die net als de rest van Amerika is gehersenspoeld en gelooft dat de communistische schrijvers middels hun werk propaganda maken voor Russische idealen.

De Anonieme Auteur
Het is een goed gedocumenteerd onderdeel van de Amerikaanse geschiedenis; tijdens de Koude Oorlog werd in alle lagen van de samenleving gejaagd op communisten. Het was dan ook een wonder dat er een groep succesvolle filmmakers met gevaar voor eigen leven voor hun idealen bleef vechten. Ze kwamen hierdoor allemaal op de zogenaamde Black List  en kwamen niet meer aan de bak. Velen gingen bankroet en raakten aan lager wal. Maar Trumbo liet het hier niet bij zitten. Via achterkamertjes wist hij producenten te overtuigen hem toch in te huren, onder de voorwaarde dat zijn naam niet vermeld mocht worden. Zonder dat de autoriteiten het wisten schreef hij zo tientallen films, waarvan Roman Holiday zelfs een Oscar won.

Dit gegeven is fascinerend en zorgt voor een aantal spannende sequenties waarin Trumbo een geheim netwerk van schrijvers creëert die samen anoniem verantwoordelijk waren voor een aantal van de bekendste films uit de jaren 50 en 60. Het keerpunt kwam toen Kirk Douglas openlijk bekend maakte dat Trumbo verantwoordelijk was voor het script van de latere klassieker Spartacus. Vanaf dat moment is de zwarte lijst onhoudbaar en begint ook het publiek te twijfelen aan de praktijken van politici als Joseph McCarthy, die honderden levens verwoestte om punten te scoren als senator.

Trumbo

Enkel verliezers
Ondanks al zijn heldendaden kon Trumbo ook een klootzak zijn. Dit komt het beste tot uiting in zijn relatie met zijn dochter Nikola, die even koppig is als haar vader. Hij eist dat de hele familie meedoet met zijn strijd, maar zij trekt haar eigen plan. Nikola voegt zich bij haar vrienden die strijden voor gelijke rechten voor de zwarte bevolking (de Civil Rights Movement) en dat wordt haar in eerste instantie niet in dank afgenomen door haar vader.

Hier ligt het hart van de film en de centrale vraag die het verhaal voortstuwt: is Trumbo’s politieke strijd meer waard dan zijn gezin? Het is het dilemma van de vrijheidsstrijder: liefde versus idealen. Familie versus carrière. Het zorgt ervoor dat de film geen pamflet wordt, en boven de gemiddelde biopic uitstijgt. Het maakt van Trumbo een mens. In een van zijn latere speeches geeft Trumbo zelf ook toe dat niemand ongeschonden uit de strijd is gekomen: “It was a time of evil, and no one on either side who survived it came through untouched by evil”.

6 april 2016

MEER RECENSIES

 

Experimenter

**

recensie  Experimenter

Minder geslaagd film-experiment

door Ralph Evers

Deze biopic over de geruchtmakende sociaal psycholoog Stanley Milgram weet een goed overzicht van zijn experimenten en leven te tonen, maar faalt in het betrekken van de kijker.

Stanley Milgram is bekend zijn onderzoek naar gehoorzaamheid. Kort gezegd heeft hij aangetoond dat wanneer iemand aangemoedigd wordt door een autoriteitsfiguur (een professor in zijn onderzoek) om moreel twijfelachtige handelingen uit te voeren (zoals het in oplopende mate uitdelen van elektrische schokken aan relatief onbekende mensen), men dit over het algemeen geneigd is te doen.

Persoonlijke ervaring
Tijdens een college over Milgram vroeg de docent aan een zaal met 450 eerstejaars psychologiestudenten, wie het onderzoek zinvol vond, los van de morele invulling. Eén vinger ging omhoog. De microfoon werd onder mijn de mond geschoven om te vragen waarom ik het een goed onderzoek vond. Mijn antwoord was iets met dat de illusie naar onze goedheid doorgeprikt werd. De anderen zijn slecht, maar wij zijn verheven. Helaas.

Het was het jaar 2000, ik was net begonnen met een studie psychologie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Na mijn toelichting gingen er nog een paar vingers omhoog, er waren meer mensen die het spraakmakende en controversiële onderzoek van Milgram toch wel belangrijk vonden.

Experimenter

Milgram is in zijn leven vaak door collega’s en critici aangevallen. Achteraf bleek keer op keer de ontsluiering van onze verheven moraal boven die van de slechteriken het heikele punt te zijn. Daar kan Milgram zelf niet zoveel aan doen. Toch is er een kritiek die wel hout snijdt, en die ook in Experimenter niet aan de orde komt. In zowel de film als in veel tekstboekbeschrijvingen wordt genoemd dat het overgrote merendeel tot het uiterste ging, terwijl in werkelijkheid het percentage dat tot het uiterste ging 62,5% was. In de film zien we echter slechts één man weigeren. Toevallig een Nederlander. Anderen sputteren wel tegen, maar gaan toch door tot het uiterste van 450 volt, overeenkomstig de onderzoeksresultaten.

Sterk begin
De film start sterk en belooft een interessante mix te worden van historische feiten, de persoon Milgram en een daaromheen geschreven verhaal. Echter, na het sterke begin, waarin we op een meeslepende manier meegenomen worden in het onderzoek en de “dierentuin” van de laboratoriumbewoners, kiest de film er voor om vooral op de persoon Milgram in te gaan en hem te plaatsen in de tijdsgeest. Die tijdsgeest is op zich leuk gedaan door met een blue screen  te werken in de jaren zestig en met een lelijke, doch prominente baard in de jaren zeventig (de jaren tachtig heeft men, gezien de wansmaak, maar niet meer gemodelleerd).

Ook krijgen we een inkijkje in de vele interessante experimenten die Milgram gedaan heeft, waarbij opvalt dat zijn eerste onderzoek. Daarbij kijkt hij steevast in de camera om de kijker, à la Kevin Spacey in House of Cards, op de hoogte te brengen van de context.

Hiermee stapt de film als het ware uit zichzelf, en begint de kijker de band met de overige personages op het scherm te verliezen. De film verwordt zo tot een chronologische opsomming van de experimenten, zonder dat er nog een spanningsboog aanwezig is. Om maar te zeggen: het geheel begint wat saai en afstandelijk te worden. En dat is jammer, want gezien de stof die Milgram heeft doen opwaaien, was daar echt wel een vurige film uit te maken. Daarbij is Peter Sarsgaard goed gecast; met z’n laconieke glimlach is het nooit volstrekt duidelijk wat er in hem omgaat.

Experimenter

Opmerkelijke geschiedenis
De geschiedenis van de psychologie is op z’n minst opmerkelijk. Een jonge wetenschap die door middel van experimenteren de menselijke geest, maar in de praktijk vooral het menselijk gedrag blootlegt. Dat begon al bij de voorvader van de psychologie, Wilhelm Wundt (die door middel van experimenten ons bewustzijn trachtte te verklaren en ging via Reich en Perls richting de lichaamsgerichte stromingen).

De ironie is dat de frontale lobotomie een Nobelprijs opleverde, de enige voor de psychologie ooit, terwijl dat nu net niet is wat je wil. De ingreep komt erop neer dat er een paar sneetjes in de hersenen worden gemaakt, waardoor ernstig gestoorde, of verstorende individuen tot kasplantjes verworden. Het is de ironie van een geestelijke wetenschap dat zij eigenlijk al haar pijlen gericht heeft op het technocratisch, biologisch, “hard” wetenschappelijk model en haar spirituele, morele model nauwelijks aandacht heeft gegeven.

Binnen de lijn van de experimentele aard van psychologisch onderzoek, valt de proefneming van Stanley Milgram in het bijzonder op. Vorig jaar kwam dat andere spraakmakende experiment opnieuw onder de aandacht, The Stanford Prison Experiment (een groep studenten wordt verdeeld in gevangenen en bewakers). Een film die in vergelijking met Experimenter in het experiment zelf duikt en daarmee een boeiendere zit oplevert, doch niet aan het experiment zelf voorbij gaand.

28 maart 2016

 

 
ALLE RECENSIES
 

Eddie the Eagle

***

recensie  Eddie the Eagle

Meedoen is belangrijker dan winnen

door Wim Meijer

Eddie the Eagle toont de underdog Michael Edwards op lange latten die alle verwachtingen overtreft en zijn Olympische schansspringdroom waarmaakt. Het is een sympathieke film met dito hoofdpersoon die gekkere sprongen maakt dan de film zelf.

Michael Edwards (Taron Egerton), zoals Eddie the Eagle eigenlijk heet, is een kleine, doortastende jongen die je alles gunt. Zijn droom om een Olympiër te worden begint al in de openingsscène, waarin hij verscheidene zomersporten uitprobeert. Er sneuvelen vele brillenglazen tijdens pogingen te kogelstoten of hordelopen, maar de maat voor Eddie’s vader is pas echt vol wanneer er een speer rakelings langs hem door het raam vliegt. Eddie moet maar stukadoor worden, net als hijzelf.

Recensie Eddie the Eagle

Eddie raakt meerdere malen in de film overtuigd van zijn onvermogen – niet geheel onterecht overigens – maar klautert telkens weer overeind. Eddie blijkt zelfs zowaar voor skiën enigszins talent te hebben. Het is echter niet genoeg, want hij plaatst zich niet bij het Britse Olympische team op de slalom. Maar Eddie geeft niet op, hij krijgt z’n moeders spaargeld en jat z’n vaders busje om te gaan schansspringen.

Even onnozel als komisch
Eddie gaat trainen in Duitsland en springt oud-schansspringer Bronson Peary tegen het lijf. Peary is een cynische zuiplap, een rol die Hugh Jackman ondertussen kan dromen na alle X-Men films. Peary moet niets weten van Eddie, maar ontwikkelt een zwak voor zijn doorzettingsvermogen en al snel vormen de twee een onafscheidelijk duo met maffe trainingsmethoden, zoals trainen op aerodynamica door op het dak van een rondrijdend busje te staan. Het levert wel leuke scènes op waarin de twee protagonisten naar elkaar toe groeien.

Fijn aan de film is het karakter van Eddie zelf. Eerst zou hij gespeeld worden door Steve Coogan – je moet er niet aan denken – maar gelukkig is later de relatief onbekende Taron Egerton gecast. Hij vertolkte Eggsy in het fantastische Kingsman: The Secret Service en lijkt sprekend op de echte Michael Edwards. Eddie’s blik achter zijn enorme bril is goud waard, zijn opmerkingen even onnozel als komisch, zijn volharding tekenend voor een Olympiër. Het is een vermakelijke set kwaliteiten die Eddie als karakter een stuk interessanter maken dan zijn coach.

Contrast
Je ziet het al helemaal gebeuren natuurlijk, een Brit die zonder enige ervaring van schansen springt in een trainingsgebied in Duitsland. Het contrast is haast zo groot als in Cool Runnings waar we allemaal juichten voor Jamaicanen in een bobslee. Regisseur Dexter Fletcher liet zich inspireren door die culthit uit 1993 en dat is te merken. Eddie the Eagle heeft dezelfde Disney feelgood vibe, met veel vrolijke muziek, excentrieke personages, een enorme underdog en een happy ending waar de gemiddelde massagesalon in Amsterdam nog een puntje aan kan zuigen. De film refereert nog kort aan zijn spirituele voorganger in een radiobericht tijdens de Olympische Winterspelen van Calgary in 1988.

Eddie the Eagle

Dexter Fletcher maakte eerder Wild Bill, een film over de terugkeer van een crimineel naar zijn twee verlaten zoontjes na jaren gevangenschap. Een prima debuut, vermakelijk met een rauw randje. Eddie the Eagle blijft echter keurig binnen de lijntjes en weet nergens te verrassen. De chemie tussen Jackman en Egerton maakt een hoop goed, maar de film is bijzonder voorspelbaar. De scènes gemaakt door een ‘helm-cam’ waarin Eddie als een gek van een schans naar beneden raast, spreken wel tot de verbeelding, met prachtige shots in mid-air.

Eddie the Eagle, in tegenstelling tot de hoofdpersoon bepaald geen hoogvlieger, speelt erg in op het underdoggevoel en haalt het onderste uit de kan. Van enige diepgang is nauwelijks sprake, zowel qua script als karakterontwikkeling. Ondermaats is de film echter allerminst en valt hij te vergelijken met de titulaire hoofdpersoon: ’t is niet goed, maar wel behoorlijk vermakelijk.

 

25 maart 2016

 

 

ALLE RECENSIES

 

Janis: Little Girl Blue

****

recensie  Janis: Little Girl Blue

Vrije geest op zoek naar liefde

door Alfred Bos

Na meer experimentele filmportretten over Kurt Cobain en Amy Winehouse weet de documentaire Janis: Little Girl Blue, over jaren zestig-zangeres Janis Joplin, met traditionele middelen te overtuigen. Het slaat Howard Alks Janis uit 1974 op psychologie en context.

Janis Joplin rebelleerde haar leven lang tegen het milieu van haar jeugd, maar ze schreef ook trouw brieven aan haar ouders. Daar maakt documentairemaker Amy Berg dankbaar gebruik van in Janis: Little Girl Blue, haar portret van de Texaanse rhythm & blueszangeres, gemaakt voor de reeks American Masters van de publieke omroep in Amerika. De citaten uit brieven aan familie en vrienden, in voice-overs van zangeres Cat Powers, geeft de biografie een persoonlijke, zelfs intieme stem.

Het maakt het verhaal van Janis Joplin nog schrijnender dan het al is. In 1943 geboren als oudste kind van een oerconservatief gezin (vader ingenieur, moeder huisvrouw) was Joplin van jongs af aan onzeker over haar fysieke verschijning. Daarnaast voelde ze zich onbegrepen, niet alleen door haar ouders. Haar vrije geest vond geen weerklank in de conformistische wereld van haar geboorteplaats, de oliehaven Port Arthur, een provinciestadje in Texas, kleiner dan Hilversum. Ze werd een dwarskop met een negatief zelfbeeld, bijna wanhopig op zoek naar acceptatie en liefde.

Janis: Little Girl Blue

Psychedelische revolutie
Die vond ze, na enkele valse starts in Austin en North Beach, Californië, in het embryonale hippiemilieu van San Francisco, waar in 1965 de tegencultuur van beatniks en folkies op het punt stond te ontbotten tot wat een culturele schokgolf bleek te zijn, de psychedelische revolutie. Joplin voelde zich als in vis in het water in die omgeving van artistieke bohemiens, gelijkgestemde zielen die haar persoonlijkheid en talent met open armen ontvingen. Het podium was haar thuis, het applaus zalf voor een afgewezen ziel. Maar ze bleef een gekwetst kind, buiten het toneel had ze constant bevestiging nodig.

Het was te danken aan haar wilskracht dat Big Brother and the Holding Company niet één, maar tweemaal optrad tijdens het Monterey Festival van juni 1967. De band weigerde filmmaker D.A. Pennebaker aanvankelijk toestemming om hun concert vast te leggen. Joplin begreep de monumentale domheid van die beslissing en drukte een herkansing door. Het werd haar doorbraak. Berg toont Pennebakers beelden van haar spraakmakende vertolking van Big Mama Thorntons ‘Ball and Chain’ en de verblufte reactie op het gezicht van Mama Cass. Clive Davis, directeur van platenmaatschappij Columbia (CBS), stond erbij en contracteerde haar ter plekke.

Psychologisch portret
Bergs film heeft ook aandacht voor de muzikale ontwikkeling van Joplin. Eerste inspiratiebron Odetta, grote voorbeeld Otis Redding, het amateurisme van de Holding Company (onthullende beelden uit de opnamestudio), de door manager Albert Grossman (tevens zakelijk begeleider van Bob Dylan) ingegeven beslissing om als soloartiest verder te gaan, Joplins onvermogen om een band te leiden en de artistieke (en commerciële) triomf van het posthuum verschenen solo-album Pearl—het komt allemaal in ruim honderd minuten langs, maar het psychologische portret blijft centraal staan.

Zelfs toen ze, 24 jaar oud inmiddels, een held was in de scene van San Francisco meenden haar ouders haar te kunnen en moeten corrigeren. Dat onbegrip voor de opvattingen van de jonge generatie was typerend voor de jaren zestig, maar in Joplins geval is het extra wrang. Drank en heroïne moesten het gebrek aan liefde compenseren.

Janis: Little Girl Blue

Tragisch ongeluk
Ze kickte af, vond op het strand van Rio de Janeiro een (Amerikaanse) vriend, werkte met vermaard producer Paul Rothchild (The Doors en vele anderen) aan haar eerste solo-album en overleed op 4 oktober 1970 op een hotelkamer in Los Angeles aan een overdosis, of eigenlijk, aan eenzaamheid. Het was een tragisch ongeluk, zoals de film subtiel duidelijk maakt. Wat de film niet vertelt is dat er diezelfde week in LA nog een handvol heroïnedoden vielen, allemaal afnemers van dezelfde dealer.

Berg heeft zo ongeveer alle belangrijke en nog levende personen uit het korte leven van Joplin sprekend voor de camera gekregen. De belangrijkste bijdrage komt van Joplins jongere zus Laura, die de beste Joplin-biografie – Love, Janis uit 2005 – heeft geschreven; er zijn er inmiddels vier. Een andere biograaf, John Byrne Cooke, komt ook aan het woord. Puttend uit het omvangrijke archief van beeldmateriaal over Joplin en voorzien van commentaar door een stoet van muzikanten, voormalige minnaars (zowel vrouw als man, waaronder Dick Cavett) en vrienden uit alle fasen van haar leven weet Janis: Little Girl Blue te raken. Het moet een leuk mens zijn geweest. Ze had beter verdiend.

 

18 januari 2016

 

ALLE RECENSIES

Steve Jobs

****

recensie  Steve Jobs

Het genie als gesloten systeem

door Alfred Bos

Steve Wozniak ontwierp de Apple-computer en Steve Jobs verkocht hem. Veertig jaar later is Apple ‘s werelds sterkste merknaam, Steve Jobs een bewierookt icoon en Steve Wozniak een anonieme veteraan. Danny Boyles karakterstudie toont hoe dat heeft kunnen gebeuren.

Steve Jobs, Danny Boyles fictieve filmportret van de man die Apple deed uitgroeien tot de bekendste merknaam ter wereld, opent met een clipje uit de jaren zestig. Sciencefictionauteur en wetenschapsjournalist Arthur C. Clarke vertelt, staande bij een brok metaal met knopjes en lichtjes, dat in de nabije toekomst de computer ‘net zo gewoon als de telefoon’ zal zijn. Zelfs de man die de communicatiesatelliet bedacht kon niet voorzien dat Jobs het beter zou weten. Die draaide het om en maakte van de telefoon een computer.

Steve Jobs

Vier jaar na zijn overlijden is Steve Jobs nog steeds spraakmakend. Tijdens IDFA draaide de (niet altijd even flatteuze) documentaire Steve Jobs: The Man in the Machine. Ook Boyles rolprent toont een man wiens intelligentie en ambitie omgekeerd evenredig zijn aan zijn inlevingsvermogen. De Jobs van Doyle, een glansrol van Michael Fassbender, is een ijskoude control freak die met Bob Dylan dweept. Die controlezucht toont zich ook in de computers die hij bedacht: Apple is een gesloten systeem dat opereert in een eigen domein. Boyle schetst Jobs als gesloten systeem.

Verfilmd toneelstuk
De film is theatraal zonder theatraal te zijn en dat is de verdienste van de regisseur. Boyle toomt zijn hyperactieve filmstijl in en concentreert zich op de personages; desondanks voelt dit portret nimmer als een verfilmd toneelstuk hoewel het dat in feite is. Net als in Birdman speelt de handeling zich voornamelijk af in het theater, op en achter het toneel waar Jobs zich voorbereidt op een belangrijke presentatie. Scriptschrijver Aaron Sorkin (de man achter de tv-series The West Wing en The Newsroom, ook verantwoordelijk voor het draaiboek van The Social Network over Mark ‘Facebook’ Zuckerberg) condenseert zijn karakterschets in drie kantelmomenten uit Jobs loopbaan.

In 1984 presenteert Jobs de Macintosh, een revolutionaire machine die evenwel flopt en zijn einde bij Apple inluidt. In 1988 komt hij met de NeXT-computer terwijl het apparaat nog lang niet klaar is voor productie; het is een tactische meesterzet. In 1998, inmiddels weer terug bij Apple, onthult hij de iMac, de computer als lifestyleproduct. Doyle snijdt door die strakke toneelmatige, in ware tijd spelende structuur flashbacks van sleutelmomenten die in de filmhandeling ter sprake komen. Het is een masterclass in filmisch vertellen.

Messcherpe dialogen
Naast de Oscar-waardige titelrol van Fassbender, Sorkins briljante script en Doyles rake registratie is er een reeks sterke bijrollen. Jobs’ voormalige kompaan Steve Wozniak (eindelijk een fatsoenlijke rol van Seth Rogen) vraagt tevergeefs om krediet voor zijn team. Marketingspecialist en surrogaatvader Steve Sculley (Jeff Daniels), weggekocht bij Pepsi, botst met Jobs over strategie. Software-tovenaar Andy Hertzfeld (Michael Stuhlbarg), bedenker van de grafische interface, dient als running gag. Jobs’ex Chrisann Brennan (Katherine Waterston) en dochter Lisa worden backstage  door Jobs weggezet als hinderlijke meubelstukken.

Steve Jobs

‘Hun enige probleem is dat het mensen zijn’, laat Jobs zich in een probleemsituatie ontvallen. Hij denkt als een machine, binair: aan of uit, en niets daartussen. Het menselijke tegenwicht komt van zijn rechterhand, marketingdirecteur Joanna Hoffman (Kate Winslet), die op de werkvloer als een surrogaat-eega én zijn geweten functioneert. De andere vrouw in Jobs’ leven is dochter Lisa, die de ijsberg uiteindelijk een pietsie weet te ontdooien.

Met zijn messcherpe dialogen en treffende karakterschetsen ontvouwt Steve Jobs zich als een Shakespeareaans drama, in ieder opzicht superieur aan de biopic Jobs  (Joshua Michael Stern, 2013). In de geest van Steve Jobs is het een compromisloos portret van een man wiens tijd inmiddels is geweest, want hoe kan het gesloten ecosysteem van Apple overleven in een wereld die dagelijks meer en meer met elkaar verbonden wordt?

 

30 november 2015

 
ALLE RECENSIES

Black Mass

*****
recensie Black Mass
Meesterlijke biopic over criminele psychopaat

door Alfred Bos

De werkelijkheid is gekker dan je hem kunt verzinnen, blijkt uit het waar gebeurde en krankzinnige verhaal over een crimineel die door de FBI werd gebruikt als informant. Of gebruikte de crimineel de FBI?

De Amerikaanse cinema heeft een lange traditie van misdaadfilms waarin outlaws worden geportretteerd als vrije jongens die het toch maar flikken, helden dus. Van Scarface tot Public Enemies, de gesjochte vrijbuiter die zich buiten de maatschappelijke orde plaatst is een dubieus voorbeeld, ook al legt de boef het uiteindelijk af tegen de machtige arm van de wet. Met die dubbelhartige houding maakt regisseur Scott Cooper in zijn derde film Black Mass korte metten. Zijn portret van James ‘Whitey’ Bulger, een beroepscrimineel die tussen 1975 en 1995 de onderwereld van Boston domineerde, tekent een monster.

Black Mass

Bulger kon uitgroeien tot de machtigste crimineel van Boston dankzij een unieke omstandigheid. FBI-agent John Connolly, een jeugdvriend, gebruikte Bulger als informant in zijn strijd tegen de maffia en hield hem jaren uit de greep van het gezag. Bovendien was Bulgers jongere broer, Billy, senator voor de staat Massachusetts en de machtigste politicus van Boston. Die persoonlijke verstrengeling van politiek, justitie en criminaliteit heeft al een paar documentaires opgeleverd en er is er nog een biopic in de maak. Martin Scorsese baseerde zijn fictieve The Departed uit 2006  op het spectaculaire verhaal. Black Mass blijft dicht bij de feiten. Het maakt de film des te indringender.

Psychopatische griezel
Cooper vertelt het verhaal geserreerd, via getuigenverklaringen van Bulgers handlangers die als voice-over overlopen naar de handeling zelf. Slimme enscenering benut het ontwikkelen van de verhaallijn om de karakters van de twee Bulgers en hun jeugdvriend te tekenen, wat de vaart ten goede komt zonder het tempo op te jutten. Het geeft Johnny Depp, bijna onherkenbaar met kalende schedel, blauwe lenzen en brak gebit, de ruimte om Jimmy Bulger als psychopatische griezel neer te zetten in een van de beste rollen uit zijn loopbaan. Hij overtuigt door zijn ingetogen kilheid, waar Jack Nicholson (die hetzelfde personage vertolkte in The Departed) met exuberante tics van Bulger een killer clown maakte.

Black Mass

We zien Bulger als pseudo-huisvader, als zoon op bezoek bij zijn moeder, als broer met Billy Bulger (Benedict Cumberbatch), als quasi-buurtbeschermer, maar vooral als gewetenloze crimineel die de ‘alliantie’ met FBI-agent en jeugdvriend Connolly (Joel Edgerton) benut als vrijbrief om een crimineel imperium op te zetten. ‘Fuck protocol’, zegt de FBI-agent als hij tegen alle regels en gezond verstand in Bulger benadert. Black Mass toont hetzelfde universum als Andrew Dominiks Killing Them Softly van enkele jaren terug: Amerika is geen land, het is een bedrijf waarin loyaliteit belangrijker is dan de wet.

Sterke rolbezetting
Black Mass heeft een perfect tempo dat gestaag crescendo gaat. De eerste akte geeft achtergrond en tekent gedetailleerd de psychologie van de belangrijkste personages. Na de dood van zijn zoontje ontspoort Bulger definitief, uitgewerkt via een subplot over een mislukte poging om de gokwereld van Miami over te nemen. Als Bulgers moeder komt te overlijden is er geen houden meer aan en toont de psychopaat zich steeds nadrukkelijker, met als ‘hoogtepunt’ de scène waarin Bulger de vrouw van Connolly in haar slaapkamer met sinistere charme intimideert. De scène is subtiel opgezet, als drietrapsraket, en van een angstaanjagende beklemming.

Black Mass

Naast knappe hoofdrollen heeft Black Mass een aantal fraaie bijrollen, van onder meer Julianne Nicholson, Kevin Bacon, Peter Sarsgaard, Rory Cochrane en Corey Stoll. De sterke ensemblerolbezetting wordt op de geluidsband gecomplementeerd door de treffende maar ingetogen filmmuziek van Tom Holkenborg (ook bekend als Junkie XL), die zich lijkt te spiegelen aan Depps karakterisering van Bulger. Voor de toonzetting van het jaren zeventig-milieu tekenen nummers van Allman Brothers, Joe Walsh en Rolling Stones.

Scott Cooper overtuigde eerder met Crazy Heart (over een gefnuikte countryzanger, Oscar-winnend vertolkt door Jeff Bridges) en het arbeidersmisdaaddrama Out of the Furnace (met Christian Bale als onwillige wreker). Black Mass is met meesterhand geregisseerd, meer ingetogen en daarom des te overtuigender in vergelijking met Scorcese’s indertijd bejubelde The Departed. En na Sicario is het wederom een film waarin realisme het wint van glitter. Er lijkt iets te kantelen in filmland.

 

12 oktober 2015

 

MEER RECENSIES

 

Walk, The

***

recensie  The Walk

Up In The Air

door Suzan Groothuis

Natuurlijk moest het verhaal van Philippe Petit, een charismatische Franse koorddanser, verfilmd worden. Op zijn koord bewandelde hij de immense leegte tussen de Twin Towers. Door Robert Zemeckis vastgelegd in overweldigend 3D. Geschikt voor alle leeftijden, maar niet voor mensen met hoogtevrees.

Wie Man On Wire (James Marsh) gezien heeft, weet wat ‘m te wachten staat in The Walk. In Marsh’ bejubelde documentaire uit 2008 zien we het verhaal van Philippe Petit, een bevlogen, energieke man met een grote passie: koorddansen. Koorddansen met een missie, want hij heeft het gewaagd om in 1974, ten tijde van het aftreden van Nixon, de immense leegte tussen de Twin Towers van The World Trade Center te bewandelen.

Niet zonder poespas
Dat ging natuurlijk niet zonder poespas: Petit stelde een team samen om clandestien de nog in constructie zijnde torens binnen te dringen en vanaf 450 meter hoogte zijn koord te spannen. In Man on Wire zien we het uiteindelijke resultaat vanaf ground zero: een sereen beeld van een man die één is met zijn koord en de lucht rondom hem. Daarmee werd Petit de artiest die The World Trade Center een ziel gaf.

Recensie The Walk

Een prachtig uitgangspunt voor een speelfilm, zeker in een tijd dat CGI en 3D hoogtij vieren. Robert Zemeckis, de man van Back To The Future, Who Framed Roger Rabbit en Forrest Gump, op IMDb ook wel omschreven als ‘whiz-kid met special effects’, waagde het om Petits ongelofelijke verhaal te verfilmen. Hij doet dat met een groots gebaar: in het openingsshot zien we Joseph Gordon-Levitt (Inception, The Dark Knight Rises) als Philippe Petit op de top van het Vrijheidsbeeld staan, terwijl hij zijn avontuur introduceert en de twee torens achter hem schitteren.

Hoger doel
Waar “le coup”, zoals Petit de dag van zijn gewaagde stunt omschrijft, in Man on Wire direct aanvangt, is er in The Walk eerst aandacht voor Petits tijd in Frankrijk. Als straatartiest zien we hem, in karikaturaal Parijs, zijn brood verdienen. Wanneer hij leest over de bouw van de Twin Towers is het voor Petit zo klaar als een klontje. Die twee torens gaat hij op zijn koord bewandelen. Ofwel in zijn eigen woorden: “I’ve got to put a wire between those towers; I’ve got to walk”. En vanaf dat moment zien we hoe zijn passie voor het koorddansen ontstaan is en gevoed wordt door zijn leermeester Papa Rudy (Ben Kingsley).

De sprookjesachtige avontuurlijke sfeer van de film krijgt een andere wending als Petit met zijn team en zijn grote liefde Annie (Charlotte Le Bon) de dag van “le coup” voorbereidt. Alles is tot in de puntjes gepland en doet denken aan een strak beraamde bankoverval. Die overigens niet zonder problemen verloopt, wat een paar spanningsvolle momenten oplevert.

The Walk

Al het voorgaande verbleekt bij de langverwachte scène waarin een trefzekere Petit de eerste stappen op zijn koord zet. In overweldigend IMAX 3D toont Zemeckis de duizelingwekkende hoogte, maar bovenal hoe de kijker één wordt met de Fransman en zijn koord. Uiterst geconcentreerd, stapje voor stapje, kijken we door Petits ogen naar de overkant en uiteindelijk ook naar wat geen koorddanser ooit doet – naar beneden. Een prachtige, emotionele (door Philippe Petit zelf voorzien van voice-over!) maar ook huiveringwekkende ervaring: klamme handjes waardig.

Magisch avontuur
Daarmee is niet gezegd dat The Walk een geweldige film is. Zeker de eerste helft heeft een zoet en geromantiseerd karakter met dunne dialogen. En het is even wennen om Gordon-Levitt met een knullige pruik op en een dik Frans accent te horen praten. Anderzijds overtuigt hij wel als gedreven en charmante showman en toont hij de kijker dat alles mogelijk is – ook het onmogelijke. De acteur leerde zelfs koorddansen – hij kreeg persoonlijk les van Petit. De andere acteurs – Kingsley in een veilige rol als leermeester en Charlotte Le Bon als liefje wat eendimensionaal – steken af tegen die tomeloos energieke, gedreven Petit. Maar het is dan ook zijn film, zijn queeste.

Hoe je het wendt of keert, op filmisch gebied laat Zemeckis een knap staaltje CGI (de twee torens zijn levensecht in beeld gebracht) en 3D zien. Zijn The Walk is een duizelingwekkende ode aan het magische avontuur van een gedreven avonturier en een ode aan de torens die ooit waren.

 

5 oktober 2015

 
ALLE RECENSIES

Life

***

recensie  Life

Orchidee tussen de brandnetels

door Alfred Bos

Net als in zijn debuutfilm Control verfilmt Anton Corbijn een waar gebeurd verhaal – opnieuw over een te vroeg overleden kunstenaar – dat dicht bij hemzelf staat. In het prachtig gefotografeerde Life duurt het echter lang eer de getroebleerde hoofdpersonen zichzelf tonen.

Life opent met de close-up van een rode lamp in een doka. In zijn eerste ‘Amerikaanse’ film belicht fotograaf en regisseur Anton Corbijn een onderwerp dat hij uit ervaring kent: fotograaf op stap met aanstormend talent. In maart 1955 publiceerde het tijdschrift Life een fotoreportage over een jonge spraakmakende acteur; Dennis Stocks portret van James Dean in de regen van het New Yorkse Times Square is iconisch geworden. De film Life toont het verhaal achter de fotoserie en de relatie tussen twee artistieke en gemankeerde zielen.

Recensie Life

De jonge acteur James Dean (Dane DeHaan, vorig jaar nog te zien als beatnik Lucien Carr in Kill Your Darlings) maakt golven in Hollywood, maar is te nukkig om zich te conformeren aan de mores van het studiosysteem. Opgevoed door zijn grootouders op het platteland van Indiana, zijn moeder overleed toen hij negen jour oud was, is hij een orchidee in een brandnetelperk. Ook freelance fotograaf Dennis Stock (Robert Pattinson) is emotioneel beschadigd: de ex-marinier trouwde jong en is inmiddels vervreemd van zijn ex en hun zoontje. Hij is ambitieus maar wordt verteerd door twijfel.

Historisch correct
De twee lijken tegenpolen, maar herkennen iets in elkaar: de kunstenaar. De stadsmens Stock ziet een fijnbesnaard natuurtalent aan de vooravond van zijn doorbraak, de boerenzoon Dean een gelijkgestemde ziel tegen wie hij zich kwetsbaar durft op te stellen. De acteur laat zijn divagedrag echter pas varen nadat hij door zijn vriendin, de actrice Pier Angeli (Alessandra Mastronardi), in de steek is gelaten. Buiten de wereld van film en media toont Dean zijn ware ik. In Fairmont, Indiana portretteert Stock hem zonder klatergoud in zijn natuurlijke omgeving en introduceert daarmee een nieuwe manier om filmsterren af te beelden.

Corbijn geeft het verhaal – en de iconische foto’s – tot in detail historisch correct weer en de film oogt schitterend. De schets van de Hollywoodfabriek (met Ben Kingsley als memorabele bullebak Jack Warner) is raak, zo ook het artistieke milieu van het winterse New York. En er is een hilarisch moment als de regisseur zelf voor de camera verschijnt – als fotograaf. Toch is het lastig voor de kijker om emotioneel contact te maken met de hoofdpersonen. Zeker in het eerste helft van de twee uur durende film blijven de karakters van Stock en Dean afstandelijk. Dat slaat om tijdens de treinreis naar Indiana: in de beste scène van Life laat Dean het masker zakken en zijn monoloog maakt duidelijk waarom Dane DeHaan een van de meest gevraagde acteurs van zijn generatie is.

Life

Hopeloze congaspeler
Life moet voor Corbijn een labour of love zijn, een verhaal waarin hij veel van zichzelf herkent. Als fotograaf van muzikanten en filmsterren kent hij het verschil tussen geprojecteerd imago en gebutste werkelijkheid; hij weet wat een sterke publiciteitsfoto kan doen; hij heeft een neus voor talent; en is altijd op zoek naar een andere, originele manier om zijn onderwerp af te beelden. Misschien dat die betrokkenheid en het respect voor zijn onderwerp hem (te) voorzichtig hebben gemaakt. Hoe dan ook, Life heeft moeite om, no pun intended, tot leven te komen.

Na Supersister, Cuby + Blizzards en Brainbox geen klassieke hit van Hollandse makelij op de geluidsband, ditmaal. Wel de verzengende boogie van Lightnin’ Hopkins, plus een bijrol voor Eartha Kitt (Kelly McCreary). En James Dean mag dan een film lang een conga met zich meezeulen, als percussionist is hij een hopeloos geval.

 

5 oktober 2015

 

ALLE RECENSIES