Denial

***

recensie Denial

Holocaust: feit of mening?

door Cor Oliemeulen

Al lang voordat politici strooiden met kwalificaties als ‘nepnieuws’ en ‘alternatieve feiten’ profileerden personen een feit als mening. De ontkenning van de Holocaust is misschien wel het meest pijnlijke voorbeeld. Het biografische drama Denial registreert één van de meest geruchtmakende rechtszaken uit de Britse geschiedenis.

In 1994 is de Amerikaanse historica Deborah Lipstadt (Rachel Weisz) professor van de modern joodse geschiedenis aan de Emory University in Atlanta. Ze schrijft de vier belangrijkste argumenten van de Holocaust-ontkenning op het schoolbord. ‘De moorden op de Joden waren niet systematisch. Het aantal doden was overdreven. Auschwitz was niet gebouwd met gaskamers ten behoeve van uitroeiing. De Holocaust is een mythe, bedacht door Joden om financiële compensatie voor Israël te krijgen.’

Denial

Omgekeerde bewijslast
Een jaar eerder publiceerde zij ‘Denying the Holocaust’, waarin Lipstadt haar Engelse collega David Irving (Timothy Spall) bestempelde als ontkenner van de Holocaust en zijn geloofwaardigheid als historicus ernstig in twijfel trok. Irving verstoorde een lezing tijdens haar boekpresentatie en klaagde haar en haar uitgeverij Penguin Books in 1996 aan wegens smaad. Het proces dat vier jaar later volgde, werd een belangrijke juridische beproeving op het snijvlak van Holocaust-ontkenning en vrijheid van meningsuiting.

David Irving, die zich eerder associeerde met rechtsextremisten en neonazisme promootte, wil dat het proces wordt gehouden in Engeland. Hier geldt namelijk omgekeerde bewijslast: je moet kunnen aantonen dat wat je schrijft waar is, terwijl volgens het Amerikaanse recht iemand onschuldig is totdat het tegendeel bewezen is. Dat blijkt bij voorbaat een hele kluif, want er is nog nooit een zeer gedegen forensische studie naar de Holocaust gedaan. Wanneer Lipstadt met haar raadsman (Tom Wilkinson) Auschwitz bezoekt, wordt bevestigd hoe lastig het is om bewijs aan te dragen voor de systematische uitroeiing van miljoenen Joden.

Getuigen
Dus wat een fluitje van een cent lijkt, resulteert in een wekenlang proces. Deborah Lipstadt is ver van huis, in een onbekend land met een totaal ander rechtssysteem en moet zich grote moeite getroosten om haar juristen te leren vertrouwen. Het liefst zou ze Irving zelf van repliek dienen, echter haar legertje raadslieden raadt haar ten strengste af om zelf als getuige op te treden, want teveel emotionele betrokkenheid kan de zaak schaden. Het liefst geeft Lipstadt in het proces ook enkele Holocaust-overlevers een stem, maar ook dat zou onverstandig zijn. David Irving zou ze vernederen en belachelijk maken, omdat ze zich niet alle details zouden kunnen herinneren.

Denial

Terwijl buiten het gerechtshof en in de media het tumult toeneemt, is David Irving in zijn element, omdat hij ervan overtuigd is dat zijn opponenten nooit concreet bewijs voor het bestaan van de Holocaust kunnen aantonen. Bovendien weet hij zich aan het eind van het proces plotseling gesteund door de rechter die zich hardop afvraagt hoe je iemand van leugens kunt betichten als die persoon zelf ervan overtuigd is dat iets is zoals hij denkt dat het is, zelfs al is die persoon antisemiet.

Feit of mening
Denial
is deels een rechtbankdrama en deels een portret van een vrouw die onrecht wil uitbannen, maar te maken krijgt met een zeer lastige juridische kwestie. Na een aantal bijrollen (Youth, The Lobster, The Light Between Oceans) en recent een niet onverdienstelijke hoofdrol (Complete Unknown) is Rachel Weisz weer eens alom aanwezig en ouderwets op dreef. In Timothy Spall vindt zij een antagonist die goed is in het neerzetten van grommige botteriken (Mr. Turner).

Het scenario van Engelsman David Hare mag dan minder sterk en meer voorspelbaar zijn dan van zijn toppers The Hours (2002) en The Reader (2008), Denial is geen stugge film vol jargon. Het is eerder een onderhoudend drama voor het grote publiek, in een tijd en wereld waarin de waarheid regelmatig geweld wordt aangedaan. Mensen lezen weleens iets op het internet en nemen dan automatisch aan dat dat waar is. Een mening hebben is prima en vrijheid van meningsuiting een groot goed, maar over feiten kun je nu eenmaal geen mening hebben. Feiten staan vast.
 

1 april 2017

 
MEER RECENSIES

T2 Trainspotting

***

recensie T2 Trainspotting

Ouder, niets wijzer, wel treuriger

door Alfred Bos

Met T2 Trainspotting keert regisseur Danny Boyle terug naar de cult-film die het escapisme en het nihilisme van de jaren negentig op celluloid wist te vangen. Sindsdien is de wereld ingrijpend veranderd, maar Renton, Spud, Sick Boy en Begbie niet.

Is het snugger om een cult-klassieker uit de jaren negentig te belasten met een vervolg? Zou P2 Pulp Fiction werken? Snugger is het laatste wat je de personages van Trainspotting, Danny Boyles verfilming uit 1996 van Irvine Welshs gelijknamige roman, kunt verwijten. Dat werkt in het voordeel wanneer Boyle een Linklater doet en het kwartet marginalen uit Schotland twintig jaar ouder, maar geen dag wijzer opnieuw naar het filmdoek brengt. Het belangrijkste verschil? Ze hebben nu een mobiele telefoon. Die is smart, zijzelf niet.

T2 Trainspotting

Na zijn maten een loer te hebben gedraaid is Renton (Ewan McGregor) ondergedoken in Amsterdam, leren de openingsbeelden. Nu is hij terug in Leith, het destijds verloederde havenkwartier van Edinburgh. Dat is inmiddels flink opgeknapt, maar Spud (Ewen Bremner) is nog steeds aan de heroïne, de psychopaat Begbie (Robert Carlyle) pakt vers uit het gevang zijn criminele carrière weer op en Sick Boy (Jonny Lee Miller) baat een kroeg uit op een vervallen industrieterrein. Hij scharrelt bij als afperser en zet zijn Bulgaarse vriendin Veronika (Anjela Nedyalkova) in als lokaas. Voor de achterblijvers is het nog steeds 1996. Ze zijn toeristen in hun eigen jeugd, zoals Sick Boy opmerkt.

Beeldcitaten
Met Fenton is tevens de buit van toen teruggekeerd en hij wil het geld eerlijk verdelen, maar ook nu gaat er iemand op gehaaide wijze met de poet vandoor. Eerst een kans, daarna het verraad—ook dat is niet veranderd. Wat wel is veranderd, is het tijdsbesef van de personages. Trainspotting speelde op het snijvlak van de jaren tachtig en negentig, maar voor de junks stond de tijd stil. Middels flashbacks op super 8-film toont Doyle herinneringen aan een jeugd zonder zorgen. Bovendien spelen in flashbacks nieuwe acteurs de twintigers van toen. Het geeft de personages een diepte die de eerste film ontbeert. Renton wil verzoening, Sick Boy wil geld, Spud wil liefde en Begbie wil wraak. Wat hen bindt: ze willen allemaal hun jeugd terug.

Wie de kennismaking met het viertal eertijds heeft gemist zal aan T2 Trainspotting hooguit een stoet van citaten uit de film van toen ontgaan, waaronder het bierglas dat door de kroeg vliegt en de verwijzing naar het Nederlandse voetbal. Rentons vriendinnetje Diane (Kelly Macdonald in haar debuutfilm) is nu jurist en speelt, helaas, een minimale bijrol. Auteur Irving Welsh is opnieuw aanwezig als Mickey Forrester, de gangster van dienst. Doyles verwijzing naar Once Upon A Time in The West – het drietal op een verlaten perron in de hooglanden – komt opnieuw langs. En ook ditmaal is er een Kubrick-citaat, nu uit The Shining (toen A Clockwork Orange).

T2 Trainspotting

Grafische grappen
Renton, Spud, Sick Boy en Begbie zijn weliswaar ouder maar geen steek wijzer geworden, in het nihilisme van hun wilde jaren is niettemin een vleugje melancholie geslopen, het zeurende besef van vergankelijkheid, van gemiste kansen. Wie wel wijzer is, is de regisseur. Danny Boyle was midden jaren negentig een tv-regisseur die de overstap maakte naar film, Trainspotting was zijn tweede. Inmiddels is hij een gelauwerde cineast, met een Oscar in de vensterbank, en dat is aan T2 af te zien. Over de dynamiek van de eerste film legt hij de visuele flair – inclusief grafische grappen – die zijn hyperkinetische beeldtaal is gaan kenmerken.

Trainspotting was midden jaren negentig de Engelse pendant van Tarantino’s groter dan het leven getekende scharrelaars aan de zelfkant en kreeg navolging met een stoet van Britse films over karikaturale kruimelcriminelen, Lock, Stock and Two Smoking Barrels voorop. Nu Boyle zichzelf kopieert doet hij dat met de lessen die hij heeft geleerd van de tien speelfilms die hij nadien maakte en zo blijkt T2 Trainspotting eigenlijk een betere film dan het indertijd bejubelde, maar met de blik achteraf toch een beetje eendimensionaal ogende origineel.

O ja, de soundtrack. Die is van Rick Smith, de toetsenman van Underwold, wier Born Slippy klonk onder de slotscène van Trainspotting; het bracht de groep naar het grote publiek. Ditmaal geen rave en Britpop, maar scheurende techno. En Iggy Pops Lust For Life, want sommige dingen kunnen maar beter niet veranderen. In 2038 verwachten we T3.
 

14 februari 2017

 
MEER RECENSIES

I, Daniel Blake

*****

recensie I, Daniel Blake

Voedselbanken en sancties

door Cor Oliemeulen

Soms duurt het een halve eeuw voordat je je levenswerk hebt voltooid. Ken Loach mag gaan genieten van zijn laatste jaren, maar we zijn bang dat hij dat niet kan. Terwijl veel politici de andere kant op kijken, zal de Britse regisseur waarschijnlijk tot zijn dood een scherp oog voor de menselijke maat hebben.

De Brit Ken Loach is zonder twijfel de meest begaafde regisseur die sociaal bewogen films maakt. Op de laatste golven van het Engelse ‘kitchen sink realism’ (gootsteendrama’s) brak hij in 1969 door met Kes, het ontroerende verhaal over een arbeidersjongen die genegenheid vindt bij een valk. Met zijn laatste drama I, Daniel Blake won hij in mei na een staande ovatie de Gouden Palm tijdens het filmfestival van Cannes. Na een halve eeuw films maken heeft zijn persoonlijke naturalistische stijl alleen maar meer contouren gekregen.

I, Daniel Blake

Politiek statement
In zijn jongste drama volgen we de opgewekte frustratie van een van een hartaanval herstellende timmerman in Newcastle die wordt verplicht te gaan werken terwijl zijn arts zegt dat hij dit beslist niet mag. Ken Loach, die bij het verschijnen van Jimmy’s Hall in 2014 aankondigde dat het nu welletjes was geweest, moest en zou nog eenmaal een politiek statement maken nadat hij zich had verdiept in de kapitalistische erfenis van voedselbanken en sancties.

Na al zijn interviews en discussies met politici over de schrijnende maatschappelijke praktijken waarin een deel van Engeland en Europa verkeert (in sommige delen van Amerika schijnt dit niet anders te zijn), is het moment aangebroken dat de inmiddels 80-jarige filmmaker welverdiend op zijn lauweren kan rusten. Maar je weet het nooit zeker met Ken Loach. Zeker als hij weer eens wordt gegrepen door een geëngageerd verhaal van zijn vaste scenarist Paul Laverty. Vanaf Carla’s Song in 1996 vormen Loach en Laverty twaalf films later een ongekend gouden tandem.

Onbekende acteurs
Voorlopig beschouwen we I, Daniel Blake dus als magnum opus. Eén van de sterke punten van Ken Loach is dat hij werkt met onbekende acteurs en amateurs, en geheel op locatie filmt, net zoals de Italiaanse neorealisten dat in de jaren 40 en 50 deden om authentieke sociale documenten te creëren. Zo wordt de titelfiguur van I, Daniel Blake gespeeld door Dave Johns, zelf zoon van een timmerman en vooral actief als stand-up komiek (net als John Bishop, die in Route Irish een ex-huurling in Irak speelt). Ken Loach heeft gelijk als hij zegt dat juist je sociale achtergrond en je levenservaring je acteerprestaties bepalen, in de geest van filmdocent Stella Adler die tal van grote Amerikaanse acteurs en actrices op vaak hardhandige wijze de kneepjes van het acteervak bijbracht.

Dave Johns is authentiek en weet zijn karakter Daniel Blake – ondanks zijn helletocht in de doorgeslagen bureaucratie en repressie – een bijna verbazingwekkende dosis humor, empathie, zorgzaamheid, trots en fatsoen mee te geven. Criticasters zijn geneigd de door Loach en Laverty geschetste wereld van voedselbanken en sancties (bijvoorbeeld geen geld als je een formulier niet helemaal hebt ingevuld) eenzijdig te noemen, want de economie trekt toch aan? Daniel Blake is echter volstrekt geloofwaardig in een wereld waarin de tegenstellingen groter worden en de menselijke maat steeds meer onder een vergrootglas moet worden gezocht.

I, Daniel Blake

Verzet
Het titelpersonage komt uiteindelijk in verzet en weigert volgens eigen zeggen als een hond te sterven. Maar naast een sociaal drama is I, Daniel Blake een verhaal over vriendschap. Een aandoenlijke band tussen de timmerman en de alleenstaande moeder Katie (Hayley Squires) met twee kinderen, die het bestaan in Londen niet meer konden bolwerken, maar ook in Newcastle aan hun lot worden overgelaten. Daniel heeft een ziek, maar een goed hart, en doet klusjes in Katie’s nieuwe onderkomen, dat is verstoken van verwarming. Ook zij is gestraft omdat zij niet alle regeltjes heeft opgevolgd.

En ondertussen worstelt Daniel met allerlei door de strot geduwde digitale procedures en zien we Katie in een hartverscheurende scène bij de voedselbank. Maar Loach, Laverty en Blake laten zich niet kennen: al het leed wordt opgediend met zwarte humor en relativering, wat het drama des te indrukwekkender en vernietigender maakt.
 

21 november 2016

 
MEER RECENSIES

Light Between Oceans, The

***

recensie The Light Between Oceans

Nieuwste film Cianfrance geen lichtpunt

door Wim Meijer

Regisseur Derek Cianfrance beschikt over een topcast en een wereldwijde bestseller als bronmateriaal, maar zijn nieuwste film The Light Between Oceans haalt het niet bij zijn vorige successen The Place Beyond The Pines en Blue Valentine.

De Eerste Wereldoorlog is afgelopen. Michael Fassbender speelt Tom Sherbourne, een man die zoveel dood en ellende zag dat hij emotioneel is afgestompt en een baan accepteert op het verlaten eiland Janus als vuurtorenwachter. Even bezinnen, peinzen en turen in de stralen van het roterende licht. Hoosbuien teisteren het kleine, desolate eiland. Janus bevindt zich tussen twee oceanen en de vuurtoren op het eiland houdt de schepen veilig. Het is een fictief eiland bij de kust van Australië volgens M.L. Stedman, de schrijver van het boek waarop Cianfrance de film baseerde. In werkelijkheid werd de film opgenomen op Tasmanië.

The Light Between Oceans

Janus staat niet alleen voor een geografische locatie, maar ook voor de Romeinse god met de twee gezichten. Die twee gezichten komen op allerlei manieren terug in de film. Sherbourne kijkt terug op de oorlog en vooruit naar de toekomst, terug op de dood en vooruit naar het leven. Ook zijn vrouw Isabel wil nieuw leven creëren, maar op natuurlijke wijze lukt dat niet. Na twee miskramen spoelt een boot aan met een baby, die het echtpaar besluit te houden. Er ontstaan wederom twee gezichten, want de buitenwereld mag van niets weten.

Morele keuzes
Alicia Vikanders personage Isabel Graysmark brengt weer licht in het leven van Sherbourne. Een mooie romance bloeit op, gesterkt door een aanstekelijke chemie tussen de protagonisten. De twee acteurs werden door Cianfrance gedwongen zes weken samen op een eiland te bivakkeren, waarna ook in real life een romance volgde. Dat spat eraf op het scherm. Gestileerde shots en mooi gecomponeerde muziek voeren de kijker mee in het zoetsappige plot. Er begint iets te knagen. Het stel heeft morele keuzes gemaakt en staat voor een dilemma. Kiezen ze voor elkaars geluk, of laten ze zich leiden door hun innerlijke kompas om zo hun fouten uit het verleden goed te maken?

The Light Between Oceans

The Light Between Oceans kent prachtig acteerwerk van de gelauwerde cast. Alicia Vikander als wanhopige moeder toont een heel ander personage dan de gewetenloze, berekenende AI uit Ex Machina. Fassbender is top als vader die in gewetensnood komt. Rachel Weisz speelt een kleine rol als moeder die verscheurd is door verdriet, want ze is haar dochter en man verloren, jaren geleden.

Waar Derek Cianfrance’s The Place Beyond The Pines en Blue Valentine met een introverte Ryan Gosling meer ruimte lieten voor interpretatie, gooit de regisseur in zijn nieuwste film die deur op vaak brute wijze dicht. Emotie wordt er met een ganzentrechter ingegoten. Dat kan eens gebeuren, maar aangezien het plot uit The Light Between Oceans vrij dramatisch van aard is, zijn dit soort scènes volop aanwezig. En dat gaat storen. Cianfrance’s boekverfilming is te sentimenteel en melodramatisch. Met name de uiteindelijk flashforward van 1922 naar 1950 voelt geforceerd aan, vertraagt onnodig en doet de film geen recht. De film mist subtiliteit en was gebaat bij nét even een paar tandjes minder emotie. Fassbender en Vikander redden het geheel enigszins.
 

4 november 2016

 
MEER RECENSIES

Genius

***

recensie Genius

Structuur ontbreekt in film over geniale redacteur

door Wim Meijer

Hoewel Genius de auteur-redacteur relatie treffend verfilmt, is het allerminst geniaal te noemen. De film had beter het advies van de protagonist op kunnen volgen: ‘Just stick to the story.’

De excentrieke Thomas Wolfe (Jude Law) levert een manuscript van duizenden pagina’s aan. Iedere uitgeverij wijst hem af, totdat hij oog in oog staat met Maxwell Perkins (Colin Firth), redacteur van Ernest Hemingway en F. Scott Fitzgerald. Wolfe steekt met veel bravoure een verhaal af gevuld met metaforen en proza. Hij snapt dat Perkins hem afwijst. Immers, alle anderen deden het ook. Maar Perkins kijkt verder en ziet de schoonheid in Wolfe’s werk, dat dan nog is doorspekt met overbodige beschrijvingen en ellenlange verhalen. Hij besluit Wolfe een kans te geven.

Genius

Professionele strijd
Het contrast tussen Perkins en Wolfe kan niet groter zijn. Perkins is gedecideerd, gecontroleerd, stabiel in elk opzicht en zal nooit of te nimmer uit de bocht vliegen. Wolfe is onbehouwen, theatraal, heeft een tumultueuze relatie met de getrouwde kostuumdesigner Aline Bernstein (Nicole Kidman) en verliest zich in drugs, drank en seks. De basis van Genius is de hechte band tussen de twee mannen. Eerst op professioneel vlak, waarbij het duo een hevige strijd aangaat om elke alinea, elke letter. Wolfe ziet elke regel als expressie van zijn identiteit. Voor Perkins zijn ze overbodig.

Al snel leren de protagonisten elkaar ook op persoonlijk vlak kennen, hetgeen tot bijna net zoveel botsingen leidt. Zelfs een uitje naar een jazzclub, een ogenschijnlijk onschuldige tijdsbesteding, verloopt niet zonder slag of stoot.

Jude Law worstelt met zijn personage. Het dikke Amerikaanse accent en de overdreven manier van acteren kosten hem zichtbaar moeite. Wolfe weet als geniale schrijver nooit echt te overtuigen, waardoor ook de persoonlijke vetes geforceerd aanvoelen. Perkins is saai, voorspelbaar en hanteert droge humor. Firth kan dit als geen ander, maar het komt het toch al trage Genius niet ten goede.

Genius

Schrappen
Regisseur Michael Grandage filmt Genius in noir-stijl. De donkere kantoren, idem kostuums en onderbelichte scènes vol rokende mensen passen fraai bij het New York van de jaren dertig. Grandage debuteert met een film die talloze uitstapjes maakt en richting mist. Dat de vrouwen in de levens van Perkins en Wolfe een prominente rol innemen met talloze scènes waarin wordt gekibbeld over hoe lang de mannen werken, valt de film nog wel te vergeven, ook al voegen de scènes in essentie weinig toe.

De uitgebreide fragmenten met Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway zijn een hoofdstuk waar Perkins een rode streep doorheen zou hebben gezet. Schrappen die handel. Ze leiden af van waar het om gaat en wat de kracht is van Genius: de relatie tussen Perkins en Wolfe.

Juist deze relatie verdient de volle aandacht. Perkins is als een vader, een mentor en ook een psycholoog voor Wolfe. De eloquente schrijver brengt op zijn beurt kleur in het statische leven van Perkins zich die urenlang een weg door onleesbare manuscripten baant. Juist dat is het verhaal dat Grandage had moeten uitdiepen.
 

17 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Beatles: Eight Days a Week

***

recensie The Beatles: Eight Days a Week
Fab Four als het oog van de orkaan

door Alfred Bos

Regisseur Ron Howard heeft zijn documentaire over de jaren van de Beatlemania en het Fab Fours baanbrekende succes in Amerika met veel respect en vakmanschap samengesteld, meer kun je niet vragen.

De Fab Four hadden er in 1995, toen de onder hun supervisie samengestelde, officiële groepsgeschiedenis The Beatles Anthology op acht videobanden (later vijf dvd’s) verscheen, maar liefst dik elf uur (672 minuten) voor nodig. Regisseur Ron Howard doet het in twee uur en een kwartier, maar die vertelt niet het hele verhaal van het kwartet uit Liverpool. Eight Days A Week, ondertitel The Touring Years, beperkt zich tot de periode van de Beatlemania, 1963 tot 1966, de jaren van snelle artistieke groei en hysterische adoratie.

Recensie: The Beatles: Eight Days a Week

Dus geen aanloop, 1957 tot 1962: The Quarrymen, Hamburg, de eerste single Love Me Do. En ook geen glijvlucht naar aarde, met harde landing, 1967 tot 1969: het overlijden van manager Brian Epstein, het fiasco van de Apple-winkel, de onderlinge ruzies en de breuk van Paul McCartney met de rest. Ron Howard richt zich op het hart van het Beatles-verhaal, toen John, Paul, George & Ringo met hun humorvolle bravoure en muzikale talent als een tornado het stof van de jaren vijftig wegbliezen. De sixties waren begonnen! Een nieuwe wereld daagt!

Culturele kracht
Het doet mogelijk een beetje onderkoeld aan in een wereld die bol staat van de bluf en de hype, maar het verhaal – al is het vaker en voor sommigen tot in den treure verteld – blijft spectaculair. Met de wijsheid van de terugblik valt op hoe gelukkig hun timing was. De combinatie van een generatie van naar verandering hunkerende tieners – de babyboomers, talrijk in aantal, beter opgeleid dan hun ouders – en de welvaart van de verzorgingsstaat hadden de Fab Four, na de tweede single Please Please Me uit de Siberisch koude winter van 1963 en hun eerste nummer 1-hit, in thuisland Engeland in recordtijd doen uitgroeien tot een een culturele kracht zonder precedent.

Howards documentaire opent in oktober 1963, de maand waarin het viertal in de London Palladium optrad voor een koninklijk publiek, de bevestiging van hun overrompelende triomf. Engeland, inclusief koningin Elizabeth, ligt aan hun voeten, nu de rest van de wereld. Wanneer ze op vrijdag 7 februari 1964 op Kennedy Airport in New York landen, stappen ze in een warm bad. Amerika is overgretig om het nationale trauma van de moord op president JFK af te schudden en het massamedium televisie fungeert als rode loper naar het hart van de Amerikanen, en niet alleen de babyboomers. De hele natie is van hen gecharmeerd.

Pioniers
De film vertelt niets nieuws en Howard maakt gebruik van de historische beelden die al vele malen eerder, ook in The Beatles Anthology, zijn vertoond en dus overbekend zijn, aangevuld met recente, eigen interviews met de twee nog levende ex-Beatles, Paul McCartney en Ringo Starr. In dat opzicht valt er weinig eer te behalen. Maar hij voegt een eigen accent toe: het weergaloze succes van de Fab Four in Amerika – hun tv-debuut tijdens de Ed Sullivan Show van 9 februari 1964 is met 73 miljoen kijkers het best bekeken tv-programma uit de Amerikaanse mediageschiedenis – is het begin van een internationale jeugdcultuur die nog altijd, zij het in een doorgeëvolueerde vorm, bestaat. Ook in dat opzicht overvleugelden ze Elvis Presley.

Recensie: The Beatles: Eight Days a Week

The Beatles pionierden de muziekcultuur zoals we die nog steeds kennen. De onmatige aandacht van de media, de hypes rond uit hun verband gerukte uitspraken, de stadionconcerten – geen PA bij hun optreden in het New Yorkse Shea honkbalstadion van 15 augustus 1965, het geluid kwam uit de omroepspeakers – en niet te vergeten, de merchandising. Ze schreven niet alleen geschiedenis, ze máákten die ook.

Euforie verlept
In de zomer van 1966 sloeg de euforie razendsnel om in een kater. Toen The Beatles op maandag 29 augustus van dat jaar voor het laatst optraden, in het Candlestick Park in San Francisco, was dat het begin van het einde: op 27 augustus 1967 overleed Brian Epstein plotseling.

In de tussenliggende maanden maakten ze Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, door het Amerikaanse tijdschrift Rolling Stone uitgeroepen tot het beste album aller tijden (maar de rest van de wereld weet beter).

Ze speelden nadien nog één keer in het openbaar, op donderdag 30 januari 1969, op het dak van hun Apple-kantoor in Saville Row, Londen. Het miste de magie van die drie knotsgekke, manische, totaal waanzinnige jaren in het oog van de orkaan waarin, voor even, de aarde leek te kantelen.
 

15 oktober 2016

 

MEER RECENSIES

Oasis: Supersonic

**

recensie Oasis: Supersonic

Nageboorte van John Lennon?
Definitely not.

door Alfred Bos

Hoe twee broers uit Manchester, de een een fantast en de ander een crypto-criminele hooligan, dankzij de borstklopperij van de Britse muziekpers uitgroeiden tot de meest overschatte band uit de muziekgeschiedenis.

Zelf noemen ze zich Abel en Kabel, naar de zonen van Adam en Eva. De Gallagher-broers, Noel de oudste (eigenlijk middelste) en Liam de jongste, kennen hun bijbel. Zelf schreven ze het nieuwe testament van de Britse popmuziek, de nabrander van een roemrijke traditie die midden jaren negentig als Britpop bekend is geworden. Het was de laatste hoezee van een popnatie in verval. Hun eerste langspeler Definitely Maybe (1994) werd het snelst verkopende debuutalbum uit de Engelse pophistorie.

Oasis: Supersonic

Oasis werd wereldberoemd in Engeland en Japan. Daarbuiten, Amerika voorop, was de ontvangst een stuk koeler. Omhoog geschreven door de Britse pers werd het vijftal het boegbeeld van Britpop, de Engelse reactie op de Amerikaanse grunge van Nirvana en Pearl Jam die begin jaren negentig domineerde. De mannen zelf gingen in al die hijgerige bijval geloven en waanden zich de evenknie van The Beatles en Elvis. Sla er het MOJO-interview van november 2007 op na.

Van de vier klassieke Britpop bands – Blur, Pulp, Suede en Oasis – had het vijftal uit Manchester als enige een groepsnaam met drie lettergrepen maar was veruit het minst bedeeld met rekenkracht, zoals de twee uur durende documentaire, door regisseur Mat Whitecross samengesteld uit het beeldarchief van de broers, overvloedig laat zien. Het is één lange litanie van grofheden en hooligangedrag, gepunctueerd door de zelfmythologiserende opmerkingen van Noel, de songschrijver en intellectueel van de band. Die ziet Oasis als de laatste grote Engelse rockband in een traditie die door internet kapot is gemaakt. Hij vergeet gemakshalve Muse.

Het is de schuld van de roadies
De door de broers gefinancierde documentaire concentreert zich op de eerste vijf jaar van de band, van de oefenruimte en het eerste publieke optreden (Boardwalk, Manchester, 18 augustus 1991) tot de optredens van 10 en 11 augustus 1996 op het festivalterrein van Knebworth voor in totaal een kwart miljoen mensen. Over de gretige zelfmedicatie en bijkomend zelfdestructief gedrag is men open, zelfs trots. Dat een cruciaal optreden in Los Angeles werd verknald door onprofessioneel gedrag, lag volgens Noel niet aan de muzikanten (high op meth), maar aan de roadies. ‘We hadden allemaal een andere setlist.’

Supersonic bevestigt de Oasis-mythe, met uitsluiting van alles wat niet strookt met het geïnflateerde zelfbeeld van de broers. De door de Engelse pers opgeklopte tweestrijd tussen de groep en hun tegenbeeld Blur (Manchester versus Londen, working class versus middleclass, lagere school versus kunstacademie) culmineerde in augustus 1995 in een heuse mediahype, the Battle of Britpop. Beide bands brachten in dezelfde week een nieuwe single uit, welke zou dat weekeinde de hitlijsten aanvoeren? Het werd Blurs Country House. De documentaire gaat aan het vermaarde voorval voorbij.

Ook de kwesties rond plagiaat blijven onbelicht. Bij single nummer drie, Shaker Maker, was het al raak en er zouden meerdere volgen. Noel Gallagher ziet zichzelf als een songschrijver van het kaliber Burt Bacharach, maar speelt leentjebuur bij zijn voorbeelden. Hij staat paf van zijn eigen genie.

Oasis: Supersonic

Het is de schuld van de muziekindustrie
Twee uur doorbrengen met de Lombroso-koppen van de Gallaghers en hun rockclichés is vermoeiend, niet in het minst omdat ze zowel verbaal als muzikaal maar één register kennen: bluf. Zelf zien ze zich als de geniale nageboorte van John Lennon, maar als we dan toch naar de jaren zestig moeten verwijzen komen eerder de ruziënde broers Ray en Dave Davies van The Kinks op het netvlies. En, zo leert Supersonic ten overvloede, eigenlijk is Oasis de reïncarnatie van jaren zestig band The Troggs, die van Wild Thing, in muzikantenkringen legendarisch vanwege hun onnavolgbare studioruzies, befaamd geworden als de Troggs Tapes.

Gelukkig valt er af en toe ook nog wat te lachen. Hilarisch is het verhaal van hun eerste concert buiten Engeland, in de Amsterdamse Melkweg. Voor ze afreizen op hun eerste buitenlandse tripje slaan de mannen een voorraad drugs in en maken het op de veerboot zo bont dat Liam wordt gearresteerd. Geen optreden in Amsterdam, waar – maar dat hadden de Gallaghers niet begrepen – de drugs aan de struiken groeien.

Supersonic, vernoemd naar de eerste Oasis-single, staakt het verhaal na de triomf van Knebworth. De lol was er al eerder vanaf, zo onthullen de broers: de managers en professionals van de muziekindustrie hadden de chaos gekanaliseerd. Kosmische eigendunk en een selectief geheugen maken van Supersonic een eenzijdige documentaire die grenst aan geschiedvervalsing.
 

3 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Florence Foster Jenkins

***

recensie Florence Foster Jenkins

Zo vals zingen is ook een kunst

door Cor Oliemeulen

“Ze mogen zeggen dat ik niet kon zingen, maar niemand kan zeggen dat ik níet zong.“ Florence Foster Jenkins, een rijke societydame in het New York van de jaren 40, leefde voor de operamuziek en groeide uit tot een fenomeen.

Zij werd zowaar een cultfiguur (Foster Jenkins’ opname ‘The Glory of the Human Voice’ was een van de 25 favoriete vinylplaten van David Bowie) en het komische biografische drama van Stephen Frears zal vast leiden tot een run op YouTube-filmpjes van deze ‘slechtste operazangeres aller tijden’.

Florence Foster Jenkins

Engel
Florence Foster Jenkins werd in 1868 geboren in een stadje in Pennsylvania. Haar schatrijke vader stond niet toe dat zij in het buitenland muziek ging studeren, en als reactie hierop trouwde ze op haar zeventiende met een arts in Philadelphia. Ze ging werken als lerares en pianiste. Aan het huwelijk kwam prompt een eind nadat de arts haar had besmet met syfilis. In 1900 vertrok ze naar New York, alwaar ze zich vol overgave in de muziekwereld stortte. Met de erfenis van haar vader richtte ze de Verdi Club op als eerbetoon aan de Grand Opera en begon ze met het financieel ondersteunen van tal van culturele activiteiten. De film begint als Florence (wie anders dan Meryl Streep) er na 25 jaar voor het laatst optreedt als Angel of Inspiration. Ze zingt en figureert in eigenzinnige tableaux vivants, vaak in buitenissige, zelfontworpen jurken.

Haar dubieuze muzikale talent is dan allang in kleine kring bekend, daarbuiten heeft haar naam bijna mythische proporties aangenomen. Dat is vooral te danken aan haar huidige partner, de mislukte Shakespeareaanse acteur met aristocratische roots, St. Clair Fayfield (Hugh Grant), die er persoonlijk op toe ziet dat alleen maar vrienden en andere welwillende, door Florence gesponsorde, gasten de besloten recitals bezoeken. Hoezeer ze ook dagelijks luistert en oefent, ook op haar zestigste heeft Florence nog de grootste moeite met ritme, toonhoogte en zuiverheid. In haar eigen hoofd klinkt haar gezang prachtig, maar ze heeft niet in de gaten dat velen haar achter haar rug dubbel liggen van het lachen. Eén van de meest kostelijke scènes in de film is het moment dat pianist Cosme McMoon (Simon Helberg), die geen idee heeft van Florence’s (gebrek aan) kwaliteiten, voor het eerst met haar gaat oefenen.

Florence Foster Jenkins

Ambitie
Net als de pianist, krijgen muziekrecensenten door St. Clair geld toegestopt, anderen schrijven zo dubbelzinnig over Florence’s zangkwaliteiten dat de verwachtingen voor haar eerste openbare optreden, nota bene in Canergie Hall (voor de film nagebouwd in het bijna even beroemde London’s Hammersmith Apollo!), zo hoog gespannen zijn dat het concert binnen twee uur is uitverkocht. Hoewel de zeer toegewijde St. Clair (omdat Florence een besmettelijke ziekte heeft wipt hij wel buiten de deur) het debacle wil voorkomen, stemt hij toch in en is wat geruster als de duizend, veelal beschonken, oorlogsveteranen getuige zijn van de ambities van wannabe-operazangeres, die de lat hoog legt met haar geliefde aria’s van Mozart, Verdi en Strauss.

Florence Foster Jenkins is een tot de verbeelding sprekend verhaal over een legendarische valse sopraan dat al een paar keer op de planken is gebracht en vorig jaar in de bioscoop verscheen onder de titel Marguerite, dat zich afspeelt in het Parijs van de jaren 20, maar veel losser op het leven van Foster Jenkins is gebaseerd. Hoe realistisch en overtuigend Meryl Streep ook acteert én zingt, de film van Stephen Frears is zeker het bekijken waard, maar kan niet tippen aan de tragikomedie van Xavier Giannoli met een subliem acterende Catherine Frot in de titelrol. Florence Foster Jenkins heeft weliswaar een even mooie aankleding als Marguerite, maar beduidend minder diepgang en chemie tussen de vertolkers. Daarentegen vormen Streeps live geregistreerde opnames een dik pluspunt.
 

17 september 2016

 
MEER RECENSIES

Infiltrator, The

***

recensie The Infiltrator

Het riool van de beschaving

door Alfred Bos

Bryan Cranston (Breaking Bad) schittert wederom als de man met het masker. In The Infiltrator is hij een boekhouder die poseert als zakenman met maffia-connecties om geld wit te wassen voor coke-criminelen uit Colombia.

Operatie C-Chase is een van de grootste undercoveroperaties in de geschiedenis van Amerika’s geheime diensten. Spil van de operatie was Robert Mazur, die als de malafide zakenman Bob Musella voor de Colombiaanse cokemaffia tientallen miljoenen dollars aan drugsgeld witwaste via een louche bank in Panama. Het resulteerde in de arrestatie van tientallen criminelen en bankiers, de ondergang van de betrokken bank en uiteindelijk de val van Panama’s dictator Noriega, bijgenaamd de Ananas.

The Infiltrator

Twintig jaar lang hield Mazur – die na C-Chase gewoon doorging met zijn undercover werk, in een andere identiteit uiteraard – dat sterke verhaal voor zichzelf, tot hij in 2006 werd ingehuurd als consultant voor de misdaadthriller Miami Vice. Regisseur Michael Mann zag een film in zijn verhaal, Mazur schreef het op in het boek The Infiltrator, een hit op de Amerikaanse bestsellerlijsten die werd verfilmd met acteur Bryan Cranston in de hoofdrol. Waarin The Infiltrator afwijkt van andere misdaadthrillers: de overheid jaagt op het geld, niet op de drugs.

Gevaarlijk dubbelspel
Cranston brak door als de scheikundeleraar annex drugscrimineel Walter White in de tv-serie Breaking Bad en ook in The Infiltrator speelt hij met verve een personage dat leeft op de scherpe kant van een scheermes en voortdurend moet schakelen tussen twee rollen. Zijn Mazur is een doorgewinterde professional wiens vertolking van de weinig scrupuleuze zakenman Musella uit Miami overtuigend genoeg is om door te dringen tot de top van het drugskartel. Zelfs Pablo Escobar komt hem anoniem uitchecken.

Regisseur Brad Furman overtuigde vijf jaar terug met The Lincoln Lawyer, de beste boekverfilming van succesauteur Michael Connelly tot nu toe, met een sterke Matthew McConaughey in de hoofdrol. Ook The Infiltrator dankt zijn succes aan de kwaliteiten van karakteracteur Cranston. Hij is vrijwel de volle twee uur van de film in beeld, maakt het levensgevaarlijke dubbelspel invoelbaar voor de kijker en weet, geholpen door een debuterende dubbelagente die zijn aanstaande speelt (Diane Kruger), de mens in de criminelen aan te spreken.

The Infiltrator

Solide genrefilm
De film speelt in de jaren tachtig – geen smartphones of internet – en oogt als een film uit de jaren zeventig: kalm tempo, degelijke karaktertekening, gedoseerd (en bruut) geweld, spanning boven actie. Een eigentijds foefje zijn de korte scènes en de vlotte montage, ze geven The Infiltrator de air van een tv-serie gemaakt met een filmbudget. Tussen de dialogen zitten een paar rake observaties over het neoconservatieve Amerika van Ronald Reagan verstopt: ‘Zorg dat je geen loser bent’, ‘de US is het riool van de beschaving’ en ‘zonder drugsgeld stort de Amerikaanse economie in’. We zien hoe de financiële infrastructuur van de wereld van nu wordt aangelegd.

Deze solide en net iets beter dan gemiddelde genrefilm weet zich in de rug gesterkt door een rake soundtrack, met bijdragen van Rush (Tom Sawyer), Curtis Mayfield (Pusherman), Leonard Cohen (Everybody Knows), en heeft als treffende uitsmijter Eminence Front, de laatste klassieker van The Who, die niet beter geplaatst had kunnen worden dan hier. The Infiltrator mist de romantiserende bravoure van een Miami Vice of een Scarface; het waargebeurde verhaal is uit zichzelf al spectaculair genoeg.
 

13 september 2016

 
MEER RECENSIES

Bodkin Ras

***

recensie Bodkin Ras

Vreemdeling in de Schotse Hooglanden

door Suzan Groothuis

De komst van een jonge vreemdeling in het Schotse plaatsje Forres roept vragen op. Wie is hij en waarom is hij naar Forres gekomen? De inwoners van het stadje ontvangen hem met gemengde gevoelens, want dat Bodkin iets met zich meedraagt moge duidelijk zijn. Met een mix van fictie en documentaire worden we in de schemerige wereld van een voortvluchtige getrokken.

De openingsscène toont een jonge man die zich een weg baant door de Schotse Hooglanden. Een donkere, gejaagde blik in zijn ogen. Zijn tocht gaat gepaard met een duister gedicht over innerlijke angst en onrust. “Hell is here. It’s in your torment, your misery, your suffering and pain. Yes, it’s a place of extreme anguish that can make you go insane”.

Bodkin Ras

Een donkere introductie met Bodkin Ras, de fictieve hoofdpersoon van de gelijknamige film, en tevens de enige echte acteur. Als hij aankomt in het pittoreske plaatsje wordt hij met gemengde gevoelens ontvangen. Niet geheel onterecht, want deze introverte vreemdeling heeft iets mysterieus en duisters over zich.

Gedeeld leed
Ondertussen maakt de kijker kennis met de inwoners van het plaatsje. Zoals een oude man die midden op straat een oude Schotse traditional zingt. Alleen raakt hij steevast zijn tekst kwijt. En ontmoeten we Eddie, een alcoholist die zo’n beetje alles wat hem dierbaar was in het leven is verloren. Niet verwonderlijk dat juist hij zich ontfermt over de mysterieuze Bodkin.

Opvallend genoeg dragen de meeste inwoners, die zichzelf spelen, leed met zich mee. Ze komen samen in café Eagle, een plek die bekend staat om zijn “negativity and ill will”, maar waar niemand een masker hoeft op te houden. In Eagle kan je jezelf zijn en ben je er voor elkaar. Zo ook Bodkin, die hier niet met argusogen wordt aangekeken. Wel vragen de inwoners zich verwonderd af wat de reden is van zijn komst en waarom hij op de vlucht is. Want Bodkin kan niet meer terug naar huis.

Hybride van documentaire en fictie
Bodkin Ras, het speelfilmdebuut van de Nederlandse filmmaker Kaweh Modiri, is met zijn mengeling van fictie en documentaire gefragmenteerd van opzet. Beelden van Bodkin die zich een plek probeert toe te eigenen in het stadje wisselen zich af met inwoners met overpeinzingen over hun moeilijke leven en de komst van de mysterieuze vreemdeling. Ondertussen zien we Bodkin bellen met ene Sean, die niet opneemt. Bodkin in het Nederlands: “Ik moet weten wat er gebeurd is man”. Dus toch, er klopt iets niet.

Helemaal nieuw is de hybride van documentaire en fictie niet: in Richard Linklaters Bernie zien we ook een vermenging van acteurs en inwoners die over de charmante begrafenisondernemer vertellen en tevens zichzelf spelen in bepaalde scènes. Maar waar Jack Black als Bernie de gave had om mensen aan zich te binden, blijft Bodkin op afstand. Ondanks Eddie die hem aan werk helpt en ondanks de mooie Lily die wel iets in hem ziet.

Bodkin Ras

Sociaal experiment
Je zou Bodkin Ras een sociaal experiment kunnen noemen. Wat gebeurt er als een vreemdeling, die duidelijk iets op zijn kerfstok heeft, een kleine gemeenschap binnentreedt om weer een nieuwe start te maken? Het roept een vergelijking op met Lars von Triers Dogville, waarin een vrouw op de vlucht wordt opgenomen in een vergeten stadje. Forres, hoog in het Schotse noorden, is ook zo’n uithoek.

Het observerende karakter van de film krijgt een gekunstelde wending wanneer duidelijk wordt wat Bodkin dreef om naar Forres te komen. In een geforceerde scène komen zijn demonen aan het licht, waarna het thriller-element de overhand krijgt. De film werkt toe naar een gezocht einde, waarbij de kijker nog wat nodeloos geweld krijgt voorgeschoteld- de belichaming van Bodkins onmacht en woede. Ondanks dat zijn er bemoedigende woorden van een van de inwoners: “I don’t believe in total negativity of any human being. I believe that we are governed by good and bad. Not just by bad”. Geef mensen een kans, lijkt de boodschap van de film te zijn, hoewel het personage van Bodkin het tegendeel bewijst.
 

5 september 2016

 
MEER RECENSIES