Hidden Figures

***

recensie Hidden Figures

Opgewekt meisjesboek over rekenwonder

door Cor Oliemeulen

De ruimtevaart is een mannenaangelegenheid. Hoe prachtig is het dat nota bene een zwarte vrouw in het racistische Amerika van de jaren 60 een bepalende rol in de prestigestrijd tussen oost en west ging spelen.

Rekenwonders zijn geniaal, briljant en meestal excentriek. Kijk maar naar de vele biografische films: een onaangepaste schizofreen in A Beautiful Mind (2001), een zwaar lichamelijk gehandicapte in The Theory of Everything (2014), een hooghartige homo in The Imitation Game (2015) en een obsessieve Indiër in The Man Who Know Infinity (2016). De hoofdpersoon van Hidden Figures behoort ook tot een minderheid, maar zij heeft allesbehalve een buitenissig karakter. Niet bij haar, maar bij de maatschappij zit er een steekje los.

Hidden Figures

Geromantiseerd
Virginia, 1961. Een groep van enkele tientallen Afro-Amerikaanse vrouwen bemant een afdeling van ruimtevaartorganisatie NASA. De dames zijn goed in rekenen en doen het werk dat later door een computer zal worden overgenomen. We volgen drie bevriende collega’s met ambities. Mary Jackson (Janelle Monáe) die ingenieur wil worden; Dorothy Vaughan (Octavia Spencer) die het werk van een supervisor doet maar die functie maar niet krijgt; en de vrouw om wie de film draait: Katherine Johnson (Taraji P. Henson), de bescheiden en uiterst accurate wiskundige die een prominente rol in de Amerikaanse ruimtevaart zou gaan vervullen.

Waar het recente biografische drama Loving zich focust op een verboden interraciaal huwelijk in het racistische zuiden van de jaren 60, ontwikkelt Hidden Figures zich als een spannend en opgewekt Amerikaans meisjesboek. Een feelgoodfilm, gebaseerd op een non-fictieboek, niet wars van geromantiseerde trekjes. Wanneer het rekenwonder spontaan de meest ingewikkelde formules op een schoolbord gaat schrijven, weet je zeker dat het niet meer stuk kan.

Alles in het verhaal draait om inspiratie: vanaf de openingsscène – waarin het patriottisme de racistische inborst van een politieman overstijgt – tot en met de finale – waarin de protagonist astronaut John Glenn een behouden landing garandeert en het orkest zijn mooiste overwinningsdeuntje mag spelen.

Hidden Figures

Speciaal toilet
Hidden Figures ademt sterk de sfeer van The Help, de verfilmde keukenmeidenroman die weliswaar meer stereotiepe beelden bevat. Ook hier zijn de vrouwen sterk en wordt het schrijnend onrecht slechts miniem aangestipt en al snel overvleugeld door wat luchtigers. Er is de makers immers alles aan gelegen de vaart in de film en de sfeer optimistisch te houden, gesteund door een vlotte soundtrack (met helaas amper tien seconden Miles Davis) en het mooie, meer dan eens grappige, spel van de drie bevriende collega’s. Ook in Hidden Figures zitten korte fragmenten van segregatie in bussen en bibliotheken, maar aan de dagelijkse gang naar een speciaal toilet voor gekleurde dames (in dit geval in een gebouw honderden meters verder) wordt verhip nóg meer aandacht besteed dan in The Help.

Ook alle bijrollen zijn prima ingevuld. Zo zien we Kirsten Dunst als supervisor van de rekenafdeling van onze ‘coloured group’ die heel langzaam wat sympathie voor de parmantige, vasthoudende Dorothy kan opbrengen, Maharshala Ali (Oscar voor zijn rol als sympathieke drugsdealer in Moonlight) die zorgt voor de romantische noot in Katherine’s leven en Kevin Costner, die sowieso zijn meest geloofwaardige rollen speelt op het moment dat hij een ouderwetse bril draagt. Als baas van de Space Task Group is hij maar al te graag bereid om discriminerende elementen van de werkvloer te verwijderen zodat uiteindelijk de Amerikanen, en niet de Russen, als eerste een baan om de aarde kunnen maken.

Katherine Johnson was een onmisbaar genie en het is goed dat er een eerbetoon over haar leven op het witte doek is verschenen.
 

5 maart 2017

 
MEER RECENSIES

Jackie

***

recensie Jackie

Natalie Portman doet te veel haar best

door Cor Oliemeulen

Jacqueline Kennedy was een van de meest gefotografeerde en bewonderde vrouwen van de twintigste eeuw, maar veel wisten we nog niet van haar. Natalie Portman kruipt in de huid van de First Lady, maar is teveel bezig met accent en gebaartjes om geheel geloofwaardig te zijn.

Een paar jaar geleden reconstrueerde Peter Landesman in Parkland de gebeurtenissen direct nadat de Amerikaanse president John F. Kennedy op 22 november 1963 werd doodgeschoten. De focus lag op hulpverleners, geheime dienst, de familie Oswald en Abraham Zapruder die de wereldberoemde homevideo van de aanslag maakte. In zijn eerste buitenlandse uitstapje portretteert de vermaarde Chileense regisseur Pablo Larraín (NO, El Club, Neruda) Kennedy’s echtgenote Jacqueline in de eerste dagen van trauma, rouw en waardigheid. Zo prominent en dichtbij als in het biografische drama Jackie zagen we haar nog nooit.

Jackie

Stijlicoon
Na de saai en degelijk ogende eerste dames Truman en Eisenhower kon het Witte Huis begin jaren 60 wel wat glamour gebruiken. Door haar kokette jurkjes, mantelpakjes en jassen met simpele lijnen en veelal pastelkleuren, eenvoudige pillendooshoedjes, lange handschoenen, zijden sjaals en oversized zonnebrillen groeide Jackie Kennedy snel uit als stijlicoon. Iedereen kent het roze mantelpakje vol bloed (voor de film nagemaakt door de Franse couturier Madeline Fontaine) dat zij droeg tijdens de moordaanslag op ‘s lands razend populaire president JFK. Maar naast het toonbeeld van mode stond Jackie tijdens officiële en sociale evenementen trouw aan de zijde van haar (overspelige) echtgenoot.

Jackie hield zich persoonlijk bezig met de herinrichting van het Witte Huis. De televisie-uitzending over een rondleiding door de First Lady zelf door de rijkelijk ingerichte kamers – vol Amerikaanse kunst en illustere voorwerpen van vorige bewoners – werd een enorme kijkhit. Als je de originele beelden bekijkt, zie je met hoeveel precisie en oog voor detail deze gebeurtenis in de film is nagebootst. Het creëren van een authentieke sfeer (zwart-wit en vale kleuren) kun je gerust overlaten aan Pablo Larraín, die in eerdere films schijnbaar moeiteloos de tijd van de dictatuur van Pinochet opriep. In Jackie weet je soms niet of je naar archiefbeeld kijkt of dat een scène is nagespeeld. Loopt daar nu de echte Jackie een halve eeuw geleden achter de kist? Nee, als je inzoomt is het toch Natalie Portman.

Jackie

Rondleiding en interview
De rondleiding door de ambtswoning loopt als rode draad door de film, net als Jackie’s interview met een journalist (Billy Crudup), dat is gemodelleerd naar het vraaggesprek van Theodore White van Life, een week na de moord op JFK. In hun niet geheel vlekkeloos verlopen onderhoud vergelijkt Jackie het verblijf in het Witte Huis met Camelot, het kasteel van King Arthur, maar echt overtuigend is de keuze voor deze rode draad in de film niet. Van het beeld van de presidentsvrouw die sterk is of sterk moet zijn voor de natie, zoals de journalist de boodschap van het interview voorstelt, blijft te weinig over. We zijn vooral getuige van een rouwende vrouw vol emoties die als taak heeft haar twee kleine kinderen te vertellen dat hun vader niet meer thuiskomt en zich hierna intensief gaat bezighouden met de begrafenis – niet besloten, maar openbaar met een wandelende processie, geheel tegen de zin van de veiligheidsadviseurs.

Jackie verloopt fragmentarisch en heeft in Natalie Portman een vertolkster die zich danig heeft verdiept in haar personage, maar te erg haar best doet om te praten en te bewegen zoals Jackie Kennedy dat deed. Het dramatische kijken en staren (veel close-ups) werkt veel beter dan haar stem die net even te vaak te zeurderig klinkt. Als je goed oplet, merk je dat bepaalde scènes kennelijk op dezelfde dagen zijn opgenomen. Tijdens de rondleiding hoor je bijna de perfectie stemimitatie, die echt anders klinkt dat het begin van het interview waarin bepaalde woorden, ook zichtbaar, onnatuurlijk worden uitgesproken. In de scènes met de meer spontane dialogen is Portmans acteren minder gemaakt.

Maar werkelijk natuurlijk acteerwerk blijkt pas in de scènes als Jackie praat met een priester, gespeeld door John Hurt. Van het charismatisch bedoelde personage Jackie blijft plotseling weinig over in het gezelschap van deze gerenommeerde Britse acteur die recent op 77-jarige leeftijd overleed.
 

11 februari 2017

 

MEER RECENSIES

Magnus

****

recensie Magnus

Gezin als hoeksteen van succes

door Cor Oliemeulen

Magnus is een documentaire over de gelijknamige Noorse wereldkampioen schaken die zich laat kijken als een spannend jongensboek.

“Ik heb nog nooit zoiets indrukwekkends gezien”, verzucht iemand als Magnus Carlsen uit zijn hoofd alle zetten van zijn partij tegen een zojuist verslagen opponent in Harvard University opschrijft. Normaal geef je zo iemand misschien je handtekening, maar de Noorse schaakgrootmeester overhandigt liever een notatieformulier als herinnering. Ook de negen andere advocaten hadden tijdens de blindsimultaan tegen de ‘Mozart of Chess’ geen schijn van kans gehad.

Magnus

De kunst van het componeren
Componeren op het schaakbord. Schaken als kunst. Weinigen zo creatief als Magnus Carlsen, op 30 november 1990 geboren in het stadje Tønsberg. Aan de hand van homevideo’s blikt vader Henrik terug op de kindertijd van zijn enigste zoon. Terwijl we zijn drie zusjes spontaan zien ravotten in de Noorse natuur, denkt de vierjarige Magnus eerst goed na voordat hij tot actie overgaat. Drie jaar later kent hij de hoofdsteden, vlaggen en inwonersaantallen van de meeste landen van buiten. Hij is gek van lego, én van schaken. We zien Magnus weliswaar de Donald Duck lezen, maar volgens zijn vader vertellen vooral cijfers en nummers hem het verhaal. Dat maakt hem op school een eenling, een outsider. Hij wordt veel gepest omdat hij altijd in gedachten is. “Schaken was goed voor zijn zelfvertrouwen”, vertelt Henrik. Magnus Carlsen werd al op zijn dertiende Noors schaakkampioen. Het begin van een glansrijke carrière.

Nadat zijn landgenoot Øyvind Asbjørnsen in de korte documentaire The Prince of Chess in 2005 het wonderkind portretteerde, neemt Benjamin Ree in Magnus als het ware het stokje over vanaf het moment dat Carlsen internationaal doorbreekt. Zijn camera draait tijdens alle belangwekkende gebeurtenissen met de lens vaak dicht op de huid en op het schaakbord. Het resultaat is een sympathieke coming of age van een ongekend talent dat we zien opgroeien van tiener tot volwassene, zowel in de arena als in zijn gezin. Een must voor de schaakliefhebber, maar zeker zo interessant voor de liefhebber van een geobsedeerd persoon die zijn hele leven in het teken stelt van het doel om de beste te worden. Tegelijkertijd blijkt Magnus een zeer gesloten persoon. “Ik houd mijn demonen voor mezelf. Soms is het zwaar dat je de enige bent die iets begrijpt.”

Magnus

Meer mens dan computer
Schaken en cool zijn, gaat niet goed samen. Dat imago veranderde enigszins toen een bekend jeansmerk Magnus Carlsen in 2010 als boegbeeld van zijn reclamecampagne naar voren schoof, in stoere poses door Anton Corbijn vereeuwigd. Dit hoefde kennelijk niet in de documentaire, want Magnus blijkt sowieso veel meer mens dan computer. Hij houdt niet van het gedisciplineerd uitpluizen van databases met alle openingen en partijen van zijn tegenstanders, maar speelt liever intuïtief. Een groot contrast met de Indiase grootmeester Viswanathan Anand, de wereldkampioen die in 2013 door Carlsen wordt uitgedaagd voor de titel. Tijdens de eerste vier partijen van de tweekamp is de uitdager bloednerveus – hij laat zowaar een paar keer een stuk uit zijn hand vallen – maar als hij op de eerste rustdag veel lol heeft gemaakt met zijn zusjes en ouders, zit vanaf de vijfde partij een volkomen ontspannen en zelfverzekerde toekomstige wereldkampioen achter het bord.

Magnus Carlsen heeft de hoogste schaakrating ooit. Of hij de beste schaker aller tijden is, zal blijken als hij net als Garry Kasparov het mondiale schaken twee decennia lang kan beheersen en dezelfde mate van vernieuwing en creatief aanvalsschaak op het bord kan toveren als de Rus (die enigszins nerveus op zijn stoel schuift als een 13-jarige Magnus tegenover hem aan het bord zit). Maar dat Carlsen een genie is, staat buiten kijf. Misschien wel even geniaal als Bobby Fisher, ongrijpbaar op en naast het bord. Die tijd dat iemand zijn tegenstander zo genadeloos van het bord kon vegen is (jammer genoeg) voorbij, want na de introductie van schaakcomputers weet je bijna exact welke openingen je tegenstander speelt en kun je je heel gericht voorbereiden.

Je vraagt je af wat er van Bobby Fisher terecht zou zijn gekomen als ook hij in een stabiel gezin was opgegroeid. Van Magnus Carlsen hoeven we niet snel te verwachten dat hij ten prooi valt aan paranoia en zal doordraaien. In dat geval zou dat vast een even mooie vervolgdocumentaire opleveren.
 

13 januari 2017

 
MEER RECENSIES

Vijf goede schaakfilms

Founder, The

***

recensie The Founder

Succes komt nooit medium rare

door Alfred Bos

Het verhaal van de man die van McDonald’s een van de meest succesvolle Amerikaanse bedrijven uit de geschiedenis wist te maken. De ideeën van een ander jatten, daar word je groot mee.

The Founder zit vol met wijze lessen voor de vrije ondernemer. Zoals: verhoog het aanbod en de vraag zal stijgen. Of: zaken doen is oorlog. Op het moment dat een vrije jongen, omhoog geklommen via vastgoedtransacties, zich klaar maakt om het Witte Huis te betrekken, verschijnt in de bioscoop een film over het archetypische Amerikaanse succesverhaal. Ray Croc is de man die de hamburgerketen McDonald’s uitbouwde tot wereldimperium.

The Founder

Croc, neergezet door Michael Keaton, was in 1954 een gesjeesde uitvinder en handelsreiziger, op leeftijd bovendien. Hij is doorlopend onderweg en eet in goedkope snackbars. In het Midwesten raakt hij zijn laatste snufje, een superefficiënte milkshaker, nauwelijks kwijt als er een grote order binnenkomt uit San Bernardino, Californië. Daar moet hij meer van weten.

Croc spreidt de kaart uit op de kap van zijn Chevy en ziet het direct: Route 66 leidt van St. Louis naar de westkust. Honderden kilometers plek voor wegrestaurants. In San Bernardino maakt hij kennis met Richard (Dick) en Maurice (Mac) McDomald (gespeeld door Nick Offerman en John Carroll Lynch), broers die er vijfentwintig jaar over hebben gedaan om de meest efficiënt georganiseerde werkplek voor gefrituurde snacks in te richten. De mensen staan in de rij voor hun hamburgers. Croc zet er zijn tanden in en glundert.

Symfonie van efficiëntie
In het eerste half uur lijkt The Founder van regisseur John Lee Hancock één lange bedrijfscommercial, compleet met romantische voorgeschiedenis van twee hardwerkende broers die zich niet uit het veld laten slaan door de economische crisis van de jaren dertig. Gevleid door zijn belangstelling vertellen Dick en Mac hun verhaal aan Croc en verklappen hun geheim. Alleen goedlopende items, een omgeving voor het hele gezin en minimale wachttijd. Hun snackrestaurant is een symfonie van efficiëntie.

Regisseur Hancock maakte enkele jaren terug een film over een andere Amerikaanse zakenheld met een dubieuze reputatie. In Saving Mr. Banks portretteert hij Walt Disney als de volhardende familieman die een nukkige Engelse kinderboekenschrijfster weet te ontdooien. Ook Ray Croc belijdt met de mond zijn waardering voor familie, maar blijkt een gewetenloze opportunist. Die bovendien zijn vrouw (Laura Dern) verwaarloost en flirt – en uiteindelijk trouwt – met de vrouw van een zakelijk contact.

The Founder

Foute held
Zo ontvouwt The Founder zich gaandeweg van een blinkend succesverhaal tot iets donkerders, een portret van het Amerikaanse zakelijke ethos: eten of gegeten worden. Croc bouwt het McDonald’s-concept met instemming van de broers uit tot succesvolle franchise, het is de nieuwe Amerikaanse kerk. Zo ziet Croc het en tegen zijn omgeving presenteert hij de ideeën van de broers in het verre Californië als de zijne. Uiteindelijk ontfutselt hij hen het bedrijf en de naam. Volkomen verdiend, in Crocs visie, want hij denkt groot en zij niet.

Tijdens de aftiteling zien we de echte Ray Croc in 1970 als gevierd zakenman met de latere president, de Californische gouverneur Ronald Reagan, de architect van het neoliberale kapitalisme dat de afgelopen vijfendertig jaar de wereldhandel domineerde. Crocs succes is niet gebouwd op hamburgers, maar op vastgoed. McDonald’s is een van de grootste landeigenaren van de planeet, in dat opzicht vergelijkbaar met de Scientology ‘kerk’. Toen hij de broers voor een ruime som uitkocht beloofde hij hen één procent royalty’s over alle in de toekomst te verkopen hamburgers, maar heeft Dick en Mac nooit een cent uitbetaald.

De ‘familieman’ trouwde drie keer en stierf kinderloos. Je kunt regisseur Hancock een zekere hypocrisie aanwrijven. Zijn portret van Croc toont openlijk de weeffouten in diens karakter, maar hij wordt neergezet als held, als archetypische Amerikaanse aanpakker, als prototypisch neoliberaal rolmodel. De boel bedonderen, daar wordt je groot mee. En dat is de leugen die The Founder verkoopt: het neoliberale kapitalisme is er niet voor het gezin, dat is er voor de Crocs van deze wereld.
 

4 januari 2017

 
MEER RECENSIES

Poesía sin fin

****

recensie Poesía sin fin

Autobiografie zonder einde

door Bob van der Sterre

Alejandro Jodorowsky, de meester van het surrealisme in de strip, maker van een paar filmklassiekers, is begonnen met het verfilmen van zijn eigen levensverhaal. Natuurlijk wel op zijn Jodorowsky’s: bizar en compromisloos.

Fando and Lis, El Topo en The Holy Mountain. Deze drie klassieke Jodorowsky’s uit de jaren zeventig leveren doorgaans maar twee soorten reacties op: dat het briljant is of het is het allerergste wat je ooit in cinema hebt moeten doorstaan. Welke andere regisseur moest tijdens een première (Fando and Lis 1968 in Mexico) na een rel uit de zaal sluipen om vervolgens bekogeld te worden met stenen?

Poesía sin fin

Hoe bizar ook, Jodorowsky’s invloed in cinema kan niet worden onderschat. Hij vormt een uniek hoekje. Zoals in het eerder op IDB gepubliceerde essay van Alfred Bos staat te lezen: ‘De Chileense filmmaker, die wordt gezien als belangrijke inspirator van Dennis Hopper, David Lynch en Nicolas Winding Refn, leverde het scenario voor de fameuze Incal-strip van Moebius/Jean Giraud, die werd gepubliceerd in de jaren tachtig.’

Dat maakt het interessant om te zien waar het allemaal vandaan kwam, in een door hemzelf gekleurde autobiografische geschiedenis. Zijn leven is een reclamespot voor een brede creatieve ontwikkeling. Het tegenovergestelde van wat de maatschappij nu van mensen eist. Alle kunstvormen kwamen juist bij hem uit. Inspiratie uitte hij in poëzie, circusoptredens, stripverhalen, theater en dus film.

Opera zingende moeder
Aangezien dit deel 2 is van een vijfdelige (!) autobiografie gaan we verder waar La danza de la realidad drie jaar geleden eindigde. Kleine Alejandro wordt grote Alejandro. We zien de metamorfose (geestig stukje) hoe de stad met grote prenten verandert in hoe het er vroeger uitzag. Het strikte regime thuis zint Alejandro niet en hij ontsnapt uit het benauwende wereldje.

In een kunstenaarscollectief voelt hij zich eindelijk thuis. Ontmoet symbiotische dansers, ‘polypainters’ en een ‘ultrapianist’ (bespeelt piano met een hamer). Hij is zelf een dichter en moet een muze zoeken. In café Iris vindt hij er een.

En dan begint zijn dichtersbestaan. Hij behoort tot de dichters die woorden vooral thuis laten en hun handelingen als poëzie zien. Een periode toen het werpen van rotte eieren ook iets poëtisch betekende. Of het lopen van een rechte lijn vanuit je eigen huiskamer.

Poesía sin fin

Het begin heeft een hoog tempo, loopt lekker, ook al zie je meteen dat het acteerwerk slordig is. Maar dat hoort ook bij Jodorowsky’s stijl, die is losjes en lichtvoetig. Zo komt de zoon na een nacht slapen als man uit de slaapkamer, hoewel de anderen niet ouder zijn geworden. Stripachtige overdrijving combineert vrolijk met de mogelijkheden van filmsets.

Bundeling van losse scènes
Het tweede gedeelte van de film is minder sterk. De dichters met hun ondichtende dichtwerk zijn een bundeling van wat losse scènes waarvan de ene wel werkt en de andere niet. Met de typische Jodorowsky-compromisloosheid om een scène te maken waarin een vrouwelijke dwerg (die flink menstrueert) seks heeft met de hoofdpersoon.

Het is sowieso opvallend hoe dik de vrouwenpersonages zijn aangezet. De muze is opzettelijk opgeblazen tot een mollige dame die alle clichés van eigenzinnige vrouw vertegenwoordigt. De moeder is immer bezorgd en communiceert in aria’s. Er moet een verklaring zijn in hoe Jodorowsky zijn beleving van toen schetst. Die overdrijving is dan juist een compliment.

Hier en daar vind je wat geniale momenten, zoals de dichter die een deur opent, daar wit gepoederde mensen laat zien, op de achtergrond een schilderij waar een tank op staat, een radio die babbelt over bommenwerpers, waarna de dichter kalm zegt: ‘Mijn ouders, ze raken niet uitgepraat over de oorlog.’

En de film heeft prima, passend camerawerk van Christopher Doyle, die met films als 2046 en Underwater Love wel het juiste op zijn cv heeft staan om de film Jodorowsky-proof te maken. Helemaal bij de tijd is hoe Kickstarter en Indiegogo hebben geholpen om de film te financieren.

Poesía sin fin

Wat de film helaas erg mist is een spanningsboog. Je zit vooral naar uitzinnige mensen te kijken zonder dat het ergens heen gaat. Wat je ook echt mist zijn een paar kalme, verbindende scènes. Mensen die gewoon een beetje eten en kletsen. Zulke breaks hadden de film toegankelijker en meer volwassen kunnen maken, hadden de karakters meer mens kunnen laten zijn.

Vol Jodorowsky’s
Poesía sin fin (Endless Poetry) is een beetje Being Alejandro Jodorowsky. De film zit bijvoorbeeld vol Jodorowsky’s. Alejandro zelf, Adan (ene zoon) en Brontis (andere zoon). Adan speelt de rol van Alejandro (en deed de muziek). Brontis speelt Alejandro’s vader, met wie Alejandro in onmin leeft.

Het wordt wel een beetje Jodorowsky-inception als Alejandro zijn eigen zoon poedelnaakt zichzelf laat spelen met z’n minnares van toen. Het zou niemand moeten verbazen als hij zijn zoon zelfs in een latere episode zichzelf laat verwekken. Als je principieel niets vreemd vindt, wat is er dan nog raar?
 

30 december 2016

 
MEER RECENSIES

Cézanne et moi

**

recensie Cézanne et moi

Provençaalse Bro’s doen alles voor de kunst!

door George Vermij

Bro onmoet bro in Aix-en-Brovence. Vrienden voor het leven dat worden ze! Maar dan komen de vrouwen, het succes en de jaloezie. Kan deze bromance de druk van dat alles aan?

Dat is in een notendop Cézanne et moi. Een verhaal over de hechte vriendschap tussen twee gasten en de krachten die dat ontwrichten. Het is alleen geen Bromance-komedie, maar een serieuze film over de hoge kunsten met de stormachtige relatie tussen kunstschilder Paul Cézanne (1839-1906) en schrijver Émile Zola (1840 – 1902) als uitgangspunt.

Toch is het voorspelbare sjabloon van de bromance makkelijk te herkennen als je door al die mooi geschoten plaatjes van een denkbeeldig negentiende-eeuws Frankrijk kijkt. Misschien is dat ook niet zo gek voor een regisseuse die in feite bekend werd met een soort bromance-film avant la lettre. Danièle Thompson werkte mee aan het scenario van haar vaders La Grande Vandrouille met proto-bro’s Louis de Funès en Bourvil die de moffen te slim af zijn. Een film met het aanstekelijke ‘Tea for two, and two for tea…’

Cézanne et moi

Onafscheidelijke maten
Maar terug naar Cézanne et moi die met zevenmijlslaarzen door de levens van de Franse culturele zwaargewichten walst. Het begint allemaal met een ongemakkelijk bezoek van de oude Cézanne aan de succesvolle Zola naar aanleiding van zijn roman L’Œuvre. Vervolgens springt de film tussen flashbacks en dat pijnlijke gesprek tussen de miskende kunstenaar en de gevestigde romancier.

Wij zien ze als jongens in Aix-en-Provence waar de arme Émile bevriend raakt met de rijkere Paul wiens vader een bankier is. Onafscheidelijke maten worden het en als Zola besluit om naar Parijs te gaan, volgt Cézanne al snel. Daar belanden de mannen in een turbulent milieu met drank en vrouwen in overvloed. Zola maakt geleidelijk naam met zijn maatschappijkritische en naturalistische romans. Cézanne heeft minder succes. Samen met andere miskende kunstenaars exposeert hij op de Salon de Refusés, waar zijn werken nog het minst serieus worden genomen.

Deze miskenning vormt gaandeweg een kloof tussen beide mannen terwijl verschillende vrouwen hun pad kruisen. Zo is er Alexandrine (Alice Pol) die modelleert voor de veeleisende Cézanne, maar trouwt met Zola. Het schijnt dat zij ook het model was van de naakte baadster in Éduard Manets Le Déjeuner sur l’herbe. Een werk dat in de film ook niet kan ontbreken omdat het de geschokte reacties van het nette Parijse bourgeois publiek toont op het werk van de impressionisten.

Cézanne is binnen die groep van artistieke buitenstaanders een geval apart wegens zijn obsessieve perfectionisme en zijn wens om zich steeds verder te distantiëren van traditionele figuratieve kunst. Acteur Guillaume Gallienne portretteert hem op een wijze die wij inmiddels gewend zijn van kunstenaars: egoïstisch, koppig en gedreven. Het stereotype van het romantische en miskende genie. Een running gag in de film is dat Cézanne steeds maar tegen zijn ongeduldige schildersmodellen zegt ‘Appels blijven toch ook stilzitten!’. Zijn relatie met mensen wordt daarmee ook gelijk duidelijk. Ze zijn een last omdat ze niet te bedwingen zijn.

Vrouwen zijn zeikerds
Tegenover de temperamentvolle Cézanne is Zola een beetje een saaie kneus in de droge vertolking van Guillaume Canet. Hij heeft het op een gegeven moment gemaakt en wordt gelauwerd door het publiek ondanks zijn kritische visie op het conservatieve Franse regime. De relatie tussen hem en de schilder is wel intens en eerlijk. Als het Cézanne opvalt dat Zola een oogje heeft op zijn dienstmeid vraagt hij of hij haar al geneukt heeft.

Cézanne et moi

De bro’s before ho’s filosofie heeft het echter zwaar te verduren in Cézanne et moi. Vrouwen drijven constant een wig tussen de vriendschap, maar zijn in de film vrij eenzijdige personages. Het zijn inspiratiebronnen die even kort in wat poëtische shots worden gevangen. Daarna worden het al snel zeikerds die een ballast vormen voor de creativiteit van de mannen.

Netjes binnen de lijntjes
Wat je vooral beklijft na Thompsons film is dat je het allemaal al eerder gezien hebt. Cézanne et moi presenteert de kijker een gepolijste kostuumversie van het kunstenaarsleven in de 19e eeuw zonder de rauwe randjes. Het idyllische en pittoreske hebben visueel de overhand, maar resulteren in een soort degelijke oppervlakkigheid die alleen wil bekoren. De spanning tussen de mannen die nog als contrast dient op de mooie historische beelden heeft ook zijn problemen. Het stelt ons beeld van kunstenaars niet ter discussie omdat het strandt in clichés die worden gezien als waarheid.

Dat het thema van creativiteit pakkender verbeeld kan worden zie je terug in Jacques Rivette’s La Belle Noiseuse. Een film die is geïnspireerd op Honoré de Balzacs Le Chef-d’œuvre inconnu. Een boek dat Cézanne en zijn kunstenaarschap ook intens heeft beïnvloed en gaat over het mysterie van het creatieve proces. Het is die pijnlijke en obsessieve passie om iets nieuws te maken die je mist in het brave Cézanne et moi waar alles netjes binnen de lijntjes blijft.
 

27 december 2016

 
MEER RECENSIES

Neruda

****

recensie Neruda

Buiten de hokjes dichten

door Wim Meijer

De Chileense dichter en politicus Pablo Neruda – zijn eigenlijke naam: Ricardo Eliécer Neftalí Reyes Basoalto – was een opmerkelijke man. Een net zo opmerkelijke film is Neruda, zorgvuldig neergepend door de zeer capabele regisseur Pablo Larraín.

De Chileense meester Pablo Larraín is terug met wederom een politieke film, na NO – ook met Gael García Bernal in de hoofdrol. NO is een originele film met een komische draai aan het woelige Chileense verleden onder de dictatuur. De toenmalige gruwelen vertoonde hij nauwelijks. In plaats daarvan richtte hij zich op de persoonlijke strijd van actievoerders die tegen de regering streden.

Neruda

Kat-en-muisspel
In Neruda kiest Larraín een gelijksoortige aanpak. De film is geen biopic, maar een met dichterlijke vrijheid gemaakte karakterstudie van een immens populair dichter en politicus. Althans, bij het volk, zoals de film op vaak grappige wijze toont. Minder populair is de lijvige dichter bij de regering, die hem opjaagt. García Bernal vertolkt rechercheur Oscar Peluchonneau, een patriot aangesteld door president Videla (huisacteur Alfredo Castro) zelf. Hij achtervolgt Pablo Neruda (Luis Gnecco, ook te zien in NO), omdat hij zich bij de communisten heeft gevoegd en kritiek heeft op de president.

Een kat-en-muisspel volgt, waarbij de dichter het tempo bepaalt. Rechercheur Peluchonneau zet driehonderd agenten op de zaak, maar is steeds een stap te laat. Een van de redenen is de immense populariteit van Neruda, die zich constant geholpen weet door het volk. Het maakt hem arrogant, hij waant zich onsterfelijk. Hij laat een spoor van kruimels na: een politieroman op elke plek waar hij is geweest. Spanning gegarandeerd, natuurlijk.

Neruda

Mystieke waas
Neruda valt op door haar originele plot en fantastisch acteerwerk. Er hangt een mystieke waas rondom de dichter, gevoed door zijn antagonist en diens voice-over. Pablo is een icoon, zelfverzekerd, pragmatisch, maar ook roekeloos en onhandelbaar. Gnecco levert een geweldige rol af en grijpt de aandacht met zijn omvang en acteerkunsten. Peluchonneau is alles wat Neruda niet is, onzeker, ongeliefd, angstig, maar ook doortastend tot het bittere eind. García Bernal toont wederom zijn waarde en bewijst nogmaals dat hij elke rol aan kan.

De regering begint een lastercampagne, die regelrecht faalt. Communist of niet, de gedichten van Neruda leven onder de bevolking en geeft haar hoop in bange tijden. Terwijl Videla en Pinochet een schrikbewind voeren, leest de bevolking Neruda’s poëzie. Net als in NO focust Larraín nauwelijks op de gruweldaden die het land teisterden, maar juist op de personages. Voeg daar de fantastische voice-over van Peluchonneau aan toe, meer lens flares dan in de gemiddelde Michael Bay-film, een hoop komedie en intieme, persoonlijke portretten en het resultaat is een hele fijne film die het goed zal doen in de race voor de Oscar voor beste buitenlandse film.
 

3 december 2016

 
MEER RECENSIES

Snowden

**

recensie Snowden

Film over klokkenluider onthult niets

door Wim Meijer

Citizenfour van Laura Poitras was een Oscarwinnende documentaire waarin Edward Snowden de misdaden van de Amerikaanse veiligheidsdiensten aan de kaak stelde. Regisseur Oliver Stone gebruikt Poitras’ documentaire als kapstok voor een politieke spionagethriller, maar brengt weinig nieuws.

Wanneer Edward Snowden (Joseph Gordon-Levitt) bij de Special Forces zit, breekt hij zijn been. Zijn lijf is niet bestand tegen de zware oefeningen en lopen met bepakking. ‘You’re discharged, but don’t worry, there are other ways to serve your country’. Of de sergeant op het openbaren van staatsgeheimen doelde, valt te betwijfelen.

Snowden

Bourne zonder actie
Tien jaar na de Special Forces zou de hyperintelligente hacker illegale NSA-praktijken publiceren via The Guardian, met hulp van Laura Poitras (Melissa Leo), Glenn Greenwald (Zachary Quinto) en de ervaren journalist Ewen MacAskill (Tom Wilkinson). Het plot gebruikt de reeks interviews als rode draad in de film, terwijl Stone het verleden van de klokkenluider in flashbacks toont. Maar wat gebeurde er daarvoor? Welke gebeurtenissen in Snowdens leven doen hem uiteindelijk leiden naar deze beruchte interviews in een hotelkamer in Hong Kong? Snowden wil antwoord geven op die vragen, maar slaagt er niet in de enigmatische hoofdpersoon te ontcijferen.

Snowden ontplooit zich als Bourne zonder actie. De protagonist maakt carrière bij de CIA en NSA, alvorens landverraad te plegen. Hij doet locaties aan als Genève, Kyoto en Hawaii. Het begint in het CIA-techlab The Hill. Daar krijgt hij les van Corbin O’Brien (een ongenuanceerde rol van Rhys Ifans) en Hank Forrester, een volstrekt belachelijke personage gespeeld door Nicholas Cage. O’Brien vertelt Edward de noodzaak van de grootschalige afluisteroperaties en waarom ze geheim zijn: ‘Secrecy is security, and security is victory’. Maar het gaat knagen, alle geheimen, gebrek aan transparantie, speciale rechtbanken en de enorme massa mensen die de NSA afluistert.

Snowden

Ingetogen overgave
Joseph Gordon-Levitt speelt bijzonder treffend: ingetogen, nerdy, een tikje introvert en vol overgave. Hij heeft Snowden volledig onder de knie, met zijn monotone spraak en cadans. Hij blijft dicht bij de echte Snowden, met als kanttekening dat daardoor de protagonist van Stone’s film vrij saai is. Dat probeert de beroemde cineast, die ook mee werkte aan het script, te tackelen door Shailene Woodley als tegenspeelster op te voeren in de rol van Snowdens liefje Lindsay Mills. De romance voelt geforceerd aan en leidt af van het plot. De liberale, paaldansende Mills is een rol die de getalenteerde Woodley aan zich voorbij had moeten laten gaan, maar ze kon de verleiding van werken met Oliver Stone waarschijnlijk niet weerstaan.

Normaal gesproken zou een gestroomlijnde, gepolijste film als Snowden spannender moeten zijn dan een documentaire. Tenzij die documentaire Citizenfour is. Of de regisseur Oliver Stone. Stone, ooit een geroemd filmmaker, haalt al jaren niet meer het niveau van zijn eerdere werk (JFK). Savages en Wall Street: Money Never Sleeps zijn matig en Snowden is dat ook. Een enigmatisch figuur als Snowden weet Stone niet te ontcijferen, ondanks het feit dat hij hem negen keer opzocht in Moskou. Want om nou te zeggen dat je na het zien van deze film een goed beeld hebt van het karakter of de drijfveren van de klokkenluider? Nee, daarin schiet Snowden simpelweg tekort. Hoe weinig aandacht Citizenfour ook besteedde aan de geïnterviewde als persoon, het geeft een beter beeld van de man dan Oliver Stone in 135 minuten weet te tonen. En dat is gezien het bronmateriaal, het beschikbare beeld en de vele bezoeken tussen regisseur en Snowden toch opzienbarend.
 

5 november 2016

 
MEER RECENSIES

Echte Vermeer, Een

****

recensie Een echte Vermeer

Onderbreking van de kunst 

door Ralph Evers

Een echte Vermeer is geïnspireerd op het leven van meestervervalser Han van Meegeren. Vrijwel alles wat hij deed was doordrenkt van list en bedrog, behalve zijn liefde voor de vrouw van kunstkenner en nemesis Bredius.

De geschiedenis van het schildertalent Han van Meegeren spreekt tot de verbeelding. Een temperamentvol en chaotisch man, die moeite had de alcohol te laten staan. Een schilder die geïnspireerd door de oude meesters, experimenteerde om de craquelure (hetgeen je op oude schilderijen ziet doordat de tijd op de olieverf ingewerkt heeft) na te bootsen. Een talentvolle schilder, die snakte naar erkenning. Nergens haalde hij de door hem gewenste perfectie.

Een echte Vermeer

Muze
Ondertussen wordt Picasso wel op waarde geschat. Een gruwel! Totdat Han van Meegeren (Jeroen Spitzenberger) de beeldschone Jólanka (Lize Feryn) leert kennen. Zij moet zijn muze worden. Zijn relatie loopt erdoor op de klippen, wanneer hij betoverd in het theater zijn muze aanschouwt. De chemie tussen de geliefden vindt haar hoogtepunt in het portret dat Van Meegeren van haar maakt. Helaas blijkt Jólanka getrouwd met de bekende kunstcriticus (en nemesis van Van Meegeren) Abraham Bredius (Porgy Franssen). Die ziet de romantische avances van Van Meegeren niet zo zitten en vernedert hem publiekelijk. De gekrenkte Van Meegeren heeft iets nodig om zich te herpakken. Wanneer het hem lukt de craquelure na te maken heeft hij een kans om de critici, die hem vernederd hebben, op geraffineerde manier voor schut te zetten.

De film is echter meer dan alleen een wraakverhaal. Er is bewust voor fictie en niet voor een biopic gekozen. Dat blijkt al uit de flashbacks en -forwards. Er zitten wel waargebeurde elementen in, zoals het oplichten van de nazitop, door te doen alsof die echte Van Meegeren een echte Vermeer is – hetgeen hem overigens flink in de nesten werkt, vanwege een vermeend landverraad. Toch focust de film naast de fictie vooral op het getroebleerde personage Van Meegeren. Een fraai shot daarin is, wanneer we van Meegeren in Italië aantreffen en het kader scheef gehouden wordt, terwijl het langzaam inzoomt op het gezicht. De rechtlijnigheid, de rationaliteit is ten onder gegaan in de smart, de hartstocht en de alcohol.

De prijs van schoonheid
Een echte Vermeer gaat over de prijs van schoonheid en het verlangen naar eeuwigheid. Juist schoonheid is zo gevoelig voor de tand des tijds. Waarin wordt de meester zichtbaar? De oude meesters die wij nu kunnen aanschouwen in musea zijn allen ‘bekrast’ door de nagels van Kronos, hetgeen we als mooie, extra dimensie zijn gaan waarderen. Juist doordat het oude schilderijen zijn waarderen we het wellicht meer.

Een echte Vermeer

Een film over een kunstenaar ontkomt niet aan het denken over kunst. Niet alleen in de film, maar ook er buiten, hetgeen blijkt uit de goed verzorgde productie waarbij de liefde voor het project er afdruipt. De knappe cinematografie heeft veel oog voor detail en weet met de juiste filters de bij de scène passende sfeer te tekenen. De filmmuziek van componist André Dziezuk is een fijne vermenging tussen stemmige muziek met strijkinstrumenten en met een zwoele saxofoon gedomineerde jazzklanken. Het spel tussen de karakters kent een goede chemie; schelmenromantiek, met verve gespeeld door de cast. De kritiek op de film is dat hij net iets te braaf blijft gegeven de omstandigheden. Iets rauwer had de juiste toon binnen het verhaal gezet.

En hoe zit dat eigenlijk met het oplichten van de nazi’s? De parallel die te trekken is met de nazi’s en Van Meegeren is hun beider afkeer van moderne kunst, zie de beschimping van Picasso. De echte Van Meegeren zou zelfs nog een persoonlijke brief aan Hitler hebben gestuurd, vanwege hun overeenkomstige visie op kunst. Toch kiest in het proces Van Meegeren liever de straf van een zwendelaar dan de dood als landverrader. Zo leren we naast de romancier ook de laffe enkeling kennen, die na al zijn bravoure opnieuw tot eenzaamheid veroordeeld wordt. Een tragisch lot in een mooie lijst.
 

29 oktober 2016

 

Interview met regisseur Rudolf van den Berg.

 

 
MEER RECENSIES

Oasis: Supersonic

**

recensie Oasis: Supersonic

Nageboorte van John Lennon?
Definitely not.

door Alfred Bos

Hoe twee broers uit Manchester, de een een fantast en de ander een crypto-criminele hooligan, dankzij de borstklopperij van de Britse muziekpers uitgroeiden tot de meest overschatte band uit de muziekgeschiedenis.

Zelf noemen ze zich Abel en Kabel, naar de zonen van Adam en Eva. De Gallagher-broers, Noel de oudste (eigenlijk middelste) en Liam de jongste, kennen hun bijbel. Zelf schreven ze het nieuwe testament van de Britse popmuziek, de nabrander van een roemrijke traditie die midden jaren negentig als Britpop bekend is geworden. Het was de laatste hoezee van een popnatie in verval. Hun eerste langspeler Definitely Maybe (1994) werd het snelst verkopende debuutalbum uit de Engelse pophistorie.

Oasis: Supersonic

Oasis werd wereldberoemd in Engeland en Japan. Daarbuiten, Amerika voorop, was de ontvangst een stuk koeler. Omhoog geschreven door de Britse pers werd het vijftal het boegbeeld van Britpop, de Engelse reactie op de Amerikaanse grunge van Nirvana en Pearl Jam die begin jaren negentig domineerde. De mannen zelf gingen in al die hijgerige bijval geloven en waanden zich de evenknie van The Beatles en Elvis. Sla er het MOJO-interview van november 2007 op na.

Van de vier klassieke Britpop bands – Blur, Pulp, Suede en Oasis – had het vijftal uit Manchester als enige een groepsnaam met drie lettergrepen maar was veruit het minst bedeeld met rekenkracht, zoals de twee uur durende documentaire, door regisseur Mat Whitecross samengesteld uit het beeldarchief van de broers, overvloedig laat zien. Het is één lange litanie van grofheden en hooligangedrag, gepunctueerd door de zelfmythologiserende opmerkingen van Noel, de songschrijver en intellectueel van de band. Die ziet Oasis als de laatste grote Engelse rockband in een traditie die door internet kapot is gemaakt. Hij vergeet gemakshalve Muse.

Het is de schuld van de roadies
De door de broers gefinancierde documentaire concentreert zich op de eerste vijf jaar van de band, van de oefenruimte en het eerste publieke optreden (Boardwalk, Manchester, 18 augustus 1991) tot de optredens van 10 en 11 augustus 1996 op het festivalterrein van Knebworth voor in totaal een kwart miljoen mensen. Over de gretige zelfmedicatie en bijkomend zelfdestructief gedrag is men open, zelfs trots. Dat een cruciaal optreden in Los Angeles werd verknald door onprofessioneel gedrag, lag volgens Noel niet aan de muzikanten (high op meth), maar aan de roadies. ‘We hadden allemaal een andere setlist.’

Supersonic bevestigt de Oasis-mythe, met uitsluiting van alles wat niet strookt met het geïnflateerde zelfbeeld van de broers. De door de Engelse pers opgeklopte tweestrijd tussen de groep en hun tegenbeeld Blur (Manchester versus Londen, working class versus middleclass, lagere school versus kunstacademie) culmineerde in augustus 1995 in een heuse mediahype, the Battle of Britpop. Beide bands brachten in dezelfde week een nieuwe single uit, welke zou dat weekeinde de hitlijsten aanvoeren? Het werd Blurs Country House. De documentaire gaat aan het vermaarde voorval voorbij.

Ook de kwesties rond plagiaat blijven onbelicht. Bij single nummer drie, Shaker Maker, was het al raak en er zouden meerdere volgen. Noel Gallagher ziet zichzelf als een songschrijver van het kaliber Burt Bacharach, maar speelt leentjebuur bij zijn voorbeelden. Hij staat paf van zijn eigen genie.

Oasis: Supersonic

Het is de schuld van de muziekindustrie
Twee uur doorbrengen met de Lombroso-koppen van de Gallaghers en hun rockclichés is vermoeiend, niet in het minst omdat ze zowel verbaal als muzikaal maar één register kennen: bluf. Zelf zien ze zich als de geniale nageboorte van John Lennon, maar als we dan toch naar de jaren zestig moeten verwijzen komen eerder de ruziënde broers Ray en Dave Davies van The Kinks op het netvlies. En, zo leert Supersonic ten overvloede, eigenlijk is Oasis de reïncarnatie van jaren zestig band The Troggs, die van Wild Thing, in muzikantenkringen legendarisch vanwege hun onnavolgbare studioruzies, befaamd geworden als de Troggs Tapes.

Gelukkig valt er af en toe ook nog wat te lachen. Hilarisch is het verhaal van hun eerste concert buiten Engeland, in de Amsterdamse Melkweg. Voor ze afreizen op hun eerste buitenlandse tripje slaan de mannen een voorraad drugs in en maken het op de veerboot zo bont dat Liam wordt gearresteerd. Geen optreden in Amsterdam, waar – maar dat hadden de Gallaghers niet begrepen – de drugs aan de struiken groeien.

Supersonic, vernoemd naar de eerste Oasis-single, staakt het verhaal na de triomf van Knebworth. De lol was er al eerder vanaf, zo onthullen de broers: de managers en professionals van de muziekindustrie hadden de chaos gekanaliseerd. Kosmische eigendunk en een selectief geheugen maken van Supersonic een eenzijdige documentaire die grenst aan geschiedvervalsing.
 

3 oktober 2016

 
MEER RECENSIES