Eerst was er een film, toen een documentaire en nu een film gebaseerd op de documentaire. Loving is het waargebeurde verhaal over een interraciaal koppel, dat de grondwet van de Verenigde Staten zou veranderen. Sinds 12 juni 1967 mogen mensen van verschillende rassen met elkaar trouwen.
Na het recent verschenen Fences beleeft een ander familiedrama gesitueerd in het Amerika van de jaren 50 en 60 zijn Nederlandse bioscooppremière. Loving overstijgt het universele thema van de generatiekloof in Fences met een biografisch verhaal over het juridisch overwinnen van racisme. Hoewel we in deze nieuwe film van Jeff Nichols (zijn laatste film Midnight Special leverde wisselende kritieken op) veel meer zien van de omgeving waarin een familiegeschiedenis zich afspeelt, is het tempo van Loving net zo traag als van Fences. Begrijpelijk, want de moeizame strijd voor gerechtigheid neemt vele jaren in beslag. In het Ohio van Fences is de wereld zwart met tinten grijs, in het Virginia van Loving volstrekt zwart-wit.
Trouwen in een andere staat
Na de Amerikaanse Burgeroorlog gingen in de zuidelijke staten vanaf 1865 de Black Codes van kracht. De slavernij mocht dan wel officieel zijn afgeschaft, echter met de nieuwe regels kon de Afro-Amerikaanse bevolking nog steeds onder de duim worden gehouden. Eén van de consequenties was dat een blanke man niet mocht trouwen met een gekleurde vrouw, hoewel het verwekken van kinderen bijna de normaalste zaak van de wereld was. Als we bijna een eeuw later kennismaken met de blanke man Richard (Joel Edgerton) en de gekleurde vrouw Mildred (Ruth Negga) is in de staat Virginia een huwelijk tussen de twee wettelijk nog steeds niet toegestaan. Mildred is 18 en krijgt een baby van Richard. Ze willen beslist trouwen en doen dat in een andere staat, maar als ze weer terug zijn in het normaliter rustige stadje Central Point worden ze ’s nachts van hun bed gelicht en in de gevangenis gestopt.
Het is de opmaat van een jarenlange strijd voor gerechtigheid, waarbij de twee geliefden geenszins als activisten of als martelaren worden neergezet. Richard is een eenvoudige man van weinig woorden en ook Mildred zit niet te wachten op al teveel beroering. Ze houden van elkaar, willen alleen maar bij elkaar en bij hun familie zijn. Ze zijn niemand tot last, oordelen niet over anderen en doen slechts een beroep op begrip en menselijkheid. Helaas zit hun samenleving anders in elkaar. Sheriff Brooks (Marton Csokas, Celeborn in The Lord of the Rings) verwoordt de stem van veel zuiderlingen: “Een lijster is een lijster, een mus is een mus.”
Mensenrechten
Het echtpaar Loving staat voor de keus: één jaar cel of 25 jaar de staat Virginia verlaten. Ze vertrekken naar Washington D.C., maar kunnen daar niet aarden. Vooral Mildred kan niet wennen aan het stadsleven, waar kinderen alleen maar kunnen buitenspelen als ze kans hebben te worden aangereden (wat ook gebeurt) in hun drukke straat. Na een spontane brief aan Bobby Kennedy, min of meer opgedrongen afspraken met mensenrechtenadvocaten en een bezoekje van een fotograaf van Life Magazine (Michael Shannon) begint het balletje langzaam te rollen en schrijven ze uiteindelijk geschiedenis, een beetje tegen wil en dank.
Loving is een verhaal over liefde en toewijding, vertolkt door geloofwaardige personages. Heel anders dan de teruggetrokken weirdo Gordo in The Gift, speelt Joel Edgerton een zwijgzame arbeider die het liefst met niemand de confrontatie wil aangaan. Ruth Negga (vooral bekend van Amerikaanse tv-series) speelt haar eerste hoofdrol lovenswaardig. De derde hoofdrol is voor het weidse platteland van Virginia. De producers (acteur Colin Firth speelde een grote rol in de totstandkoming van de film) kozen voor regisseur Jeff Nichols vanwege zijn ‘cinematografische gevoeligheid en intuïtieve uitbeelding van Zuidelijke mannen en vrouwen’ in Mud en ‘de rijke atmosfeer van drama en spanning’ in Take Shelter, ‘waarbij het er vaak over gaat wat er niet wordt gezegd, wat perfect aansluit op de karakters van Richard en Mildred’.
Hoe dan ook is de pas vijfde film van Jeff Nichols, die zelf opnieuw het scenario schreef, minder sterk dan Take Shelter en Mud. Zonder te vervallen in sappige details had er in Loving wel iets meer verrassing en pit mogen zitten. Maar het verhaal is zonder meer accuraat en met liefde en begrip verteld. Bovendien weten we nu dat 12 juni voortaan te boek staat als Loving Day.
Fences is de verfilming van een toneelstuk over de moeizame relatie tussen een vader en twee zonen in het Amerika van de jaren 50. Met name de sterke dialogen en het uitmuntende acteerwerk maken dit familiedrama meer dan de moeite waard.
Het verhaal is geschreven door de veelvuldig bekroonde Amerikaanse auteur August Wilson, die met Fences de Pulitzer Prize won en op Broadway een Tony Award ontving. Zelf geboren in Pittsburgh beschrijft de inmiddels overleden Wilson aan de hand van familiethematiek en indringende dialogen de sfeer van gestage verandering in het Steel City van de jaren 50. De oldtimers in de straat zijn mooi, de kleuren grauw en in de verte zien we twee rokende fabrieksschoorstenen.
Toneelsetting met schitterend acteerwerk
Bijna de hele film speelt zich af in en achter het huis van de familie Maxson, en dat is meteen een van de manco’s van Fences. De geschiedenis van vader Troy (Denzel Washington), moeder Rose (Viola Davis) en zonen Cory (Jovan Adepo) en Lyons (Russell Hornsby) draait weliswaar om de veelal moeizame relaties tussen de verschillende familieleden, maar kent een te strakke toneelsetting waarbij er weinig ruimte voor cinematografische hoogstandjes is. Bovendien zijn sommige dialogen wel erg lang en had de film een half uur korter gemogen, want karakterontwikkeling hoeft niet synoniem aan tijdsduur te zijn. De regie van Denzel Washington is dus weinig opzienbarend, maar zijn spel is om je vingers bij af te likken. Het koppel Washington-Davis is formidabel; in 2010 schitterden ze al op de planken en wonnen ook zij allebei een Tony Award voor het toneelstuk.
Waar Casey Affleck in het andere recente familiedrama Manchester by the Sea door vrij ingetogen spel met weinig woorden een verpletterende indruk achterlaat, laat mede-Oscarfavoriet Denzel Washington zijn personage in Fences bijna voortdurend oreren. We leren Troy direct kennen als een vijftiger die prachtig kan vertellen, niet vies van sappige anekdotes. Hij is charmant, grappig, luidruchtig en liefdevol naar zijn vrouw Rose. Maar Troy heeft ook een keerzijde. Door problemen met zijn vader ontvluchtte hij al op zijn veertiende het ouderlijke huis, kwam in aanraking met justitie en als oudere honkballer in een racistische maatschappij was hij kansloos om hiermee zijn brood te verdienen. Een carrière als vuilnisman bleek het hoogst haalbare.
Plichten en verantwoordelijkheden
Maar werk is werk, het levert structurele inkomsten op en je mag daarop best trots zijn. Na gedane arbeid keert Troy huiswaarts om zich met zijn bevriende collega Jim (Stephen Henderson) te laven aan een flesje gin. Vooral op die momenten krijgt Troys dominantie de overhand. Vanuit een houding van zowel liefde als jaloezie botst hij regelmatig met zijn twee zoons. Lyons wil soms geld lenen, maar zijn vader spoort hem aan een baan te gaan zoeken en zijn ambitie als jazzmuzikant te laten varen. Ook zijn jongste, Cory, heeft talent. Hij kan bij een footballteam komen, maar Troy weigert zijn handtekening te zetten omdat hij bang is dat Cory hetzelfde overkomt als hemzelf.
Afgezien van discriminerende omstandigheden is Troy een voor de jaren 50 doorsnee vader, waarbij autoriteit en het onderrichten van plichten en verantwoordelijkheden de boventoon voeren. Hoewel Troy zo nu en dan doorslaat, bedoelt hij het volgens zijn vrouw Rose allemaal goed. Maar zijn diepere gevoelens kan hij slechts uiten middels honkbalmetaforen. Ondertussen probeert Troy samen met Cory een hek (fence) te bouwen en merkt Jim raak op: “Sommige mensen bouwen schuttingen om mensen buiten te houden en sommige mensen bouwen schuttingen om mensen binnen te houden.” De titel is verklaard: hoeveel afstand kan er ontstaan tussen jou en de wereld, tussen vader en zoon in het bijzonder.
Gelukkig voor de film krijgen we na een uur te maken met een onverwachte intrige, die het huishouden en de wereld van Rose helemaal ondersteboven zet. Dan blijkt ook het fenomenale acteertalent van Viola Davis. Als er ooit zwarte Oscars zijn te vergeven, dan is het wel dit jaar.
Films over orgaandonaties zijn dun bezaaid, maar wel nodig om het belang van het verlengen van de levens van zieke mensen te onderstrepen. Het Franse drama Réparez les vivants is een directe ode aan het leven, maar verkiest technische verhandelingen boven secundaire emoties.
Volgens cijfers van de Nederlandse Transplantatie Stichting stonden vorig jaar bijna duizend landgenoten op de wachtlijst. Meer dan de helft van de patiënten wacht op een donornier, maar vooral ook longen, levers en harten blijven dringend gewenst. In Réparez les vivants (De levenden herstellen) krijgen alle direct betrokkenen van orgaandonatie een gezicht: donor, ouders, artsen en ontvanger.
Hersendood
De tiener Simon houdt ervan zich lichamelijk in te spannen. Hij racet met zijn fiets om indruk te maken op een meisje en wint snel haar hart met zijn uitstraling en spontaniteit. Op een dag gaat hij met twee vrienden surfen op zee. De capriolen op, tussen en onder de golven zijn in mooie beelden gevangen. In hun busje op de weg terug naar huis zijn ze zo uitgeput dat Simon en de ene vriend een dutje doen. De andere vriend achter het stuur is ook niet meer okselfris en veroorzaakt een zware botsing. Simon heeft als enige zijn autogordel niet om en loopt zwaar hersenletsel op, terwijl de andere twee er met botbreuken vanaf komen.
Simon’s moeder Marianne (Emmanuelle Seigner: Frantic, Venus in Fur) arriveert als eerste in het ziekenhuis en samen met haar ex-man ontvangen ze de schokkende boodschap dat hun zoon niet meer gered kan worden en kunstmatig in leven wordt gehouden. De door verdriet overmande ouders moeten binnen enkele dagen beslissen of de organen van hun zoon voor transplantatie mogen worden verwijderd. Een zwaar dilemma, want van de buitenkant is er, op het verband rond zijn hoofd na, weinig te zien, en zijn getatoeëerde lichaam ademt regelmatig, doordat een machine zijn hart functionerend houdt. Simon lijkt zo op te kunnen staan, maar hij is hersendood.
Transplantatie of niet?
Het hoofd donatie, Thomas (Tahir Ramin, Un Prophète, Le Passé), heeft als taak om organen voor transplantaties veilig te stellen. Zoals Simons ouders moeten wikken en wegen (“de ogen zeker niet”) staat Thomas voor de zware opdracht te laveren tussen de hevige emoties van de ouders en het belang van een patiënt die met een orgaan van een jong mens kan worden gered. Zowel het gevoelige dilemma van de ouders als de functie van de arts worden realistisch en respectvol neergezet. Thomas probeert zijn gedachten af te leiden met het beeld en geluid van een zeldzame vogel en heeft ondertussen niet in de gaten dat een verpleegster hem wel leuk vindt.
En dan is er nog het verhaal van Claire (Anne Dorval, J’ai tué ma mère, Mommy), een hartpatiënt, die zojuist met haar twee zoons is ingetrokken in een woning tegenover een Parijs’ ziekenhuis waarmee ze gezien haar broze gesteldheid continu in verbinding moet staan. Ze probeert nog zoveel mogelijk van het leven te genieten, maar een paraplu vasthouden is al te inspannend en bij een bezoek aan het theater is zij genoodzaakt een portier te vragen om haar de trappen op te dragen. De kijker begrijpt snel dat Claire in aanmerking komt voor het hart van Simon. Net als de ouders en de arts moet Claire een afweging maken: wel of niet vertellen aan haar zoon, die pal voor zijn schoolexamens staat?
Van a tot z Réparer les vivants is een verfilming van de gelijknamige bestseller van de Franse schrijfster Maylis de Kerangal. De roman wordt geroemd vanwege de indringende weergave van de emoties van alle betrokkenen rondom orgaantransplantatie en de gedetailleerde en poëtische vertelling vanaf het vrijmaken, intuberen en loskoppelen van alle organen tot en met de incisie in Claire’s lichaam. Tegenwoordig blijkt het perfect uitvoeren van een transplantatie minder gecompliceerd dan de emotionele en psychische perspectieven van de direct betrokkenen.
Quillévéré gaat in haar filmdrama minder expliciet te werk, maar brengt de kijker beeldend genoeg op de hoogte van het hele proces. Alles begeleid door de rustieke, repeterende pianodeuntjes van filmcomponist Alexandre Desplat. Jammer genoeg worden de overwegingen van de ouders – het wel of niet beschikbaar stellen van het lichaam van hun zoon van de wetenschap – ondergesneeuwd door procedure en techniek, net als het persoonlijke leven van Claire, dat beter had mogen worden uitgediept. Neemt niet weg dat Réparer les vivants een belangwekkende film is met een eindshot van ongekend geluk.
Jacqueline Kennedy was een van de meest gefotografeerde en bewonderde vrouwen van de twintigste eeuw, maar veel wisten we nog niet van haar. Natalie Portman kruipt in de huid van de First Lady, maar is teveel bezig met accent en gebaartjes om geheel geloofwaardig te zijn.
Een paar jaar geleden reconstrueerde Peter Landesman in Parkland de gebeurtenissen direct nadat de Amerikaanse president John F. Kennedy op 22 november 1963 werd doodgeschoten. De focus lag op hulpverleners, geheime dienst, de familie Oswald en Abraham Zapruder die de wereldberoemde homevideo van de aanslag maakte. In zijn eerste buitenlandse uitstapje portretteert de vermaarde Chileense regisseur Pablo Larraín (NO, El Club, Neruda) Kennedy’s echtgenote Jacqueline in de eerste dagen van trauma, rouw en waardigheid. Zo prominent en dichtbij als in het biografische drama Jackie zagen we haar nog nooit.
Stijlicoon
Na de saai en degelijk ogende eerste dames Truman en Eisenhower kon het Witte Huis begin jaren 60 wel wat glamour gebruiken. Door haar kokette jurkjes, mantelpakjes en jassen met simpele lijnen en veelal pastelkleuren, eenvoudige pillendooshoedjes, lange handschoenen, zijden sjaals en oversized zonnebrillen groeide Jackie Kennedy snel uit als stijlicoon. Iedereen kent het roze mantelpakje vol bloed (voor de film nagemaakt door de Franse couturier Madeline Fontaine) dat zij droeg tijdens de moordaanslag op ‘s lands razend populaire president JFK. Maar naast het toonbeeld van mode stond Jackie tijdens officiële en sociale evenementen trouw aan de zijde van haar (overspelige) echtgenoot.
Jackie hield zich persoonlijk bezig met de herinrichting van het Witte Huis. De televisie-uitzending over een rondleiding door de First Lady zelf door de rijkelijk ingerichte kamers – vol Amerikaanse kunst en illustere voorwerpen van vorige bewoners – werd een enorme kijkhit. Als je de originele beelden bekijkt, zie je met hoeveel precisie en oog voor detail deze gebeurtenis in de film is nagebootst. Het creëren van een authentieke sfeer (zwart-wit en vale kleuren) kun je gerust overlaten aan Pablo Larraín, die in eerdere films schijnbaar moeiteloos de tijd van de dictatuur van Pinochet opriep. In Jackie weet je soms niet of je naar archiefbeeld kijkt of dat een scène is nagespeeld. Loopt daar nu de echte Jackie een halve eeuw geleden achter de kist? Nee, als je inzoomt is het toch Natalie Portman.
Rondleiding en interview
De rondleiding door de ambtswoning loopt als rode draad door de film, net als Jackie’s interview met een journalist (Billy Crudup), dat is gemodelleerd naar het vraaggesprek van Theodore White van Life, een week na de moord op JFK. In hun niet geheel vlekkeloos verlopen onderhoud vergelijkt Jackie het verblijf in het Witte Huis met Camelot, het kasteel van King Arthur, maar echt overtuigend is de keuze voor deze rode draad in de film niet. Van het beeld van de presidentsvrouw die sterk is of sterk moet zijn voor de natie, zoals de journalist de boodschap van het interview voorstelt, blijft te weinig over. We zijn vooral getuige van een rouwende vrouw vol emoties die als taak heeft haar twee kleine kinderen te vertellen dat hun vader niet meer thuiskomt en zich hierna intensief gaat bezighouden met de begrafenis – niet besloten, maar openbaar met een wandelende processie, geheel tegen de zin van de veiligheidsadviseurs.
Jackie verloopt fragmentarisch en heeft in Natalie Portman een vertolkster die zich danig heeft verdiept in haar personage, maar te erg haar best doet om te praten en te bewegen zoals Jackie Kennedy dat deed. Het dramatische kijken en staren (veel close-ups) werkt veel beter dan haar stem die net even te vaak te zeurderig klinkt. Als je goed oplet, merk je dat bepaalde scènes kennelijk op dezelfde dagen zijn opgenomen. Tijdens de rondleiding hoor je bijna de perfectie stemimitatie, die echt anders klinkt dat het begin van het interview waarin bepaalde woorden, ook zichtbaar, onnatuurlijk worden uitgesproken. In de scènes met de meer spontane dialogen is Portmans acteren minder gemaakt.
Maar werkelijk natuurlijk acteerwerk blijkt pas in de scènes als Jackie praat met een priester, gespeeld door John Hurt. Van het charismatisch bedoelde personage Jackie blijft plotseling weinig over in het gezelschap van deze gerenommeerde Britse acteur die recent op 77-jarige leeftijd overleed.
De trieste, mooie wereld van Jim Jarmusch in elf speelfilms (deel 1)
Jim Jarmusch observeert al 35 jaar lang buitenbeentjes, die belanden in bizarre, droogkomische situaties en dialogen. Met vaak minimale middelen, lange shots en deskundige aandacht voor de populaire cultuur. Zijn twaalfde speelfilm is Paterson (Nederlandse première 9 februari), een eenvoudig liefdesverhaal over een dichtende buschauffeur waarin elke nieuwe dag net even anders is dan de dag daarvoor. Het trieste, maar mooie universum van het icoon van de onafhankelijke Amerikaanse cinema in elf speelfilms. Deel 1.
door Cor Oliemeulen
1. – Permanent Vacation (1980)
Deze afstudeerfilm schetst al duidelijk de contouren van het minimalistische – door ogenschijnlijke nietsnutten bevolkte – universum waarmee Jim Jarmusch zich als onafhankelijk filmmaker op de kaart zou zetten. Een jonge jazzliefhebber dwaalt doelloos rond in een bijna uitgestorven New York vol rotzooi, hopen steen en graffiti. De spontane diefstal van een auto verschaft de coole punker de mogelijkheid om zijn heil elders te zoeken. Mooie zwart-wit fotografie van medestudent Tom DiCillo en gemaakt met een schamel budget van vijftien mille.
Jarmusch’ debuutfilm kon mede tot stand komen door regisseur Nicolas Ray (Rebel Without a Cause, 1955). Hij stelde de filmstudent aan als zijn persoonlijke assistent tijdens de productie van Lighting Over Water, de documentaire over zijn terminale longkanker die (de stug door rokende) Ray maakte met Wim Wenders. Toen Jarmusch zijn eerste filmscript aan Ray had voorgelegd, stuurde deze hem terug omdat er te weinig in actie in zat. Na wat aanpassingen bleek er nóg minder actie in het verhaal te zitten, waarmee hij Nicolas Ray overtuigde van zijn eigenzinnige talent.
2. – Stranger Than Paradise (1984)
Shadows betekende in 1959 de doorbraak van de eerste grote onafhankelijke filmmaker, John Cassavetes. Precies 25 jaar later was Stranger Than Paradise van Jim Jarmusch een nieuwe mijlpaal in de independent cinema. In tegenstelling tot het grotendeels geïmproviseerde debuut van Cassavetes volgen de protagonisten in Jarmusch’ doorbraakfilm nauwgezet het zelfgeschreven script. De werkeloze hippe post-punker Willie (John Lurie, die ook de muziek schreef) krijgt tegen zijn zin zijn nichtje Eva uit Boedapest te logeren. Aangekomen in New York verbaast zij zich over Willie’s levensstijl en eetgewoonte. Eva: “Waarom heet het een TV diner?” Willie: “Je wordt geacht het te eten als je tv kijkt.” Als Eva na een aantal dagen vertrekt naar haar tante in Cleveland vindt Willie dat toch wel jammer, want ze hebben immers samen veel tv gekeken en sigaretten gerookt.
Een jaar later besluit Willie om samen met zijn vriend Eddie per geleende auto af te reizen naar Cleveland, waar Eva in een fastfoodtent werkt. Hoewel het er steenkoud is verzucht Eddie: “Da’s gek. Je komt op een heel nieuwe plaats en alles ziet het er hetzelfde uit.” Het drietal besluit impulsief naar het warme Florida te rijden. Stranger Than Paradise is uiterst sfeervol gefilmd, kent talrijke droogkomische scènes en voelt als een beatnikfilm: ‘on the road’, maar verstoken van filosoferen, seks en drugs. De invloed van de door Jim Jarmusch bewonderde minimalistische filmmakers Yasujiro Ozu en Robert Bresson is waarneembaar.
3. – Down by Law (1986)
De zompige sfeer in Down by Law wordt bepaald door cinematograaf Robby Müller, vooral bekend vanwege zijn oogstrelende fotografie voor een aantal films van Wim Wenders (Im Lauf der Zeit, Der Amerikanische Freund, Paris Texas). Müller zou in nog vier andere films van Jim Jarmusch de plaatjes schieten. Ook John Lurie is weer van de partij (muziek en hoofdrol). Hij speelt de pooier Jack die een vrouw krijgt ‘aangeboden’, maar als hij ter plaatse gaat kijken wat voor vlees hij in de kuip heeft, blijkt er een wel heel jong meisje naakt in bed te liggen. Jack wordt onmiddellijk in de boeien geslagen. Ondertussen zwicht elders in de stad de lanterfantende DJ Zack (Tom Waits) voor een lucratief aanbod om een gestolen auto af te leveren, maar ook hij wordt er in geluisd.
Jack en Zack belanden samen in een cel en krijgen gezelschap van de Italiaanse spraakwaterval Roberto (Roberto Benigni). De droogkloterige dialogen en Roberto’s overspannen, positief bedoelde fratsen – hij tekent een raam op een celmuur zodat ze naar buiten kunnen kijken en zingt luidkeels ‘I scream, you scream, we all scream for ice cream’ met vet Italiaans accent – kunnen op de zenuwen gaan werken. Gelukkig lukt het om te ontsnappen, maar het trio verdwaalt in een uitgestrekt moerasgebied. Als in een droom belanden ze uiteindelijk in een afgelegen eethuisje en bloeit er een spontane romance op met de mooie eigenaresse (Nicoletta Braschi). Benigni was tijdens de opnames van Down by Law voor het eerst in Amerika en zou beroemd worden door zijn rol in het komische Holocaust-drama La vita è bella (1997), opnieuw met Braschi aan zijn zijde.
4. – Mystery Train (1989)
Quentin Tarantino had vast het doldwaze Mystery Train gezien voordat hij zijn eerste films ging maken. De symbiose van drie verhalen die zich grotendeels afspelen in een hotel in Memphis (waar de geest van Elvis rondwaart), de zwarte humor, quasi-intellectuele discussies over de popcultuur, hippe muziek uit voorbije jaren en een pistool dat per ongeluk afgaat – met Mystery Train bewijst Jim Jarmusch zijn oorspronkelijke narratieve talent. Bovendien kon het personage van Steve Buscemi met minimale aanpassingen zó in Tarantino’s Reservoir Dogs (1992) en andere meesterwerken als Fargo (1996) en The Big Lebowski (1998) van de Coen Brothers.
Alle rollen in Mystery Train zijn meesterlijk en vooral gortdroog. Allereerst maken we kennis met een Japans koppel (het meisje is gek van Elvis, de jongen idolaat van Carl Perkins) dat voor het eerst in Amerika is. Zij: “Waarom heb je altijd zo’n serieus gezicht?” Hij: “Ik ben gelukkig; dit is hoe mijn gezicht is.” En: “Memphis is eigenlijk net als Yokohama, maar er staan hier minder gebouwen.” In het tweede verhaal botst een welgestelde Italiaanse vrouw letterlijk tegen een praatziek meisje dat is gedropt door een dronken Brit (Joe Strummer, frontman van The Clash), die we in het derde verhaal ‘trigger happy’ terugzien. En wat te denken van de subtiele mimiek van Screamin’ Jay Hawkins als de in rood pak gestoken hotelklerk en Tom Waits die we driemaal om twee uur ’s nachts op de wekkerradio ‘Blue Moon’ horen aankondigen? (Notabene: Hawkins’ klassieker ‘I put a spell on you’ is een leidmotief in Stranger Than Paradise.)
5. – Night on Earth (1991)
Het leuke van scènes in een taxi is dat chauffeur en passagier elkaar (waarschijnlijk) maar eenmaal in hun leven ontmoeten, waardoor de bekentenissen voor het oprapen liggen. De kijker is getuige van vijf taxiritten in Amerikaanse en Europese steden op hetzelfde moment. Steden die Jim Jarmusch eerder bezocht, dus voor elk avontuur wist hij al met welke sfeershots hij elke scène wilde beginnen. Verwacht geen toeristische trekpleisters, maar eerder plaatjes van gevels, reclameborden, auto’s, rotzooi, graffiti en aanzet tot verval, zoals we die kennen uit zijn vorige films. Net als de onderkoelde humor en oprechte emotie (als er al sprake van emotie is).
Op een vliegveld in Los Angeles pikt een sjofele, kettingrokende taxichauffeur (Winona Ryder) een casting director (John Cassavetes-muze Gene Rowlands) op. Er volgt een gesprek over de verwachtingen des levens en een aanbod dat vriendelijk wordt afgeslagen. Hierna maken we in New York kennis met een Oost-Duitse chauffeur (Armin Mueller-Stahl) die niet kan rijden, zodat zijn passagier het stuur overneemt. In Parijs heeft Isaach De Bankolé een blinde vrouw op de achterbank en veroorzaakt een aanrijding omdat hij niet goed uit zijn doppen kijkt. In Rome vertelt Roberto Benigni zijn seksuele escapades aan een priester en heeft hij met zijn ADHD niet in de gaten dat de geestelijke op de achterbank langzaam bezwijkt. En in de sneeuw van Helsinki ontroert een taxichauffeur (Matti Pellonpää) zijn drie dronken passagiers met een droevige herinnering. Niet alle segmenten zijn even sterk, maar het format van Night on Earth is origineel en zien we heden ten dage nog terug in films en tv-programma’s.
6. – Dead Man (1995)
In zijn essay ‘Pillen en Pistolen’ noemt Alfred Bos Dead Man een ‘honderd procent acid western’. “Alles aan deze film is subversief. Het is een in zwart-wit gedraaide vertelling over een man die rondloopt met een kogel naast zijn hart en in feite al dood is, gespeeld door een Hollywood-ster, in een genre dat op dat moment al jaren passé is. Veel meer afstand van de Hollywood-orde kun je als onafhankelijke Amerikaanse filmmaker niet nemen.”
Die afstand komt vooral tot uiting in de genuanceerde zwart-wit fotografie van Robby Müller. Aangezien het hoofdpersonage (de reïncarnatie van dichter William Blake?) langzaam afstand neemt van alles waarmee hij is opgegroeid, kun je beter zwart-wit beelden tonen dan kleur, omdat kleur sneller associaties uit het verleden oproept. Bovendien speelt het verhaal zich af in de negentiende eeuw, dus schept zwart-wit meer historisch kader. En aangezien Jim Jarmusch vond dat de kleuren van de meeste westerns uit de jaren 50 en 60 erg op elkaar lijken, wilde hij liever de sfeer van een Akira Kurosawa-film dan van een Sergio Leone-western. Dead Man is niet alleen subversief, maar vooral bizar, absurd en geleidelijk aan psychedelisch. De begeleidende gitaarklanken zijn van Neil Young, die twee jaar later door Jarmusch zou worden gevolgd in de documentaire Year of the Horse.
Na zijn bejubelde drama Offline schetst de Belgische regisseur Peter Monsaert ook in zijn tweede speelfilm een portret van mensen die leven in de marge van de samenleving. In Le Ciel Flamand leidt een seksmisdrijf tot moord.
Donkere wolken pakken zich samen boven het bordeel van Monique en Sylvie dat is gelegen in West-Vlaanderen tegen de Franse grens. Terwijl haar oma Monique en moeder Sylvie binnen aan het werk zijn, vraagt Sylvie’s zesjarige dochtertje Eline zich buiten in de auto af wat het betekent als haar moeder zegt: “Als mensen een knuffel nodig hebben, komen ze naar mama.” Mensen helpen, dat wil Eline later ook.
Tien keer poepen per dag
Het leven in het hoerenkot loopt niet altijd op rozen. Een jonge debutante moet erg wennen aan de (hardhandige) wensen van haar eerste klanten, terwijl haar oudere collega’s de nukken van een piepend bed relativeren: “Er is geen enkel bed bestand tegen tien keer poepen per dag.” Monique, die destijds het bordeel met haar man begon, vindt dat Sylvie onderhand de zaak zou moeten verkopen, zodat zij beter voor de kleine Eline kan zorgen, maar Sylvie zegt dat zij het geld nodig heeft. Ondertussen neemt oom Dirk, een bevriende buschauffeur, Eline onder zijn hoede.
En dan slaat het noodlot vreselijk toe. Sylvie (Sara Vertongen, vooral bekend van de Vlaamse tv-series Binnenstebuiten en Familie) neemt stiekem foto’s van haar klanten en probeert de dader van een seksmisdrijf op te sporen. Dirk (speelde ook een hoofdrol in Offline) begint zich wat geheimzinnig te gedragen, terwijl op school een vriendinnetje van Eline (Esra Vandenbussche) zegt dat haar moeder een stinkende hoer is. “Mama, wat is een hoer?”, vraagt Eline. “Hier, ruik maar. Vind je dat mama stinkt?”
Onheilspellende atmosfeer
Veel van de film zien we door de ogen van de kleine Eline. Haar blik op de werkplek van haar moeder en oma is vervuld van mysterie en nieuwsgierigheid. De neonachtige kleuren rood, oranje en paars van het bordeel staan in sterk contrast met het serene blauwgroene schijnsel in Eline’s slaapkamer. Dit is de plek waar ze zich echt op haar gemak kan voelen in tegenstelling tot de auto op de parkeerplaats van het bordeel waar ze vaak met haar moeder tijdens lunchtijd boterhammen eet of nog even moet wachten totdat Sylvie is afgewerkt.
Net zoals in de meeste Belgische films van de laatste jaren wordt in Le Ciel Flamand sterk en geloofwaardig geacteerd. We zien een realistisch beeld van een van zon verstoken Vlaams platteland met het bezoek aan een markt, een danslokaal en de viering van Sinterklaas, die zowaar een rol in deze sombere geschiedenis zal vervullen. Maar tot die tijd is het drama – over de consequenties van schuld en boete – na een sterke eerste helft wat ingezakt. Het knappe is wel de voortdurende onderhuidse spanning, waarbij er op elk moment iets onverwachts kan gebeuren. Alleen al die onheilspellende atmosfeer maakt van Peter Monsaert de zoveelste veelbelovende Belgische cineast die we goed in de gaten moeten houden.
Een erotische misdaadthriller, historisch drama en zwarte komedie zijn op meesterlijke wijze in elkaar verweven. Veel beter en onderhoudender dan The Handmaiden worden films niet gemaakt.
Chan-wook Park maakt films zoals het leven is: vol goede en slechte dingen, geluk en pijn. Met meestal de nadruk op slechte dingen en pijn. Geïnspireerd door Hitchcock, Shakespeare en Kafka is de inmiddels 53-jarige Zuid-Koreaan vooral bekend van zijn zogenaamde Wraak-trilogie, bestaande uit Sympathy for Mr. Vengeance (2002), Oldboy (2003) en Lady Vengeance (2005). Bijna al zijn films blinken uit in een uitgesproken visuele stijl en een intelligent plot waarin de slechte eigenschappen van de mens de boventoon voeren. Park wil je niet alleen emotioneel maar ook fysiek raken en pakt dat aan met surrealistische, absurde en zwart-komische ingrediënten. Ook zonder het gestileerde geweld en de rauwe seks (zelden gratuit) herkent de kenner de eigenzinnige (Koreaanse) filmstijl.
Regelmatig op verkeerde been
Voor The Handmaiden nam de regisseur het boek Fingersmith van de Britse auteur Sarah Waters als bindend uitgangspunt. Een zakkenrolster wordt door een oplichter uitgekozen om een rijke dame geld afhandig te maken. De bedoeling is dat de zakkenrolster als dienstmeisje gaat werken bij de rijke dame en haar zodanig manipuleert dat zij met de oplichter zal trouwen. Vervolgens is het zaak om de rijke dame tot waanzin te drijven, zodat zij moet worden opgenomen in een inrichting en het criminele duo er met de buit vandoor kan gaan. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan, want er ontstaat al snel een innige band tussen beide vrouwen.
Chan-wook Park verplaatste het zeer gelaagde verhaal met de complexe driehoeksverhouding van het Victoriaanse Londen naar het door Japan bezette Korea van de jaren dertig zonder afbreuk te doen aan plot en emotionele lading. Hij benadrukt de patriarchale onderdrukking in de persoon van een perverse oom die verantwoordelijk is voor de huidige, labiele gemoedstoestand van de rijke dame in de film, Lady Hideko (Min-hee Kim). De zakkenrolster heet Sook-Hee (Tae-ri Kim) en de oplichter doet zich voor als ene graaf Fujiwara (Jung-woo Ha). Zet je schrap voor 140 minuten waarin de enerverende geschiedenis vanuit drie perspectieven wordt verteld en je – door Park’s curieuze narratieve technieken – langzaam ontdekt waartoe dubbelspel en onderdrukking kunnen leiden.
Het is niet vreemd dat The Handmaiden de atmosfeer van Chan-wook Park’s meest bejubelde Oldboy ademt, aangezien dezelfde personen verantwoordelijk zijn voor productie, montage, kostuums, muziek en cinematografie. Elk frame van Chung-hoon Chung is een overweldigend schilderij van het door Seong-hie Ruy ontworpen aristocratische speelveld van elegante kamers, fraaie tuinen met prominent een boom met een strop, en een verboden kelder waar Hideko’s oom Kouzuki een opmerkelijke verzameling literatuur en menselijke relikwieën herbergt.
Seks en geweld
Als er seks in een film wordt gebruikt, is dat over het algemeen van korte duur en suggestief. Een verplicht nummertje. Het tonen van het minnespel is functioneel wanneer de kijker beseft dat de relatie tussen mensen (ook) op lichamelijk vlak intiem is. En in het geval van daadwerkelijke copulatie is het natuurlijk handig te weten hoe het komt dat iemand later in de film zwanger blijkt, en vooral van wie.
Een meesterwerk met pittige seks. Kan dat? Na het verschijnen van het intense liefdesdrama La vie d’Adèle (2003) ontstond de nodige opschudding omdat de twee hoofdrolspeelsters elkaar minutenlang tot orgasmes beroeren, wat er verdraaid realistisch uitziet en in die mate nog nooit was vertoond in een mainstream film. De seks in The Handmaiden is niet minder oprecht en opwindend, maar minder expliciet in beeld gebracht. Eén liefdesscène is vooral schalks – een speels experiment, dat eerder ter sprake kwam toen Hideko van oom Kouzuki verhalen in de stijl van de Markies van Sade moest voordragen aan een klein gezelschap hijgerige mannen.
Vergelding gaat bij Chan-wook Park meestal samen met geweld. In zijn vorige (vooralsnog eerste Engelstalige) film Stoker (2013) leidt een driehoeksverhouding tot vooral heel veel suspense, maar in The Handmaiden keert Park voor even terug naar ouderwets gestileerd geweld. Meer dan ooit met een vette knipoog, want de afrekening tussen twee mannen heeft hij zelf bij het verhaal verzonnen. Zo kan er zomaar een handvol vingers in de prullenbak verdwijnen. Maar geen hamers ditmaal, wel Park’s traditionele schaar, waarvan het de vraag is of die ditmaal daadwerkelijk als martelwerktuig dienst zal doen. Ondertussen gloriëren en genieten de vrouwen met hun eigen schaar.
Waardering
Vorig jaar staken veel filmcritici de loftrompet over een andere visueel overdonderende Aziatische productie, The Assassin. Die verstilde wuxia-film is qua verhaal nauwelijks te volgen en bovendien bijna geheel verstoken van actie, maar desalniettemin werd de rolprent van de zeker niet onverdienstelijke Chinese filmmaker Hsiao-Hsien Hou bedolven onder de maximale score van vijf sterren. Hoewel het moeilijk is appels met peren te vergelijken, hoe moet je dan The Handmaiden in hemelsnaam waarderen? Net zo prachtig gefilmd en sfeervol, maar gesteund door een bijzonder sterk verhaal, fantastisch geacteerd, alsook perfect gemonteerd en geregisseerd. Chan-wook Park is met The Handmaiden definitief toegetreden tot een selecte groep van grote regisseurs uit de filmgeschiedenis.
Kwetsbare outsider smacht naar vriendschap en liefde
door Cor Oliemeulen
Voor gevoelige, kwetsbare mannen is weinig plaats in Hollywood, behalve als ze uiteindelijk een flinke lading leed en tegenslag overwinnen. Moonlight is het aangrijpende opgroeidrama van een Afro-Amerikaanse homoseksueel die volwassen wordt in een achterstandswijk van Miami en zijn plekje in de wereld probeert te veroveren.
Wordt het de musical La La Land of het drama Moonlight bij de komende Oscaruitreikingen? Wordt het wit of wordt het zwart? Tot verbijstering van velen bedeelde de Academy vorig jaar geen enkele belangrijke Oscar toe aan een niet-blanke, zelfs niet aan het hiphopdrama Straight Outta Compton. Alleen al om die reden kan de hoofdzakelijk bejaarde en conservatieve jury niet heen om de enigszins gehypte coming of age over een jongen die opgroeit in een drugsomgeving in Miami en ontdekt dat hij homoseksueel is, maar niet in staat blijkt de daad bij het woord te voegen. In Moonlight zijn het de omstandigheden die bepalen wie we zijn en wie we worden.
Intense worsteling voor eigen plekje
In zijn debuut Medicine for Melancholy (2008) gebruikt regisseur Barry Jenkins de stad San Francisco als decor voor een etmaal waarin een zwarte man en een vrouw, na een one night stand, vooral discussiëren over hun etnische identiteit. In Moonlight is het ook een Afro-Amerikaan die op zoek is naar zijn persoonlijke identiteit, maar vooral naar vriendschap en liefde. Plaats van handeling is Miami: niet de dure stad van modieus geklede, coke snuivende en opsporende mensen van Miami Vice, maar het Miami van de armoedige wijken waarin je moeilijk kunt ontsnappen aan de misdaad en je als kwetsbare outsider moeilijk staande kunt houden.
Moonlight is oorspronkelijk een schooldrama, geschreven door Tarell Alvin McCraney, dat dient als basis voor de film. Voor Jenkins was het een gelegenheid om de herinneringen aan zijn eigen kinderjaren te vertalen naar het witte doek, gesteund door de poëtische taal van McCraney. Het duo kende elkaar niet als kinderen, hoewel hun jeugd erg op elkaar leek: dezelfde scholen en allebei opgegroeid in gezinnen met drugsverslaafde moeders. Het werkelijke thema van hun verhaal is niet zozeer (homo)seksualiteit, maar de intense worsteling van de kwetsbare zwarte jongen Chiron die zijn plekje in de wereld probeert te bemachtigen.
Drieluik met drie geloofwaardige acteurs
We volgen Chiron in een drieluik dat ruim twee decennia omspant. In het eerste deel van de film speelt nieuweling Alex Hibbert het tienjarige jochie, vanwege zijn kleine postuur en onzekere uitstraling Little genoemd. De thuissituatie is schrijnend omdat zijn moeder (sterke rol van Naomi Harris, Miss Moneypenny in de laatste twee James Bond-films) verslaafd is aan crack. Little zoekt regelmatig zijn toevlucht tot de sympathieke drugsdealer Juan (Mahershala Ali, House of Cards), die als een vader voor hem is, en diens vriendin.
De 16-jarige Chiron (hij wordt boos als mensen hem anders noemen) wordt gespeeld door Ashton Sanders (had een bescheiden rolletje in Straight Outta Compton). Hij is nog steeds erg kwetsbaar, wat hem tot pispaaltje maakt van een groepje jongens. Met zijn vriend Kevin beleeft hij zijn eerste seksuele ervaring, maar niet veel later flikt Kevin hem een kunstje, met verregaande consequenties.
In het laatste deel van Moonlight luistert Chiron (de eveneens relatief onbekende Trevante Rhodes) naar de naam Black. Door zijn verblijf in de bajes, zijn blitse wagen en gouden sieraden oogt hij stoer, maar hij torst tegelijkertijd de enorme last van zijn kindertijd en jeugd op zijn gespierde schouders mee. Dat leidt tot de zowel dramatische als ontroerende apotheose, wanneer hij Kevin na lange tijd weer ontmoet.
Een rapper die na een moordaanslag Parijs moet ontvluchten komt terecht bij een sikkeneurige bouwvakker. Twee grotere tegenpolen zijn er nauwelijks, maar er ontstaat een band tijdens een tocht door Frankrijk. In het degelijke Tour de France komen twee werelden samen.
Van doodsbedreigingen op social media kijkt tegenwoordig nauwelijks nog iemand op, de daad bij het woord voegen is serious shit. Een battle tussen de rivaliserende rappers Spynx en Far’Hook leidt tot een mislukte aanslag met een geweer, waarna laatstgenoemde zijn toevlucht zoekt tot Bilal, zijn producer, op het platteland. Daar aangekomen blijkt die niet thuis, want zijn vriendin staat op het punt van bevallen. Na het nodige aandringen opent Bilals vader Serge de deur. Sinds zijn zoon Mathieu zich bekeerde tot de islam en zijn naam veranderde in Bilal heeft Serge het helemaal niet meer op mensen met een andere afkomst. Laat staan op rappers.
Etnisch profileren
Serge (Gérard Depardieu) kan wel een chauffeur voor zijn oude truck gebruiken en neemt Far’Hook (Sadek) mee op reis langs een aantal Franse havens. Sinds de dood van zijn vrouw treedt Serge in de voetsporen van de achttiende-eeuwse schilder Joseph Vernet en probeert hij diens havengezichten op het doek te reproduceren. De kost verdienen doet hij met wat timmerwerk en onderwijl leert hij Far’Hook hoe je met je handen werkt. Het duurt een halve film voordat er een greintje van wederzijds respect ontstaat.
Serge vindt zich geen racist, maar is wel anti-islam en voelt zich een minderheid in zijn eigen land. Hij vindt rappers dom, want hun teksten reiken volgens hem niet verder dan ‘Zuig mijn lul, beng beng’, ‘ik neuk jou want jij neukt mijn moeder’ en ‘ik ben de koning van de buurt.’ Maar als hij Far’Hook een heus opinieblad ziet lezen en deze een gedicht van Arthur Rimbaud citeert, gaan Serge’s vooroordelen langzaam overboord. Tegen de tijd dat Far’Hook door de politie wordt onderworpen aan een pittig potje etnisch profileren, neemt Serge het voor hem op, gaat met de agenten op de vuist en belandt het duo tijdelijk in de cel. En als Bilal later een dochtertje met de ‘Arabische’ naam Noura heeft gekregen, lijkt Serge’s aanvankelijke aversie als sneeuw voor de zon verdwenen.
Xenofoob versus moderne burger
In Tour de France komen de werelden van de oudere xenofobische autochtoon en de jonge rapper als exponent van de moderne tijd geloofwaardig samen. Dat komt door de goede interactie tussen de twee acteurs, waarvan we de sympathieke rapper Sadek ongetwijfeld vaker zullen terugzien. In pas zijn tweede speelfilm kreeg regisseur Rachid Djaïdani bovendien de beschikking over één van de grootste Franse acteurs van de laatste veertig jaar, Gérard Depardieu. Als geen ander weet hij een dergelijke onbehouwen knorrepot gestalte te geven en uiteindelijk te laten inzien dat de tijden zijn veranderd, of hij nu wil of niet. Serge’s gestage metamorfose leidt tot de grappigste scène van de film als hij ‘La Marseillaise’ begint te rappen. Maar ach, rappen in het Frans, je moet ervan houden…
Hoewel het subplot – rapper staat andere rapper naar het leven – ondergeschikt is aan de onwaarschijnlijke vriendschap tussen de twee tegenpolen, had dat veel beter uitgewerkt kunnen worden. Het is vooral Depardieu’s verdienste en uitstraling dat het werkelijke verhaal van Tour de France nergens sentimenteel en overtrokken wordt. Een solide film, maar bijzonder verrassend en opwindend is het allemaal ook weer niet.
Magnus is een documentaire over de gelijknamige Noorse wereldkampioen schaken die zich laat kijken als een spannend jongensboek.
“Ik heb nog nooit zoiets indrukwekkends gezien”, verzucht iemand als Magnus Carlsen uit zijn hoofd alle zetten van zijn partij tegen een zojuist verslagen opponent in Harvard University opschrijft. Normaal geef je zo iemand misschien je handtekening, maar de Noorse schaakgrootmeester overhandigt liever een notatieformulier als herinnering. Ook de negen andere advocaten hadden tijdens de blindsimultaan tegen de ‘Mozart of Chess’ geen schijn van kans gehad.
De kunst van het componeren
Componeren op het schaakbord. Schaken als kunst. Weinigen zo creatief als Magnus Carlsen, op 30 november 1990 geboren in het stadje Tønsberg. Aan de hand van homevideo’s blikt vader Henrik terug op de kindertijd van zijn enigste zoon. Terwijl we zijn drie zusjes spontaan zien ravotten in de Noorse natuur, denkt de vierjarige Magnus eerst goed na voordat hij tot actie overgaat. Drie jaar later kent hij de hoofdsteden, vlaggen en inwonersaantallen van de meeste landen van buiten. Hij is gek van lego, én van schaken. We zien Magnus weliswaar de Donald Duck lezen, maar volgens zijn vader vertellen vooral cijfers en nummers hem het verhaal. Dat maakt hem op school een eenling, een outsider. Hij wordt veel gepest omdat hij altijd in gedachten is. “Schaken was goed voor zijn zelfvertrouwen”, vertelt Henrik. Magnus Carlsen werd al op zijn dertiende Noors schaakkampioen. Het begin van een glansrijke carrière.
Nadat zijn landgenoot Øyvind Asbjørnsen in de korte documentaire The Prince of Chess in 2005 het wonderkind portretteerde, neemt Benjamin Ree in Magnus als het ware het stokje over vanaf het moment dat Carlsen internationaal doorbreekt. Zijn camera draait tijdens alle belangwekkende gebeurtenissen met de lens vaak dicht op de huid en op het schaakbord. Het resultaat is een sympathieke coming of age van een ongekend talent dat we zien opgroeien van tiener tot volwassene, zowel in de arena als in zijn gezin. Een must voor de schaakliefhebber, maar zeker zo interessant voor de liefhebber van een geobsedeerd persoon die zijn hele leven in het teken stelt van het doel om de beste te worden. Tegelijkertijd blijkt Magnus een zeer gesloten persoon. “Ik houd mijn demonen voor mezelf. Soms is het zwaar dat je de enige bent die iets begrijpt.”
Meer mens dan computer
Schaken en cool zijn, gaat niet goed samen. Dat imago veranderde enigszins toen een bekend jeansmerk Magnus Carlsen in 2010 als boegbeeld van zijn reclamecampagne naar voren schoof, in stoere poses door Anton Corbijn vereeuwigd. Dit hoefde kennelijk niet in de documentaire, want Magnus blijkt sowieso veel meer mens dan computer. Hij houdt niet van het gedisciplineerd uitpluizen van databases met alle openingen en partijen van zijn tegenstanders, maar speelt liever intuïtief. Een groot contrast met de Indiase grootmeester Viswanathan Anand, de wereldkampioen die in 2013 door Carlsen wordt uitgedaagd voor de titel. Tijdens de eerste vier partijen van de tweekamp is de uitdager bloednerveus – hij laat zowaar een paar keer een stuk uit zijn hand vallen – maar als hij op de eerste rustdag veel lol heeft gemaakt met zijn zusjes en ouders, zit vanaf de vijfde partij een volkomen ontspannen en zelfverzekerde toekomstige wereldkampioen achter het bord.
Magnus Carlsen heeft de hoogste schaakrating ooit. Of hij de beste schaker aller tijden is, zal blijken als hij net als Garry Kasparov het mondiale schaken twee decennia lang kan beheersen en dezelfde mate van vernieuwing en creatief aanvalsschaak op het bord kan toveren als de Rus (die enigszins nerveus op zijn stoel schuift als een 13-jarige Magnus tegenover hem aan het bord zit). Maar dat Carlsen een genie is, staat buiten kijf. Misschien wel even geniaal als Bobby Fisher, ongrijpbaar op en naast het bord. Die tijd dat iemand zijn tegenstander zo genadeloos van het bord kon vegen is (jammer genoeg) voorbij, want na de introductie van schaakcomputers weet je bijna exact welke openingen je tegenstander speelt en kun je je heel gericht voorbereiden.
Je vraagt je af wat er van Bobby Fisher terecht zou zijn gekomen als ook hij in een stabiel gezin was opgegroeid. Van Magnus Carlsen hoeven we niet snel te verwachten dat hij ten prooi valt aan paranoia en zal doordraaien. In dat geval zou dat vast een even mooie vervolgdocumentaire opleveren.