Führer und Verführten

***
recensie Führer und Verführten
Propaganda als kunstvorm

door Jochum de Graaf

‘Ik schiep de mythe van de Führer’ was het credo van Joseph Goebbels, de tweede man van het Derde Rijk. Führer und Verführten zoomt in op de rijksminister van Volksvoorlichting en Propaganda tijdens het naziregime.

Gelijk in een van de eerste scènes zien we hoe de propagandamachine werkte. In een filmzaaltje kijkt Goebbels met enkele getrouwen naar opnamen voor het bioscoopjournaal van Adolf Hitler die een toespraak houdt en het publiek in gaat. De camera draait om hem heen, zoomt in op zijn rug, naar zijn handen trillen lichtjes vlak voor hij een jongetje van de Hitlerjugend een hand wil geven. De mannen in het zaaltje reageren enthousiast, prachtige opnamen van de Führer. Maar Goebbels reageert furieus en laat de film stopzetten: ‘De Führer beeft niet!!‘.

Goebbels regisseerde altijd en overal
Regisseur Joachim A. Lang verfilmt Goebbels ‘werdegang’ aan de hand van de belangrijkste chronologische data van het Derde Rijk. De Anschluss van Oostenrijk (maart 1938), ‘vredesconferentie’ van München (september 1938), Kristallnacht (9-10 november 1938), annexatie Sudeten-Duitsland (maart 1939), Molotov-Ribbentroppact en niet-aanvalsverdrag nazi-Duitsland en Sovjet-Unie (augustus 1939), inval in Polen en begin Tweede Wereldoorlog (september 1939), de overwinning op Frankrijk (juni 1940), operatie Barbarossa: inval in de Sovjet-Unie (juni 1941), de overgave bij de Slag om Stalingrad (februari 1943), de aanslag op Hitler van Duitse legerofficieren onder leiding van kolonel Von Stauffenberg (juli 1944). En vanzelfsprekend ook de gebeurtenissen van eind april/begin mei 1945 toen Hitler en zijn Eva Braun in de bunker in Berlijn zelfmoord pleegden, en een dag later Goebbels en zijn Magda die eerst hun zes kinderen een dodelijke gifpil lieten toedienen om vervolgens de hand aan zichzelf te slaan.

Führer und Verführten

Goebbels regisseerde bij al die belangrijke gebeurtenissen, de openbare optredens van Hitler, schreef mee aan de toespraken, bereidde minutieus de setting voor, bepaalde waar en wanneer hij zou spreken, wie er op de eerste rij moest zitten, wie de Führer mocht begroeten. Ook bij de bijeenkomsten en conferenties van de nazitop bepaalde hij de agenda en de tafelschikking, wie van de kopstukken Speer, Bormann, Himmler, Heidrich, Ribbentropp op welke plek mocht zitten en het woord mocht voeren. Zelf zorgde hij er voor dat hij altijd direct rechts van de Führer zat, de tweede man van het Derde Rijk. Zo krijgen we een aardig inkijkje in de hofhouding, ofwel slangenkuil, van het Hitlerregime. Herman Göring was voor hem een ‘dikke mopshond’ en Heinrich Himmler een ‘benepen burgermannetje’.

Goebbels handelde vanuit een volstrekte onderhorigheid aan Hitler, volgde hem tot het bittere einde. ‘Onkel’ Hitler kwam menigmaal op bezoek en beschouwde de familie Goebbels als een modelgezin; alle zes kinderen kregen een voornaam met de beginletter H. Maar Goebbels was een verwoed rokkenjager en hield er openlijk een verhouding met de Tsjechische actrice Lína Baarová op na. Toen zijn wettige echtgenote Magda er achter kwam, hield hij keihard vol dat hij het recht had op een minnares. Maar Hitler dwong hem de relatie op te geven. Die paste niet bij het beeld van een zuiver Arisch volk, en Baarová verdween in de anonimiteit.

Hoewel Goebbels het niet eens was met de inval in Polen – hij had Hitler tot dan afgeschilderd als een redelijke man die op vreedzame wijze het belang van Duitsland voorop stelde – draait hij onmiddellijk de propaganda volledig om. Er was voor Duitsland ‘geen andere mogelijkheid om te reageren op vele provocaties van Poolse zijde’, een volledig verzonnen bewering.

De waarheid dienen als het goed uitkomt
De grootste communicatieve tournure die hij moest uithalen, was in juni 1941 toen Hitler Operatie Barbarossa startte, de inval in de Sovjet-Unie. Twee jaar eerder had hij nog een juichende berichtgeving de wereld in gestuurd bij de totstandkoming van het Molotov-Ribbentrop pact, het niet-aanvalsverdrag tussen de twee totalitaire ideologieën in Europa. En nu moest de Sovjet-Unie met Stalin ineens afgeschilderd worden als de bron van alle kwaad die vernietigd moest worden.

‘Wij dienen de waarheid slechts als het ons uitkomt’, horen we hem zeggen. Het toppunt van de verdraaiing van feiten bereikt hij met zijn beruchte toespraak in het Berlijnse Sportpalast, 18 februari 1943, wanneer hij kort na de capitulatie bij de Slag om Stalingrad het streng geselecteerde publiek tot uitzinnige hoogte weet op te zwepen: ‘Wollt ihr den totalen Krieg?  Führer Befehl, wir folgen.’

Führer und Verführten

Goebbels bediende zich van toen moderne technieken, zorgde ervoor dat de belangrijkste kranten in handen van de nazi’s kwamen en liet – in de film onderbelicht – de zogenaamde Volksempfänger produceren, voor de gewone Duitser betaalbare radiotoestellen waar evenwel slechts een paar door de nazi’s goedgekeurde zenders op te beluisteren waren.

‘Propaganda is een kunstvorm, zoals schilderkunst’ en ‘wij scheppen de beelden die blijvend zijn’. Hij bediende zich liever van speelfilms dan van documentaires, omdat je dan beter het verhaal naar je hand kunt zetten. Onder de indruk van Leni Riefenstahls Olympia gaf hij de opdracht voor de propagandistische en fel antisemitische films Jud Süsz en Der ewige Jude.

Discussie in Duitsland
In Duitsland is er de nodige discussie over Führer und Verführten. Hitler en Goebbels zouden vermenselijkt worden en daarmee hun daden vergoelijkt. Regisseur Joachim Lang bracht daar tegenin dat hij met terugwerkende kracht het ware verhaal wilde laten zien en haalt het motto van Primo Levi aan: ‘Het gebeurde, en daarom kan het weer gebeuren.’

Lang kiest voor een wat afstandelijke regie en maakt veelvuldig gebruik van een speciale vorm van re-enactment, het gedeeltelijk naspelen van gebeurtenissen. We zien dan Hitler (Fritz Karl) zich voorbereiden op een toespraak. Goebbels (Robert Stadlober) geeft hem nog wat aanwijzingen, hij loopt naar het balkon, de deuren openen zich en we staan op het balkon van stadhuis Wenen, juni 1938 wanneer de stad is uitgelopen voor hun landgenoot die de Anschluss bewerkstelligd heeft en de oprichting van het Groot-Duitse Rijk aankondigt. Op zich werkt dat wel, maar de matige acteurs (Robert Stadlober en Franziska Weisz als het echtpaar Goebbels gaat nog redelijk maar Fritz Karl kan niet in de schaduw staan van Bruno Ganz’ meestervertolking van Adof Hitler) en de soms sjablonerige dialogen doen afbreuk aan de waarde van de geschiedenisles die de film zou kunnen hebben.

 

25 september 2024

 

ALLE RECENSIES

The Third Man (1949)

*****
recensie The Third Man (1949)
Tegendraadse politieke thriller

door Jochum de Graaf

In thuisstad Wenen is de film vanaf de première in 1949 ononderbroken te zien geweest, tegenwoordig nog twee keer per week. Het is ook de enige film die kan bogen op een eigen museum. The Third Man is door The British Film Institute meermaals uitgeroepen tot beste Britse film aller tijden en komt steevast voor in de top 25 van alle andere lijstjes van beste films ooit. Ter ere van de vijfenzeventigste verjaardag is nu een 4k gerestaureerde versie uitgebracht zodat dit absolute meesterwerk in extra volle glorie te zien is.   

Over vrijwel alle aspecten van de film zijn en worden discussies gevoerd, boeken en essays geschreven, masterclasses georganiseerd, documentaires gemaakt (Op Netflix is Shadowing The Third Man te zien). Scenario, regie, cast, camerawerk, muziek, het zit perfect in elkaar. Cameraman Robert Krasper maakte gebruik van in die tijd moderne technieken als de Dutch angle een gezichtspunt waarbij het lijkt alsof de camera met het hoofd gekanteld naar de situatie kijkt. Een techniek die geassocieerd wordt met de Duitse expressionistische cinema van de jaren twintig waarmee psychologische onrust en spanning in beeld gebracht werd. De harde belichting en zwart-witbeelden tegen het decor van het naoorlogse Wenen leverden iconische beelden op.

The Third Man

Op de puinhopen van de oorlog
Wereldberoemd is de muziek uit de film, The Harry Lime Theme, dat iedereen die het hoort onmiddellijk herkent en mee neuriet. Componist Anton Karas werd door regisseur Carol Reed in een achterafrestaurantje ontdekt. Het was voor het eerst dat er in plaats van bombastische filmorkestraties een citer te horen viel, een tot dan relatief onbekend snaarinstrument met een klank die een lichtvoetige swing geeft aan de sombere naoorlogse beelden. In het Weense Third Man Museum zijn maar liefst 420 coverversies te beluisteren.

Natuurlijk is de locatie uitermate belangrijk, het Wenen kort na de Tweede Wereldoorlog, opgedeeld in vijf sectoren, voor de afzonderlijke geallieerden, de VS, Frankrijk, Groot-Brittannië en de Sovjet Unie en het centrum van de stad waar een internationale troepenmacht de scepter zwaait. Eind jaren veertig is het nog een onbestemde tijd, waar de puinhopen en de verwoesting van de Tweede Wereldoorlog het straatbeeld bepalen en waar de contouren van een nieuw te bouwen wereld nog vaag zijn. De Koude Oorlog staat op uitbreken.

In dat klimaat arriveert de Amerikaanse Holly Martins (Joseph Cotton), pulpschrijver van bestsellers als ‘De cowboy van Santa Fe’ en ‘Ranch der doden’, in Wenen. Zijn jeugdvriend Harry Lime heeft hem een baan aangeboden, maar hij krijgt te horen dat Harry overleden is. Martins gelooft de uitleg van de politie dat het een ongeluk is niet en gaat zelf op onderzoek uit.

Ingenieus scenario
De Britse succesauteur Graham Greene, met een verleden bij Britse inlichtingendienst SIS, schreef een ingenieus scenario voor een tegendraadse politieke thriller, waarin hij optimaal gebruik maakt van het tijdsgewricht en de bijzondere locatie. Harry Lime blijkt zijn eigen dood in scène te hebben gezet, om te verhullen dat hij betrokken is bij de diefstal van penicilline uit militaire ziekenhuizen. In met name de Britse sector is een groot gebrek aan dit medicijn. Harry verdient goed aan de handel op de zwarte markt en het verdunnen van de penicilline. In aangelengde vorm wordt het aan jongeren toegediend waardoor er vele slachtoffers vallen. De Britse militaire politie opent de jacht op Harry Lime.

De wat naïeve en goedgelovige Holly Martins raakt meer en meer betrokken, wordt verliefd op Harry’s vriendin Anna Schmidt (Alida Valli), en uiteindelijk gaan ze samenwerken om hem te vinden.

The Third Man

Een van de hoofdthema’s van de film is de ontgoocheling van Holly Martins over zijn relatie met iemand die hij als zijn beste vriend beschouwde en het feit dat dit zijn wereldbeeld volledig op zijn kop zet.

The Third Man kent een aardig aantal iconische scènes die de filmgeschiedenis zijn ingegaan. Er is de spectaculaire achtervolging van Harry Lime die via de riolen onder de Sovjet-sector aan de Britse politie probeert te ontsnappen, uitmondend in het beeld van Harry’s handen die krampachtig proberen het putdeksel omhoog te liften, waarop de dramatische ontknoping volgt.

Ook de eindscène is briljant: in een wijd shot zien we Anna op een begraafplaats langzaam aan komen lopen. Holly Martins staat aan de poort, hunkerend naar een blik of begroeting, maar ze loopt straal aan hem voorbij. Het is een mooi beeldrijm met het begin van de film waarin Martins haar in een auto passeert als ze over de begraafplaats loopt. Het is een scène die regisseur Carol Reed doordrukte in de twist met de Amerikaanse producer David O. Selznick die er voor de Amerikaanse markt een happy end van wilde maken.

The Third Man kent een uitstekende cast, ook in de bijrollen met onder andere Trevor Howard als de Britse militaire politie major Calloway kent de film geen zwakke plekken.

Voor de buitenwacht is het Orson Welles die de film draagt met zijn inderdaad geweldige vertolking van het karakter Harry Lime. Het bijzondere is evenwel dat hij pas na een uur ‘opkomt’.

Onuitwisbare indruk
Na een bezoek aan Anna merkt Holly Martins op dat er een persoon rond het huis waart en naar hem zit te kijken. In een flits ziet hij in een donkere nis Harry Lime, die onmiddellijk de benen neemt. Holly roept hem tevergeefs na. Maar de lichtval op het gezicht van Welles, de blik waarmee hij naar Martins kijkt, zijn enorme voorkomen, het maakt een onuitwisbare indruk.

The Third Man

Later ontmoeten de twee elkaar in het reuzenrad in het Prater, het grote Weense stadspark. En dan zien we het knappe van het script: de confrontatie van de twee tegenpolen, de wat schuchtere goedwillende Holly Martins en de cynische, amorele Harry Lime. Terwijl het reuzenrad hoog boven de stad ronddraait, kijkt Lime neer op de mensen beneden die in zijn ogen een onbeduidend en nergens toe leidend leven leiden en trommelt zich op de borst over het persoonlijke profijt dat hij uit de toestand van chaos en ontbering weet te halen.

Als hij uitgestapt is, spreekt hij de ook nu tot nadenken stemmende monoloog, de enige niet door Graham Greene geschreven, maar door Orson Welles zelf ingebrachte tekst. “Weet je”, zegt hij. “Onder de Borgia’s in Italië heerste er dertig jaar oorlog, moord, geweld, terreur en bloedvergieten, maar dat heeft toch Michelangelo, Leonardo da Vinci en de Renaissance voortgebracht. En in Zwitserland kennen ze meer dan vijfhonderd jaar naastenliefde, vrede en democratie.” En dan met een vileine oogopslag “En wat heeft dat opgeleverd? De koekoeksklok!!”

 

19 september 2024

 

ALLE RECENSIES

Blur: To The End

***
recensie Blur: To The End
De muzikale klik is nooit weggeweest

door Jochum de Graaf

Al in 1993 was er het wat amateuristisch gemaakte Starshaped dat misschien wel bijdroeg aan het megasterrendom van Blur. Het waren de hoogtijdagen van de Britpop, de muziekstroming die na The Beatles en The Stones in de jaren 90 opnieuw de reputatie van Engeland als belangrijkste bron van de popcultuur bevestigde.

Een docu over een energiek bandje, jongens waren ze nog, met live-uitvoeringen van There’s no other way en Popscene, die de tand des tijds overleefd hebben en nog steeds op het repertoire staan. Het aanmerkelijk professioneler gemaakte New World Towers kwam uit in 2015 toen ze na een jarenlange artistieke stilte op tournee waren in Azië en het album The Magic Whip hadden uitgebracht. Met een aantal songs geïnspireerd door het bezoek van zanger-componist Damon Albarn aan Noord-Korea. Beide films zijn nog op YouTube te zien. 

No Distance Left to Run (2010) is de meest geprezen docu over Blur, een goede weerslag van hun ontwikkeling en hun vooraanstaande positie in het cultuurlandschap, gemaakt na de eerste hereniging van de band na zeven jaar, met de legendarische concerten in Hyde Park juni 2009.

En nu is er dus Blur: To The End. Uitgebracht na het goed ontvangen album The Ballad of Darren en het grootste optreden dat ze ooit deden: twee razendsnel uitverkochte concerten voor 90.000 fans elk in het Wembley Stadium, 8 en 9 juli 2023.

Blur: To The End

Interessanter dan Oasis
“Hoe minder we doen, hoe groter we worden”, merkt drummer Dave Rowntree ergens halverwege de film op. Een opmerking die de afgelopen weken nog eens extra bewaarheid werd met de volkomen gekte rond de kaartverkoop voor de herenigingsconcerten van Oasis, de grote rivaal tijdens de Britpop, volgend jaar. Met die wetenschap in het achterhoofd zou je kunnen vaststellen dat commercieel gezien de gebroeders Callagher nu aan het langste eind trekken, maar To The End laat zien dat Blur muzikaal en qua persoonlijkheden aanmerkelijk interessanter is.

De film toont de opmaat naar die ‘once in a generation’ concerten met opwarmoptredens in plaatsen als Wolverhampton en Eastbourne, en wat die plekken voor rol in hun carrière speelden. Innemend is de scène dat ze – na het optreden in het Colchester Arts Centre in de Stanway School waar Damon Albarn en Graham Coxon hun middelbare schooltijd doorbrachten – worden rondgeleid door de schooldirecteur en zien dat het muzieklokaal hun naam heeft gekregen. Maar ze vinden het er een beetje steriel uitzien en stellen voor het met een Paisley-behangetje en wat wietplantjes voor beginnende muzikanten wat op te fleuren, tot afgrijzen van het schoolhoofd.

Regisseur Toby L. heeft een tamelijk rechttoe rechtaan fly on the wall documentaire gemaakt. We zijn bij studio-opnamen, concerten en andere ontmoetingen van alleen de bandleden; producers, technici, journalistieke volgers, commentatoren, vrienden en partners komen niet aan het woord. En zoals in alle bandjesdocu’s zien we de clichébeelden, het onderlinge gekibbel, de irritaties, het onderuit gezakt hangen op stoelen en banken, gepiel op de instrumenten, het lange wachten en verveeld om zich heen kijken tot ze weer eens aan de beurt zijn.

Familiegevoel van vroeger
Maar we krijgen ook een inkijkje in de nogal uiteenlopende persoonlijkheden van de band. Ze hebben elkaar weliswaar jaren niet gezien, zijn aardig uit elkaar gegroeid maar vallen vanaf de eerste herontmoeting terug op het familiegevoel van vroeger. De branie, de bravoure en het gevoel van onverwinnelijkheid zien we terug in momentopnamen uit de Britpopjaren, waar de tomeloze energie vanaf spat.

De mannen lopen nu tegen de zestig en bespreken met elkaar kwaaltjes en zorgen over rugpijn, zwakke knieën, minder willen drinken, gezonder leven en wat dies meer zij. Bassist Alex James, nog steeds rokend op het podium, houdt zich onledig met het maken van kaas. Grimlachend vertelt hij het verhaal in de pers dat hij misschien wel een miljoen pond aan drank en drugs heeft uitgegeven, ‘hoe moet ik dat aan mijn kinderen uitleggen’.

Blur: To The End

Drummer Dave Rowntree is naast advocaat en politicus sportfanaat en blesseert bij het hardlopen zijn knie nogal ernstig en haalt ternauwernood met dik ingezwachteld been Wembley. Gitarist Graham Coxon is nogal openhartig over de vele angsten die hij heeft en bekent dat hij maar weinig vrienden heeft. En Daman Albarn, het muzikale genie van de band, breekt midden tijdens een studiosessie in huilen uit, denkend aan de recente breuk van zijn langdurige relatie. De andere bandleden weten er niet goed raad mee, vervallen kort daarna weer in de oude gewoonte van irritatie over zijn autoritaire optreden tijdens de repetities.

Maatschappelijk betrokken
Ze bediscussiëren de ramp van de Brexit met elkaar; Dave Rowntree stond de afgelopen verkiezingen nog kandidaat voor Labour in het district Norfolk County. De maatschappelijke betrokkenheid krijgt ook gestalte met het statement dat Pauline Black, frontvrouw van de fameuze skaband The Selecter, in het voorprogramma op Wembley maakt. In het zo veelbelovende Britpoptijdperk leek het alsof racisme, seksisme en andere ismen overwonnen waren, maar in het huidig tijdsgewricht is de strijd daartegen weer uiterst urgent.

Eenmaal op het podium verzorgen ze vanuit de geweldige muzikale klik die ze met elkaar hebben een weergaloos optreden. De hoogtepunten van het meest recent album The Ballad of Darren – St. Charles Square en The Narcissist – sluiten wonderwel goed aan op meer dan dertig jaar oudere nummers als Popscene, Parklife en titelnummer To The End. En dan is er de apotheose met het iconische Song 2 uit ’97, dat tijdens het afgelopen EK bij ieder doelpunt door de stadions schalde, en een kippenvel opwekkende uitvoering van Tender met het London Community Gospel Choir. 

Blur: Live at Wembley Stadium ging vorige week in Groot-Brittannië in première en zal vanaf 26 september ook in Nederland te zien zijn.

 

11 september 2024

 

ALLE RECENSIES

Peeping Tom (1960)

Peeping Tom (1960) in 4k-restauratie
Geflipte scopofiel

door Paul Rübsaam

‘Gluurder’, of iets netter: ‘voyeur’. Dat is de gangbare vertaling van ‘Peeping Tom’, de titel van Michael Powell’s tegendraadse horrorfilm uit 1960. Maar de associaties met ‘cinefiel’ en ‘bioscoop’ oproepende, verbasterde vakterm ‘scopofiel’ is misschien wel treffender. Want Powell’s ooit verguisde en nu in 4K te bezichtigen meesterwerk, waarin seriemoordenaar en ‘documentairemaker’ Mark Lewis op zoek is naar het gezicht van de angst, tovert brave filmkijkers een verontrustend spiegelbeeld voor.

Om te verklaren wat Peeping Tom destijds teweeg heeft gebracht, moet je deze film structureel benaderen. De posities van filmkijkers, filmmakers en gefilmde personages zijn zozeer met elkaar verstrengeld, dat je de verschillende fictieve kaders binnen de film, ieder met hun eigen cameravoering, het beste stapsgewijs kunt inventariseren.

Peeping Tom

Eén van die kaders wordt gevormd door de draaidagen van de fictieve speelfilm The walls are closing in. Over het verhaal daarvan komen we niet veel meer te weten dan dat een door een roodharige actrice gespeeld personage erin flauwvalt, wat de actrice tot ergernis van regisseur Esmond Knight (Arthur Baden) weinig overtuigend uitbeeldt. Wel krijgen we een inkijkje in de hardheid van het filmbedrijf als Knight dezelfde actrice opnieuw uitfoetert als ze echt (en dus niet volgens het script) in katzwijm valt wanneer ze in een blauwe hutkoffer het opgevouwen lijk aantreft van haar stand-in.

Met dat aangetroffen lijk kruisen de opnames de sporen van een ‘documentaire’, met de zijdelings bij de draaidagen van The walls are closing in betrokken focus puller Mark Lewis (Karlheinz Böhm) en stand-in Vivian als respectievelijk regisseur en actrice. De laatste, vertolkt door Moira Shearer die als Victoria Page furore maakte in Michael Powell’s balletdrama The Red Shoes uit 1948 (met Emeric Pressburger als coregisseur), vertoonde in de ‘documentaire’ voor de handcamera van Lewis haar danskunsten. Het beeld dat daarop volgde, was voor de documentairemaker belangrijker. Hij registreerde Vivians gelaatsuitdrukking op het moment dat zij achteruit deinsde met haar kuiten gedrukt tegen de rand van de openstaande blauwe hutkoffer. Een van de poten van Marks filmstatief, die als een bajonet over een zeer scherpe punt bleek te beschikken, naderde toen haar strottenhoofd, terwijl haar blik gericht was op iets anders dat nog sterker haar angst opwekte.

Niets ontziende wetenschap 
Vivian was niet Marks eerste slachtoffer. Met zijn handcamera en het nog ingeklapte dodelijke statief verborgen achter zijn kameelkleurige houtje-touwtje jas zien we hem in de eerste beelden van Peeping Tom een prostituee benaderen in een achterafstraatje in de Londense wijk Soho. Of beter gezegd: we zien vooral die prostituee met haar bontstola, rode kokerrok en hoge hakken als zij gevat als zij is in het door een kruis in vieren gedeelde beeld van Marks handcamera ons kijkers aankijkt en haar prijs noemt. Niet alleen zal Lewis in het peeskamertje de angstige momenten van de prostituee vlak voor haar sterven vastleggen. Een dag later, als haar lichaam wordt opgehaald door een lijkwagen en de politie een eerste onderzoek start, is hij met zijn handcamera opnieuw van de partij.

De nauwgezetheid waarmee Lewis alles wat betrekking heeft op zijn eigen misdaden in beeld brengt, maakt dat de grens tussen zijn ‘documentaire’ en de gehele speelfilm van Michael Powell niet altijd even onopvallend is. Ten onrechte kan dat ertoe hebben bijgedragen dat na het verschijnen van Peeping Tom de reputatieschade groot was voor de ooit zo gevierde regisseur van onder andere het gedateerde, tamelijk brave drama Black Narcissus (ook met Pressburger) over het wel een wee van een groep nonnen in een klooster in de Himalaya uit 1947 en het eveneens weinig verontrustende The Red Shoes.

Powell gaat in zijn film uit 1960 zelfs nog verder met zijn waagstuk. Hij speelt zelf een kleine rol van iemand die evenals Lewis met op zijn minst twijfelachtige bedoelingen voornamelijk achter de camera staat. Oude zwart-witbeelden tonen de door in de emotie angst gespecialiseerde bioloog A.N. Lewis (Powell) geregistreerde schrikreacties van zijn toen nog jonge zoontje Mark.

Door het voortdurend blootstaan aan de martelende proefnemingen van zijn vader, zoals het met een zaklantaarntje op zijn ogen schijnen als hij slaapt en het in zijn bed stoppen van een grote hagedis, is Mark getraumatiseerd geraakt. Niet alleen de angst, maar ook zijn volslagen gebrek aan privacy heeft hem misvormd. Overal zat zijn vader hem met zijn camera op de hielen. Zelfs als hij aan het bed zat van zijn gestorven moeder of als hij een vrijend paartje beloerde, waar hij als jongetje kennelijk al de neiging toe had.

Hol van de leeuw 
Mark Lewis woont nog altijd in het huis van zijn vader en moet, ook al getuige zijn naam dus een Brit zijn en zelfs een Londenaar. De keuze om zijn personage te laten vertolken door de Duitse acteur Karlheinz Böhm lijkt dan ook opmerkelijk. Toch valt daar wat voor te zeggen als je ervan uit gaat dat Lewis’ gestoorde ontwikkeling tevens een onvoltooide is. Juist door Böhms lichte, een beetje kinderlijk klinkende Duitse accent in combinatie met de intense, maar verlegen blik in zijn blauwe ogen krijgt zijn personage zowel iets onschuldigs als iets sinisters. Dat laatste naar de maatstaven van een Brits publiek anno 1960.

Marks kinderlijke ‘onschuld’ spiegelt zich in het personage van zijn bij haar blinde moeder wonende, roodharige onderbuurmeisje Helen Stephens (Anna Massey), dat door hem gefascineerd is. Helen viert haar eenentwintigste verjaardag met taart en kaarsen als Mark op een keer thuiskomt en de trap op wil sluipen. Ze onderschept hem echter en nodigt hem uit voor haar partijtje. In plaats daarvan gaan ze op Marks uitnodiging samen naar boven.

Peeping Tom

De door een zwart gordijn van Marks donkere huiskamer gescheiden, slechts door een klein rood lampje verlichte ruimte waar allerlei filmapparatuur staat opgeteld en je het in een bak druppelen van een bepaalde vloeistof hoort, doet Helens belangstelling voor haar mysterieuze bovenbuurman alleen maar toenemen. Mark maakt films en dat vindt ze geweldig spannend. Dat de donkere kamer waarin ze zich bevindt het hol is van een leeuw beseft ze niet.

Het liefst zou Helen in de projectieruimte die er ook blijkt te zijn de film zien die Mark zojuist heeft gemaakt. Eerst lijkt Mark dat ook van plan te zijn. Maar hij bedenkt zich. Het is nog te vroeg om Helen te confronteren met zijn ‘documentaire’. Dat hij tegenover zijn ontvankelijke buurmeisje eigenlijk open kaart wil spelen, blijkt echter uit de films die hij haar in plaats daarvan laat zien.

Aanvankelijk belangstellend en vertederd, aanschouwt Helen de beelden die zijn vader van Mark als klein jongetje heeft gemaakt. Maar met groeiend afgrijzen neemt ze het getreiter waar met de zaklantaarn en de hagedis en uiteindelijk de beelden van het sterfbed van Marks moeder en die van een vrouw in bikini die Mark als stiefmoeder moest gaan accepteren. Na de filmvertoning toont Mark aan Helen de boekenreeks ‘Fear and the nervous system’ die zijn vader heeft geschreven. Ondanks alles blijkt hij huizenhoog tegen zijn vader opkijken en wil hij zonder dat zijn buurmeisje te vertellen op zijn eigen verknipte manier diens werk voortzetten. Voor Helen staat echter vast dat de gevoelige Mark het slachtoffer is geworden van de gewetenloze bioloog.

Blind wantrouwen 
Dat Mark zachtjes praat en zachtjes loopt, wijdt Helen aan zijn verlegenheid. Helens blinde, aan whisky verslaafde en sensitieve moeder (Maxine Audley) wantrouwt echter het gesluip van haar bovenbuurman, die zoals zij voelen kan ook nog eens door de ramen gluurt.

Als Mark op een avond uit is met Helen, gaat Mrs. Stephens in zijn onafgesloten ruimtes op onderzoek uit. Dat Lewis zelf niet over een sleutel beschikt van die ruimtes waarin hij zijn snuff movies ontwikkelt en afspeelt, kan enige verbazing wekken. Maar het markeert het duistere grensgebied tussen verborgenheid en openbaarheid waarin de ‘documentairemaker’ zich is blijven bewegen.

Als Mark weer terugkeert, ontwaart hij Mrs. Stephens als zij zich met haar stok die over een vergelijkbare punt beschikt als de poot van zijn statief een weg baant. Ze ziet niets, maar voelt letterlijk en figuurlijk dat er iets niet pluis is.

In het gezelschap van de blinde vrouw durft Mark het aan de opnames af te spelen van het sterven van stand-in Vivian. Tot zijn verbijstering blijkt de belichting bij die opnames gebrekkig. Zijn werk is met andere woorden nog niet voltooid. Even overweegt hij van Helens moeder zijn laatste slachtoffer te maken. Maar blind als zij is, zal zij nooit de verschrikking kunnen ervaren die hij voor zijn slachtoffers in petto heeft.

Heilige verontwaardiging 
‘Geschikt om door de plee te spoelen’. Zo luidde een van de nog mildere commentaren die Peeping Tom de Britse filmcritici destijds ontlokte. Toch was Powell’s film, naar een scenario van Leo Marks, ingenieus opgezette fictie en horror ook anno 1960 bepaald geen onbekend genre. Wat veroorzaakte dan die heilige verontwaardiging?

Vermoedelijk was het feit dat de film op een of andere manier te dichtbij kwam, de zichzelf respecterende filmliefhebber te dicht op de huid zat. Met het gestoorde, geperverteerde personage van Mark Lewis die zijn handcamera streelt alsof het zijn geliefde is, maar toch een schijn van onschuld wist te behouden, voelde de zichzelf respecterende kijker zich te kijk gezet. Er werd hem een weinig flatteus spiegelbeeld voorgehouden, zou je met een bedekte verwijzing naar de plot van de film kunnen zeggen.

Wie kwaad wil, zou kunnen denken dat de verschillende ‘films’ die de revue passeren in Peeping Tom, waarin prostituees, filmactrices en pin-up girls voor wat betreft hun rol als slachtoffer van Mark Lewis inwisselbaar zijn, in combinatie met elkaar de suggestie wekken dat die films (en daarmee misschien wel alle films) in moreel opzicht nauwelijks van elkaar te onderscheiden zijn. Niemand kan echter volhouden dat Powell dat met zoveel woorden beweert.

Peeping Tom

Ook de rol die het eigenlijke gluren in de film speelt, kan hebben bijgedragen aan de banvloek die over Peeping Tom werd uitgesproken. De verwrongenheid van die erotische beleving op de rand van de openbaarheid van het publieke domein en het veilige schemerdonker van de nachtelijke straathoek, of misschien wel de bioscoopzaal of het bioscoopzaaltje moet op een of andere manier kenmerkend zijn geweest voor de naoorlogse Britse samenleving. Veelzeggend is in dit verband de locatie waar Lewis zijn laatste slachtoffer kiest: het bovenkamertje van een tijdschriftenhandel waar hij als bijbaantje pin-up girls fotografeert. De afbeeldingen van die dames worden door schijnbaar keurige heren in dezelfde tijdschriftenhandel gretig afgenomen na er onder het mom van de aanschaf van dagbladen en studieboeken steelse blikken op te hebben geworpen.

Terug op de kaart 
Hoe dan ook is het verheugend dat de Amerikaanse regisseur Martin Scorsese zich aan het eind van de jaren zeventig heeft ingespannen om het ten onrechte verguisde Peeping Tom weer op de kaart te zetten. Sindsdien heeft de film, die door Scorsese samen met Federico Fellini’s 8½ tot de beste films over het maken van een film werd gerekend, een cultstatus gekregen. Al is de carrière van de in 1990 overleden Michael Powell nooit meer helemaal uit het slop gekomen.

En nu kunnen we dan de door cameraman Otto Heller in de bijna surrealistisch heldere kleuren van Eastman Colour geschoten film in een 4K-restauratie opnieuw in de bioscoop zien. Ook los van de merites van die restauratie heeft Peeping Tom inmiddels misschien nog wel aan kracht gewonnen. Want roepen dat heimelijke filmen en kijken naar films, het gebrek aan privacy, en het grensoverschrijdende gedrag waar Powell’s 64 jaar oude film van doortrokken is niet associaties op met de corrumperende alomtegenwoordigheid van het (digitale) bewegend beeld in het huidige tijdperk?

 

4 september 2024

 


ALLE ESSAYS

A New Kind of Wilderness

***
recensie A New Kind of Wilderness
Laten we in de zon blijven tot hij ondergaat

door Cor Oliemeulen

In films, documentaires en tv-programma’s zie je steeds vaker hoe mensen zich terugtrekken uit de drukke, gehaaste en materialistische maatschappij om in de natuur een nieuw leven te beginnen. A New Kind of Wilderness toont een mooi voorbeeld van zo’n eenvoudig leven, maar laat ook zien hoe idealen vervagen door onvermijdelijke aanpassingen aan het moderne leven.

“Laten we buiten gaan wandelen. Midden in het gebied van kabbelend water. En vogels die barsten van enthousiasme. Met zicht op de kale grond, de eerste lentebloemen en vlinders. Laten we in de zon blijven tot hij ondergaat.”

A New Kind of Wilderness

Verstoken van luxe
Het zijn de laatste woorden van Maria in A New Kind of Wilderness van de Noorse filmmaakster Silje Evensmo Jacobsen dat werd gekozen tot beste documentaire op het afgelopen Sundance Film Festival. Maria is een Noorse fotograaf die samen met haar partner, de Engelsman Nik, besluit om het hectische leven van de grote stad achter zich te laten, zich terug te trekken in de natuur en daar verstoken van luxe grotendeels zelfvoorzienend te worden.

Ze kopen een oude boerderij, knappen die op en gaan zelf hun groenten verbouwen. Ze krijgen vier kinderen, die ze tweetalig opvoeden en zelf lesgeven, en genieten samen met hun kroost van het leven in de overweldigende Noorse natuur. Een tragedie verstoort hun dromen en dwingt hen om langzaam contact met de buitenwereld te krijgen.

Gevangenis
De camera van Silje Evensmo Jacobsen (bekend van haar tv-serie over de Noorse atletiekfamilie Ingebrigsten) registreert zowel het leven in de wildernis waar de kinderen spelen in het bos, bomen knuffelen of houtsnijden, als binnen in de boerderij waar de twee meisjes en twee jongens het geweldig naar hun zin lijken te hebben, ook als ze les krijgen van hun ouders. Ze hebben nog nooit televisie gekeken en hebben dan ook niet het gevoel dat ze iets missen als ze op hun verjaardag bijvoorbeeld een door pa vervaardigde houten lepel cadeau krijgen.

A New Kind of Wilderness

Maar de Noorse wet gebiedt dat ingezetenen op een bepaalde leeftijd naar school moeten. Als Nik zijn oudste dochter Ronja met zijn auto naar school brengt, vraagt zij zich af waarom ze per se naar die “gevangenis” moet. En als de nieuwe omstandigheden daar om vragen, moet Nik een deal maken met de autoriteiten en moeten ook de jongere kinderen voortaan naar school; drie dagen, de rest mag thuis. Ze kunnen ook maar beter hun messen thuislaten om geen problemen met andere leerlingen te krijgen.

Onbestemde hoop
Naast de beelden van de wonderschone Noorse natuur en de louter observerende filmcamera geeft A New Kind of Wilderness ook door de montage van filmpjes en foto’s met teksten van Maria een prachtig beeld van twee vrije geesten en de naar hun idealen opgevoede kinderen. Totdat langzaam pijnlijk duidelijk wordt dat een geïsoleerd leven in deze tijd nauwelijks of niet is vol te houden. Want geef een kind een laptop en voordat je het weet, speelt het spelletjes en zijn ook de andere kinderen er niet meer bij weg te slaan.

De maatschappij wil dat iedereen zich moet ontwikkelen en het liefst ook leert omgaan met andere mensen. En dus moet in deze met liefde gemaakte documentaire over idealen, rouw en verdriet ook een ouder leren om het oude leven los te laten.

 

27 augustus 2024

 

ALLE RECENSIES

Daaaaaalí!

***
recensie Daaaaaalí!
Dromen in dromen, films in films, films in dromen en dromen in films

door Cor Oliemeulen

Een journaliste wil de extravagante kunstenaar Salvador Dalí interviewen, maar steeds gaat hun afspraak op het laatste moment niet door. Quentin Dupieux voegt met Daaaaaalí! een heerlijke onzinkomedie toe aan zijn absurdistische universum.

De meeste mensen kennen Dalí van De volharding der herinnering met de beroemde gesmolten klokken. In de openingsscène brengt Dupieux een minder bekend schilderij tot leven: een piano in een woestijn waar water uit stroomt. Vreemd, suggestief en typisch surrealisme – de kunststroming waarmee Dalí beroemd werd.

Daaaaaalí!

Bakkersvrouwtje wordt journalist
We maken kennis met Judith (Anaïs Demoustier, eerder te zien in Dupieux’ Incroyable mais vrai en Fumer fait tousser). Ze vertelt dat ze haar baan als apotheker heeft opgezegd en journalist wil worden. Gedurende de film wordt ze consequent aangesproken als ‘bakkersvrouwtje’. In een hotel wacht ze op Dalí voor een interview. Na een eindeloze wandeling door een lange gang – ondertussen mopperend op de lelijke architectuur – draait Dalí meteen om zodra blijkt dat er geen camera is. Judith blijft het proberen, maar zonder succes.

Dalí spreekt Frans met zwaar Spaans accent. Opvallend: hij wordt gespeeld door zes verschillende acteurs (elke “a” in de titel staat voor een andere Dalí), onder wie Gilles Lellouche en Jonathan Cohen. Dat werkt verrassend goed, vooral door de mimiek en tics van Cohen. Samen vormen ze eerder een speelse ode dan een karikatuur.

Monty Python en Luis Buñuel
Zoals volgers van Dupieux gewend zijn, is de storytelling op zijn zachtst gezegd een tikkeltje onconventioneel. De pogingen om Dalí te interviewen draaien uit op een loop: dromen in dromen, films in films, films in dromen en dromen in films.

Geholpen door de aanstekelijke, jolige soundtrack van Thomas Bangalter (de ene helft van Daft Punk) zijn alle typeringen en lolligheden gedurende de looptijd van 67 minuten prima vol te houden. Sterkere scènes wisselen af met minder sterkere scènes, regelmatig geïnspireerd door het Britse gezelschap Monty Python. Zoals de eindeloze hotelgang, Dalí die op duiven schiet, en een bizarre hondenregen.

Daaaaaalí!

Ook de invloed van Luis Buñuel is duidelijk. Hij maakte met Dalí in 1929 de surrealistische film Un chien andalou, beroemd om de schokkende oogscène. Surrealisme was toen een aanval op burgerlijke zekerheden – iets wat Dupieux nog steeds graag doet..

Unieke filmauteur
In Daaaaaalí! verschijnt ook een priester die tijdens een diner met levende wormen een droom vertelt. Dat doet denken aan Buñuels Le charme discret de la bourgeoisie, waarin een etentje steeds mislukt door vreemde gebeurtenissen en dromen de realiteit verstoren.

Die ontregeling zie je ook bij Dupieux. Noem het surrealisme, absurdisme, of gewoon zijn eigen stijl – hij laat zich niet in hokjes plaatsen. Met zijn verstoring en ontregeling van de filmkijker, maar vooral door zijn eigenzinnige vorm van humor is hij volstrekt uniek tussen de laatste filmauteurs van de hedendaagse Franse cinema.

 

20 augustus 2024

 

ALLE RECENSIES

Un Amor

**
recensie Un Amor
Outsiders vinden liefde in seks

door Cor Oliemeulen

In het jongste drama van de Spaanse filmmaakster Isabel Coixet vinden twee outsiders liefde in seks. Leuk voor het copulerende koppel, echter Un Amor verzuimt de kijker op te winden.

Nat (Laia Costa) heeft het hectische leven van de grote stad ingeruild voor een nieuw leven op het platteland. Het dorp waar ze terechtkomt heet La Escapa (‘De Ontsnapping’), net als in het boek van de Spaanse schrijfster Sara Mesa waarop Isabel Coixet haar film baseerde. Waarom Nat is ‘ontsnapt’ blijft onduidelijk. Wel vermoeden we, al direct na de openingsscène waarin zij een gevluchte Afrikaanse vrouw interviewt, dat Natalia haar nieuwe zelf wil vinden.

Un Amor

Lekkend dak
Natalia maakt wat aarzelend kennis met de inwoners, zoals met een plaatselijke kunstenaar en met een gezinnetje waar ze wordt uitgenodigd om te komen eten. In La Escapa kan een nieuweling als Nat niet ontsnappen aan de roddels van een kleine gemeenschap waar iedereen elkaar kent en elkaar in de gaten houdt. Wat moet zo’n alleenstaande jonge vrouw toch in zo’n vervallen huis? Haar verhuurder is een norse, lompe man die niet alleen opdringerig is, maar ook niet van plan is om het lekkende dak te repareren.

Op dat moment komt Andreas (Hovik Keuchkerian) in beeld. Hij klopt aan bij Nat en doet een voorstel. ‘De Duitser’, zoals de dorpsgenoten hem noemen, wil wel het dak repareren, maar dan wel als hij ‘heel even in haar kan zijn’. Andreas legt uit dat hij allang niet meer met een vrouw is geweest, maar wil niet dat Natalia zich een hoer voelt. Nat bedankt hem vriendelijk voor het aanbod en gooit de deur dicht.

Niet lang daarna meldt zij zich toch bij Andreas, het begin van een seksuele relatie. Het dak lekt niet meer, maar het lijkt alsof haar onverwerkte emoties langzaam doorsijpelen in haar innerlijke welzijn, als gevolg van een posttraumatische stressstoornis, opgelopen door de aangrijpende vluchtelingenverhalen die ze voor haar werk vertaalde.

Un Amor

Droevig lot
Net als in haar meesterwerk The Secret Life of Words (2005) laat Isabel Coixet twee totaal verschillende zielen samensmelten omdat ze elkaar nodig hebben. In Un Amor hebben de man en de vrouw niets met elkaar gemeen buiten onstuimige seks. Een probleem ontstaat als blijkt dat Andreas zich prettig voelt in zijn rol van outsider en geen andere mensen nodig heeft, terwijl Nat een vorm van verbintenis en geborgenheid zoekt.

Nats onbehagen als gevolg van Andreas’ afwijzing en de bemoeizucht van de lokale bevolking, waarbij haar privacy niet wordt gerespecteerd, begint geleidelijk verontrustende vormen aan te nemen. Ze vindt slechts genegenheid bij een hond, die ook littekens met zich meedraagt.

En zo vertelt Un Amor een universeel verhaal over een cynische en seksistische wereld waar uiteindelijk nog altijd ruimte is voor de ontdekking van de kracht die in jezelf schuilt. Met een feministische boodschap, zoals je vaak ziet in Coixets oeuvre. Ze geeft een stem aan vrouwelijke personages die te maken hebben met vaak verzwegen aspecten van het leven, zoals ziekte, trauma en eenzaamheid.

Waar de regisseur zelf haar escapisme en bevrijding vindt in het maken van films, zo vertelt ze in interviews, weet ook Nat een nieuwe kracht in zichzelf te ontdekken. In de wat geforceerde finale, waar ze plotseling bevrijd lijkt en weer kan dansen en lachen, blijft ook de kijker een droevig lot bespaard.

 

14 augustus 2024

 

Lees ook: Boek over Spaanse cinema

 

ALLE RECENSIES

Un Silence

***
recensie Un Silence
7.700 bezoekjes

door Cor Oliemeulen

De drama’s van de Belgische filmmaker Joachim Lafosse zijn geen gemakkelijke kost. Zijn tiende film, Un Silence, gaat over schaamte. Schaamte leidt tot ontkenning. Tot stilte. Centraal staat een bourgeoisiegezin met aan het hoofd een succesvolle advocaat. Langzaam wordt een familiegeheim blootgelegd.

Lafosse liet zich inspireren door een schandaal rondom de Belgische advocaat Victor Hissel. Die was raadsman van de ouders van slachtoffers van kindermisbruiker Dutroux, maar bleek ook zelf wat op zijn kerfstok te hebben. Met Un Silence vraagt de regisseur aandacht voor het bespreekbaar maken van zaken en omstandigheden, waarin de kinderen van advocaat François Schaar (Daniel Auteuil) een sleutelrol vervullen. Net als in À perdre la raison (2013), eveneens gebaseerd op een waargebeurde zaak (een Belgische vrouw doodde haar vijf kinderen), probeert Lafosse uit te leggen hoe iemand tot zijn daad komt. En wie is de werkelijke dader?

Un Silence

Misstap
Weinig hulp biedt Schaars echtgenote Astrid (Emmanuelle Devos), want zij heeft “een misstap van 30 jaar geleden” onder het tapijt geschoven. In de openingsscène van Un Silence zien we haar in een auto naar het politiebureau rijden. Haar 18-jarige zoon Raphaël is opgepakt nadat hij zijn vader met een mes heeft aangevallen. De close-up van Astrids gezicht toont ingehouden emoties. Haar ogen verraden een wervelwind van gedachten. Als ze wordt ondervraagd door een rechercheur zwijgt ze voornamelijk. Ze schaamt zich kennelijk. De rechercheur suggereert dat Astrid haar comfortabele leventje niet wil opgeven.

Tijdens de reconstructie van Raphaëls daad blijkt dat ook hij handelde uit schaamte. Hij zag zijn vader als een beroemde advocaat die opkwam voor de zwakkeren, totdat hij begrijpt wat er 30 jaar geleden is gebeurd. François verzwijgt nog steeds wat. In zijn maatschappelijke status kan hij het zich niet veroorloven om naar de waarheid te kijken, bang om van zijn voetstuk te vallen. Regisseur Lafosse voert schaamte en zwijgen op als een vorm van kwetsbaarheid en raadselachtigheid. De weegschaal had meer naar kwetsbaarheid mogen doorslaan.

Un Silence

Afstand
Die raadselachtige ondertoon heeft weliswaar een meeslepende werking, maar door de bijna voortdurende, discrete afstand ontstaan documentaire-achtige observaties. Dat maakt het meeleven met de personages lastig. Verder hoef je een duister geheim niet per se te benadrukken door het gebruik van duistere belichting, waardoor de afstand tot de personages mogelijk nog groter wordt. Na afloop van de film herinner je je eigenlijk alleen nog maar het gekwelde gezicht van Emmanuelle Devos. Daniel Auteuil blijft vanwege de invulling van zijn rol letterlijk en figuurlijk in de schaduw.

Respect voor Joachim Lafosse dat hij ambigue gebeurtenissen als onderwerp van zijn films neemt. Of het nu gaat om een moeder en haar zoon die op paarden door Kirgizië trekken om aan hun onderlinge relatie te werken (Continuer, 2018) of over een meubelrestaurateur met een bipolaire stoornis (Les intranquilles, 2021). Un Silence voelt qua thema al even ongemakkelijk, maar de film zakt nergens in. Stapje voor stapje, bezoekje na bezoekje, leidt de weg naar Raphaëls daad.

 

7 augustus 2024

 

ALLE RECENSIES

O Brother, Where Art Thou? (2000)

O Brother, Where Art Thou? (2000) 
6 keer genieten 

door Bob van der Sterre

Everett, Delmar en Pete ontsnappen van een chain-gang. Ze maken vreemde ontmoetingen mee, op weg naar een schat die Everett verstopt heeft. De terugkeer naar een tijdloos meesterwerk waar je op verschillende manieren van kunt genieten.

Aan O Brother (2000) heb ik goede herinneringen. Zelfs bij het herkijken (diverse keren) blijft de film goed werken. En dan moet je weten dat deze film kwam na The Big Lebowski (1998) en Fargo (1996). De verwachtingen waren hoog.

Erover analyseren, is een beetje als de ingrediënten voorlezen van een lekker gerecht en niet genieten van de smaak. Liever noem ik 6 dingen waar je van kunt genieten als je de film gaat kijken.

John Turturro, Tim Blake Nelson en George Clooney

John Turturro, Tim Blake Nelson en George Clooney

1. Het virtuoze script
O Brother, Where Art Thou? heeft diverse verhaallijnen die allemaal vaardig en vermakelijk zijn opgeschreven. Gezoek naar een schat, het ontmoeten van allerlei random karakters, achtergrondverhalen van de drie hoofdpersonages, observaties van Mississippi in de jaren dertig tijdens de grote depressie.

Zo is er een verhaallijn over de politieke strijd tussen de nieuwe Homer Stokes die belooft voor de kleine man op te komen (inclusief bezem en klein persoon) en Pappy O’Daniel, die geen idee heeft wat te doen met de populariteit van Stokes. ‘We moeten ook onze achterban optrommelen.’ ‘We hebben helemaal geen achterban!’

Het is niet wat je noemt een sterk of spannend verhaal, maar een blend van verhaallijnen die tezamen iets wonderlijks opleveren. Door deze afwisseling sukkelt de film nergens in – wat vergelijkbaar is met de verhaallijnen in The Big Lebowski. En net als in die film houdt dit script met verrassende wendingen de aandacht vast tot aan de laatste seconde.

O Brother is losjes gebaseerd op Homerus’ beroemde werk: Ilias & Odyssee. Heel losjes, gaven de broers ook toe in een gesprek met interviewer Charlie Rose. Want ze hadden het boek niet gelezen. Soms is de verwijzing een beetje balorig, zoals John Goodman als cycloop (hij draagt een ooglapje). Maar vaak geeft dat idee een verrassende wending aan het best wel gewone zoektocht-naar-geld-verhaal, en zorgt het voor scènes die een ander script misschien niet had aangedurfd. Daardoor is het meer dan ‘een komedie’. Wat het dan is, is lastig te definiëren.

2. De cinematografie van Roger Deakins
Komedies goed verfilmen is moeilijk. Meestal is er niet dat timmermansoog voor beeld als wat ‘serieuze’ films wel hebben. Dan moet de acteur met zijn of haar komische talent al het werk doen, waardoor daar té veel het nadruk op komt, en het resultaat soms tegenvalt.

Hier is de komedie vooral een komische flow – waarbij je het beste haalt uit acteurs, beeld en script. Om dit te bereiken, hadden de Coen-broers jarenlang cinematograaf Roger Deakins. Hij kreeg alle lof voor zijn werk in No Country for Old Men. Toch werkte hij al vanaf Barton Fink jarenlang aan alle andere Coen-films. Zijn inbreng maakte deze films mede waarom ze nog steeds geliefd worden.

Weinig werd aan het toeval overgelaten. De film gaat over Mississippi en werd er ook opgenomen. Het was erg heet tijdens de opnamen. Die broeierigheid zie je terug in beeld. Het Mississippi van de jaren dertig komt af en toe terug in foto’s van fotografe/schrijfster Eudora Welty, die als inspiratie werden gebruikt. Deze foto zou ergens in de film te zien zijn als bewegend beeld.

Een uitdaging voor de Coen-broers was dat Mississippi groener was dan de bedoeling. Deakins bekwaamde zich voor deze film daarom in ‘digital intermediate’. Globaal gezegd is dat het digitaal aanpassen van de kleuren van het beeld. Wat nu schering en inslag is (films zijn allemáál grauw en duister), was toen nog iets nieuws. Lees er meer over in dit interessante interview in IndieWire.

Deakins: ‘De jongens hadden me verteld dat ze het gevoel van een oude, vervaagde ansichtkaart wilden en dat ze vooral het groene wilden verwijderen.’ Het was de eerste Hollywood-film die dit toepaste.

Ondanks al zijn grensverleggende prestaties, kreeg hij slechts een Oscarnominatie voor deze film (Peter Pau zou winnen met Crouching Tiger, Hidden Dragon).

3. Het acteerwerk
Er zijn veel personages in deze film en dus ook veel acteurs. De karakters in deze film worden bij de introductie typerend neergezet.

Zoals wanneer Everett (George Clooney) in een wagon staat en vraagt of er een smid is, ‘of anders iemand met enige kennis van metallurgie’. Deze bizarre bijzin typeert zijn karakter, je beseft meteen dat dit een man is die onwaarschijnlijke zinnen componeert. Hij is zo ijdel dat het vinden van de juiste pommade voor zijn haar gelijk staat aan overleven. Pas later in de film snappen we waarom hij zo is.

Of neem Pappy O’Daniel (voortreffelijke rol van de tien jaar geleden overleden Charles Durning) die bij een radiostation zijn gevolg uitscheldt. ‘Jij domme klootzak! Je vertelt jouw Pappy niet hoe hij het electoraat het hof moet maken. We zijn hier niet alleen… We zijn aan het massacommuniceren!’

Zijn opponent, Homer Stokes (Wayne Duvall), zien we een speech houden als hij met een klein persoon en bezem op een podium staat. Is hij te vertrouwen? Je twijfelt meteen. Duvall houdt in feite drie speeches in deze film – allemaal in een andere context.

John Goodman, die als de vlot babbelende bijbelverkoper Big Dan Teague in een restaurant de boeven hoort praten over geld en zich onmiddellijk in de conversatie mengt.

Charles Durning

Charles Durning

De casting was echt grandioos tot aan de kleinere bijrollen toe. Prachtig vond ik de bijrol van Stephen Root als de blinde radioman. Woooooooo-wee. Boy, that was a miiiighty fine a-pickin’ and a-singin’! Vernon T. Waldrip (Ray Mc Kinnon) als nieuwe partner van Everetts ex-vrouw. Holly Hunter als die eigenwijze ex-vrouw. Sheriff Cooley (Daniel von Bargen) die ‘s nachts een zonnebril in het bos draagt, met reflectie van vuur. (Cooleys karakter was een beetje gebaseerd op Boss Godfrey in Cool Hand Luke.) En de ongeïnteresseerde pommadeverkoper die geen Dapper Dan heeft.

Tim Blake Nelson loofde in een interview de aanpak van de Coens: ‘Het is een blanco lei waarbij je dit ongelooflijke script hebt en je het soort risico’s kunt nemen dat acteurs wíllen nemen maar zelden kúnnen nemen. Bij hen kunnen we dat wel vanwege de sfeer die ze creëren.’

4. De rol van de muziek
De Coen-broers weten in hun meeste films iets bijzonders met muziek te doen. Voorbeelden zijn Inside Llewyn Davis en The Big Lebowski.

Hier is het – zoals de Amerikanen zeggen – on a whole next level. Muziek (bluegrass en country) ís de rode draad van deze film. De drie ontsnapte gevangenen worden een populaire popband van die tijd: de Soggy Bottom Boys. Het gezang van de sirenes (‘Jij en ik en de duivel maakt drie’), het dopen in de rivier (‘Let’s go down, down to the river to pray’), de zingende Klu Klux Klanners (‘Oh dood, wil je me niet overslaan tot volgend jaar’). Muziek en film komen definitief bij elkaar bij het optreden van de Soggy Bottom Boys aan het einde van de film.

Waar de film al een bepaalde snaar raakte bij het publiek, was dat helemaal het geval met de muziek. Van de soundtrack van de film werden zeven miljoen exemplaren verkocht. Deze bluegrass-geschiedenis werd dankzij de film herontdekt door een nieuw, jong publiek.

Wat allemaal grappig is, want Man of Constant Sorrow dateert al uit 1913, en is mogelijk nog ouder (de oorspronkelijke zanger, Dick Burnett, was daar vaag over). Het werd al gezongen door artiesten als Bob Dylan en Joan Baez. De versie in de film is gezongen door Dan Tyminski, een bluegrass-zanger. Clooney had wel geoefend maar zijn stem werd toch gedubd.

5. Het besef van geschiedenis
O Brother geeft een liefdevol en quasi-spottend beeld van Mississippi in de jaren dertig. Het dagblad The Guardian schreef een interessant artikel over de historische context. Want het is niet niets om bijvoorbeeld de Klu Klux Klan te laten figureren in een komedie. Ik ken geen enkel andere komedie die dat aandurfde. (Onder de figuranten zaten trouwens ook zwarte soldaten, die een onwerkelijke filmshoot moeten hebben meegemaakt.)

De mix tussen werkelijkheden en fictie is een van de dingen waar ik het meest van onder de indruk was bij de film. Het stuk van The Guardian legt de links naar de werkelijkheid goed uit en daarom citeer ik dat hele stukje:

“De Coens voegen historische figuren in zoals Tommy Johnson (een zwarte bluesman die beweerde dat hij zijn ziel aan de duivel verkocht) en George “Baby Face” Nelson (een kleine bankrover die samenwerkte met John Dillinger), maar ook fictieve figuren die de duistere aspecten van de Amerikaanse psyche weerspiegelen – waaronder de gewelddadige, stelende bijbelverkoper van John Goodman en een populaire politicus (Wayne Duvall) die lid is van de Ku Klux Klan.”

John Goodman

John Goodman

Een minder opvallende verwijzing naar echte geschiedenis is die naar Wilbert Lee “Pappy” O’Daniel. Een verkoopmanager van een meelbedrijf die dankzij zijn succes op de radio senator werd voor Texas. Dit artikel in Reason.com vertelt dat verhaal: Before Trump, there was Pappy. In deze film wordt hij voor de gelegenheid verplaatst naar Mississippi.

Knipoogjes maken naar geschiedenis is sowieso iets wat de Coens graag doen. De titel van de film verwijst bijvoorbeeld naar de komedie Sullivan’s Travels (1941) van Preston Sturges. De hoofdpersoon in die film is een regisseur die het boek O Brother, Where Art Thou? wil verfilmen. Je raadt het al: een fictief boek over de Grote Depressie. En de grap ‘gaat dieper’ want in Sullivan’s Travels heet de fictieve schrijver Sinclair Beckstein. Dat is een samenvoeging van de bestaande schrijvers Upton Sinclair, Sinclair Lewis, en John Steinbeck.

6. De humor en de dialogen
O Brother is een bijna overdreven tekstuele film. Veel zinnen klinken absurd geweldig, zoals wanneer Big Dan Teague na een maaltijd zegt: ‘Bedankt voor je conversationele hiatus.’

De Coen-broers gingen los met dialogen die tegen het randje van het cartooneske aan zitten. Everett lepelt bijvoorbeeld spontaan dingen op als: ‘Alleen een gek zoekt naar logica in de kamers van een menselijk hart.’ Als hij in paniek is, is hij als een plaat die blijft hangen. Als de schuur in de fik gaat, roept hij achter elkaar uit: ‘Damn! We are in a tight spot.’

Het herhalen van overdreven formuleringen geeft het een poëtisch effect. Pappy O’Daniels die met zijn posse bij een restaurant zit te puzzelen waarom zijn campagne niet aanslaat. ‘Mensen willen die reform. Misschien moeten wij er ook een beetje van gaan doen, die reform.’ ‘Jij idiote sombitch.’

Een goed voorbeeld is ook de herhaling in de dialoog tussen Everett en zijn drie dochters: ‘Mama heeft een nieuwe suitor.’ ‘Hij is bona fide.’

Alleen al het droog lezen op IMDb van alle quotes geeft een twinkeling in de ogen. Een thread op Reddit zorgt spontaan voor een opsomming van allerlei favoriete quotes van de kijkers.

Kortom…
Niet iedereen is zo’n fan van O Brother als ik ben. Ik kan me voorstellen dat het ‘stripboekachtige’ voor sommige mensen too much is. Criticus James Berardinelli schreef in 2000 bijvoorbeeld: ‘O Brother, Where Art Thou? zal niet herinnerd worden als een van de Coens grootste films.’ Meer mensen noemen Fargo als een betere Coen-broersfilm (wat in feite een luxeprobleem is).

Waarom werkt deze film voor mij dan beter dan andere films van de Coen-broers? Ik zat er lang over te peinzen, tot ik deze zinnen las, in het stuk van Luke Buckmaster in The Guardian. Waarom moeilijk doen als iemand het al perfect verwoordt? “I love the film for the same reason Jacques Tati’s Playtime is my favourite feature of all time: it trades in a kind of filmmaking that never really existed.”

Vernieuwende cinema over geschiedenis: de Coens flikten het op de grens van het millennium.

 

4 augustus 2024

 

THEMAMAAND JOEL EN ETHAN COEN

Il pleut dans la maison

****
recensie Il pleut dans la maison
Een laatste zomer van onbezonnen sigaretten roken

door Bert Potvliege

De Belgische cineaste Paloma Sermon-Daï levert met Il pleut dans la maison (‘Het regent in huis’) een wondermooi debuut af. Met een uitstekende stilistische invalshoek brengt ze een fraaie karakterschets van een broer en zus. We volgen de twee Waalse tieners gedurende een broeihete zomer in hun verpauperd bestaan, waarbij ze het zelf moeten zien te rooien. 

In 2017 stak Sermon-Daï haar neus voor het eerst aan het venster met de kortfilm Makenzy, waarin we een namiddag spenderen met de kinderen Makenzy en Purdey Lombet, die in het echt broer en zus zijn. Beide acteurs zijn ondertussen jongvolwassen en geven in dit langspeelfilmdebuut op indrukwekkende wijze gestalte aan de hoofdfiguren, die bovendien hun eigen namen dragen. 

Il pleut dans la maison

Het sociaal-realistisch drama is dankzij de broers Dardenne (Tori et Lokita) een genre dat verankerd lijkt in het zuidelijke deel van België. Sermon-Daï is zich daarvan bewust en voegt een extra component toe om geen kapot getreden paden te bewandelen. Het typische grauwe dat we associëren met de lotgevallen van personages in sociaal-realistische films, wordt hier stilistisch gecounterd doordat het verhaal zich afspeelt gedurende een hete zomer. De beelden baden in een oranje tint en we spenderen aardig wat tijd bij de meren van l’Eau d’Heure. De zonnebadende sfeer van de cinema van Luca Guadagnino (Call Me by Your Name) is nooit veraf.    

Broeder- en zusterliefde
Het verhaal speelt zich af in een toeristische trekpleister waar vakantiegangers verpozing komen opzoeken in de plaatselijke meren. Het leven lijkt er aangenaam, maar kansarme mensen zitten er verscholen in de rand. Hier vinden we Makenzy en Purdey, die er samen met hun aan alcohol verslaafde moeder in een vervallen woning verblijven. Het regent in huis. Er zit schimmel op de muren. Iedereen rookt sigaretten alsof hun leven ervan afhangt.

De summiere plot focust zich op de zomermaanden, waarbij moeder onaangekondigd voor enige tijd verdwijnt en haar kinderen in de steek laat. Makenzy en Purdey moeten op eigen benen leren staan, wat de ene al beter aanpakt dan de andere.

Purdey is bijna achttien en blijft in tegenstelling tot haar broer niet bij de pakken zitten. Ze probeert een relatie op te bouwen met Youssef. Ze gaat aan de slag als kamermeid. Ze zou ook graag verhuizen naar een appartement, maar de financiële werkelijkheid kletst haar als een natte dweil in het gezicht. Purdey houdt van haar broer, zelfs al is het een vijftienjarige kwajongen die op het slechte pad terechtkomt.

Makenzy is er net achter gekomen dat hij niet geslaagd is op school, maar het maakt de jongeman geen zier uit. Hij slijt zijn dagen met zijn vriend Donovan. Ze hebben een handeltje in gestolen fietsen. Kinderen bij het meer afpersen is hem ook niet vreemd. Thuis zit hij te gamen of op een boksbal te slaan. Makenzy houdt van zijn zus. Het is aandoenlijk hen samen een ijsje te zien eten, tussen het roken van sigaretten door.

Zomerse zuurstof voor de acteurs
Paloma Sermon-Daï bewerkstelligt een aantal wondermooie zaken met haar eersteling. De ingreep met de zomerse setting is succesvol. Als tegengewicht voor de kleurloosheid van het bestaan is het een ietwat eenvoudige maar uitstekend uitgevoerde methodiek. Met knap camerawerk dat de streek in sensorische beelden vat, oogt Franstalig België als een relaxerend toevluchtsoord.

Il pleut dans la maison

Door haar vertelling tot een minimum te beperken, laat Sermon-Daï hopen zuurstof binnen in haar film, waardoor alle ruimte vrijkomt om deze personages te schetsen. Hun handelingen en denken tonen fijntjes aan hoe zij in elkaar zitten. Sommige filmmakers zijn rasechte verhalenvertellers. Anderen zijn genrebeesten. Nog anderen houden van niets liever dan een goede karakterschets, waarvan Sermon-Daï een sterk voorbeeld is. Het is heerlijk deze tieners te mogen observeren en leren kennen, terwijl de cineaste ons bij de hand neemt.

Het scenario is uitstekend voer voor de acteurs om onder de huid te kunnen kruipen van hun personage, maar de reële setting van het verhaal vereist dat zij niet te expressief zijn. De juiste balans vinden om geloofwaardig te zijn, is niet gemakkelijk. Er is nood aan een goede begeleider, in de vorm van de regisseur. Makenzey en Purdey zijn misschien jong, maar ze leggen al tonnen subtiliteit aan de dag in hun acteerspel. Deze broer en zus voelen als echte mensen, wat de empathie van de kijker ten goede komt.

Het juiste spoor
Het is een edele kunst een film te eindigen op het juiste moment. Als kijker gebeurt het soms dat je meent het perfecte eindbeeld mee te maken, waarna de film er nog een scène aanbreit waar geen hond op zit te wachten. De knip naar een zwart scherm op het einde van Il pleut dans la maison zal voor sommigen te bruusk zijn of te vroeg komen (de film duurt slechts een schamele tachtig minuten), maar wij balden enthousiast de vuist toen we Sermon-Daï die keuze zagen maken. Het is gedurfd, filmisch en zelfs ontroerend.

Deze Il pleut dans la maison is om dolenthousiast over te worden. Paloma Sermon-Daï levert een visitekaartje af en zet zichzelf op de kaart als een in de gaten te houden Belgische filmmaakster. Het is fijn om merken dat de sociaal-realistische cinema van Wallonië verder evolueert in experimenten zoals deze. We hopen dat de cineaste haar gevoeligheden verder onderzoekt. Ze zit alvast op een juist spoor.

 

30 juli 2024

 

ALLE RECENSIES