Fellini’s heilige vrouwen

Deel 1: De Maagd Maria en meisjes van plezier
De heilige vrouwen van Federico Fellini 

door Cor Oliemeulen

De fantasierijke, extravagante wereld van Federico Fellini (1920-1993) is gevangen in weelderige, barokke beelden. In dat unieke universum van herinneringen, illusies en verlangens ontmoeten we vrouwen in alle soorten en maten. Maagden, hoeren, muzen, nonnen, feministen en lustobjecten, hoe voller hoe beter. Fellini voelde zich aangetrokken tot elk type vrouw, maar was er ook bang voor. Een drieluik.

Waar de dolende vrouwen van Michelangelo Antonioni zoeken naar liefde en betekenis maar afknappen op communicatief impotente mannen, blijken de vrouwen van Federico Fellini een eeuwigdurend mysterie voor de regisseur en zijn alter ego’s. Deel 1: De Maagd Maria en meisjes van plezier.

Federico Fellini met Anita Ekberg

Doodgeknuffeld door een jonge non
“Kapitein, als ik haar niet pak, heb ik altijd mijn vrouw nog.” Hoe treffend is de allereerste tekst in de allereerste film van Federico Fellini, LUCI DEL VARIETÀ (1951).

Fellini stond te boek als notoire rokkenjager. Hij sprak weleens van een ‘onverzadigbare draak’ in zijn broek en vond het ‘gemakkelijker om een restaurant trouw te blijven dan een vrouw’. Misschien was het deels grootspraak, want er bestaan nauwelijks bronnen van Fellini’s overspelige karakter. Bovendien verklaarde hij zijn vrouw Giulietta Masina, die tot zijn dood bij hem bleef, regelmatig openlijk de liefde en lijkt het paar op foto’s gelukkig met elkaar. De goedgelovige Masina wordt zonder enige twijfel wél bedrogen in drie van de zes Fellini-films waarin zij acteert.

Fellini’s onwankelbare fascinatie voor vrouwen is evident. Biograaf John Baxter heeft wel een idee waar die vandaan komt. In ‘Fellini, The Biography’ praat de filmmaker over het overweldigende schuldgevoel dat het katholicisme hem al op jonge leeftijd gaf en zegt hij dat die godsdienst iedere vorm van creativiteit en seksualiteit uitroeide. “Ik had niet het flauwste idee waarover ik me schuldig moest voelen en over seks werd niet gesproken. Lange tijd dacht ik dat alle vrouwen tantes waren. Ik werd overmand door opwinding toen ik een vrouw in een avondjurk zag.”

In de biografie ‘Fellini: A Life’ van Hollis Alpert lezen we hoe de kleine Federico op de basisschool werd doodgeknuffeld door een jonge non, een ervaring die hij beschouwde als zijn eerste seksuele gevoel. “De non streelde zijn rug terwijl zij hem vastpakte, en haar geur van aardappelschillen, muffe bouillon en het stijfsel van haar habijt bleef hem lange tijd bij. Hij zei dat de lucht van aardappelen hem zwak maakte.”

Lucia del varietà

Eten van twee walletjes
Geen broeierige nonnen in habijt, maar vooral schaars geklede danseressen in Luci del varietà, een backstage-komedie over een derderangs rondreizend theatergezelschap die Fellini regisseerde met Alberto Lattuada. Zes meisjes in bikini dansen op rock-’n-rollmuziek, gevolgd door een variéténummer waarin Melina (Giulietta Masina) er het beste van probeert te maken. Echter het overwegend mannelijke publiek raakt pas enthousiast van de dansende en zingende Liliana (Carla Del Poggio), een knappe jonge vrouw die zojuist door de oudere manager Checco (Peppino De Filippo) aan het stel is toegevoegd.

Checco ziet zijn vriendin Melina pardoes niet meer staan en wordt verliefd op Liliana. Financieel gesponsord door Melina (!), begint Checco samen met Liliana een nieuw gezelschap dat volle zalen trekt. Het is snel duidelijk dat de liefde niet wederzijds is en dat Liliana’s enige ambitie is om een theaterster te worden. Nadat zij wegloopt naar een hogere bieder keert Checco op hangende pootjes terug bij Melina, die hem met open armen ontvangt. De film eindigt zoals hij begint: Checco en Melina zitten naast elkaar in de trein als een mooie vrouw de coupé betreedt en Checco haar onmiddellijk probeert in te palmen.

Hoe minder buigzaam is het karakter van Giulietta Masina in de romantische komedie LO SCEICCO BIANCO (1952) onder de eerste soloregie van haar echtgenoot. Zij heeft hierin een piepklein rolletje als het hoertje Cabiria, het personage dat we later vastberaden, maar tot het bot vernederd, zullen terugzien in Le notti di Cabiria (1957).

Lo sceicco bianco

Wonderkind Nino Rota
Het verhaal over de witte sjeik werd bedacht door Michelangelo Antonioni, waarna Federico Fellini en Tullio Pinelli er een satirisch scenario van maakten. Een man neemt zijn bruid mee naar Rome om haar aan zijn ouders voor te stellen en de paus te ontmoeten, echter zij gaat op zoek naar haar stripheld De Witte Sjeik (de Italiaanse filmster Alberto Sordi in een vroege rol). Hoewel de kritieken overwegend positief waren, flopte de film, die leidde tot de ondergang van het productiebedrijf en schulden bij Fellini.

Componist Nino Rota had al meer dan zestig films gecomponeerd voordat hij innig met Fellini ging samenwerken. Het voormalige Italiaanse wonderkind, dat al op zijn elfde zijn eerste oratorium componeerde, zou vanaf Lo sceicco bianco alle muziekscores voor Fellini’s films tot en met Prova d’orchestra (1978) verzorgen. Vaak schreef hij lichtvoetige kermis- en circusdeuntjes die vanaf La dolce vita (1960) talrijke optochten van Felliaanse personages en typetjes in die typisch dromerige, hallucinerende wereld zouden begeleiden. Die direct herkenbare klanken, laverend tussen pathos en ironie, vormen een (bijna) onmisbaar ingrediënt van Fellini’s films.

Hopeloze rokkenjagers
Rota’s thema in I VITELLONI (1953) versterkt het gemoed van het groepje laattwintigers in een slaperig kuststadje en komt steeds subtiel in lichte variaties terug. De vijf vrienden (o.a. populaire acteurs als Alberto Sordi en Franco Interlenghi, maar ook Fellini’s broer Riccardo) leiden een lusteloos leven. Infantiele egoïsten, die zich bezighouden met lanterfanten, biljarten, gokken en vrouwen lastigvallen.

Rokkenjager Fausto (Franco Fabrizi, later ook te zien in Il Bidone) bezwangert Sandra, de ‘Miss Zeemeermin’ van 1953. Hij wil vluchten, maar moet van zijn vader met haar trouwen en gaan werken in een winkel met religieuze artikelen. Maar Fausto kan zijn amoureuze streken niet laten en dringt zich op aan andere vrouwen. Als hij met Sandra in een bioscoop zit en ziet dat een mooie dame vertrekt, verzint hij een smoes, achtervolgt haar en probeert haar te versieren. Later randt hij in de winkel de echtgenote van zijn baas aan, onder het toeziend oog van een peloton Heilige Maria’s. Ook nadat Sandra is weggelopen met de baby en Fausto in paniek stad en land heeft afgezocht, is de kijker niet gerust op een goede toekomst. Slechts één van de vrienden laat het uitzichtloze leven in het stadje uiteindelijk achter zich, zonder duidelijke bestemming.

I vitelloni

Fellini, die zichzelf ooit een eeuwige, spirituele vitellone (letterlijk: groot kalf) noemde, won de Zilveren Leeuw in Venetië en verdiende daarmee zijn eerste internationale distributie. Deze sfeervolle autobiografische film vol drama en humor vormde een inspiratiebron voor Martin Scorsese’s Mean Streets (1973) en in Goodfellas (1990) introduceert hij zijn karakters op dezelfde narratieve manier als in I vitelloni. Ook andere Amerikaanse filmmakers lieten zich inspireren door Fellini’s doorbraakfilm, zoals George Lucas met American Graffiti (1974) en Barry Levinson met Diner (1987).

Het beest, de engel en de nar
Nog meer dan Michelangelo Antonioni en Roberto Rossellini vond Federico Fellini dat de naoorlogse Italiaanse cinema het dogmatische juk van de marxistische visie op maatschappelijke klassen moest afschudden. De nieuwe, veelbelovende filmmaker had eerder scripts geschreven voor neorealistische regisseurs, zoals het co-scenario van Rossellini’s oorlogsklassieker Roma città aperta (1945), maar wilde na I vitelloni voortaan het perspectief bij het individu leggen.

In Fellini’s eerste drie films hebben de hoofdpersonages geen onvermijdelijk conflict tussen hun sociale rol en hun emoties, maar zie je wel al de botsing tussen hun dromen met de harde werkelijkheid. De verhalen spelen zich af in een neorealistische setting: alle opnames zijn buiten de studio gemaakt en de bijrollen komen voor rekening van gewone mensen.

Dat geldt ook nog voor LA STRADA (1954), echter hier zijn de drie hoofdkarakters verre van maatschappelijke types, maar juist archetypes: het beest, de engel en de nar. Het is weliswaar een sociaal-realistisch verhaal over uitbuiting, maar vooral bedoeld als een fabel over symbolische figuren. Een film over eenzaamheid als exponent van de menselijke conditie. Poëtisch, spiritueel en zelfs christelijk volgens de regisseur, omdat het vrouwelijke hoofdpersonage handelt uit pure naastenliefde.

La strada

Het optreden van Giulietta Masina als Gelsomina, die op een dag door haar moeder wegens schrijnende armoede wordt verkocht aan de rondtrekkende man met de ijzeren longen, Zampanò (Anthony Quinn), is aandoenlijk en onvergetelijk. Met haar expressieve, melancholische clownsgezicht fungeert zij als muzikale sidekick van de bruut, wiens enige specialiteit het breken van een ketting met zijn borstspieren is. Zampanò behandelt Gelsomina als een hond, maar zij blijft geloven dat zij hem kan transformeren tot mens. Zij zet tomatenplanten neer maar weet dat ze de vruchten nooit kan plukken, omdat ze altijd onderweg zijn door de Italiaanse regen, modder en hitte.

Clownsversie van Maria
Haar simpele, zachte ziel en kinderlijke puurheid wordt symbolisch benadrukt als Gelsomina na een ruzie verdwaald rondloopt in een processie en in extase raakt als zij het beeld van de Maagd Maria ziet. Dat zij in feite de clownsversie van de Maagd Maria is, blijkt temeer nadat het duo heeft overnacht in een klooster en Gelsomina in gesprek raakt met een jonge non die vertelt over haar roeping. Hoewel Gelsomina wordt gegrepen door het idee om zich niet aan wereldse zaken te hechten, zegt zij dat ze niet kan blijven. “U volgt uw heer, ik volg de mijne.”

La strada

Gelsomina’s lotsbestemming ligt in haar relatie met Zampanò, die ondertussen zilver uit het klooster heeft gejat. Nadat ze zich hebben aangesloten bij een circus, ontmoeten ze The Fool, een grappige, muzikale acrobaat die al snel het bloed onder Zampanò´s nagels vandaan haalt. In een handgemeen slaat de bruut de nar dood en ensceneert een auto-ongeluk.

Gelsomina is diepbedroefd en wil niet meer eten en praten. Zampanò laat haar achter met wat geld. Vijf jaar later hoort hij dat zij dood is. Op dat moment wordt hij pas mens en weet hij dat hij Gelsomina voor altijd zal moeten missen. Schreeuwend en huilend werpt hij op het strand zijn psychische ketenen van zich af. Net als in andere films van Fellini begint en eindigt het verhaal bij de zee, als een eeuwig durend symbool van een opening naar vrijheid.

Oplichter met een geweten
In het oplichtersdrama IL BIDONE (1955) is Giulietta Masina de innemende vrouw van de gefrustreerde schilder ‘Picasso’ (de Amerikaanse acteur Richard Basehart, die in La strada de rol van The Fool speelt), lid van een groepje oplichters die zich verkleden als geestelijken en een boerengezin wijsmaken dat op hun land stoffelijke resten zouden zijn begraven en moeten worden herbegraven. In werkelijkheid gaat het om een schat, die eigenlijk geen schat is.

Eén van de andere zwendelaars, Augusto (Broderick Crawford, ook Amerikaans acteur), krijgt wroeging als hij ziet dat de dochter van hun volgende slachtoffer lichamelijk gehandicapt is. Hijzelf heeft een dochter van die leeftijd. Augusto zegt later dat hij het geld heeft teruggeven aan het meisje, maar blijkt het in werkelijkheid in zijn sok te hebben gestopt. De anderen slaan hem in elkaar en laten hem zwaargewond achter. De tragische finale doet denken aan het einde van La strada, want ook Augusto’s lot leidt tot persoonlijke reflectie vol verdriet en pijn. Ook hier steekt de wind op en op de achtergrond horen we klokken luiden.

Il Bidone

Typerend in dit meeslepende drama is het fragment waarin Picasso ’s nachts dronken van drank en blijdschap over de jongste buit over straat wankelt en hij zich betrapt voelt als zijn blik wordt gevangen door een beeld van de heilige Maagd Maria.

Hoertje met aspiraties
LE NOTTI DI CABIRIA
(1957) is het slot van Fellini’s ‘eenzaamheidstrilogie’ (na La strada en Il Bidone). Na haar korte optreden als het hoertje Cabiria in Lo sceicco bianco keert Giulietta Masina’s personage vijf jaar later terug. Een vrouw die werkt als zondaar, maar zoekt naar innerlijke spiritualiteit en verlossing. Zachtaardig en goedgelovig voelt zij zich veroordeeld tot dit leven, maar wil heel graag de ware liefde vinden.

Die vindt ze zeker niet in Giorgio die haar eeuwige liefde heeft beloofd. In de openingsscène ravotten Cabiria en Giorgio aan de oever van de Tiber. Plotseling duwt hij haar het water in en pakt haar tas met daarin geld. Zij kan niet zwemmen en moet worden gered door drie jongens. Cabiria gaat direct op zoek naar Giorgio en verbrandt zijn foto’s en kleren.

Ze woont aan de rand van Rome in een krakkemikkig huisje. Niemand in haar omgeving heeft ambities voor een beter leven en Cabiria wordt beschimpt om haar aspiraties. Ze is een buitenbeentje, ook in haar eigen sociale groep. Ondanks ervaringen met wreedheid en afgunst, behoudt ze haar romantische veerkracht en vertrouwen in de mens.

Le notti di Cabiria

We zien Cabiria samen met collega’s en pooiers rondhangen (Pier Paolo Pasolini schreef de dialogen met de straattaal). Een pooier wil haar onder zijn hoede nemen, maar Cabiria loopt liever tussen de ‘rijke dames’. Tijdens een persoonlijke ontdekkingstocht door de stad treft ze de beroemde filmacteur Alberto die zojuist ruzie met zijn vriendin heeft gemaakt en Cabiria meeneemt naar een nachtclub en later naar zijn huis. Eén avond lang kan zij ruiken aan de weelde en de glamour waarvan ze zo droomt.

’s Morgens ontmoet ze een weldoener die arme mensen in de grotten eten geeft. Geïnspireerd sluit ze zich even later aan bij een processie naar de kerk. Ze is helemaal onder de indruk en bidt nederig tot de Maagd Maria om haar leven te veranderen, maar ze schrikt van de poppenkast van hebzuchtige egoïsten om zich heen.

Wens om liefde en voldoening
Na haar bezoek aan een magische show waarin ze op het podium is gehypnotiseerd en daarna uitgelachen vanwege haar naïviteit omdat ze het over ware liefde heeft, ontmoet ze Oscar. Hij lijkt oprecht en sympathiek en ze ontmoeten elkaar een aantal keren. Uiteindelijk wil hij met haar trouwen, maar belazert haar op een uiterst gemene manier.

Le notti di Cabiria

Cabiria is eenzamer en berooider dan ooit en doolt zielloos over straat. Als een groepje jonge zangers en muzikanten haar passeert, komt er langzaam weer een lach op het gezicht van deze doorbijter. De kijker hoopt met heel het hart dat zij snel haar geluk mag vinden.

Le notti di Cabiria won de Oscar voor beste buitenlandse film en Masina was beste actrice in Cannes. Een bewerking van de film, Sweet Charity, verscheen op de planken van Broadway en werd door Bob Fosse onder die titel in 1969 verfilmd met Shirley McClaine, die ook hunkert naar liefde, maar al even weinig geluk met mannen heeft.

Waar Cabiria in Le notti di Cabiria zoekt naar echte liefde, gaat Marcello in LA DOLCE VITA (1960) op missie naar voldoening in zijn leven. Bijna alle personages in de film praten over de liefde, maar het lijkt niemand te lukken om ook liefde te ervaren. Ook Marcello niet. Als de serieuze schrijver die is afgegleden naar het niveau van persmuskiet vindt hij heus geen liefde in de wereld van schandalen, royalty en filmsterren in nachtclubs en op feestjes vol immorele en hedonistische karakters. Hoe groter, bizarder en decadenter de zwelgpartijen, hoe meer Marcello in de gelegenheid is om verschillende typen vrouwen te ontmoeten en te ontdekken. En hoe meer hij vrouwen vernedert en zichzelf moet laten vernederen om erbij te horen.

Dat maakte het publiek weinig uit, want Marcello Mastroianni’s coole uitstraling met zwarte zonnebril bracht hem internationale faam als ‘Latin lover’. Het was het begin van een bijna dertigjarige samenwerking tussen Fellini en Mastroianni.

La dolce vita

Het ‘zoete’ leven
Het openingsbeeld van de helikopter (als illustratie van de moderne tijd) met daaronder het bungelende beeld van Christus staat symbool voor de verandering van de Italiaanse identiteit en samenleving. Het Jezusbeeld vliegt over vier meisjes in bikini die op een dakterras zonnen. In een volgende helikopter zitten Marcello en zijn fotograaf Paparazzo die opgewonden roepen om de telefoonnummers van de enthousiast zwaaiende meisjes.

De beleving van het katholieke geloof komt tot uiting in de hysterie na een door twee kinderen verzonnen Mariaverschijning waarbij een oude man door de aanstormende meute wordt vertrapt. Een voorbeeld van culturele kitsch van mensen die zich vastklampen aan een sensatie zonder echt te geloven. Het Vaticaan sprak liever van een ‘walgelijk’ leven dan van een ‘zoet’ leven. Maar Fellini bedoelde de titel uiteraard ironisch.

Zijn visie op de nieuwe levensstijl toont de donkere laag onder de glitter en glamour van de jetset van Rome. Op genadeloze wijze ontmaskert hij de wederzijdse afhankelijkheid van journalisten en beroemdheden, die met hun gedragingen in het ‘Hollywood aan de Tiber’ de rubrieken van de pulpmedia beheersen en Fellini zouden inspireren voor La dolce vita.

Hoewel de film geen afgebakend plot heeft, eindigt het episodische labyrint van nachtelijke escapades in de Trevi-fontein. Tijdens één van de meest iconische scènes uit de filmgeschiedenis vangt de rondborstige Amerikaanse filmster Sylvia (Anita Ekberg, die in het echte leven reeds in de fontein was gesprongen) water op met haar hand en giet het over Marcello’s hoofd, alsof ze hem doopt. Van zoenen is in het geheel geen sprake.

La dolce vita

De slotscène van La dolce vita toont Marcello’s hopeloze onbeholpenheid. Op het strand ziet hij in de verte een mooi meisje. Het is Paola, de serveerster die hem bediende in het café waar hij aan zijn boek zat te werken. Zij zwaait naar hem en roept iets, maar hij hoort haar niet en kent haar niet meer. Even plots als zij weer verscheen, verdwijnt zij uit zijn leven. Haar gezicht is het laatste dat we in de film zien.

Paola staat symbool voor onschuld in een wereld van losbandigheid. We zullen nooit weten of deze engelachtige muze hem had kunnen redden. Marcello blijft een arme stakker, veroordeeld tot het gezelschap van genotzuchtige leeghoofden.

 

10 mei 2018

 

DEEL 2: Lust en verbeelding
DEEL 3: Feministen en muzen

 
 

MEER ESSAYS

Nico, 1988

****

recensie Nico, 1988

Eerlijk portret van een 60’s icoon 

door Suzan Groothuis

In Nico, 1988 volgen we Christa Päffgen, beter bekend als Nico van The Velvet Underground of als muze van Andy Warhol, in haar laatste jaren. Een vrouw met een bewogen leven, waarover muzikant en bandlid James Young in zijn boek Nico, Songs They Never Play On The Radio schreef: From the start, Nico seemed destined for a life of strange tensions and weird scenes.

De van oorsprong Duitse was iemand om wie je niet heen kon. Een prachtige, indrukwekkende verschijning (Nico deed modellenwerk en had een rolletje in Fellini’s La Dolce Vita) die in de jaren ’60 naar Amerika kwam en daar Andy Warhol ontmoette. Hij bracht haar in contact met The Velvet Underground en produceerde hun debuutalbum. Nico werd toegevoegd als chanteuse en zong een paar nummers mee. Zij was echter nooit officieel lid van de band en ging solo verder.

Nico, 1988

Nico ontwikkelde een eigenzinnige, donkere muzikale stijl, begeleid door haar zware stem en harmonium. Met haar muzikale carrière begon ook een jarenlange heroïneverslaving. In 1988 kwam plots een einde aan Nico’s leven, nadat zij in Ibiza door een val van haar fiets aan een hersenbloeding bezweek. In 1995 verscheen de documentaire Nico Icon, waarin vrienden, muzikanten en familie terugblikken op haar leven. Ook Nico zelf, met haar diepe, karakteristieke stem: “Regrets? I’ve got no regrets… except that I was born a woman instead of a man.”

Het geluid van brandend Berlijn
Nico’s karakter was er een van uitersten: introvert maar aanwezig, met een obsessie voor verval en destructie. Nico, 1988 opent dan ook met zowel dreigende als schone beelden: een jonge Christa kijkt, terwijl de hemel donker kleurt, naar fel licht in de verte. Brandend Berlijn, het einde van de Tweede Wereldoorlog. Een plaatje dat zij nooit meer vergeten zou. Maar ook het geluid dat zij toen hoorde blijkt een grote rol te spelen in Nico’s latere muzikale carrière: gewapend met een opnamekoffer probeert ze het te vangen. Het geluid van het einde van de oorlog, nog nagloeiend in Nico’s zijn: “It was the sound of defeat”.

Nico wordt in Nico, 1988 vertolkt door de Deense actrice Trine Dyrholm (In a Better Word, A Royal Affair). Ondanks dat zij qua uiterlijk niet lijkt op Nico, weet Dyrholm een indrukwekkend portret neer te zetten en met haar stem en karakteristieken dichtbij te komen. Dyrholm zingt alle nummers zelf en doet dat met verve. Met name een illegaal concert in voormalig Tsjechoslowakije laat de haren op de armen rijzen: kippenvel. We zien een uitzinnige Nico die als een echte punkdiva het publiek met het nummer My Heart Is Empty mee krijgt en alles geeft wat ze in zich heeft.

Nico, 1988

Ook het persoonlijke portret van Nico in haar laatste twee jaren is geloofwaardig: regisseur Susanna Nicchiarelli toont haar ongegeneerd, maar altijd eerlijk en met respect. Er zijn beelden van internationale optredens, dan weer briljant, dan weer gênant. En de pogingen van Nico om een band op te bouwen met haar suïcidale zoon Ari, terwijl ze zelf als het even kan heroïne spuit. Maar er is ook gevatheid en humor, zoals een scène met een fles limoncello. Nico’s oog valt er op, maar de eigenaar twijfelt het haar te geven. Nico: “The bottle is too precious”.

Muziek als levensdoel
Ondanks – of misschien wel dankzij – Nico’s complexe persoonlijkheid is het onoverkomelijk dat je als kijker empathie voor haar voelt. Haar doorzettingsvermogen, afgezien van de tegenslagen – een hardnekkige drugsverslaving, een muzikale carrière die maar moeilijk van de grond komt en een suïcidale zoon – is bewonderenswaardig.

Dit is geen portret van de Nico van The Velvet Underground. Dit is een eerlijke weergave van de vrouw van na The Velvets die niet langer mooi gevonden wilde worden en zich richtte op haar levensdoel: “My life started after the experience with The Velvet Underground. I started making my own music.”
 

15 april 2018

 
MEER RECENSIES

Amori Fragili

***

recensie Amori Fragili

Strijdend voor liefde

door Suzan Groothuis

De relatie tussen Claudia en Flavio, beiden hoogleraren aan de universiteit, houdt geen stand. Francesca Comencini’s film, gebaseerd op haar roman over liefdes waarvoor geen plaats is, toont hoe angst en ouder worden invloed hebben op samenzijn. In zijn geheel onevenwichtig, maar met name in de tweede helft zijn er wat pakkende, komische momenten over die moeilijke jaren van de menopauze en nog mee tellen op de seksuele markt.  

Claudia’s en Flavio’s zevenjarige relatie is er een van vuur. Tijdens een voordracht leren ze elkaar kennen, waarbij Claudia Flavio op felle wijze interrumpeert omdat ze vindt dat hij liefde en vrouwen tweederangs maakt in zijn betoog over epische verhalen en oorlog. Hun discussie eindigt in een café, waarbij zij toegeeft dat ze, zomaar ineens, verliefd op hem geworden is.

Amori Fragili

Hoewel Claudia’s leeftijd niet genoemd wordt, is zij duidelijk een vrouw in de overgang. Onwelkome haren steken de kop op. En van het liefdeshormoon oxytocine is iets teveel aanwezig. Het geeft Claudia een wispelturig, intens karakter. Ze stort zich vol overgave in de liefde. Zelfs wanneer haar relatie met de zelfingenomen Flavio voorbij is, stuurt ze hem nog berichtjes. Ook het liefdeshormoon is bij hem aanwezig, aldus Claudia, maar hij is vergeten dat hij van haar houdt.

Liefde niet kunnen en willen vergeten
Amori Fragili is gebaseerd op Comencini’s roman Amori che non sanno stare al mondo. Het verhaal, over liefdes waarvoor geen plaats is, is een mengeling van drama en komedie. Leidend is Claudia, onze intense, chaotische en hysterische hoofdpersoon. Ze kan en wil haar liefde voor Flavio niet vergeten. Zeker niet wanneer blijkt dat hij gekozen heeft voor een twintig jaar jongere vrouw. Iets dat Claudia niet kan accepteren.

De film start rommelig, met een duik in de onstuimige relatie van Claudia en Flavio aan de hand van tijdsprongen. Met name zij is wennen: we zien een hysterische en bekvechtende Claudia. Een kenau volgens Flavio, die tegenover haar bazige wispelturigheid een zorgeloze zekerheid uitstraalt. Claudia heeft er met name ‘s nachts een handje van discussies te beginnen. Een bodemloze strijd, want, zoals Luke Sanderson uit The Haunting (1963) al zei: “Only one way to argue with a woman Doc… Don’t. 

Amori Fragili

Manier zoeken van in het leven staan
Claudia’s angst Flavio te verliezen leidt uiteindelijk tot een breuk. Ze moet haar eigen leven weer op poten zien te krijgen, maar dat is lastig met hem nog in haar hoofd. Met de breuk tussen de twee krijgt Amori Fragili meer inhoud. Is Claudia in eerste instantie vooral een typetje (denk aan de neurotische hoofdpersonen van films van Woody Allen, plus vurig, intens Italiaans bloed) dat eerder irritatie dan sympathie opwekt, naarmate de film vordert worden haar karakter en de fase van haar leven waarin ze zit, interessanter. De beste scène uit de film illustreert treffend hoe vrouwen van rond de vijftig liggen op de seksuele markt van een hetero kapitalistische maatschappij. De scène had zo uit een Almodóvar-film kunnen komen: in afwijkende kleuren (zwart-wit geschoten) wordt een minitheater opgevoerd waarin een kordate docente mooie dames op leeftijd laat zien hoe hun seksuele status ervoor staat. Komisch, driftig en met een raak stukje man-vrouwbeeld.

Uiteindelijk is Amori Fragili geen geruststellende film waarin een man en vrouw die een grote passie voor elkaar voelden weer bij elkaar komen. Comencini laat zien dat liefde strijd kost. Claudia (een rol van Lucia Mascino, onder meer bekend van de serie Suburra) moet een muur van leed doorbreken om weer rust te vinden. En ook Flavio (Thomas Trabacchi, binnenkort te zien in de biopic Nico, 1988) is niet zonder liefdesdemonen. Een beetje zoals het Amerikaanse The Lovers, waarin een stel hun uitgebluste huwelijk weer jeu probeert te geven. Maar sommige relaties houden gewoonweg geen stand, al is er nog zoveel aantrekkingskracht.
 

13 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Hannah

***

recensie Hannah

Stilzwijgende afstandelijkheid

door Suzan Groothuis

In Hannah is de camera constant gefocust op de gelijknamige hoofdpersoon: we zien heel veel Charlotte Rampling. En Rampling spreekt met haar blik, haar beroemde grijsgroene, katachtige ogen. Een blik die diep gaat, maar erachter komen wat er speelt doen we niet.

73 is ze, Charlotte Rampling (Swimming Pool, 45 Years). En nog steeds een veelgevraagde actrice. Bang om ouder te worden is ze niet, in de documentaire The Look noemt zij het ouder worden voor een artiest “enriching”. Bewust is ze dan ook in het uitkiezen van haar rollen.

Hannah

In Hannah draait het om de gelijknamige hoofdpersoon. Een vrouw op leeftijd, een zekere waardigheid uitstralend. Ze maakt de maaltijd klaar voor haar en haar man. Zwijgend zitten ze tegenover elkaar. Hun laatste avondmaal samen, blijkt later.

Want haar echtgenoot moet de gevangenis in. Stilzwijgend vergezelt Hannah hem, om afscheid te nemen van het leven dat ze hadden. Ze moet alleen verder, de bezoekjes aan haar man daargelaten. De camera volgt Hannah in haar dagelijkse structuur, die niet anders is dan dat het was. Althans, zo pretendeert zij. Hannah spreekt zich niet uit, alsof er nooit iets gebeurd is. De ramen van het huis waar ze schoonmaakt poetst ze nog net zo nauwkeurig als voorheen. Thuis bereidt ze haar maaltijden en ontfermt zich over haar hond. Alleen in de acteerlessen die ze volgt laat ze heel voorzichtig zien wat zich in haar schuilhoudt.

De grens van realiteit en ontkenning
Het leven van Hannah wordt in zorgvuldige composities geregistreerd. We zien haar onlosmakelijk verbonden met haar omgeving: thuis, werk, de metro, de acteerschool. In zichzelf gekeerd, de dialoog niet opzoekend. Maar dat ze worstelt is duidelijk: haar blik laat pijn en eenzaamheid zien, verborgen door trots en ontkenning.

Naarmate de film vordert komen we weinig te weten over de aanleiding van de arrestatie van haar man. De Italiaanse regisseur Andrea Pallaoro kiest bewust voor een schemergebied. De spanning zit ‘m niet in erachter komen wat er is gebeurd, maar wat er in Hannah’s hoofd gebeurt. Als kijker staan we in haar schoenen en zien we toe hoe een gevoel van machteloosheid haar overmeestert.

De kijker blijft in het ongewisse over Hannah’s aandeel in het gevangenschap van haar man. Wat weet ze en in hoeverre is ze medeplichtig? Zo is er een scène waarbij er aangebeld wordt bij haar thuis. Een vrouwenstem spreekt haar toe, naar het schijnt over het vermeende incident, en vraagt Hannah de deur te openen. Maar zij blijft als bevroren staan.

Terwijl Hannah in ontkenning is, zijn er gebeurtenissen die haar wankele leven nog meer uit evenwicht brengen. De bezoeken aan haar man, die een schim lijkt van wie hij was. Geen contact met hun zoon. En wanneer Hannah een verrassingsbezoek aan haar kleinkind wil brengen, wordt haar resoluut de toegang geweigerd.

Hannah

Stille wateren
Als kijker wil je het graag, in het hoofd van Hannah kruipen. Weten wat ze voelt, wat ze denkt, de dialoog met haar opzoeken. Maar Pallaoro laat ons in het luchtledige. We zien slechts flarden van Hannah’s ware emoties: zich kapot huilen als ze haar kleinzoon niet mag zien. Of haar bezoek aan een gestrande walvis aan de Belgische kust, een opzichtige metafoor voor haar eigen leven dat vastgelopen is.

We zien vooral leegte en afstandelijkheid. De beelden zorgvuldig rondom Hannah geconstrueerd, waarin ze niet teveel in donkere tinten kan opgaan: zoals het gebruik van opzichtig geel in de ballonnen die de tuin van haar kleinkind sieren. Er is nog kleur in het leven, lijkt de film te willen zeggen. Maar Hannah zit in een schemergebied, weifelend tussen er zijn en willen verdwijnen.

Toch beklijft Hannah’s tragedie niet. Hannah is uiteindelijk een afstandelijke, stilzwijgende registratie van een vrouw die vastloopt. Mooi neergezet door Rampling, dat wel, maar niet vernieuwend of bijzonder. Een soortgelijke rol had ze in François Ozon’s Sous le sable, waarin ze een weduwe speelt die niet met het verlies van haar man kan omgaan en in ontkenning is. Daar raakte en ontroerde er iets. Misschien is dat wel het grootste probleem van Hannah: de film pretendeert Ramplings blik te doorgronden, maar treedt slechts stille wateren tegemoet.
 

19 februari 2018

 
MEER RECENSIES

Call Me by Your Name

*****

recensie Call Me by Your Name

Ode aan de overgave

door Alfred Bos

Slotstuk, aldus de Italiaanse regisseur Luca Guadagnino, van zijn drieluik over de liefde. Jongen en man, beiden hetero, vallen voor elkaar. Zinnelijker cinema dan Call Me by Your Name is er zelden gemaakt.

Liefde is grillig en genadeloos. Zit je als 17-jarige zoon van een professor klassieke kunsten te lummelen in de vakantievilla van je ouders en foezel je onwennig met een meisje dat graag je vriendin zou willen zijn, komt er een exotische Amerikaan je leven binnen wandelen. Hij gaat je vader een zomer lang lang helpen bij diens onderzoek van antieke beelden en krijgt de kamer naast jouw kamer aangeboden als logeerverblijf. Jij bent hetero, hij is hetero, maar voor je het weet broeit er erotiek. Liefde is blind.

Call Me by Your Name

Call Me by Your Name is de vijfde speelfilm van Luca Guadagnino, de Italiaanse regisseur van broeierige, sensuele films over mensen op zoek naar liefde. Of liefde op zoek naar mensen. Elio, de jongen op de rand van volwassenheid, en Oliver, de zelfverzekerde vroegdertiger, zijn door toeval voor een zomer samengebracht en overkomt een mysterie. De regisseur toont het zoals het is: onwennig, verwarrend, maar bovenal—zuiver. Er is geen politiek, geen verklaring of excuus, geen intrige. Alleen aantrekking en passie. Dit is liefde als universele oerkracht.

Perzik als surrogaatvagina
Net als in zijn beide voorgaande films, Io Sono l’amore (Ik ben liefde, 2009) en A Bigger Splash (2015), is Call Me by Your Name gesitueerd in een besloten wereld buiten de dagelijkse maatschappelijke orde. De materiële zaken zijn geregeld, de personages hebben alle tijd om in luxe te lummelen. De vakantievilla van professor Perlman (Michael Stuhlbarg) ademt cultuur en mondaine elegantie. Pa leest ter ontspanning Dante’s Goddelijke Komedie en door het hele huis slingeren stapels boeken. Onderling wordt er Frans, Italiaans en Engels gesproken en mevrouw Perlman (Amira Casar) voegt daar accentloos Duits aan toe. Subtekst: identiteit is meervoudig, vloeibaar.

Ook de geografie heeft een meervoudige identiteit. Het buitenhuis is gesitueerd nabij Bergamo, een van de oudste steden van Lombardije, met een Romeinse, Etruskische en Keltische historie. Bovendien is het zomer en het buitenleven één lange reeks van zinnelijke prikkels. Aan de bomen groeien abrikozen en perziken, met hun fluwelen huidje, sappig vlees en harde pit zinnebeelden van sensualiteit. Call Me by Your Name is een ode aan zuivere zinnelijkheid. Aan de overgave.

Professor Perlman test assistent Oliver (de lange, atletische Arnie Hammer) met een vraag over de ethymologie van het woord abrikoos. Die abrikoos, de vroegrijpe steenvrucht, is zijn zoon Elio (Timothée Chalamet), die op zolder, beneveld door zijn gevoelens voor Oliver en zijn vakantievriendin, de Française Marzia (Esther Garrel), een perzik als surrogaatvagina hanteert. Hij stommelt onbevangen de erotiek binnen, gedreven door onbekende sensaties.

Call Me by Your Name

Tederheid die verbluft
Luca Guadagnino vangt de roman van André Aciman (die zelf in een bijrol te zien is) in quasi-documentair naturel, waarin de zinnelijkheid van de mediterrane zomer werkt als katalysator van de chemie tussen Elio en Oliver. Veel shots zijn gefilmd vanuit de ogen van Elio, de close-ups benadrukken intimiteit. De boeken, beelden en kunst die de film stofferen verwijzen zonder uitzondering naar de komende, heimelijke relatie tussen de minnaars.

Nadat Oliver weer is teruggevlogen naar Amerika, wordt de zomer die van Elio een man maakte ragfijn en diep doorvoeld van betekenis voorzien in een gesprek tussen vader en zoon. Daar raakt de film een zeldzaam niveau van sensibiliteit, een tederheid die verbluft. Liefde kwetst en liefde heelt. Liefde maakt de mens.

Luca Guadagnino wordt met elke film beter en na het geslaagde A Bigger Splash is Call Me by Your Name een voltreffer van tijdloze allure, een film die de door hem bewonderde Bertolucci naar de kroon steekt. Hollywood lonkt en wat wordt de volgende stap van de regisseur? Een genrefilm? Een blockbuster-bolognese? Een beetje van beide, maar dan op zijn Guadagninoos: een remake van de giallo-klassieker Suspiria met een internationale rolbezetting. Het maakt allemaal niet uit, want met Call Me by Your Name heeft hij zijn meesterwerk gemaakt. Zulke zuivere cinema zie je zelden.
 

9 januari 2018

 
MEER RECENSIES

Colore Nascosto delle Cose, Il

**

recensie Il Colore Nascosto delle Cose

Blinde vrouw laat man zien

door Cor Oliemeulen

Een blinde vrouw opent het hart van een man die zijn gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel niet onder ogen kan zien. Net als de lastige filmtitel hoef je het verhaal van Il Colore Nascosto delle Cose niet te onthouden. De plaatjes van bloemen zijn prachtig, maar die alleen geven de film te weinig kleur. 

De mooie Emma werd op haar zeventiende blind, maar dat heeft haar er niet van weerhouden om een praktijk als osteopaat te beginnen. Acht maanden na haar scheiding ontmoet ze de knappe reclamemaker Teo tijdens een bedrijfsuitje in een donkere ruimte waar Emma rondleidingen geeft. Ze vinden elkaars stemmen intrigerend. Het duurt niet lang voordat Teo met een gesimuleerde schouderklacht in zijn onderbroek bij Emma op de behandeltafel ligt. Emma kan natuurlijk heel goed voelen en ontdekt wat spanningen in Teo’s lijf. Hij komt graag bij haar terug en langzaam ontstaat er een vriendschap.

Il Colore Nascosto delle Cose

Uit vorm
Il Colore Nascosto delle Cose zou zomaar een verfilmde stuiverroman kunnen zijn. Het verhaal is deels geschreven door de Italiaanse regisseur Silvio Soldini, die maar niet kan beslissen waar hij naartoe wil en na bijna twee uur kennelijk voor een romantisch drama heeft gekozen. Ondertussen ervaren we de belevingswereld van een blinde vrouw (overtuigend gespeeld door Valeria Golino: Caos Calmo, Il Capitale Umano) die een blind meisje helpt met het overwinnen van haar frustraties en die Teo leert verder te kijken dan alleen reclamebeelden. Emma en Teo praten over kleuren, ruiken aan planten, knuffelen bomen en uiteindelijk elkaar. Teo geeft nu zelfs een plant op zijn kantoor water.

Hoewel hij oprecht lijkt in zijn gevoelens van genegenheid en vriendschap, is Teo vanaf het begin uit op seks met Emma (hij sluit zelfs een weddenschap met een collega), die niet weet dat hij al twee jaar een relatie heeft met een andere vrouw (die hij weer met een andere vrouw bedriegt). Teo laat zich niet graag hinderen door een groot verantwoordelijkheidsgevoel, want ook met zijn familie heeft hij geen contact. Hij kan zich moeilijk binden en woont op zichzelf, samen met zijn pratende stofzuigerrobot.

Il Colore Nascosto delle Cose

De kijker bepaalt
De filmtitel suggereert iets dat niet onmiddellijk zichtbaar is voor de ogen, maar dat later onthuld zal worden. Wat dat is, mag de kijker zelf bepalen. Is Teo zo’n typische klootzak die zijn lid achterna loopt, of ontdekt hij voor het eerst in zijn leven wat het is om van iemand te houden, trouw te zijn en verantwoordelijkheidsgevoel aan de dag te leggen? Voor een regisseur, die in 2000 doorbrak met het gedenkwaardige komische drama Pane e Tulipani, mag je meer richting, duiding en spanning verwachten. Zijn jongste film kabbelt maar voort, en de korte familiereünie op het einde lijkt er terloops en plichtmatig aan vastgeplakt.

Wat overblijft is een fascinerend kijkje in de wereld van visueel gehandicapte mensen. Soldini maakte eerder een documentaire over blinde mensen, die door anderen vaak op afstand worden gehouden of met medelijden bejegend, maar toch vaak blijken te beschikken over een grote mate van zelfstandigheid en een gezonde dosis ironie. Zijn bedoelingen zijn vast oprecht, echter Soldini weet met Il Colore Nascosto delle Cose bar weinig te verrassen en te ontroeren. Hij had er beter een melodrama van kunnen maken.
 

25 november 2017

 
MEER RECENSIES

5 films van ‘onbekende’ Marco Bellocchio

Vijf films van ‘onbekende’ regisseur Marco Bellocchio

Vincere

Op de laatste golven van het Italiaanse Neorealisme ontstond in de jaren 60 een dynamiek die zowel de filmwereld als de maatschappij wakker schudde. In het cinematografische geweld van Fellini, Antonioni, Bertolucci en Pasolini is Marco Bellocchio relatief onbekend gebleven. Onterecht. Ruim een halve eeuw na zijn regiedebuut gaat deze week Sweet Dreams (Fai bei sogni) in première. Vijf opvallende films uit zijn oeuvre.

Samenstelling: Cor Oliemeulen

1. – Fists in the Pocket (I pugni in tasca, 1965)

De eerste speelfilm van Marco Bellocchio is vaak aangemerkt als een van de betere regiedebuten in de filmgeschiedenis. We volgen de belevenissen van een disfunctionele familie, wat nog iets nieuws was in die dagen. Een blinde moeder, die niet bij machte is om het huishouden in goede banen te leiden, en vier kinderen die in meer of mindere mate epileptisch zijn. Het plot draait om de jonge, onrustige en impulsieve Alessandro (onvergetelijke rol van de Colombiaanse Zweed Lou Castel, in het Italiaans gedubd) die zijn oudste broer Augusto denkt te kunnen ontlasten door hun moeder en hun zwakzinnige broer om te brengen. Ook Alessandro’s haat-liefdeverhouding met zijn mooie zus Giulia (Paola Pitagora) is opmerkelijk: soms lijkt het alsof ze meer zijn dan broer en zus. Realistisch gefilmd (veel medium shots in de stijl van de Franse Nouvelle Vague), veelal tragische klanken van Ennio Morricone (in het zelfde jaar maakte hij de soundtrack van For a Few Dollars More) en een slotakte die discussie uitlokt.


 

2. – China is dichtbij (La Cina è vicina, 1967)

La Cina è vicina’ kalkt een groepje jonge maoïsten ’s avonds op een stadsmuur, terwijl ze worden betrapt door een politieagent op een fiets. Of hij nu wil of niet, de functionaris verdwijnt met wat bankbiljetten in zijn zakken, want tegen zoveel verbale bluf is hij niet bestand. Marco Bellocchio, toen nog actief lid van een marxistische partij in Italië, maakte met China is dichtbij een satire over politieke idealisten in een conservatieve omgeving en schroomt niet tegen wat heilige huisjes aan te leunen. Ondertussen maken we kennis met een professor die leider van de socialistische partij wil worden en zijn rijke zus die met jan en alleman de koffer induikt. De film ontaardt in een rommelige zedenschets op zijn Italiaans, waarin en passant het taboe rond abortus wordt doorbroken. Het meest memorabel is de geestige scène waarin een bedlegerige priester zich laat toezingen door een koortje jochies en de finale waarin de twee hoofdrolspeelsters zwangerschapsoefeningen met een voetbal doen.


 

3. – Sbatti il mostro in prima pagina (1972)

Met zijn belangstelling voor filosofie en politiek activisme heeft Marco Bellocchio veel oog voor de maatschappelijke turbulentie in het Italië van de jaren 70. Sbatti il mostro in prima pagina begint met minutenlange authentieke beelden van een oproer van ‘antifascisten’ in Milaan. We worden direct in een fascinerend drama getrokken nadat er vlak voor de verkiezingen molotovcocktails in het pand van het rechts-populistische dagblad Il Giornale belanden. De moord op de 17-jarige dochter van een gerespecteerde professor zal de politieke schermutselingen al snel een extra dimensie bieden. Aanvankelijk ziet de hoofdredacteur van de krant, Bizanti (Gian Maria Volontè), een prima gelegenheid om de losse verkoop op te schroeven: “Als Italiaanse moeders willen huilen, dan zullen ze huilen.” Maar wanneer hij zich realiseert dat een afgewezen vriend van het vermoorde meisje een linkse radicaal is, heeft hij de ideale dader en een prima instrument in handen om de verkiezingen te beïnvloeden. In het symbolische eindshot zien we een kanaal in de stad dat langzaam wordt vervuild met allerlei troep.


 

4. – Biongiorno, Notte (2003)

Naast zo’n 25 speelfilms maakte Bellocchio een aantal korte films én documentaires. In Sogni Infranti (1995) interviewt hij gedesillusioneerde leden van de Rode Brigades, vooral bekend van de geruchtmakende ontvoering van Aldo Moro in 1978. In 2003 volgde een historisch drama: Biongiorno, Notte. De kidnapping van de christendemocratische minister-president, waarbij drie politiemannen en twee bodyguards werden doodgeschoten, bracht het land in een toestand van shock. We volgen de vier kidnappers, één vrouw en drie mannen, vanaf het huren van een appartement waar Aldo Moro gevangen wordt gehouden tot het wegvoeren van de politicus bijna twee maanden later nadat volgens Proletarisch Recht doodstraf is gevonnist. Terwijl de extremisten hopen dat de arbeiders nu wel in opstand zullen komen tegen de heersende klasse, ziet het overgrote deel van de bevolking de Rode Brigades als ordinaire moordenaars. De spanning van de film zit hem in de psychologie tussen de kidnappers en Moro, en de kidnappers onderling. De toon verandert als de staatsman een ‘mens’ blijkt, maar de ‘arbeidersrevolutie kan geen gevoelens gebruiken’. Sfeervol door droombeelden van de vrouwelijke terrorist en tracks van Pink Floyd, zoals het hartverscheurende The Great Gig in the Sky.


 

5. – Vincere (2009)

Dit donkere melodrama wordt vaak beschouwd als Marco Bellocchio’s beste film. Hij gaat over de opkomst en glorietijd van dictator Benito Mussolini, bezien door de ogen van Ida Dalser, met wie hij in 1914 een hartstochtelijke liefdesrelatie en een zoon kreeg. Ida is idolaat van Benito en hangt aan zijn lippen als hij zijn politieke overtuigingen verkondigt. Zij verkoopt al haar bezittingen, zodat hij een krant kan beginnen. Maar dan blijkt dat Mussolini al getrouwd is en een kind heeft. Ida wordt aan de kant geschoven en opgesloten in een psychiatrische inrichting, terwijl hun zoon wordt ontvoerd en eveneens in een gesticht belandt. Ida zal heel haar leven blijven beweren dat zij getrouwd was met de dictator, maar dit is zowel in de film als in werkelijkheid nooit bewezen. Bellocchio maakte met Vincere een intrigerend historisch drama over een bruut die machtiger dan Napoleon wilde worden. En zoals vaker wisselt de Italiaanse cineast soepel tussen somber stemmende realiteit, archiefbeelden en korte droomsequenties. Glansrol van Giovanna Mezzogiorno, vorig jaar nog te zien in een filmadaptatie van Het Diner van Herman Koch, I Nostri Ragazzi.

 

29 december 2016

 

Alle leuke filmlijstjes

Sweet Dreams

***

recensie Sweet Dreams

Worstelen en langzaam bovenkomen

door Cor Oliemeulen

Tussen het filmgeweld van tijdgenoten als Antonioni, Fellini, Pasolini en Bertolucci is de rol van Marco Bellocchio onderbelicht gebleven. Een halve eeuw na zijn debuut verschijnt Sweet Dreams, een wat ingetogen portret van een man die op jonge leeftijd onder mysterieuze omstandigheden zijn moeder heeft verloren.

Turijn, kerstmis 1969. De negenjarige Massimo heeft het gezellig met zijn moeder: samen zingen, dansen en een spannende film kijken. “Fai bei sogni (droom lekker)”, zegt moeder als ze haar zoontje heeft ingestopt. Een dag later is er grote consternatie in huis, want er is iets met moeder gebeurd. “Een acute hartaanval”, hoort het jochie. Een priester vertelt hem dat zijn moeder nu zijn beschermengel is. Massimo kan niet accepteren dat zijn moeder er niet meer is en wordt opstandig. Zijn vader neemt hem mee naar een voetbalwedstrijd van Napoli en op moeilijke momenten vraagt Massimo raad aan zijn denkbeeldige vriend Belfagor, het duivelse karakter in de film die hij met zijn moeder keek. Het plotselinge overlijden van zijn moeder zorgt ook nog bij een volwassen Massimo tot psychische problemen.

Sweet Dreams

Onderbelicht
Marco Bellocchio is een Italiaanse regisseur die al begin jaren 60 begon met films maken maar altijd onderbelicht is gebleven door de cinematografische impact van vakbroeders als Antonioni, Fellini, Pasolini en Bertolucci. Veel meer dan genoemde grootheden, volgde de inmiddels 77-jarige Bellocchio in zijn films en documentaires de roerige Italiaanse geschiedenis van de twintigste eeuw. Van de opstand van antifascisten in Sbatti il mostro in prima pagina (1972), de geruchtmakende ontvoering van Aldo Moro in Biongiorno, Notte (2003) tot en met de opkomst en het huiselijke geweld van Mussolini in Vincere (2009) – politieke schermutselingen lopen als een rode draad door zijn oeuvre.

Hoe anders is dat in Sweet Dreams, een bewerking van de gelijknamige Italiaanse bestseller van Massimo Gramellini. Het pakkende verhaal over Massimo die pas tientallen jaren later de ware oorzaak van zijn moeders dood ontdekt, staat bijna loodrecht tegenover de grillige atmosfeer van een disfunctionele familie in Bellocchio’s ijzersterke debuut I pugni in tasca (1965). Terwijl in die film de hoofdpersoon iedereen in zijn misère meesleurt en kansloos ten onder gaat, is er in Sweet Dreams hoop voor de protagonist om in het reine te komen met het verleden. Impulsiviteit versus teruggetrokkenheid; terreur versus rouw.

Sweet Dreams

Twijfel
Met zijn natuurlijke ingetogenheid is Valerio Mastandrea (La prima cosa bella, Perfetti Sconosciuti) een ideale acteur om de volwassen Massimo te verbeelden. Hij is werkzaam als journalist bij het dagblad La Stampa en begint last van paniekaanvallen te krijgen nadat hij in de jaren negentig de burgeroorlog in Sarajevo heeft verslagen. Hij vraagt de arts Elisa (Bérénice Bejo: The Artist, Le Passé) of hij misschien een hartaanval heeft gehad. Door haar steun, vriendschap en liefde begint Massimo steeds meer te twijfelen aan de werkelijke oorzaak van het overlijden van zijn moeder in zijn kindertijd.

Nadat hij op initiatief van zijn chef bij de krant een lezersbrief heeft beantwoord aan iemand die zijn moeder haat en de redactie wordt overstelpt met post van lezers die diep zijn ontroerd door Massimo’s spontane reactie, vindt hij zelf de kracht om het verleden te kunnen accepteren. Marco Bellocchio maakt met Sweet Dreams een voor zijn begrippen erg toegankelijke film. Mild, weinig verrassend en een tikkeltje zoet. Maar boeiend genoeg om je te kunnen identificeren met een man die worstelt met het verleden en langzaam bovenkomt.
 

27 december 2016

 
MEER RECENSIES

Perfetti Sconosciuti

****

recensie Perfetti Sconosciuti

Black box met explosieve lading

door Cor Oliemeulen

Menigeen kan Perfetti Sconosciuti beter zónder geliefde bezoeken. Hoe het verplicht openbaren van gegevens op je mobieltje leidt tot relationele slachtpartijen bewijst deze Italiaanse kaskraker.

Onlangs was op tv de documentaire Addicted to my Phone te zien. Gesteund door de gebruikersvoorwaarden van Facebook bood een Deens onderzoeksteam een zaklamp-app aan, echter de gebruikers wisten niet dat ze door het installeren van de app automatisch toegang gaven tot hun gesprekken, teksten, foto’s, camera en microfoon. Naderhand bezocht het team enkele gebruikers, die totaal geschokt reageerden omdat al hun data bleken te zijn gekopieerd en heimelijk gesprekken waren opgenomen. Zelfs een ex-minister wist zich geconfronteerd; we zagen hoe zij een dag later een spoedberaad in het parlement belegde.

Perfetti Sconosciuti

Bioscoophit
Het lenen en stelen van persoonlijke gegevens, winkels en organisaties die door middel van wifi-tracking de handel en wandel van bezitters van mobiele apparaten volgen en gebruiken, stralingsgevaar, verslaving aan je mobieltje en appen achter het stuur mogen dan verontrustend zijn als je er wat dieper over nadenkt – dat alles is nog niets vergeleken met het verplicht delen van de explosieve geheimen die de gemiddelde mobiele telefoon(eigenaar) met zich meedraagt.

De Italiaanse regisseur Paolo Genovese kwam op het originele idee om een speelfilm over dit gegeven te maken, getriggerd door een uitspraak van schrijver Gabriel Garcia Marquez: ‘Iedereen heeft een publiek leven, een privéleven en een geheim leven.’ Twintig jaar geleden waren onze geheimen veilig in onszelf opgeborgen, tegenwoordig liggen ze verborgen in onze mobieltjes. In Perfetti Sconosciuti (Volmaakte Onbekenden) wordt dan ook gesproken van een persoonlijke black box. Het komische drama was afgelopen voorjaar dé bioscoophit in Italië en won er twee Donatello’s, voor beste film en beste scenario.

Perfetti Sconosciuti

Van ruilen komt huilen
In een toneelsetting ontmoeten we drie stellen die bij één van hen samenkomen voor een diner. Ze zijn welgesteld en kennen elkaar al hun halve leven. Eén vriend komt later en zou zijn nieuwe vriendin meebrengen, maar die moet zich verontschuldigen. Na het uitwisselen van koetjes en kalfjes begint er een gesprek over de geheimen die iedereen op zijn of haar mobieltje meedraagt, waarna iemand oppert om tijdens het diner de anderen bij wijze van experimenteel spelletje deelgenoot te maken van binnengekomen gesprekken en berichtjes. Na wat tegenstribbelen ontstaan de eerste complicaties, als één van de getrouwde vrienden zich realiseert dat hij vanavond een wulpse foto van een vrouw zal ontvangen en hij de eenling in het gezelschap zover krijgt om stiekem mobieltjes te ruilen. Langzaam volgen de eerste kleine onthullingen en uiteindelijk blijkt dat minstens vijf van de zeven disgenoten iets serieus op hun kerfstok hebben. Maar niets is wat het soms lijkt.

De sterrencast – o.a. Giuseppe Battiston (Pane e Tulipani), Marco Giallini (Una famiglia perfetta), Valerio Mastandrea (La prima cosa bella) en Alba Rohrwacher (Le Meraviglie) – weet uitstekend raad met het intelligente scenario van Perfetti Sconosciuti, waarbij Genovese steun kreeg van een kwartet ervaren scenaristen. De film is bij voorkeur te genieten zónder partner, behalve natuurlijk als je absoluut geen geheimen voor elkaar hebt…
 

13 november 2016

 
MEER RECENSIES

De western als zen-opera

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Wraak verdampt tot karma

door Alfred Bos

Ook digitaal opgelapt is de eerste rol van Henry Fonda als schurk, 48 jaar na de eerste vertoning van Sergio Leone’s monumentale spaghettiwestern, nog steeds gedenkwaardig. Betere westerns zijn er niet gemaakt. Betere filmmuziek ook niet.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Is Once Upon a Time in the West de beste western ooit gemaakt? Het verhaal is simpel: geheimzinnige vreemdeling met mondharmonica en schurk met lokale reputatie beschermen weduwe tegen lafhartige moordenaar die werkt voor spoorbaron. De uitwerking is groots: een kleine drie uur durende breedbeeldcollage van westerntropen en nouvelle vague-technieken (lange tracking shots, techniek als stijl, speciale aandacht voor geluid, de regisseur als auteur) in tergend traag tempo, ondersteund door een majestueuze soundtrack. Sergio Leone’s vierde spaghettiwestern is een meesterwerk.

En niet zijn eerste. Toen Once Upon a Time in the West vlak voor kerst 1968 in de Italiaanse bioscoop verscheen, had de wereld er een chaotisch jaar op zitten. De politieke moorden van Martin Luther King en presidentskandidaat Robert Kennedy (broer van JFK) in Amerika, de escalatie van de oorlog in Vietnam, de studentenrellen in Parijs, Berlijn en andere westerse steden, de inval van de Russen in Praag—de wereld snakte naar een moment van bezinning en eenheid. Dat kwam op kerstavond, toen Apollo 8 rondjes om de maan vloog en het publiek thuis achter de buis trakteerde op de eerste ruimte-selfie: planeet aarde gezien van buitenaf. Wat ontbrak was de soundtrack van Ennio Morricone.

Die was te horen onder Sergio Leone’s vierde spaghettiwestern. De regisseur had een naam hoog te houden, want zijn vorige film, The Good, The Bad and The Ugly (1966), was een epos op een schaal waarbij de doorsnee western van dat moment – en zijn eigen A Fistful of Dollars (1964) en For A Few Dollars More (1965), gedrieën de Dollars Trilogie met Clint Eastwood als de man zonder naam – bleekjes afstaken. Alles aan Once Upon a Time in the West ademt ambitie.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Moreel besef
Het verhaal komt uit de koker van collega-regisseurs Benardo Bertolucci en Dario Argento, plus Leone zelf. Het basisgegeven is dat van The Good, The Bad and The Ugly: drie mannen, geharde individuen, strijden met en tegen elkaar. De inzet is geen verborgen schat, zoals in het slotstuk van de Dollars Trilogie, maar een goede zaak. Een jonge weduwe, Jill McBain (Claudia Cardinale), wordt belaagd door de sterke man, Frank (Henry Fonda, in zijn eerste rol als schurk), van treinbaron Morton (Gabriele Ferzetti). Die aast op de boerderij van haar familie, door Frank vermoord. Er zit water onder de grond, daar moet het station komen te staan.

De motieven van de mannen die haar te hulp schieten, elk om zijn eigen redenen, maken dat Once Upon a Time in the West ondanks overeenkomsten in plot en beeldtaal een gans andere film is dan The Good, The Bad and The Ugly. Cheyenne (Jason Robards), de beruchtste outlaw van het stadje Flagstone en omgeving, krijgt de schuld voor de moord op de McBains in zijn laarzen geschoven. De man met de harmonica, domweg Harmonica geheten (Charles Bronson), heeft met Frank een rekening te vereffenen.

Eer en reputatie zijn de inzet, niet geldgewin; moraliteit is de prettige bijvangst. Dat moreel besef, plus de aanwezigheid van een vrouw in het kwartet hoofdrollen, maken Once Upon a Time in the West tot een rijkere film dan zijn directe voorganger, met een emotionele diepgang die de Dollars Trilogie mist.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Gletsjer-tempo
Welke rekening er voor Frank openstaat ontvouwt zich langzaam. En langzaam is het sleutelwoord aangaande Once Upon a Time in the West. Waar veel regisseurs het verhaal er in anderhalf uur doorheen zouden jassen, neemt Leone bijna drie uur de tijd. De film heeft het tempo van een gletsjer en dat dient een doel.

De openingsscène op het station van Cattle Corner middenin de leegte van een winderige prairie – twee jaar terug nog gekopieerd in de Deense western The Salvation – zet de toon. Tien minuten lang gebeurt er hoegenaamd niets. Drie langjassen (na deze film een index van slechteriken) wachten op hun prooi. De tijd wordt gevuld met geluid en extreme close-ups; triviale voorvallen – een hinderlijke vlieg, druppelend water – uitvergroot tot epische proporties.

Leone rekt de tijd, die daardoor zijn normale betekenis verliest. Het geeft de regisseur tevens de gelegenheid om het medium film in te dikken tot zijn kern: beeld en geluid. De scène is nagenoeg woordloos, zoals de dialogen van deze 175 minuten lange film passen op tien A-viertjes. Ook het beeld wordt van zijn gangbare betekenis ontdaan, de close-ups abstraheren het getoonde tot textuur. Temidden van alle zwijgzaamheid krijgen de spaarzame dialogen extra lading. Verschillende zijn klassiek geworden, zoals deze: “Je ziet, we komen een paard te kort.” “Nee, jullie hebben er twee teveel.”

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Zen-cowboy
Al oogt Once Upon a Time in the West oppervlakkig gezien als een voorbeeld van naturalisme, alles aan de film is gestyleerd. Niet wat zich vóór de camera afspeelt, maar hoe de regisseur het op het filmdoek brengt is van a tot z geësthetiseerd. In dat opzicht loopt de film vooruit op het hyperrealisme dat in zwang kwam na de introductie van de digitale camera.

De visuele stijl is een voortzetting en verfijning van de beeldtaal die Leone gebruikt in The Good, The Bad and The Ugly: breedbeeldformaat, telelens, close-ups; de laatste vaak extreem. Al is zijn film hoogst gestileerd, de regisseur past een stijlmiddel toe dat het Italiaanse neorealisme regelmatig hanteert: de flashback die visualiseert wat zich in het hoofd van het personage afspeelt, een gedachte of een herinnering. Hij gebruikt het meesterlijk in de finale, wanneer voor Frank – en de kijker – met een schok duidelijk wordt wie Harmonica is en wat hem drijft.

Dan wordt ook duidelijk waarom de film zo’n tergend traag tempo heeft. Dat is de gemoedstoestand van Harmonica, de man die zo onthaast, zeg maar gerust onthecht is dat hij een zen-cowboy is geworden. Once Upon a Time in the West handelt niet om wraak, zoals talloze westerns—hij gaat over karma. Harmonica is geen wreker, hij is het noodlot dat Frank over zichzelf heeft afgeroepen.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Operateske soundtrack
Filmcomponist Ennio Morricone heeft voor zijn soundtrack veel lof gekregen; die heeft de allure van een opera. Morricone geeft twee van de drie mannelijke hoofdrollen zijn eigen muzikale motief dat hun personage typeert en hun karakter schetst. De man met de harmonica gaat vergezeld van drie omineuze dissonanten uit, hoe kan het anders, de harmonica. Cheyenne wordt geïntroduceerd met een klossende deun, wat de blanke pit in de ruwe bolster verraadt. Frank is zielloos en moet het dus zonder muziek doen.

Het hoofdthema met de woordloze vrouwenzang is het motief van de weduwe. Die keuze van de regisseur benadrukt haar centrale rol in het verhaal: de voormalige hoer uit New Orleans fungeert als de beschavende factor in de vertelling. Leone en Morricone waren bevriend sinds hun schooltijd; de componist voorzag alle films van Leone van muziek, met uitzondering van diens debuut, de sword & sandal-film Il Colosso di Rodi (1961). Na de release van Once Upon a Time in the West belde Stanley Kubrick met Rome: hoe had zijn Italiaanse collega beeld en geluid zo perfect op elkaar weten te laten aansluiten? Eenvoudig, de muziek was al geschreven en de scènes waren gedraaid terwijl Morricone’s soundtrack speelde.

Maar meer nog dan de dramatische orchestraties blinkt Once Upon a Time in the West uit door zijn gebruik van omgevingsgeluid. Ook daarin was de film vernieuwend, het zet ambient geluid in als textuur. Zoals Leone flashbacks hanteert om de gedachten van Harmonica zichtbaar te maken, zo gebruikt hij sfeergeluid om te tonen wat er rondgaat in het hoofd van treinbaron Morton, voor hij zijn laatste adem uitblaast. Voor de filmsoundtrack is 1968 een sleuteljaar, Stanley Kubrick gebruikte bestaande opnamen op revolutionaire wijze als filmmuziek in 2001: A Space Odyssey.

Once Upon a Time in the West: de western als zen-opera

Ongenaakbare klassieker
Once Upon A Time In The West, de meest onthaaste, bijna ambient, anti-actiefilm die Leone maakte, werd net als de Dollars Trilogie gedraaid in het Zuid-Spaanse Almería. Voor een film die textuur centraal stelt is het landschap van beslissende betekenis en Leone schoot Jills reis van het stadje Flagstone per kar naar de McBain-boerderij Sweetwater in Amerika. De camera glijdt over de iconische Monument Valley, bekend van talloze westerns van John Ford. Die liet na het zien van Leone’s spaghettiwestern aan zijn collega weten dat hij in hem zijn meerdere erkende.

Once Upon a Time in the West is de diamant in het kleine, maar gave oeuvre van de Italiaanse regisseur. De film werd indertijd in Europa beter ontvangen dan in Amerika, waar distributeur Paramount complete scènes uit het verhaal sneed. Hij groeide – net als de Dollar Trilogie en The Good, The Bad and The Ugly in het bijzonder – in de loop der jaren uit tot ongenaakbare klassieker. De Engelse auteur Barry Stone beschouwt die twee Leone-films in zijn eerder dit jaar verschenen boek The 50 Greatest Westerns met Seven Samurai (Akira Kurosawa, 1954) en The Wild Bunch (Sam Peckinpah, 1969) als de beste westerns ooit gemaakt. Daar valt weinig tegen in te brengen.
 

30 oktober 2016

 
Alle essays