Playtime (4K re-release)

*****
recensie Playtime (4K re-release)
De titel dekt de lading

door Bert Potvliege

De cinema van Jacques Tati is als fijne wijn: wondermooi gerijpt doorheen de jaren. We schrijven meer dan zeventig jaar na de creatie van Monsieur Hulot, het memorabele hoofdpersonage uit zijn films (door de regisseur zelf gespeeld), en nog steeds schuddebuiken cinefielen smakelijk door zijn filmografie. De lichtvoetige aard van die prenten zou je bijna doen vergeten wat voor monumentale cinema het eigenlijk is – de impact van Tati is immens. De ambitie van Playtime (1967) was dat evenzeer.

Deze zomer loopt er een retrospectief met nieuwe 4K-restauraties van al zijn speelfilms: de uitgelezen kans om te (her)ontdekken wat voor uitzonderlijk talent Tati was, van halfweg de twintigste eeuw tot zijn carrière drie decennia later uitdoofde. Hij overleed in armoede in 1982 – de ontbering het gevolg van de financiële ramp die Playtime was.

Playtime (4K-restauratie)

Cinema van nostalgie
Het valt aan te raden de duik in Tati’s universum niet te beginnen met Playtime: de schok kan te bruusk zijn, de uitdaging te groot. Mon oncle (1958) is daarentegen een uitstekende introductie en toont ten voeten uit wie hij was als filmmaker: cinema van nostalgie, met gortdroge visuele humor, verwondering voor mens en wereld, en een immense nadruk op het beeld. Tati’s films hebben een vitale relatie met het medium waarin ze bestaan; enkel in cinema kon hij deze verhalen vertellen. Deze zachtere instap is de ideale opwarmer voor Playtime: een knettergekke titaan die uit zijn voegen dreigt te barsten. De film staat bovendien op de 23ste plaats in de gezaghebbende Sight & Sound Poll van beste films ooit.

Hulot is een ietwat naïef maar zeer onschuldig typetje dat vasthoudt aan de eenvoud van het verleden en vol verbazing de hoogtechnologische bureaucratische architectuur beleeft. Met grote ogen flaneert hij door het moderne bestaan. En in Playtime kan je eindeloos flaneren. Waarlijk eindeloos.

De plot is zo goed als verwaarloosbaar (er is bovendien nauwelijks dialoog). Hulot volgt zijn neus in het drukke Parijs: een wereld van staal, beton en glas, waar het verkeer raast en miljoenen mensen onderweg zijn. Zo ook Hulot, op weg naar een afspraak in een gigantisch kantoorgebouw – een taak die meer uitdagingen en side quests blijkt te hebben dan verwacht. Personages kruisen elkaar voortdurend in deze wirwar van stadsdrukte: luchthavens, winkels, beurzen, appartementen, kantoren. Op parkeerterreinen staan wagens in rijen van drie tegen elkaar geplakt – een onmogelijke situatie om uit te geraken.

Blik van kinderlijke onschuld
De blik van kinderlijke onschuld voelt vertederend aan, en de kijker mag door die ogen die wereld mee beleven. En wat komt die binnen bij onze protagonist: de gekke vering van een stoel boeit hem mateloos, de receptionist die zijn drukke balie beheert met snedig voetenwerk intrigeert, de labyrintische kantoorruimte met cubicles lijkt waanzinnig, en een communicatiebord met vele lichtjes en knopjes oogt ronduit absurd. Alles verdient aandacht, alles is spel. En Hulot speelt het mee.

De film mondt uit in een langgerekte restaurantscène, waarin het net geopende etablissement spelenderwijs tot schroot wordt herleid. Deze wereld is als een kermis – wat finaal wordt bevestigd door een druk rond punt dat alle schijn heeft van een carrousel. De verbeelding is indrukwekkend, de visuele humor feilloos, de adoratie voor de wereld totaal.

Playtime (4K-restauratie)

Maar er is meer dat de film naar dat bijna onbereikbare niveau tilt: megalomanie. De ambitie van Tati’s project was gigantisch, maar ook roekeloos. Hij liet een volledige kunstmatige stad bouwen (toepasselijk ‘Tativille’ genoemd) om volledige controle te hebben over elk aspect van de productie. De film werd gedraaid op peperdure 70 mm-pellicule, bedoeld om de enorme hoeveelheid beeldinformatie te dragen – je kan erin verdwalen. De productie duurde jaren en liep zwaar over budget.

Bankroet
Net zoals Francis Ford Coppola zijn eigen geld investeerde in het onderschatte Megalopolis, financierde Tati zijn film zelf. En net als Coppola verloor hij bakken geld: Playtime werd destijds de duurste Franse film ooit en een commerciële flop. Dat Tati zo obsessief te werk ging, blijft fascinerend – weinig zaken op het witte doek spreken zo tot de verbeelding als megalomanie: een kunstenaar die opgeslorpt wordt door zijn eigen ambitie en vervolgens iets monsterlijks creëert. Dat geldt voor Werner Herzog met Fitzcarraldo, voor Coppola met Apocalypse Now, en zelfs voor het onbezonnen (maar fenomenaal) drama Magnolia van Paul Thomas Anderson. Voor Tati leidde het tot bankroet – een Icarus die ter aarde stort.

De eerder vermelde verbijstering over de wereld wordt hier ook vanuit die grootheidswaanzin benaderd. Die blik van verwondering is er een die we doorgaans ergens in de kindertijd naar de achtergrond verdringen, maar voor Tati lijkt het de enige manier om de wereld te benaderen. De openingsscène in de terminal toont beelden die tot de rand gevuld zijn met bezienswaardigheden, klaar om in te verdwalen. Merkwaardig hoe vlot hij de kijker in dat tempo en die perceptie meeneemt, klaar om de komende twee uur de wereld op zijn manier te beleven. Playtime is een uitnodiging om stil te staan bij schoonheid en speelsheid, terwijl de wereld als een gek om ons heen draait.

Al deze elementen samen – megalomanie, verwondering, humor, onschuld en verbeelding – in combinatie met ontzettend sterke beelden, maken Playtime tot essentiële cinema: Tati leert ons kijken op manieren die we verloren zijn. Dit eindeloos flaneren kan je leven veranderen..

 

26 juli 2026

 

ALLE RECENSIES

REWIND: Gegen die Wand (2004)

REWIND: Gegen die Wand (2004)
Star-crossed lovers

door Bert Potvliege

Op het Filmfestival van Berlijn in 2004 overhandigde juryvoorzitter Frances McDormand de Gouden Beer aan cineast Fatih Akin. Zijn passionele melodrama Gegen die Wand, een romantische vertelling over een moeilijke liefde en identiteit in de Turks-Duitse gemeenschap in Hamburg, had de juryleden geraakt.

De recette van meer dan tien miljoen euro bewijst dat zij niet de enigen waren die de ontroering voelden. Het publiek werd bedwelmd door deze mistroostige figuren die liefde willen – omdat we allemaal zo zijn?

Hoe zou een festivaljury meer dan twintig jaar later terugkijken op haar keuze: blijft de lofzang overeind of heeft de film de tand des tijds niet doorstaan? Het kan dat de zinderende adoratie van het publiek ertoe leidde dat enige minpunten destijds genegeerd werden. Liefde maakt tenslotte blind – zo ook voor de star-crossed lovers in Gegen die Wand.

REWIND: Gegen die Wand (2004)

De geur van kleren
Akin schetst het verhaal van Cahit (Birol Ünel), een Duitse man met Turkse roots die na een destructieve periode van alcoholmisbruik en een mislukte zelfmoordpoging in contact komt met Sibel (Sibel Kekilli), een jonge Turkse vrouw die zich wil loskoppelen van de verstikkende controle van haar traditionele familie. Hun ontmoeting leidt tot een pragmatisch huwelijk: een afspraak die haar vrijheid moet opleveren om “te dansen en te neuken met wie ik wil”.

Waarom Cahit ingaat op het voorstel, lijkt voor eeuwig troebel te zijn. Het niet sluitend kunnen beantwoorden van die vraag spreekt over de onverklaarbaarheid van liefde. De geur van Sibels gewassen kledij in Cahits kast intoxiceert hem. Verliefdheid heeft ons sneller in de greep dan we denken.



In REWIND opnieuw aandacht voor opvallende films uit dit millennium.

 


Iedereen die ooit een film heeft gezien, weet dat deze twee verloren zielen verliefd zullen worden op elkaar. Toch laten we ons opnieuw vangen – en graag. Eens Cahit inziet dat hij van Sibel houdt, slaat hij hard op tafel en breekt in die plotse euforie enkele glazen. Hij snijdt zich aan het glas en bloed stroomt over zijn armen – een mooie visuele tegenhanger voor het oversnijden van de polsen eerder. Vervolgens gaat hij bloedend dansen op een podium. Dat is liefde, een en al gekheid, en die verandert alles. Maar een noodlottig probleem met een rivaal zal alles kapotmaken.

She give power
In 2004 drong Gegen die Wand zich op als kandidaat voor de film van het jaar: een vlot verteld en ontroerend drama, met twee uitstekende acteurs in de hoofdrollen die zich volledig inleven in hun rol en elkaar echt graag lijken te zien. Het publiek sloot hen in de armen, en mocht delen in hun liefde. Het herbekijken van de film was als het mogen herontdekken van die oude gevoelens.

Wanneer Cahit tijdens zijn zoektocht in Istanboel Sibels Turkse nicht Selma ontmoet, blijkt de greep op zijn moedertaal roestig. Hij moet overschakelen naar zijn matige kennis van het Engels, om aan Selma te kunnen uitleggen waarom ze hem moet helpen zijn geliefde terug te vinden. Het is een eenvoudig verweer, maar snijdt diep: “When I met Sibel the first time, I was dead. Then she come, drop in my life. She give me love. And she give me power.”

Cahit staat met opgeheven hoofd voor het dwarsliggende familielid, in wat een zinloze poging lijkt haar te willen overtuigen. Maar hij doet het – en toont hoe liefde hem kracht en levensrust geeft. Het publiek is, net als Selma, getuige van zijn ontroerende oprechtheid. Voor ons staat een man die, door zijn houden van, sterker is dan eender wie ter wereld. Ünel is betoverend in zijn acteerspel – alle lof voor de in 2020 aan kanker overleden acteur (een nieuwsfeit dat ons pas bij het schrijven van deze tekst bereikte, en droevig stemt).

REWIND: Gegen die Wand (2004)

Voor het hart
Veel van Gegen die Wand blijft overeind, maar het is een film voor het hart en niet voor het hoofd. Akin was twintig jaar geleden (hij was nauwelijks 30) een minder goede regisseur dan wanneer hij jaren later uitstekend werk als Der goldene Handschuh uitbracht. Maar als jonge snaak was hij wel een enorm openhartige regisseur: je voelt zijn rotsvast geloof in zijn personages, en zijn leiderschap over zijn acteurs om die tot leven te brengen.

Narratief en visueel is de film weinig uitdagend te noemen – de sterktes liggen elders. Alle elementen staan in dienst van het soepel vertellen van een romantisch verhaal, het gedegen schetsen van enkele figuren, en het enigszins aankaarten van moeilijkheden in de Turks-Duitse gemeenschap (kwesties over familie-eer en identiteit in een multiculturele setting). Gegen die Wand is een film die netjes de houvast van de publieksvriendelijke narratieve film volgt. Bovendien mist Akin als scenarioschrijver soms enige subtiliteit – Sibel die wel héél snel overgaat tot het oversnijden van de polsen, de extreem gemarginaliseerde woonsituatie van Cahit…

Liefde valt niet te distilleren
We schrijven vele jaren later, maar nog steeds staat de gemeendheid van de film als een huis. Briljante cinema wordt het nergens, maar authenticiteit kan je er in overvloed vinden. De hartstocht van Cahit en Sibel proberen definiëren, kan een mens op de grenzen van taal doen stoten: het is evenzeer passioneel, nostalgisch, gedoemd, onbezonnen, mysterieus als rock-‘n-roll. Er valt geen logica uit te distilleren – niet uit wat deze geliefden overkomt, en niet uit wat de film zelfs twintig jaar na zijn verschijnen teweegbrengt.

Enkele jaren terug liep Fatih Akin ons onverwacht voorbij op een filmfestival. We hadden jaren niet aan zijn film gedacht. We werden bij het zien van de man in een fractie terug gekatapulteerd naar die hotelkamer in Istanboel, waar twee verloren zielen de dag weg vreeën – de dialoog is er spaarzaam, de blikken verzetten het werk.

De man die in de slotscène naar de buschauffeur teken doet om achteruit te rijden, is sinds Gegen die Wand een metafoor die ons kraakt – een beeld van vaarwel. Telkens we iemand zo zien gebaren, wenden we het hoofd af – het liefdesverdriet is te groot, maar tezelfdertijd verslavend. Want als we elkaar niet kunnen hebben, mogen we dan op zijn minst het gemis aan elkaar meedragen?

 

GEGEN DIE WAND KIJKEN: o.a. hier

 

 

Meer REWIND

Boek: ‘Liever lui dan moe’

Boek: ‘Liever lui dan moe’
Cinema ís een therapie

door Bert Potvliege

De Belgische filmjournalist en recensent Johannes De Breuker richt de blik op het onbehagen diep vanbinnen. Met zijn net verschenen filmkritiek-zelfhulpboek, Liever lui dan moe, slaat hij op succesvolle wijze een aangename brug tussen inzichtvolle filmbesprekingen en analytische zelfreflectie. De lezer wordt meegenomen door een prikkelende verteller, die elke cinefiel uitnodigt plaats te nemen rond het kampvuur. 

Wie een zuiver cinefiele publicatie verwacht, zal enigszins fronsend aan het werk beginnen – De Breuker gaat uitvoerig in op zijn strubbelingen tijdens de lockdown van 2020, waarbij de plotse plicht te ontspannen hem dwarszat. De jonge vader liep verloren in de nieuwe verveling, in plaats van dat deze hem liet openbloeien. Zijn maar al te herkenbare schermverslaving en doomscrolling – we hebben er allemaal mee te maken – bleken funest voor het welbevinden.

Cinema van het nietsdoen
De Breuker stelt dat we, onder impuls van een doorgedreven consumptiemaatschappij en de daarbij horende verworven vrijheden, plots moeten omgaan met ‘koninklijke verveling’ – ondanks het feit dat koningen alles hebben, kunnen ze zich ellendig voelen. Onze samenleving biedt kansen en mogelijkheden, maar welstand leidt niet zelden tot een leegte en ontevredenheid. De impact van de aandachtseconomie wordt hier benadrukt: een industrie vecht voor onze aandacht. Maar hoe meer we aangeboden krijgen, hoe minder het boeit. De Breuker onderzoekt concepten als aandacht, verveling, interesses – maar ook hoe verveling tot kunst kan worden verheven, als een wapen tegen die aandachtseconomie.

Liever lui dan moe

Eens die puzzelstukken in kaart werden gebracht, verschuift de focus naar film als denkkader: De Breuker onderzoekt zijn stelling – en zodoende zichzelf – aan de hand van cinema. In die woelige coronajaren vond de auteur troost en levenslessen in film. Antwoorden lagen in de in verveling gehulde films van onder meer Sofia Coppola, Richard Linklater en Kogonada. Die laatste zet alvast in op cinema waar blikken mogen afdwalen, waar tussenmomenten essentieel zijn – zijn films Columbus en After Yang demonstreren deze zienswijze. Liever lui dan moe pleit voor het omarmen van de alledaagse verveling, om onze aandacht weer te kalibreren.

The problem of leisure, what to do for pleasure
In Somewhere vertelt Sofia Coppola het verhaal van Johnny, een door roem bedorven acteur die een leeg luxeleven leidt en in slaap valt bij een paaldans – koninklijke verveling duikt vaak op in haar cinema. De Breuker herkent zich in die malaise. We zijn rusteloos wanneer we ons vervelen, en zouden ons nog liever pijnstoten toedienen dan 15 minuten stilzitten, een existentiële verveling waar hij zelf mee worstelt. Elk van ons kent een eigen ‘gouden kooi’, waarin we ons gevangen voelen. De smartphone is rampzalig, want “het toestel biedt wel de roomservice van Amazon en Pornhub”, maar eigenlijk gebeurt er niks.

De cinema van Linklater (Slacker, Dazed and Confused, de Before-trilogie) verdiept de stelling verder – alledaagse verveling als een vorm van verzet tegen de niet-aflatende dwang van onze prestatiegerichte samenleving. Dat verzet doet ons openstaan voor de poëzie van het alledaagse. Verveling kan zodoende ons bewustzijn aanscherpen. Het is in de leegte van verveling dat verwondering heropgestart kan worden.

Wat aanvankelijk lijkt als een levensgids voor zij die lijden aan contemporaine gejaagdheid, evolueert vlot in de richting van een casusboek dat op boeiende wijze toelichtingen bundelt over films die het onderwerp behandelen. De Breuker toont er zijn kunde als filmtheoreticus, waarbij hij overtuigd en met de nodige literaire flair ook kijkt naar het werk van Jacques Tati, Spike Jonze, Kelly Reichardt – zelfs Jackass komt aan bod.

Het visuele spelletje met OXO, tussen de verschillende hoofdstukken, wordt duidelijk wanneer de auteur naar het einde uitvoerig ingaat op het belang van Wim Wenders’ Perfect Days – zowat de sleutelfilm in de hier gepresenteerde theorie. Aangename visuele ingrepen als deze tonen de creatieve betrokkenheid van de ontwerpers bij Flaneur Uitgevers, een nog jonge uitgeverij van cultuur- en filmboeken – om in het oog te houden. 

Celluloid genezing
Uiteraard schippert Liever lui dan moe enigszins tussen twee uitersten – een hang naar zowel mindfulness als naar filmjournalistiek – waarbij het onmogelijk is om aan de hand van het subjectieve oog van een cinefiel een objectief onderzoek naar een mentale kwestie te kunnen staven. De onderbouwing wringt soms, maar de belichte films fungeren als een verdieping van de ideeën, niet als onweerlegbare bewijsstukken. Men kan een punt maken over een gebrekkige wetenschappelijke waarde, maar het neemt allerminst weg dat de auteur hier op prikkelende wijze therapie en cinema combineert.

De sterkste notie die doorheen het boek schemert – waar elke filmfan zich kan aan optrekken – is aldus de volgende: cinema ís een therapie. De Breuker maakt zich dit standpunt eigen en slaagt erin je te doen voelen wat film betekent voor hem – daarin ligt de grootste kracht van Liever lui dan moe.

Lees hier meer over auteur en boek.

 

3 mei 2026

 


MEER NIEUWS EN ACHTERGROND

Romería

***
recensie Romería
De camera naar binnen gericht

door Bert Potvliege

Wat zou er in de navel van Carla Simón te vinden zijn? In Romería keert de cineaste nadrukkelijk naar binnen waardoor haar film dreigt te verzanden in zelfbeklag. Hoewel ze gezegend is met flair en kan rekenen op een sterk team voor en achter de camera, ondermijnen fundamentele problemen in het scenario het geheel. Wat overblijft voelt meer als therapie dan als cinema: een sterke dramatische ruggengraat ontbreekt.

Met haar derde film breit de cineaste een sluitstuk aan haar onofficiële trilogie. Na Estiu 1993 en Alcarràs (Gouden Beer op het Filmfestival van Berlijn in 2022) verschijnt nu Romería. Het zijn stuk voor stuk autobiografisch-geïnspireerde verkenningen in een Spaanse context, met een nadruk op familie en identiteit. Ook Romería is een duik in een warm bad van nostalgie, waarin havenstad Vigo en de couleur locale een niet te onderschatten rol spelen.

Romería

Vervlogen tijden
De film volgt de jonge studente Marina (Llúcia Garcia) – voelbaar geïnspireerd op Simón zelf – die de vervreemde familie van haar al lang overleden vader opzoekt aan de Galicische kust. Ze heeft van hen een verklaring van verwantschap nodig om een studiebeurs aan te vragen. Tijdens haar verblijf ontmoet ze familieleden – niet in het minst haar strenge grootouders – en probeert ze via gesprekken een beeld te vormen van wie haar ouders waren en hoe ze haar heimat meedraagt. De film duikt via homevideo’s geregeld het verleden in, en voegt naar het einde enkele fantasierijke toetsen toe.

De makers presenteren Romería in een knap jasje. De Spaanse sfeer van het dagelijks leven schemert er aangenaam door: een net gevangen vis op de barbecue, een zwoele zon als warme deken, serene blauwe zeevista’s die de kijker doen wegdromen. Simón nestelt zich even graag en goed in de Zuid-Europese sfeer als Luca Guadagnino (Call Me by Your Name) en Alice Rohrwacher (La Chimera). Ook de cast draagt bij aan die toon: fraai zijn de door de zon gebeitelde gezichten, een oud besje met perkamenten huid in een knalgeel, spuuglelijk bloesje. Kleine momenten, zoals opa die centjes uitdeelt aan de kleinkinderen, zijn sprekend voor Simóns streven naar enige waarachtigheid.

Gedreven door formaliteit
De verpakking van Romería is fraai, maar het geschenk zelf stelt licht teleur. Autobiografisch onderzoek is welkom in de kunsten, maar een goed verhaal vertellen blijft een basisvoorwaarde in narratieve cinema. Het is hier dat Simón struikelt, want haar relaas blijft steken bij therapeutische nobiliteit. Een protagonist die het verleden opzoekt om inzicht in zichzelf en haar familie te krijgen, is een veelgebruikte insteek voor een plot – recente voorbeelden zijn Past Lives, Aftersun en All of Us Strangers. Wat Romería mist, is originaliteit, lef en dramaturgische diepgang. Dat Marina zichzelf en haar familie leert beter begrijpen, door vele gesprekken te voeren met figuren uit het verleden, is narratief te mager.

Romería

Een volgend voorbeeld van verhalende droogte is het conflict dat alles in gang zet: Marina heeft een document nodig. Niet liefde of emotionele nood, maar een administratieve formaliteit drijft haar naar Vigo. Dat voelt verhaaltechnisch goedkoop: zolang het doel maar bereikt wordt, lijkt het weinig uit te maken wat haar werkelijk beweegt. Ze meldt bovendien dat het document nodig is voor een studiebeurs voor een filmopleiding – een overduidelijke manier om haar autobiografische representatie aan de kijker te benadrukken. Het leidt tot een rollen met de ogen.

De kijker terzijde geschoven
Het gemak waarmee tussentitels worden ingezet, is problematisch. Half-filosofische mijmeringen zoals ‘Wie zou ik zijn als mijn vaders familie me had opgevoed?’ of ‘Betekent hetzelfde bloed delen dat je deel uitmaakt van dezelfde familie?’ vertellen de kijker wat bevraagd zou moeten worden door de scènes die erop volgen. Beeldend vertellen wordt overbodig wanneer de intentie vooraf letterlijk wordt meegedeeld. Zo wordt actief meedenken uitgeschakeld en verliest het verhaal nog meer kracht.

De cruciale tekortkomingen nemen niet weg dat het nostalgische voorkomen van Romería zalft. Naar het einde toe introduceert Simón bovendien enkele fantasierijke toetsen die enthousiasmeren (de scène met de trapladder aan het flatgebouw). De cineaste gaat ook intrigerend aan de slag met de sensualiteit van jeugd – de naakt door het land lopende ouders van Marina doen aan de fotografie van Ryan McGinley denken. Mooi om te zien, maar het geheel is narratief te flets om een aanrader te noemen.

 

7 april 2026

 

ALLE RECENSIES

Sound of Falling

*****
recensie Sound of Falling
Echo van een eeuw

door Bert Potvliege

Er huist zodanig veel cinema in Sound of Falling dat de film uit zijn voegen dreigt te barsten. Cineaste Mascha Schilinski levert met haar tweede langspeler een verpletterende film – een uitdaging én een loutering, voor zij die zich openstellen. De film moest het stellen met een gedeelde Juryprijs in Cannes (samen met het uitstekende Sirât), wat een gemiste kans lijkt. Het zou een ontzettend mooie en terechte Gouden Palm geweest zijn.

In de beginjaren van de 20ste eeuw jaagt een speelse keukenhulp op enkele plagende kinderen, tot ze verdwijnen in het niets. In de jaren 1940 likt een jonge vrouw een druppel zweet uit de navel van een man met geamputeerd been. Het keukenschort van een ouder wordende huisvrouw – haar jeugd diep begraven in de blik – toont haar plaats in het bestaan van de jaren 1980. Decennia later delen twee tienermeisjes AirPods terwijl ze bij de beek naar muziek luisteren.

Dit zijn de verhalen van Anna, Erika, Angelika en Lenka – verspreid over een honderdtal jaren, verbonden door de Duitse boerderij waar dit alles zich afspeelt. Deze vrouwen staren het leven in de ogen. Ze hunkeren naar een verlossing. De dood is altijd vlakbij.

Sound of Falling

Mistige flarden
Sfeer staat centraal in Sound of Falling, vertaald in beelden die spreken over het potentieel van poëzie in cinema – een geconcentreerde, ritmische en uiteraard verbeeldende manier om gevoelens, gedachten of ervaringen uit te drukken. Schilinski gebruikt haar camera als de blik van een onzichtbare observator, een door de tijd glijdende geest, voor eeuwig gebonden aan die boerderij. Weemoed en nostalgie zijn de kenmerken van die schim.

Cinematograaf Fabian Gamper (echtgenoot van de cineaste) merkte op dat de visuele stijl het gevoel van een wazige herinnering wou oproepen. Onscherpe beelden, vage randen, tonale nevel, een camera in vrijelijke en ongemotiveerde bewegingen – de beeldenpracht is van wereldschokkende schoonheid.

Er is een link met het werk van Terrence Malick (The Thin Red Line, The Tree of Life), in de zin dat beide filmmakers de camera benaderen als een op zichzelf staande figuur, in observatie van alle andere personages. Bij Malick ligt de nadruk op de goddelijke blik van de camera: zalvend, ongenaakbaar en in een vitale relatie met dat wat zich voor de camera afspeelt. Vervang het sublieme door het nostalgische, en je hebt een idee van Schilinski’s esthetiek.

Een camera glijdt langzaam over een zandbank, naar een moeder die ligt te zonnebaden bij de beek – een zomerse luiheid, een welgekomen ontkoppeling van al wat moet. Langzaam schuifelend langs haar huid beweegt het beeld terug verder, naar iets verderop bij het water en haar kinderen in de buurt. Geen boodschap, geen opbouw, geen betekenistoekenning, enkel het stralende zijn. Het brak ons in twee, maar vraag niet waarom. Het antwoord hebben we niet.

De onverklaarbare vlammen
De nadruk bij film ligt doorgaans op de dramaturgische laag, waarbij plot en personages de essentie zijn. De intentie van een werk schuilt in die laag en een publiek wil dit ontcijferen; die drang te willen begrijpen zit ingebakken in onze kunstbeleving. Maar sommige filmmakers wijken af van dit pad en dagen de kijker uit, op manieren die niet noodzakelijk aangenaam zijn. Een onduidelijke intentie ontneemt het publiek kansen op enige houvast. Sound of Falling is hier radicaal in, en lijkt gemaakt om niet te doorgronden.

Schilinski nodigt je uit voor een ervaring, als een lied bij het kampvuur dat een moment van introspectie in het leven roept. Beleef! Meer wordt niet van je verwacht.

De thema’s van het werk identificeren lukt (de impact van het verleden op het heden, de kwetsbaarheid van opgroeien, seksualiteit en vrouwelijkheid, de rol van de dood), maar veel sterker voel je Schilinski’s aandacht verschuiven naar andere en meer mysterieuze zaken, naar onderstromen. De film is hierdoor geen evidente zit. Een kijker moet zich al bewust zijn van de geplogenheden van filmtaal en narratieve structuren om te kunnen waarderen dat een cineast het creatieve recht heeft ervan weg te sturen. Cinema is zoveel meer dan een verhaal vertellen.

Sound of Falling

Zij die naar films kijken om op hun wenken bediend te worden met een goed verteld verhaal, komen hier bedrogen uit. De afwezigheid van richtlijnen en ankerpunten zal sommigen woedend maken. Vele verzuchtingen en beschuldigingen van een zinloze saaiheid zijn het gevolg. Een speelduur van 150 minuten helpt niet. Schrik niet als sommigen halfweg de film de bioscoopzaal verlaten.

Liefde is een bliksemschicht
Zelden kon je zo verliefd worden op dat wat zich niet laat kennen. Maar is dat niet net de schoonheid van een coup de foudre – overdonderde adoratie voelen maar niet begrijpen. Tegen elke prijs willen ontcijferen, kan de beleving van een werk kapotmaken. Beschouw Sound of Falling gerust als een invitatie voor onverklaarbare schoonheid.

We willen het waarom niet weten. Laat het eenvoudigweg zijn. Met de overdondering die op dat loslaten volgt, toont Schilinski de ware kracht van cinema.

 

4 maart 2026

 

 

ALLE RECENSIES

Sirât

****
recensie Sirât
Zanderige Danse Macabre

door Bert Potvliege

Sirât, de nieuwe film van de getalenteerde Frans/Spaanse cineast Oliver Laxe, legt een boeiende weg af. Deze spirituele roadmovie focust zich op een intrigerende plot, maar werpt gaandeweg narratieve vertakkingen als een ballast van zich af. Zo ontstaat een zinnenprikkelende ervaring. 

Laxe spreekt tot de verbeelding. De veertiger oogt als een gestileerde sjamaan, en doet zo vermoeden dat hij ooit deel uitmaakte van de ravers zoals die aan bod komen in zijn film. Er huist een boeiende stem in de nog pril ogende man, die met Sirât bewijst in het juiste medium te werken.

Sirât

In Mimosas (2016) behandelde Laxe de woestijn als een spirituele ruimte die zijn personages test. In Sirât gebruikt hij deze setting nogmaals, om verder onderzoek uit te voeren naar ons omgaan met de dood. Dit doet hij niet belerend, maar wel door een voedingsbodem te creëren die de kijker toelaat in dialoog te gaan met zichzelf. Zo doet Sirât wat goede kunst zou moeten doen: vragen stellen.

De film legde sinds zijn première op het Festival van Cannes een mooi parcours af. Hij won er de Juryprijs (gedeeld met het binnenkort te verschijnen Sound of Falling). De film kende een aantal succesvolle maanden in de bioscopen (in Nederland verschijnt deze vrij laat). De fans zijn van de rabiate soort – popster Charli XCX heeft de prent geprezen. En ook twee Oscarnominaties vielen de film te beurt.

Hunkeren op de dansvloer
Vader Luis (de uitstekende Spaanse acteur Sergi López: Pan’s Labyrinth en Lazzaro Felice) loopt uit de toon bij de ravegemeenschap in de Marokkaanse woestijn. Hij is op zoek naar zijn verdwenen dochter, die zou deelnemen aan een van de dansfeesten in de buurt. Algauw moet hij rekenen op enkele feestvierders, die hem kunnen helpen haar terug te vinden. Luis blijft hoopvol, terwijl de ravers het hunne denken van de wat pafferige man die tegengesteld lijkt aan hun rebelse bestaan. Samen trekken ze de woestijn in.

Wat zich aanvankelijk presenteert als het verhaal van een vader op zoek naar zijn dochter, evolueert naar een metaforische droomstaat, waarin het vinden van die verdwenen persoon haar relevantie lijkt te verliezen. De dood komt in de plaats. Laxe’s verbeelding van ons omgaan met het heengaan zalft en schokt evenzeer. De woestijnsetting is als ‘sirât’ – een Arabische term voor de brug over de hel, dunner als een haar en scherper als een zwaard. Laat het aan de film om je mee te slepen naar deze beproeving. Wat je daar krijgt, benadert dat waar de ravers naar hunkeren op de dansvloer: een transcendente ervaring.

Er is een groot verwantschap met het vijftien jaar oude Altiplano van Peter Brosens & Jessica Woodworth. Beide films benutten een natuurlijke setting als een spirituele metafoor – bij Altiplano gaat het over teloorgang en rouw; bij Sirât gaat het over het landschap als een mystieke arena die je uitdaagt. Beide films positioneren initieel een plot, waarbij geleidelijk aan duidelijk gemaakt wordt dat wat voorbij de plot schuilt van groter belang is: hoe verder in de film, hoe meer alles op losse schroeven komt te staan. Dramaturgie verhuist naar de achterbank; het sensorische neemt plaats aan het stuur. Beide films zijn woordeloos in hun laatste ogenblikken. En beide steunen hard op muziek om hun doel te bereiken.

Sirât

Onmacht als een donsdeken
Ga kijken op het grote scherm. Niet noodzakelijk omdat je de beelden zo groot mogelijk moet zien, of omdat je dit moet delen met vreemden. Rep je naar de bioscoop voor de intense cocon die de ravemuziek tot leven roept, want zelden waren muziek en intentie zo intrinsiek verweven als hier (een van de Oscarnominaties is voor beste klank – terecht).

De omgeving neemt stelselmatig een groter thematisch belang in, tot enkel ontzag overblijft. Het decor overtroeft de plot – de machteloosheid van de personages tegenover de elementen bepaalt de connectie met de schepping. Alle intenties, alle doelen, alle vragen die een antwoord verdienen, worden ondergesneeuwd door de weerloosheid waarin dit landschap je onderdompelt. Een uitgetelde Luis kan enkel lusteloos neerzijgen op de droge woestijngrond terwijl de zanderige wind uit alle richtingen lijkt te blazen.

Wij hebben ons te buigen naar de grillen van de natuurlijke wereld, net zoals we ons moeten neerleggen bij de onvermijdelijke dood. Sirât spreekt over de existentiële onmacht die dit tot leven roept. Laxe lijkt te zeggen dat een overgave er de juiste benadering van is. Vrede sluiten met die onafwendbaarheid leidt tot spirituele bevrijding.

Het doet denken aan de houding van acteur Harry Dean Stanton in de laatste film voor zijn dood, Lucky: je kan enkel lachen wanneer je de dood in het gezicht kijkt.

 

17 februari 2026

 

ALLE RECENSIES

The Voice of Hind Rajab

**
recensie The Voice of Hind Rajab
De schaamte niet te beminnen

door Bert Potvliege

De suspensefilm The Voice of Hind Rajab haalt zijn kracht uit een immense morele verontwaardiging. De waanzin van de genocide in Gaza zou nooit eerder zo doeltreffend verbeeld zijn. Kaouther Ben Hania vertelt het waargebeurde verhaal van de brutale moord op het Palestijnse meisje Hind door het Israëlische leger.

Een brandend actuele politieke lading als deze is niet zelden funest voor de nuchtere evaluatie: Wat u te zien krijgt, is belangrijk! Hind Rajab brengt een activisme dat evenzeer bloeit als woekert, en doet zo zichzelf de das om. Want het onevenwicht tussen intentie en kwaliteit is groot, met een boodschap van reusachtig belang waar een vrij alledaagse formulefilm tegenover staat. Alle lof die de film te beurt valt, smaakt zodoende wrang. Dit voelt geforceerd.

The Voice of Hind Rajab

Droeve ogen
Het waargebeurde kader van de film gaat een stap verder dan in soortgelijke cinema: de echte audio-opnames van het onder vuur genomen kind vormen het hart van deze thriller, die zich volledig afspeelt bij de telefooncentrale van de Palestijnse Rode Halve Maan. Terwijl de hulpverleners de noodoproep van Hind ontvangen, proberen zij te coördineren wat er moet gebeuren om haar te proberen redden van het oorlogsgeweld.

Ben Hania presenteert het geheel als een spannende genrefilm – de aandacht ligt op het verhaal en is niet al te openlijk een vingerwijzend politiek pamflet die zijn boodschap in woede brult. Die houvast aan de formules van een genre maken de film toegankelijk, wat de wijde verspreiding van de boodschap ten goede komt. Missie geslaagd, want de film is een wereldwijd succes en de boodschap krijgt de aandacht die hij verdient.

Motaz Malhees in de rol van Omar, door wiens ogen we dit drama zien ontvouwen, is een uitstekende gids in dit verhaal: de droefenis in zijn vermoeide ogen fungeert als het empathische fundament voor de kijker – even doeltreffend als de met puppy-ogen gezegende Macon Blair in de mistroostige thriller Blue Ruin.

Kopie
Het is echter zinvol om de film los van zijn eervolle intentie te bekijken. Ben Hania maakte een film volgens de regels van het vak, maar enthousiast word je daar niet van. The Voice of Hind Rajab is een huis clos-thriller in de traditie van films als Sidney Lumets 12 Angry Men of recenter werk als Locke en The Guilty. Nieuwigheden in deze genre-reconstructie vallen er niet te rapen.

De beleving van de film is evident, geconstrueerd om de spanning erin te houden tot het allerlaatste moment. Je voelt het gemakzuchtige mechanisme waarbij Ben Hania op de knoppen drukt om dit te bewerkstelligen – Florian Zeller had hetzelfde probleem bij zijn film The Son. Het cliché van de leidinggevende die Omar tegenkanting biedt, vind je in zowat elke politiefilm terug. De zenuwslopende stiltes, wanneer personages verstijfd aan de lijn wachten op een verlossende stem, zijn schering en inslag.

Hind Rajab kopieert de visuele stijl van de Jason Bourne-films (Paul Greengrass) – een ruwe, verhakkelde visuele stijl die de sensatie van journalistieke live footage behandelt als cinéma vérité. Een schoudercamera voert een opeenvolging van schichtige mini-zooms uit; de scherpte wordt bruusk verlegd van een over het voorhoofd parelende zweetdruppel naar een zoemende computermonitor.

De cinematische keuzes sluiten zo netjes aan bij de zindering van het verhaal – een beproefde formule, functioneel maar zonder frisse insteek. Het doet denken aan films als Whiplash: geslaagd in wat het doet, maar kniehoog gemikt.

The Voice of Hind Rajab

Blind ontvangen
Dé fundamentele fout van The Voice of Hind Rajab is dat het de kijker in een gedwongen positie plaatst. Uiteraard zijn we verontwaardigd over de gepresenteerde gebeurtenissen, maar het is het enige mogelijke standpunt dat de kijker kan en mag innemen. Storend is het ons de vrijheid te ontnemen zelf aan de slag te gaan met het materiaal. Zeg niet wat we moeten denken, maar vraag ons wat voor ogen staat. Een kant-en-klaar gepresenteerde betekenis stimuleert enige onderzoek niet – de aard van oorlog, de zinloze wij-zij-dichotomie. Het is fout om de kijker geen eigen morele keuzes te laten, zelfs wanneer het onderwerp een gedocumenteerde oorlogsmisdaad betreft.

Voor wie is deze film dan bedoeld? Misschien voor een reeds lange tijd van dit onrecht overtuigd publiek, dat op deze wijze haar empathie tastbaar kan maken. Daar is voor alle duidelijkheid niks mis mee, maar allerminst een voorbeeld van de kracht van cinema – ook al denkt de film dit wel te zijn.

De Zilveren Leeuw op het Filmfestival van Venetië en een nobele inborst kunnen het gebrek aan filmische ambitie niet maskeren. Middelmatigheid op een troon plaatsen – omdat het van groot belang is – is niet de gewenste weg. Het is veel te weinig cinema. Het standpunt dat dit relaas een toonbeeld is van de politieke impact van film, mag er gerust zijn, maar een huis van troost kan niet worden gebouwd op wankele elementen.

 

20 januari 2026

 

ALLE RECENSIES

Terugblik filmjaar 2025 – Deel 7

Terugblik filmjaar 2025 – Deel 7:
Verdrinken in werelden

door Bert Potvliege

Elk filmjaar kent een verloop dat gekenmerkt wordt door enige voorspelbaarheid. Maar het is een jaarlijkse cyclus waarin we ons graag wentelen. In 2025 was dit niet anders. We gingen van verwondering naar ontroering, tuimelend door geprojecteerde werelden. De ene film na de andere.

We trapten het jaar traditiegetrouw af met het inhalen van gemiste recente films (het uitstekende Flow), gevolgd door uitblinkers die te laat op het feest verschenen – prijsbeesten van het voorafgaande jaar die een veel te late release kregen (nr. 2 in mijn lijst). Er valt in die eerste maanden al eens iets gloednieuws van enige betekenis in de zalen, maar het eerste echte ijkpunt van het jaar is het Filmfestival van Cannes in mei (we keken terecht uit naar de nieuwe Panahi). Best wel leuke tijden in de zalen, maar het is goed te weten dat de eerste zes maanden van het jaar een stuk minder boeien dan de tweede helft. Pas dan start de aaneenrijging.

The Love That Remains

The Love That Remains

Met de zomer in zicht lanceert Hollywood zo goed als wekelijks verteerbaar spektakel (Furiosa). De eerste films uit Cannes droppen in de zalen. Vanaf augustus volgen de filmfestivals elkaar op. De toppers van de Croisette worden aangevuld met al het moois uit Venetië, Rome, Telluride en Toronto. Het publiek krijgt een lading prestigefilms uit Tinseltown, elk mikkend op dat gouden beeldje (nr. 1 is er zo eentje). Eens de herfst volop woedt, dreig je verzwolgen te worden in het aanbod. En elk jaar – like clockwork – is er dat moment diep in november wanneer je de handen in de lucht gooit met de woorden “Ik houd het niet meer bij” – een luxeprobleem (zo zullen we Die My Love later moeten meepikken).

Doorheen het hele jaar spookt steeds dezelfde vraag door het hoofd: Welke film zal ons hart breken? Voor mij primeert daarbij ervaring boven betekenis. Mijn vijf favoriete films waren exact dat: een ervaring. De boodschappen in deze films zijn belangrijk (over gemarginaliseerde figuren, naar liefde hunkerende eenzaten, politieke polarisatie en over de aard van het kunstenaarschap) maar die thema’s waren niet doorslaggevend. We onthouden die films omdat we konden verdwijnen in de werelden die ze brachten.

Voor we die lijst presenteren, wil ik een ogenblik stilstaan bij de films die net naast de selectie grepen, maar absoluut het vermelden waard zijn. Hlynur Pálmasons nieuwste film, The Love That Remains, was een ingetogen maar krachtige toevoeging aan de cinema van de IJslandse filmmaker. Darren Aronofsky’s Caught Stealing leek op papier een vrijblijvende genreoefening, maar dergelijk gezapig misdaadverhaal – met die kwaliteit verfilmd – is zeldzaam deze dagen. Jafar Panahi leverde met It Was Just an Accident een overtuigende Gouden Palm, en een sterke toevoeging aan zijn meeslepend oeuvre. Daarnaast raden we Black Dog, Caught by the Tides, Hard Truths en The Seed of the Sacred Fig aan.

Ik ben tevreden over het cinefiele 2025 en hoop voor 2026 dat Terrence Malick na zes jaar monteren eindelijk zijn The Way of the Wind aan de wereld schenkt.

 

Dit zijn de vijf films van 2025 die we zullen meedragen:

5 – Jeunes mères
Jeunes mères is het nieuwe – en inmiddels zoveelste – sociaal-realistisch drama van de Belgische broers Dardenne. Decennia ver in hun illustere carrière en nog steeds behoren ze tot de absolute wereldtop.

Hun films boeien door het fascinerende evenwicht tussen medelevende cinema en scherp maatschappijkritisch onderzoek – tussen empaat en socioloog. Wat de Dardennes bijzonder maakt, is hun zelfbeheersing. Hun kenmerkende cameravoering – obsessief geënt op de protagonist (of in het geval van Jeunes mères: vijf tienermoeders) – blijft een intellectuele visuele benadering. Ze bestuderen hun onderwerpen op weldoordachte en analytische wijze. Hapklaar sentiment blinkt uit in afwezigheid.

Misschien zijn hun films vandaag net iets minder urgent en verrassend dan twintig jaar geleden, maar hun meesterschap staat buiten kijf. Jeunes mères is opnieuw een overtuigend bewijs van hun kunnen.

 

4 – Queer
Queer in deze lijst is voor velen misschien de vreemde eend in de bijt – weinig recensenten zullen ons volgen. Luca Guadagnino, de veelfilmer achter prachtwerken als Call Me by Your Name en Suspiria, heeft zich recent aan overdaad bezondigd: drie films in twee jaar, met wisselende kwaliteit. Deze nieuwe film werd wat lauwer onthaald, dus zorgeloos waren we allerminst toen de zaallichten doofden. Maar onze argwaan smolt als sneeuw voor de zon.

We volgen het mistroostige bestaan van de in Mexico-Stad verzeilde expat William Lee, een homoseksuele man die koortsachtig zoekt naar liefde, seks en bevestiging. Zijn door alcohol vertroebelde blik vertaalt zich in een vertelstijl die zowel fascinerend als ontregelend is. Niet sinds Eyes Wide Shut hadden we het gevoel zo verstrikt te raken in een droomrijk labyrint. Het lijkt Mexico, maar is het dat wel? De licht surreële toon wordt uitgesprokener wanneer het geheel richting een existentiële ayahuasca-finale beweegt – met een bijna onherkenbare Lesley Manville als kers op de psychotrope taart.

In de rol van de intellectueel wauwelende en bezopen Lee tref je een gepensioneerde James Bond – Daniel Craig in de rol van zijn leven. Zijn Lee is een mengeling van een verloren ziel, onbetrouwbaar roofdier en dronken romanticus. En toch: wat maakt Craig het verbazend eenvoudig om verliefd te worden op zo’n literair figuur – een verscheurd personage.

 

3 – Eddington
Wie had gehoopt dat de getalenteerde cineast Ari Aster – een vaandeldrager in zijn generatie Amerikaanse filmmakers (Hereditary, Midsommar) – na het heerlijke en opzettelijk ontoegankelijke Beau is Afraid een publieksvriendelijkere koers zou varen, komt bedrogen uit. Aster trekt zijn eigenzinnige lijn onverstoorbaar door en maakte met Eddington een film waar ogenschijnlijk niemand op zat te wachten.

In deze neo-western kruisen burgemeester (Pedro Pascal) en sheriff (een voortreffelijke Joaquin Phoenix) de degens in het Amerikaanse gehucht Eddington, terwijl de coronapandemie in volle hevigheid woedt. We schrijven 2020. De ene wil dat iedereen zich strikt aan de regels houdt, de andere ziet in de maatregelen een complot tegen de bevolking. Met droge humor en absurde scherpte fileert Aster de hedendaagse VSA-samenleving – van de opkomst van extremisme tot het gebrek aan mediawijsheid en de groeiende politieke polarisatie.

Humor blijkt het enige overlevingsmiddel, want optimistisch over de toekomst is Aster allerminst. De film is een uitzinnige ervaring die gaandeweg steeds grotesker ontspoort: Asters regie is ronduit indrukwekkend, zijn visie compromisloos, en zijn lef bewonderenswaardig. Ongemakkelijk is het zeker, maar Eddington bewijst dat Aster met koppige eigenzinnigheid hoge ogen kan gooien. 

 

The Brutalist

The Brutalist

2 – The Brutalist
In de maanden voorafgaand aan de release werd The Brutalist reeds met lof overladen (beste regie op het filmfestival van Venetië). Je moet die hype evenwel terzijde schuiven en het aan de prent laten om je te overtuigen. De proloog zat er nauwelijks op toen de film zijn klauwen in ons had, om een slordige 200 minuten lang te boeien. We zagen een Icarus toveren op het scherm – cineast Brady Corbet reikte hoog.

The Brutalist bleek een viering van all things cinema, waarbij alle facetten van het filmmaken mochten schitteren: Een compromisloze focus op de narratieve laag, met een sterk verhaal over een Joodse architect (Adrien Brody), weggevlucht uit het door de oorlog verscheurde Europa. Hij is een gedreven creatieveling die voet aan grond probeert te krijgen in de Verenigde Staten – een allegorie op het kunstenaarschap en de rol van artistieke eigengereidheid. Het acteerspel is van hoog niveau (Brody is een van dé smaakmakers van afgelopen kwarteeuw), de beelden zijn om duimen en vingers bij af te likken, de muziek van Daniel Blumberg stuwt het geheel naar een nóg hoger niveau. En vooral: met een minimaal budget schept men een enorme wereld. Het geheel maakte een grootse indruk.

Dit is niet noodzakelijk mijn soort cinema (waarbij de literaire plot primeert), maar de overdondering was voelbaar. Sterke cinema laat me wekenlang met de score in de oren door de straten flaneren – en The Brutalist was daarop geen uitzondering. 

 

1 – One Battle After Another
Wonderkind Paul Thomas Anderson (Magnolia, The Master) levert met One Battle After Another een unicum in het Amerikaanse studiosysteem: ongehoord dat anno 2025 een auteur-cineast meer dan 100 miljoen dollar krijgt om er zijn zin mee te doen, vooral omdat PTA nooit grote recettes binnenhaalde. Zijn films zijn doorgaans vrij kleine en idiosyncratische karakterstudies. Maar een cinefiel godsgeschenk dat hij hier de kans kreeg een peperdure film te maken voor een groot publiek en mocht uitbreken. Uit de kosten geraken is niet gelukt (tot niemands verrassing) maar de film – over een ex-revolutionair (Leonardo DiCaprio) die zijn ontvoerde dochter wil redden – is torenhoge favoriet voor de komende Oscars. 

De spektakelrijke film is meesterlijk gemaakt, en dendert 160 minuten lang onstuitbaar door. Het eerste halfuur is een compacte en baldadige verfilming van de voorgeschiedenis van deze personages. Halfweg de film zit er nog een lap van een goed half uur – samengehouden door een grandioze score van Jonny Greenwood, met een gekmakende pianomelodie – die enorm imponeert. En zelfs de weinige tegenstanders zijn het erover eens dat de autoachtervolging op het einde, met de River of Hills, fantastische cinema is.

Bij de cinema van PTA hoopt de filmfan niet op uitstekende vormelijke kwaliteiten – hij of zij eist het. Wie de film in IMAX meemaakte, zag een audiovisueel wonder gebeuren. DiCaprio, Sean Penn en Chase Infinity spelen sterk, maar het zijn Teyana Taylor en vooral de onnavolgbare en hilarische Benicio del Toro (“Few small beers”) die de show stelen.

PTA is een verhalenverteller, geen poëet. Bij hem ligt alle aandacht op personages, en op het zo kwalitatief mogelijk presenteren van hun verhaal. Weinig filmmakers zijn er zo bedreven in als hij. Met One Battle After Another leverde hij onmiskenbaar het grootste filmfeest van het jaar – een ongeëvenaarde ervaring.

 

31 december 2025

 

Deel 1 – Cor Oliemeulen: Waarom Max Verstappen geen wereldkampioen werd
Deel 2 – Ralph Evers: Er was tenminste weer een regisseur zichtbaar
Deel 3 – Jochum de Graaf: De verschillende vormen van comedy
Deel 4 – Tim Bouwhuis: Door de lens van filmfestivals
Deel 5 – Bob van der Sterre: De absurde top 20
Deel 6 – Zoë van Leeuwen: Een ode aan Letterboxd

Bugonia

***
recensie Bugonia
De routine van een wankele koning

door Bert Potvliege

Bugonia vertelt het verhaal van de meelijwekkende incel Teddy (Jesse Plemons), die zakenmagnaat Michelle (de alweer indrukwekkende Emma Stone) ontvoert. Teddy vermoedt namelijk – hou je vast – dat Michelle een buitenaards wezen is dat van plan is de aarde te vernietigen. Tijdens haar gevangenschap ontstaat een vreemde, maar intrigerende dynamiek tussen dader en slachtoffer. Teddy blijkt beïnvloedbaar maar gevaarlijk, terwijl Michelle allerminst zo onschuldig is als ze lijkt.

Al enige tijd lijkt het alsof de Griekse filmmaker Yorgos Lanthimos weinig fout kan doen in de ogen van de modale cinefiel. De bejubeling is al jaren aan de gang – Dogtooth was zijn doorbraak, maar pas met de overstap naar Hollywood werd zijn naam klinkend. Films als The Favourite en Poor Things sloegen gensters. De eerste barsten toonden zich vorig jaar, met het lauwe onthaal van Kinds of Kindness. Herpakt de regisseur zich met Bugonia?

Bugonia

Onfris gedrag
Op het eerste gezicht lijkt Lanthimos met deze film (gebaseerd op de Zuid-Koreaanse cultfilm Save the Green Planet! uit 2003) zijn eigen versie van Kurosawa’s High and Low te hebben gemaakt: beide films onderzoeken klassenverschillen via een ontvoeringsplot. Maar de film ontvouwt zich evenzeer tot een maatschappijkritische reflectie op onze gebrekkige mediawijsheid en de omgang met online complottheorieën. Uiteindelijk laat Lanthimos zijn verhaal bewust ontsporen en verzandt Bugonia in een zonderlinge, absurdistische bedoening die dicht aanleunt bij de cinema van Alex van Warmerdam (Nr. 10). De cineast lijkt er zichtbaar plezier in te scheppen opnieuw te mogen regeren als the king of weird.

Toch is de beleving van Bugonia niet zonder brokken, want in het eerste uur lijkt er sleet te zitten op zijn formule. De bizarre aard van zijn verhalen – waarin personages terugvallen op hun dierlijke instincten zodra sociale conventies wegvallen – is intussen te herkenbaar geworden. Sommige komische noten zijn bij de haren gegrepen – het personage Don, Teddy’s neef die een handje toesteekt bij de ontvoering, is flauw en kleurloos. Wat bij Dogtooth nog fris, gewaagd en grappig aanvoelde, voelt hier soms krampachtig. De herhaling dreigt; Lanthimos persifleert zichzelf. De eerste helft van Bugonia baart zorgen.

Aan het rare roer
Dat de film gaandeweg wel de moeite blijkt te zijn, heeft alles te maken met het talent en de vaardigheden van cast en crew. Het heeft haar een aantal jaren inzet gekost – niet in het minst om het publiek ervan te overtuigen – maar Emma Stone mag zich een grote actrice noemen. Hoe verder de film vordert, hoe sterker haar aanwezigheid blijkt. Ze krijgt het nodige weerwerk van Jesse Plemons, die de laatste jaren naam maakte met rollen in The Power of the Dog, Killers of the Flower Moon en Civil War. Met die twee aan het roer is de casting alvast een schot in de roos. Het is vermakelijk om te zien hoe ze, na de wat ongemakkelijke start, steeds dieper worden meegezogen in het gekker wordende geheel.

Bugonia

Toch blijft het Lanthimos zelf die de aandacht naar zich toetrekt. Niet al zijn werken lieten zich even vlot verteren, maar zijn greep op de hedendaagse filmwereld is groot. Zijn oeuvre is bevreemdend, maar altijd met overtuiging en verbeelding gebracht. In de tweede helft breekt hij Bugonia open: de gekte wordt intenser, de narratieve wendingen volgen elkaar sneller op, en plots zit de film op het juiste spoor. Het resultaat is zowel geestig als meeslepend. In de zaal was het enthousiasme voelbaar – zeker bij die ene toeschouwer die onophoudelijk zat te gieren van het lachen.

Shoot sleep repeat
Na het wat wrange Kinds of Kindness zet Lanthimos opnieuw een stap in een meer publieksvriendelijke richting, met meer ruimte voor amusement en toegankelijkheid. Toch loert gevaar, want de cineast dreigt zichzelf in een hoek te werken waar het eigen werk herkauwd wordt tot in het oneindige. Ook zijn tempo – drie films in twee jaar – voelt onhoudbaar. Wanneer filmmakers te snel produceren, verstikt vaak het momentum dat hun werk kracht geeft. Luca Guadagnino (Challengers, Queer) heeft momenteel hetzelfde probleem.

Met Bugonia bewijst Lanthimos dat zijn bizarre universum nog steeds kan verrassen, al kraakt zijn formule bij momenten onder haar eigen gewicht. Als hij zichzelf de komende jaren wat ademruimte gunt, kan die eigenzinnigheid weer de frisheid terugkrijgen die ooit zo onweerstaanbaar was.

 

28 oktober 2025

 

 

ALLE RECENSIES

Suspiria (2018)

Suspiria (2018)
Dansend door het doolhof

door Bert Potvliege

De consensus kan al eens fout zijn. De filmgeschiedenis is doorspekt met verbluffende prenten die bij hun release verkeerd begrepen of genegeerd werden. Een aantal groeiden uit tot cultfilms, waarbij de wereld gewoon wat later tot inzicht kwam. Soms voel je een toekomstige cultklassieker van mijlenver aankomen. Luca Guadagnino’s Suspiria, de uit 2018 daterende remake van de horrorklassieker van Dario Argento, is zo’n film. Ik heb geen idee hoeveel tijd de wereld nodig zal hebben om er de ogen voor te openen, maar die dag komt.

In de vele wonderlijke samenwerkingen die actrice Tilda Swinton de afgelopen decennia aanging, was haar partnerschap met een filmmaker zelden inniger dan met Guadagnino. Swinton is een hartsvriendin en een muze voor de Italiaanse arthouse-cineast. Hun horrorfilm (bovendien niet hun enige samenwerking) is niet enkel ravissante cinema, maar ook een ode aan de met raadselachtige allure gezegende Swinton. Pers en publiek hielden er aanvankelijk een andere mening op na en wisten niet goed hoe aan de slag te gaan met Suspiria.

Suspiria

Geen olijfbomen meer
Luca Guadagnino is al vijftien jaar een vaste waarde in de Europese cinema, met intussen ook een boeiende stap naar Hollywood (Challengers, Bones and All). Een sfeer van onbezonnen Italiaanse zomers was tot 2017 zijn stilistisch handelsmerk. Hij perste steevast alle mediterrane romantiek en erotiek uit zijn verhalen, waardoor de cinema van Paolo Sorrentino (La grande bellezza) nooit veraf was. Call Me by Your Name was in deze fase van zijn carrière het hoogtepunt.

Nog geen jaar later gooide Guadagnino het roer echter volledig om en waagde hij zich, tot ieders verbazing, aan een remake van de expressionistische horrorfilm Suspiria. Hij liet zijn vertrouwde stijl voor wat die was en zocht nieuwe oorden op. Niemand zag het aankomen en eerlijk gezegd zat niemand erop te wachten. Weg met de verschroeiende Italiaanse zomerzon, op naar het Berlijnse beton.

Critici struikelden over de lange speelduur en vroegen zich af waarom deze update van tweeënhalf uur een vol uur langer moest duren dan het origineel. Ook de iconische status van Dario Argento’s Suspiria werkte tegen, want het zat een warme ontvangst van de remake in de weg. Daarnaast vonden sommigen de arthouse-aanpak potsierlijk en pretentieus. Zelf ervoer ik dat helemaal anders. Guadagnino’s Suspiria hield me 150 minuten lang in de ban en liet me achter met een gevoel dat ik nog altijd koester.

Onder moeders vleugels
Berlijn, 1977. De jonge Amerikaanse Susie (Dakota Johnson) dwaalt wat verloren door de metro, op weg naar dansschool TANZ. De naam prijkt in harde letters boven een grauwe betonnen ingang, pal naast de Muur. Susie droomt van een plek in het gezelschap en hoopt tijdens haar auditie te overtuigen. Al bij haar eerste dans valt ze op bij de raadselachtige Madame Blanc (Tilda Swinton), die haar onder haar hoede neemt. Tussen beiden groeit een bijzondere band.

Maar TANZ blijkt veel meer dan een dansschool. Achter de façade schuilt een heksenkring, verscheurd door een machtsstrijd tussen Blanc en de aftakelende Moeder Markos (eveneens gespeeld door Swinton). De groep bereidt een ritueel voor dat Markos nieuw leven moet schenken en daarvoor hebben ze een jong lichaam nodig. Susie raakt steeds dieper verstrikt in hun plannen.

Ondertussen zoekt Patricia, een meisje dat uit de school is gevlucht, steun bij psychiater Dr. Klemperer (óók vertolkt door Swinton, ditmaal als oude man). De dokter besluit de waarheid achter de school te onderzoeken, maar stuit op onverschilligheid bij de autoriteiten. Zelf draagt hij een ondraaglijk oorlogstrauma met zich mee: het verdwijnen van zijn vrouw Anke, van wie hij nooit het lot heeft vernomen. Zijn verleden en zijn zoektocht zullen onverwacht een rol spelen in het duistere ritueel dat de heksen voorbereiden.

Een hoop vlees
Foto: Brigitte LacombeDe rijkdom van Suspiria schuilt in de toverdrank die Guadagnino stookt, met drie kerningrediënten: horror, erotiek en ontroering zijn in een dans verwikkeld met elkaar, met even prikkelende uitbarstingen als het door de danseressen opgevoerde spektakel Volk. Dat wringen van die ingrediënten leidt tot een bedwelmende cocktail die mismeestert. De horror krijgt een erotische lading terwijl de erotiek me de stuipen op het lijf jaagt, en doorheen dit alles spoken wonderlijke toetsen van ontroering.

Dat juist Guadagnino, een uitgesproken arthouse-regisseur en allerminst een genrefilmer, zich aan een horrorproject waagde, maakte dit experiment zo intrigerend. Het merendeel van hedendaagse horror weet me nauwelijks nog te beangstigen; wat zou een artistieke stilist als Guadagnino er dan van bakken? Heus wel wat, zo blijkt.

De vervormde spiegelwanden in de danszaal symboliseren de dreigende labyrintische aard van deze mysterieuze school. Nacht na nacht sturen de heksen Susie vergiftigde dromen, een sinistere voorbereiding op het ritueel. Die droomsequenties wemelen van de onheilspellende beelden, vaak doordrenkt met body horror. De fysieke vervormingen zijn een metaforische verbeelding van het reële lijden van dansers: lichamen tot het uiterste geduwd; jeugd en schoonheid versneld uitgehold. Onder de oppervlakte sluimert een erotische spanning, waarin verlangen en lichamelijke aftakeling samensmelten. Dat verlangen wordt ingelost bij het ritueel, waarbij het feminiene wordt verorberd. Daarmee legt de film al de thematische kiem voor Bones and All, Guadagnino’s romantisch kannibalendrama dat enkele jaren later zou volgen – het verslinden van de andere in de naam van liefde.

Wanneer danseres Olga besluit de school te verlaten, loopt het fout. De heksen laten haar niet ontsnappen. Ze verdwaalt in de vele donkere gangen en komt terecht in de afgesloten danszaal, waar haar lichaam op bovennatuurlijke wijze kraakt en breekt. Haar ledematen komen verwrongen te staan, haar lichaam uitgeperst. Ze plast in haar broek en komt als een hoopje samengevouwen vlees op de vloer te liggen. Het is een scène die evenzeer verontrust als dat ze opwindend en hypnotiserend is. Net zoals David Lynch (Lost Highway, Mulholland Drive) hanteert Guadagnino hier een fetisjistisch omgaan met zijn vrouwelijke personages. Hij brengt hen op bijna vertederende wijze een zuiverende pijn toe, als een vreemdsoortige ode aan de vrouw. De metalen sikkels die nadien nog door Olga’s vlees gestoken worden, stellen de prikkelende terreur en het ongemakkelijke vleselijke verlangen op scherp.

Een touw vastknopen aan opwinding
Suspiria is zo doordrenkt van seksualiteit dat de film vonkt. Het is een onverwachte dimensie die de prent naar een hoger niveau tilt. Seksualiteit in horror is schering en inslag, maar zelden wordt ze zo gelijkwaardig aan angst ingezet als hier. In Suspiria vervloeien horror en erotiek tot een enkele, bedwelmende ervaring. Op de meest verontrustende momenten merk ik een opwinding – gezien de terreur op het scherm is het een vreemd en zelfs ongepast gevoel. De film confronteert me met mijn eigen dierlijk instinct, dat een immorele vorm durft aan te nemen. Guadagnino laat me zo schrikken van mezelf.

Susie kronkelt en beweegt tijdens het dansen op een hypnotiserend verleidelijke manier over de vloer. Voor de uitvoering van Volk dragen de dansers rode touwen als kostuum, wat sterk doet denken aan bondage. Susie die samen in bed hangt met de frêle Sara. Susie die even gaat plassen. Het vele naakt bij het ritueel. Iemand vraagt Susie hoe het is om in de opvoering te dansen. “Als geneukt worden door een dier”, antwoordt ze laconiek. Elk van deze momenten roept sensaties bij me op die moeilijk te verantwoorden zijn. Guadagnino presenteert hier een bijna bacchanaals spektakel en creëert met Suspiria misschien wel een van de meest sensueel geladen films van deze eeuw. Zijn adoratie van Swinton – al ware ze een godin – maakt de erotische uitspatting compleet.

Suspiria biedt zichzelf aan met heel wat filmisch vernuft. De montage is opvallend expressief: talrijke licht variërende beelden volgen elkaar in een snel tempo op, zonder dat ze expliciete informatie toevoegen. De intentie is onduidelijk, wat oncomfortabel voelt en een heldere interpretatie bemoeilijkt. Ook het kleurenpalet van de film draagt bij aan die verstoring: eenmaal in de dansschool heb je het gevoel in een andere wereld te stappen. De vloertegels zijn net zo verontrustend als het tapijt in The Shining. De cameravoering en beeldcompositie zijn uitstekend, maar ik verwacht niets minder van Guadagnino.

Suspiria

Entry music (for a film)
Een laatste, bepalend ingrediënt in de cocktail die Suspiria heet, is de ontroering. Ik kreeg een krop in de keel bij het acteerwerk van Tilda Swinton. Neem bijvoorbeeld de slotscène van Dr. Klemperer, wanneer hij eindelijk te horen krijgt wat er met zijn geliefde Anke is gebeurd. Verborgen achter lagen make-up weet Swinton nét genoeg expressie te tonen om me te raken. Het daaropvolgende slotbeeld, met de in de muur gekerfde letters, is buitengewoon teder. Ook de ondergang van Patricia en Sara tijdens het ritueel weet op een vergelijkbare manier te ontroeren.

De meest intense emotie komt echter van muzikant Thom Yorke. De Radiohead-frontman schreef voor deze film zijn allereerste score. Net zoals hij met zijn solodebuut Eraser uit 2006 nog zoekende was naar zijn eigen stem als soloartiest, speurt hij hier naar zijn identiteit als filmcomponist. Hoewel hij die nog niet volledig heeft gevonden, schemert de voor Yorke typerende emotionele muzikaliteit wel al sterk door. De track Suspirium, die over de openingsgeneriek ligt, is zelfs een van zijn krachtigste nummers in jaren. De generiek zelf speelt als een aangrijpende miniatuurfilm en getuigt van Guadagnino’s talent: compositie, kleur, ritme, sfeer en muziek smelten samen tot een werkelijk betoverende scène. Moeder ligt in bed met een doodsrochel, terwijl Yorke’s ijle stem weerklinkt: “All is well, as long as we keep spinning. Here and now, death still behind a wall.” 

De kracht van de vrouw
De kans bestaat dat je Suspiria vervloekt, omdat het niet evident is te achterhalen wat je ermee aan moet. Velen krijgen niet wat ze verwachten dat horror hen zou moeten geven, hoewel ik het net een zeldzaam angstaanjagende prent vind. De fans van Guadagnino zaten al helemaal met de handen in het haar, want hun idool leek zijn stijl compleet overboord te kieperen. En toch is het feminiene – zo essentieel in het oeuvre van Guadagnino – ook hier centraal aanwezig.

Guadagnino’s zin voor risico – waarbij hij onderzoekt, experimenteert en wat grenzen verlegt – kan ik enkel toejuichen. Ik voel en begrijp zijn fascinatie voor het materiaal, alsof we een geheim delen. Het is verslavend te verdwalen in het prikkelende Suspiria, waar vrouwelijkheid zowel erotiseert als afschrikt door haar verscholen krachtdadigheid en dreigende aard.

Suspiria is te zien in Eye.

 

27 oktober 2025

 

THEMAMAAND TILDA SWINTON