Ready Player One

**

recensie Ready Player One

The Hunger Games meets Tron

door Alfred Bos

Ready Player One is de verfilming van een sciencefictionroman over een virtuele wereld die is opgebouwd uit videogames, een mediawereld die verwijst naar media. Het Droste cacaobus-effect op het witte doek.

Ready Player One is de verfilming van het gelijknamige boek waarmee Ernest Cline in 2011 debuteerde. Aanvankelijk een culthit in kringen van gamers, groeide het uit tot een van de meest succesvolle sciencefictionromans van dit decennium en werd vertaald in meer dan twintig talen. Boek en film staan bol van de verwijzingen naar de popcultuur van de jaren tachtig: muziek, films, strips, maar vooral videogames. Boek en film spelen voor een groot deel in een videogame. Ready Player One is The Hunger Games gekruist met Tron.

Ready Player One

Het jaar is 2045 en de plek is Columbus, Ohio. Het vrije markt-kapitalisme heeft de wereld gereduceerd tot vuilnisbelt, het volk brengt zijn tijd door in een kunstmatige fantasiewereld. OASIS (Ontologically Anthropocentric Sensory Immersive Simulation) is een virtueel universum waarin alle videogames die ooit op de markt zijn gebracht, worden voorgesteld als eigen werelden, als planeet.

Na zijn overlijden maakt de schepper van OASIS, James Donovan Halliday, speelnaam Anorak (Mark Rylance), via videoboodschap bekend dat hij drie geheime sleutels in zijn spelletjesuniversum heeft verstopt. Wie als eerste het raadsel oplost, erft zijn astronomische vermogen en wordt eigenaar van zijn online creatie.

Liefdessprookje tussen avatars
Ready Player One verhaalt de race naar de sleutels. De strijd gaat tussen vijf jongvolwassenen en de multinational IOI (Innovative Online Industries), in de persoon van een valsspelende pyschopaat, Nolan Sorrento (Ben Mendelsohn). Die wil van het gratis toegankelijke OASIS een geldmachine maken. De High Five, gemarginaliseerde gamefanaten, strijden tegen een overmacht en redden de virtuele wereld. Uiteraard is er ook een liefdessprookje tussen twee avatars, Parzeval (speelnaam van Wade Watts, vertolkt door Tye Sheridan) en Art3mis (Samantha Evelyn Cook, de Engelse actrice Olivia Cooke).

In een moordend tempo gaat het twee uur en twintig minuten lang (en dat is lang) van virtueel gevecht naar gesimuleerde strijd en terug, om te culmineren in een climax die de clash tussen de vijf legers in Lord of the Rings aftroeft, want er klapt een atoombom. Virtueel uiteraard. Dat klinkt kinderachtig en dat is het ook. Fans van Pacific Rim en Transformers zullen smullen.

Dat had de kijker met kennis van jaren tachtig popcultuur vanaf de eerste seconde kunnen weten, want de film trapt af met Van Halens halfslappe Jump op de geluidsband. Dat had natuurlijk Kill ‘Em All van Metallica moeten zijn. Of minstens een track van Moving Pictures van Rush, de favoriete band van OASIS-schepper Halliday. Ready Player One speelt op veilig.

Ready Player One

Eindeloze reeks referenties
Ready Player One is de nieuwe sciencefictionfilm van Steven Spielberg en komt luttele weken na diens op feiten gebaseerde The Post. Het contrast tussen beide films kan nauwelijks groter zijn en dat zegt wellicht iets over het vakmanschap van ’s werelds meest succesvolle regisseur. Waar The Post het kritisch denkende deel van het filmpubliek bedient, is Ready Player One gemaakt voor joelende pubers met een overdosis suiker in hun systeem.

Een van de mediawerelden waarin de film zich afspeelt is The Shining, de klassieke horrorfilm van Stanley Kubrick. Die scène komt niet voor in het boek, het is een coup van Spielberg. (De regisseurs waren bevriend; Kubrick vroeg Spielberg zijn afgebroken filmproject AI te voltooien.) Het is de meest geslaagde van een eindeloze reeks referenties aan film, comics, games en muziek.

Ready Player One is een zeeziek makende orgie van beelden en oogt spectaculair, maar haal alle verwijzingen weg en er blijft niets over: de film speelt in een mediawereld die verwijst naar media. Dan klinkt de boodschap aan het slot – alleen het echte leven is echt – niet alleen flets, maar ook een tikje hypocriet. Voor de vorm, dus.
 

27 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Sweet Country

**

recensie Sweet Country

Het recht van de sterksten

door Sjoerd van Wijk

Een Aboriginal slaat op de vlucht nadat hij uit zelfverdediging een witte rancher doodschiet. Sweet Country komt over als een klassieke western, maar brengt uiteindelijk te weinig nieuws.

De ene bevolkingsgroep overheerst de andere en reduceert laatstgenoemde tot niets meer dan goedkope werkkracht. Zulke mensonterende omstandigheden kunnen goed aan de kaak worden gesteld in de western. In de loop der tijd is het genre geëvolueerd van een mythologisering van Amerikaanse onafhankelijkheid tot een revisionistische kritiek op sociale misstanden. Waar Rio Bravo een heldhaftige eenling volgt die de slechteriken van zich af moet houden, presenteert The Hateful Eight een nihilistisch Amerika gebouwd op racistische politiek. De revisionistische western hoeft echter niet beperkt te blijven tot Amerika. 

Sweet Country

Sweet Country verhaalt over een vrije Aboriginal in de Australische Outback van de twintiger jaren van de vorige eeuw die uit zelfverdediging een witte rancher neerschiet. Bang voor de gevolgen zit er niets anders op dan met zijn vrouw te vluchten voor de sergeant die met een groep een klopjacht begint. De Outback blijkt in deze film een meedogenloos niemandsland waar de rechtvaardigheid in eigen hand wordt genomen. Sweet Country komt over als een klassieke western, maar niets is minder waar. Kritiek op het institutionele racisme voert de boventoon in een met spanning gebracht verhaal, maar de film toont geen nieuwe inzichten over wat dit met een mens kan doen.

Het niets van de Outback
Het landschap vormt een onmiskenbaar onderdeel van de film. Zoals de Grand Canyon verbonden is aan de Amerikaanse western, zo geeft de Outback een eigen karakter aan Sweet Country. De stoffige savanne vormt een fraai decor waarin de harde werkelijkheid inkomt als een mokerslag. De weidse beelden van het dorre land krijgen extra schoonheid doordat deze dikwijls gepaard gaan met bijzondere lichtbronnen, zoals de volle maan en een zonsopgang, zorgvuldig geschoten door regisseur Warwick Thornton, die ook het camerawerk voor zijn rekening neemt. Alle karakters komen hierin over als pionnen en gaan op in het niets. Net zoals zij allen in hun gedrag pionnen van de onrechtvaardige instituties zijn. In dit landschap loert de dood, maar laat hij wel op zich wachten.

Strakke suspense
Langzaam maar zeker wordt toegewerkt naar elk doorslaggevend moment wat leidt tot de klopjacht en de nasleep. We voelen al feilloos aan wat een persoon gaat overkomen, maar toch gebeurt het maar niet. Alles lijkt een duidelijke oorzaak en gevolg te hebben, alsof de genadeloze wereld van de Outback het laatste woord heeft. Het doet hierin denken aan The Proposition, een andere Australische western over de gruwelijkheden die kunnen gebeuren als iemand het recht in eigen hand neemt.

Sweet Country

De suspense is niet in de laatste plaats te danken aan de zorgvuldige geluidloze flashbacks en flashforwards die elk karakter een eigen tragiek lijken te geven. De spanning wordt nog meer opgevoerd door de meeslepende zooms op de stoïcijnse gezichten die de hardheid van dit leven verraden. Het onderliggende determinisme wordt verder onderstreept door een breed scala aan karakters, die als een mozaïekstuk het scenario in elkaar laten vallen.

Karikaturen, geen karakters
Helaas kan de geraffineerde regie niet volledig het basale verhaal verbloemen. Het basale zit niet zozeer in het basisgegeven van de man op de vlucht noch in de enigszins voorspelbare hoofdstukken, als wel in de typering van de karakters. Het merendeel van het ensemble dat tegen elkaar wordt uitgespeeld komt al snel karikaturaal over. Elk persoon lijkt ofwel aan de goede kant te staan, ofwel aan de slechte kant van het institutionele racisme.

Deze simplistische goed-kwaadverhouding doet echter afbreuk aan het kritische gehalte van de film. Het zou interessanter zijn geweest om te zien hoe een ieder omgaat met een onrechtvaardig systeem, in plaats van hen elk stellig partij te laten kiezen. De interne strubbelingen van de racistische rancher Kennedy, die worstelt met vaderlijke gevoelens voor zijn halfbloed slavenzoon Philomac en de jongen zelf, die een keuze moet maken tussen beide bevolkingsgroepen, lijken meer te bieden. Toch is dit een gemiste kans, omdat deze verhaallijnen summier worden aangestipt.

De prachtige setting, het karakteristieke fraaie landschap en de meeslepende suspense van Sweet Country vallen in het niet omdat het onderliggende verhaal te bekend aanvoelt en weinig nuance kent.
 

11 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Shape of Water, The

****

recensie The Shape of Water

De vondeling en de watergod

door Alfred Bos

Guillermo Del Toro’s sprookje voor volwassenen staat bol van kritiek op een denkwijze die moreel failliet is. De film vangt de tijdgeest van nostalgie en identiteitspolitiek in een fraai vormgegeven romantisch drama met thrillerelementen.

Protocol versus fantasie, bureaucratie versus open geest. The Shape of Water, de nieuwe film van Guillermo del Toro, is een sprookje en laat zich, zoals ieder sprookje, op meerdere manieren verstaan. Aan de buitenkant is het een variant op het van oorsprong Franse volksverhaal Belle en het Beest, voor de goede verstaander ritselt de film van hints en verwijzingen. Naar de filmgeschiedenis, naar Hollywood, naar de Oscar-filmprijs, naar het Amerika van nu. Die extra laag zit het plezier in de vertelling en de visuele flair van de film geenszins in de weg.

The Shape of Water

The Shape of Water speelt in een denkbeeldig Amerika tijdens de Koude Oorlog. In een zwaar beveiligd onderzoeksinstituut bestuderen mannen in witte jassen een exotische levensvorm, een amfibieman (Doug Jones). Het hoofd van de beveiliging, Richard Strickland (Michael Shannon), is een dogmatische technocraat met sadistische trekjes. Hij zuigt op suikergoed en zwaait met zijn elektrische veestok.

De stomme Elisa Esposito (Sally Hawkins, Oscar-nominatie beste bijrol voor haar Ginger in Woody Allens Blue Jasmine) werkt als poetsvrouw op het instituut. Ze woont met haar buurman Giles (Richard Jenkins), een illustrator die door zijn geaardheid zijn baan heeft verloren, boven een bioscoop. Elisa communiceert met haar kletszieke collega-schoonmaakster Zelda (Octavia Spencer, onlangs nog te zien in Hidden Figures) via gebarentaal. Dan is er ook nog een Russische spion, de wetenschapper Hoffstetler (Michael Stuhlbarg, de vader uit Call Me by Your Name).

Gedoemde liefde
Eliza, een vondeling, leeft met buurman in een fantasiewereld. Giles’ appartement boven de bioscoop is een tijdcapsule waarin jaren dertig en veertig musicals en muziekfilms – alle uit de catalogus van Fox, de producent van The Shape of Water, dus gratis hergebruikt – een cocon van affectie rond de twee buitenstaanders spinnen. Die bioscoop heet Orpheum, een directe verwijzing naar Jean Cocteau, de regisseur van het surrealistische meesterwerk Orphée die in 1946 als eerste La belle et la bête verfilmde.

In Orpheum draaien hervertoningen van The Story of Ruth en Mardi Gras, films uit respectievelijk 1960 en 1958, dus The Shape of Water moet ergens begin jaren zestig zijn gesitueerd; op de radio horen we nieuws over de beruchte Cubaanse raketcrisis van oktober 1962. Het zijn films over niet bij elkaar passende koppels en gedoemde liefdes. Dat voorspelt weinig goeds voor de verstoten dochter en het exotische waterwezen, die in elkaar zichzelf herkennen.

Die meerman, het water-equivalent van een alien, is zowel qua aard en achtergrondverhaal geënt op het monster uit de jaren vijftig scifi-B-film-klassieker Creature from the Black Lagoon van regisseur Jack Arnold, de man die ook The Incredible Shrinking Man maakte. Een eigentijdse remake daarvan draait op dit moment in de bioscoop onder de titel Downsizing. Ook de soundtrack van The Shape of Water is een en al nostalgie: Glen Miller, Carmen Miranda met Chica Chica Boom Chic, Serge Gainsbourgs La Javanaise.

The Shape of Water

Dubbele moraal
Del Toro geeft het ‘monster’ helende gaven, het is in feite een god. Dat heeft deze amfibieman gemeen met Swamp Thing van stripauteur Alan Moore: hij staat voor natuur. Diens opponent Strickland verpersoonlijkt het militair-industrieel complex, de paranoia van de in protocollen denkende machtsstructuren. Alles wat niet blank, man en macho is, dus minderheden als vrouwen (en zeker stomme vrouwen), homo’s, joden, negers (in 1962 geen besmet woord) en creatieve bohemiens, kan rekenen op zijn minachting. Fraaie scène: Hoffstetler kan niet zo maar Stricklands kantoor binnenlopen. Eerst kloppen, wachten op toestemming en dan de deur openen. Zo doen we dat: protocol.

Er is niet zo heel veel fantasie voor nodig om in dat dogma van het protocol en die minachting voor alles wat niet mannelijk-WASP is commentaar op de samenstelling en werkwijze van de Academy of Motion Picture Arts and Sciences te zien, de organisatie die jaarlijks de Oscar filmprijzen toekent. Maar het is ook kritiek van de in Mexico geboren regisseur op een mentaliteit en een dubbele moraal. “Fatsoen is een exportproduct, Amerikanen gebruiken het zelf niet,” zegt een van de filmpersonages.

The Shape of Water is een schitterend vormgegeven sprookje voor volwassenen dat kan wedijveren met de kinderfilms van Steven Spielberg. De rolbezetting is tot in de bijrollen precies raak en Sally Hawkins speelt de sterren van het doek. Het is een pastiche van allerhande uiteenlopende genres: romantiek gepeperd met elementen uit thriller, horror en musical. De film zit vol verwijzingen waar film-nerds van likkebaarden. Het is, zonder dat niveau te evenaren, Del Toro’s beste film sinds Pan’s Labyrinth, zijn vorige film over een vrouw en een goedaardige demon. Cocteau zou tevreden zijn geweest.
 

13 februari 2018

 
MEER RECENSIES

White Sun

****

recensie White Sun

Afkeer van het oude, angst voor het nieuwe

door Cor Oliemeulen

In een bergdorpje in Nepal borrelen politieke, sociale en persoonlijke conflicten naar de oppervlakte nadat de dorpsvoorzitter overlijdt en diens verloren zoon tegen zijn zin terugkeert om zijn vader de laatste eer te bewijzen. White Sun zet op een subtiele en krachtige wijze traditie tegenover modern.

In zijn tweede speelfilm kijkt Deepak Rauniyar, die opgroeide tijdens de burgeroorlog tussen de royalistische regering van Nepal en de revolutionaire maoïsten, door de ogen van drie generaties. De voorname ouderen van het dorp zweren bij de traditionele waarden en normen, het daaropvolgende geslacht is verdeeld over de nieuwe politieke en sociale verhoudingen, terwijl de kinderen, onbevooroordeeld, het beste van de toekomst lijken te willen maken.

White Sun

Nieuwe tijden
We schrijven 2015, tien jaar na de burgeroorlog, waarin de communistische partij de ondemocratische monarchie wilde omwerpen ten faveure van een republiek. Zonder overheersende landeigenaren, kastestelsel en met gelijke rechten voor iedereen. Er vielen meer dan zesduizend doden en Nepal veranderde in een seculiere republiek, ofschoon het centrale gezag fragiel is en het hindoeïsme de belangrijkste godsdienst bleef. Na een lange onzekere periode, en recent nog twee verwoestende aardbevingen, likken veel Nepalezen de wonden. Het leven in ons afgelegen bergdorpje is nauwelijks veranderd. Op de transistorradio volgt men bijna terloops het nieuws over de op handen zijnde afkondiging van de nieuwe grondwet.

Symbolisch genoeg sterft op dat moment de dorpsvoorzitter, die zijn hele leven de koning trouw was gebleven. Zijn dode lichaam geldt als metafoor voor de monarchie die na de burgeroorlog omver is geworpen. Het stoffelijk overschot dient volgens de traditie uit huis te worden gedragen, dat wil zeggen in dit geval via het dakraam en niet via de deur. Vrouwen, ook familieleden, mogen het lichaam niet beroeren, want dat is onrein. Het gestuntel met het lijk is een voorbeeld van eeuwenlange gebruiken en toont tegelijkertijd de absurditeit ervan.

Broedertwist
Na de komst van Chandra, de zoon van de overleden dorpsvoorzitter, ontstaan er spanningen. Chandra is niet geliefd, omdat hij de gemeenschap destijds verliet om te vechten tegen de monarchie, maar nu moet hij terugkeren voor het afscheid van zijn vader. Zijn ex-vrouw Durga (gespeeld door de vrouw van de regisseur, Asha Magrati) staat wel open voor verandering. Zij wil dat haar dochtertje Pooja naar school kan, maar dan heeft ze wel de handtekening van een vader nodig. Pooja denkt dat Chandra haar vader is en raakt wat van slag als zij ziet dat Chandra bij zijn arriveren haar leeftijdsgenootje Badri aan zijn zijde heeft. En dan is er nog Suraj, Chandra’s enige broer, die in de burgeroorlog de andere kant koos.

White Sun

Tijdens de processie komt het tot een conflict tussen de twee broers. In het begin kun je er nog de humor van inzien, maar dan wordt het bittere ernst. Met hun overleden vader op de schouders wringen zij zich op blote voeten vermoeid en behoedzaam in allerlei bochten op het kronkelige bergpaadje naar beneden, waarbij hun politieke discussie uitmondt in een persoonlijke ruzie. Suraj loopt boos weg en laat het gezelschap verbouwereerd achter. Het is aan Chandra om hem terug te halen of een andere sterke man te zoeken om het stoffelijk overschot mee naar de rivieroever te dragen.

Die zoektocht leidt tot verdere aanvaringen met zijn verleden. Zo heeft de politie weinig trek om deze oproerkraaier te helpen en heeft een oud-medestrijder, die zich in de politiek heeft opgewerkt en zich tegenwoordig per helikopter laat vervoeren, helaas geen tijd voor Chandra’s acute probleem. Het sterkste fragment van White Sun (de titel verwijst naar de witte zon op de Nepalese vlag) is de aangrijpende confrontatie met het weesjongetje Badr die Chandra verantwoordelijk houdt voor de dood van zijn ouders. En waar de volwassenen blijven hangen in naoorlogse sentimenten, geven de kinderen het goede voorbeeld hoe je conflicten kunt oplossen.
 

20 oktober 2017

 

Interview met regisseur Deepak Rauniyar

 
MEER RECENSIES

Tschick

***

recensie Tschick

Brave roadmovie voor de jeugd

door Cor Oliemeulen

De veertienjarige Tschick is een opvallende verschijning die in no-time het leven van de onopvallende Maik ondersteboven zet. In een gestolen auto gaat het duo op weg naar het onbekende. Prima jeugdfilm van Fatih Akin die ditmaal te weinig buiten de lijntjes kleurt.

De Duits-Turkse regisseur Fatih Akin liet in 2004 een verpletterende indruk achter met Gegen die Wand: het verhaal van twee misfits die een schijnhuwelijk aangaan en later verliefd op elkaar worden. Drie jaar later verscheen het eveneens prachtige drama Auf der anderen Seite waarin een Turkse man in Istanboel op zoek gaat naar de voormalige vriendin van zijn vader. Bijna alle films van Akin kennen multiculturele verhalen met thema’s als identiteit en vriendschap. Zo ook zijn achtste rolprent Tschick.

Tschick

Bestseller
Voor het eerst schreef de regisseur de plot niet zelf, want de film is een adaptatie van de gelijknamige bestseller van Wolfgang Herrndorf die in Duitsland twee miljoen keer over de toonbank ging. Ook nieuw is de doelgroep: Tschick richt zich net als het boek vooral op de jeugd. Liefdevol en vakkundig gemaakt, zal Tschick in Duitsland ongetwijfeld een grote kaskraker worden vanwege de typisch Duitse ‘humor’ en de lokale culturele gebruiken. Daarbuiten zullen weinigen wakker liggen van deze onvervalste roadmovie, maar zich eenvoudig herkennen in de universele thema’s.

We beleven de gebeurtenissen door de ogen van de veertienjarige Maik (Tristan Göbel). Hij is een buitenbeentje op school en zijn klasgenoten noemen hem Psycho. Maik maakt moeilijk contact, houdt van alternatieve rock, kleedt zich niet populair en is heimelijk verliefd op Tatjana (Aniya Wendel). Hij heeft een goede band met zijn grappige, sexy moeder (Anja Schneider), die verslaafd aan wodka is. Zijn vader (Uwe Bohm) zit goed in het onroerend goed en blijkt een klootzak. Maiks saaie leventje verandert als een nieuwe klasgenoot zich aandient: Tschick (Anand Batbileg), zoon van een Russische immigrant, die onaangepastheid tot kunst heeft verheven.

Tschick

Wezenlijke thema’s
Bij het aanbreken van de zomervakantie gaat moeder naar een ‘beauty farm’ (afkickkliniek) en vader op ‘zakenreis’ (op vakantie met een jonge vrouw). Maik alleen achterlaten met een paar honderd euro is vragen om moeilijkheden. Tschick heeft een oude Lada gejat en sleept Maik mee naar het feestje van Tatjana waarvoor zij allebei niet zijn uitgenodigd. Hun opzienbarende entree vormt het begin van een reeks avonturen. Met de melige ‘Ballade pour Adeline’ van Richard Clayderman op een cassettebandje verlaat het duo Berlijn, op weg naar het oosten. Een dollemansrit door een maisveld, een achtervolging van een boze boer op een tractor en een confrontatie met een politieman op een fiets in een gehucht waar het duo eerder was aangeschoven aan de eettafel van een plattelandsgezin, mondt uit in een ontmoeting met het al even onaangepaste, mysterieuze meisje Isa (Mercedes Müller).

Sommige locaties zijn adembenemend en het acteren is geloofwaardig, maar Tschick blijft over het algemeen op de vlakte en een tikkeltje te braaf. Alleen het liedje op de soundtrack ‘Hurra, dieses Welt geht unter’ contrasteert slechts heel even alle stoute vrolijkheid in deze ‘mooiste zomer ooit’, maar het ontbreekt de film aan een conflict of een echte verrassing. Blijft over een goed verteld jeugdverhaal – met thema’s als identiteit, vriendschap en homoseksualiteit – dat zeker onderhoudend is. Ook voor volwassenen.
 

8 oktober 2017

 
MEER RECENSIES

Vazante

****

recensie Vazante

Het lot van een slavendrijver

door Cor Oliemeulen

Als je zowel geschiedenis als cinema hebt gestudeerd, ligt het maken van een historisch drama al snel op de loer. Vazante is een sfeervol en treffend verhaal over een bepalende periode uit de Braziliaanse geschiedenis met vergaande gevolgen.

Daniela Thomas is tien jaar bezig geweest met schrijven en produceren voordat haar persoonlijke kijk op de Braziliaanse geschiedenis een feit was. Zij liet zich uiteindelijk inspireren door een verhaal dat haar vader ooit vertelde. Diens 45-jarige oud-oudoom trouwde met een 12-jarig meisje, maar moest drie jaar wachten totdat zij menstrueerde en vruchtbaar was. Steeds als hij terugkwam van zijn vele reizen bracht hij poppen voor haar mee. In haar eerste soloregie, het historische drama Vazante, plaatst de Braziliaanse filmmaakster dit gegeven in de vroege negentiende eeuw van haar geboorteland waar slavenhandel een onuitwisbare stempel op de latere geschiedenis zou drukken.

Vazante

Authentieke atmosfeer
Vazante moet het niet zozeer hebben van de dialogen, maar vooral van het dramatische plot, ondersteund door de rijke atmosfeer. Door de aankleding en het grote oog voor detail waan je je snel in die tijd, kort voor de onafhankelijkheid, in een uithoek van Brazilië. António (Adriano Carvalho) is daar eigenaar van een landgoed dat zijn beste tijd heeft gehad en houdt zich bezig met de handel van slaven en runderen. Wanneer hij na een handelsmissie weer eens thuiskomt, blijkt zojuist zijn vrouw tijdens de bevalling te zijn overleden. Ook het kind is dood.

Na een korte rouwperiode trouwt hij met Beatriz (Luana Nastas), het 12-jarige nichtje van zijn overleden vrouw, zodat hij zijn dynastie levend kan houden. Maar net als de oud-oudoom van regisseur Thomas moet António geduld hebben voordat hij voor nageslacht kan zorgen. Gelukkig spaart hij haar als hij seks wil, want die haalt hij gewoon bij de zwarte slavin Feliciana. Terwijl António regelmatig nieuwe koopwaar gaat halen, vindt Beatriz aansluiting en vriendschap bij enkele kinderen van de slaven, die op het landgoed werken, gadegeslagen door de immer zwijgzame moeder van António.

Vazante

Rassenmenging
De film valt vooral op door de schitterende zwart-witfotografie: de wildernis, overweldigende wolkenluchten en het gezapige leven van alledag. Ook aan het sound design is veel aandacht besteed: de geketende slaven en de muildieren met koebellen hoor je al van verre aankomen en eenmaal dichtbij zakken de uitgeputte voeten en hoeven diep in de zompige modder. Om hen heen kwetterende vogels, zoemende insecten en soms de gesel van wind en regen.

Het tempo van Vazante ligt niet al te hoog. Daniela Thomas neemt uitgebreid de tijd om onthechting en eenzaamheid uit te beelden. De botsing van culturen en het gebrek aan communicatie tussen mensen: wit, zwart, gemengd, is weliswaar van alle tijden, maar vooral schrijnend in deze contreien waar bijna iedereen uit de eigen habitat is weggerukt. De regisseur, die afstamt van zowel zwarte Afrikanen als Portugese kolonisten, weet deze relevante geschiedenis van haar land in krap twee uur met enkele ferme lijnen neer te zetten, uitmondend in een finale die je niet snel ziet aankomen.

 

24 september 2017

 

Interview met regisseur Daniela Thomas
 
 
MEER RECENSIES

Valerian and the City of a Thousand Planets

*****

recensie Valerian and the City of a Thousand Planets

Luc Besson herijkt de acid sciencefictionfilm

door Alfred Bos

Verbluffend ruimtesprookje van Luc Besson, die zich met verve revancheert voor het matte Lucy. Een psychedelische trip door een denkbeeldige wereld waarin de fantasie geen grenzen lijkt te kennen.

Als je zelf minzaam van aard bent en iedere dag opstaat in een paradijs van schoonheid en overvloed, zijn er altijd nog anderen die het voor jou verpesten. Het overkomt de Pearls, de superslanke en boomlange bewoners – denk aan albino Masaï of een gebleekte variant van smurfblauwe Na’vi uit Avatar – van de planeet Mül. Dat is één groot subtropisch strand bezaaid met spectaculair getekende reuzenschelpen. Tot de apocalyps letterlijk uit de hemel komt vallen: Mül is ‘zijdelingse schade’ in een galactisch conflict.

Valerian and the City of a Thousand Planets

Twintig jaar na The Fifth Element komt de Franse regisseur Luc Besson opnieuw met een knotsgek, fantasierijk en visueel overladen sciencefictionepos, ditmaal in 3D. Net als zijn vermakelijke The Extraordinary Adventures of Adèle Blanc-Sec (2010) is dat de live-action verfilming van een populair Frans stripboek. De stripheld Valerian kennen we in Nederland als Ravian, die vanaf eind jaren zestig met zijn co-piloot (en love interest) Laureline een reeks surrealistische ruimteavonturen heeft beleefd.

Valerian and the City of a Thousand Planets is gebaseerd op aflevering 7, De ambassadeur der schaduwen uit 1975, dat draait rond een exotisch beestje, de ‘brommpt’, een soort egel die via zijn maagdarmkanaal objecten kan vermenigvuldigen. Hij is inheems op Mül en de bron van de weelde van de Pearls. Ze voeren de brommpt een parel, die vervolgens honderden parels uitpoept. Dat doet-ie spinnend van genoegen. Tot een burenruzie uit de hand loopt. Weg planeet, weg brommpt. Of toch niet?

Consumentisme gehekeld
En dat zijn nog maar de eerste 25 minuten van de 137 die Valerian and the City of a Thousand Planets telt en qua verbeelding en ideeënrijkdom doen de 112 die nog volgen geen spat onder voor de fontein van originele vondsten uit de introductie. Die weer vooraf wordt gegaan door een pre-introductie, waarin Alpha, de stad van de duizend planeten uit de filmtitel, een interplanetaire kunstmaan blijkt waar Bob Marley en de Bee Gees in de digitale jukebox zitten.

Onder de klanken van David Bowie’s Space Oddity zien we de Amerikaanse Apollo 18 in 1975 koppelen aan de Russische Sojoez 19 en daaruit groeit in de loop van decennia en eeuwen een vrij zwevende ruimtestad waarin aliens uit alle hoeken van de kosmos vreedzaam samenleven. Er is een cameo voor Rutger Hauer als president van de World State Federation.

Valerian and the City of a Thousand Planets

Maar in de achtentwintigste eeuw is er onrust op de kolossale kunstmaan en die is gerelateerd aan het verdwijnen van planeet Mül, maar daar komen Valerian (Dane DeHaan, binnenkort ook als Gouden Eeuwse Amsterdammer te zien in Tulip Fever) en Laureline (het Britse fotomodel Cara Delevingne, voor Tulip Fever opnieuw gekoppeld aan DeHaan) pas gaandeweg achter. Eerst moeten ze met hun schip Astronef voor een geheime missie naar planeet Kyrian om een illegale transactie te saboteren.

Die actiescène grijpt Besson aan om het ongebreidelde consumentisme te hekelen, want Kyrian is een woestijnplaneet waar toeristen zich in virtual reality op een immense bazaar, de Big Market, te buiten gaan aan koopdrift. Om zijn Chinese co-producent niet voor het hoofd te stoten laat de regisseur de virtuele shopping mall (Ali Baba is de Chinese Amazon) managen door een Arabier. De technologie is verbazend: een apparaat waarmee je onzichtbaar in de virtuele werkelijkheid bent. De actie bloedstollend. En de ironie fijntjes.

Boordevol detail
En dan eindelijk, na een uur of daaromtrent, begint de plot zich uit te kristalliseren, maar dan hapt de kijker al een tijdje naar adem, overdonderd als hij is door deze roetsjbaan van ideeën en visuele panache. En het houdt niet op. In de stad van de duizend planeten moet opperbevelhebber Arun Filitt (Clive Owen) een terroristische aanslag onderzoeken, zadelt de defensieminister (Herbie Hancock) onze held en heldin wederom op met een speciale opdracht en speelt Rihanna, als de variété-artieste Bubble en lijfeigene van de gestoorde pooier Jolly (Ethan Hawke), een sleutelrol in de ontknoping. Voor de komische noot zorgt een alien ras van dommekrachten.

Valerian and the City of a Thousand Planets

Zoals de western zijn acid variant heeft, zo is Valerian and the City of a Thousand Planets acid sciencefiction, een psychedelische trip door de verbeeldingsrijke breinen van striptekenaar Jean-Claude Mézières, stripscenarist Pierre Christin en filmregisseur/scenarist Luc Besson. De film is eerder Barbarella dan Star Wars (dat de strip tot voorbeeld had), verwant aan de droomwerelden van Jodorowsky (The Holy Mountain), Enki Bilal (Immortel) en Moebius (De Incal). Mochten de personages van Valerian en Laureline schetsmatig overkomen – en dat doen ze, het zijn immers striphelden  – dan wordt dat bezwaar weggeblazen door de eindeloze reeks vondsten waarmee de op zich niet bijster originele intrige wordt verteld.

Zo telt de Big Market-episode meer ideeën dan de Wachowski-broers/zussen de afgelopen achttien jaar samen hebben gehad en is de visualisering van dit denkbeeldige universum overrompelend; hij slaat het in visueel opzicht toch echt niet kinderachtige Ghost in the Shell met straatlengtes. Het enige bezwaar wat je tegen dit ruimtesprookje zou kunnen inbrengen is dat de film dankzij de 3D-techniek en de computeranimaties zo boordevol details zit, dat je ogen te kort komt en na afloop uitgeput in de bioscoopstoel hangt. Intens voldaan, dat weer wel.
 

25 juli 2017

 
MEER RECENSIES

Gold

**

recensie Gold

Moeizame zoektocht naar goud

door Nanda Aris

Gebaseerd op het waargebeurde Bre-X schandaal, speelt Matthew McConaughey in zijn nieuwste film een ware gold digger, voor wie we minder sympathie voelen dan waarschijnlijk gehoopt.

Het is niet voor het eerst dat Matthew McConaughey als een ware avonturier op zoek gaat naar een schat; dit deed hij eerder in Sahara (2005) en Fool’s Gold (2008). En waar hij voor zijn met Oscar bekroonde rol in Dallas Buyers Club (2013) zo’n twintig kilo afviel, kwam hij voor deze rol zo’n twintig kilo aan. Alleen al daarvoor is het werkelijk zonde dat de film de verwachtingen niet waar kan maken.

Gold

Goud
Jaren nadat Kenny Wells (McConaughey) het bedrijf Washoe Mining van zijn overleden vader overneemt, zit hij nagenoeg aan de grond. Hij is bij z’n vriendin Kay (een leuke rol van Bryce Dallas Howard) ingetrokken, als hij op een nacht droomt van gouden bergen in Indonesië. Het visioen van Wells komt, waarschijnlijk onbedoeld door de makers, als hebzuchtig over. Jungle wordt gekapt, en arme Indonesiërs ploeteren als robots achter elkaar aan in de goudmijn. Het maakt pijnlijk duidelijk hoe achteloos westerse bedrijven kunnen handelen.

Ring of fire
Wells betaalt met het horloge dat hij ooit aan Kay gaf, zijn ticket naar Indonesië, waar hij geoloog Michael Acosta (Edgar Ramírez) ontmoet. Acosta ontdekte de ‘ring of fire’, een veelbelovend gebied voor goudzoekers in Indonesië. Maar waar investeerders eens zo enthousiast waren, werd er later geloofd dat deze ‘ring of fire’ niet zou bestaan. Wells gelooft Acosta echter wel, door het visioen dat hij had. Samen besluiten ze ervoor te gaan, en waar Acosta het veldwerk coördineert, gaat Wells op zoek naar het geld van investeerders.

De twee mannen zijn elkaars tegenpolen: Wells een zwaar rokende en drinkende ritselaar, Acosta de rust zelve. Beide voelen lichtelijk gekunsteld aan, en hieruit blijkt meer weer eens hoe belangrijk een schrijver en regisseur zijn. Want waar McConaughey voor zijn excentrieke rol in Dallas Buyers Club een Oscar won, kan hij nu met zijn acteren de film niet naar een hoger niveau tillen. De scheidslijn tussen excentriek en over the top is dun.

Gold

Tijger
Over the top bereikt z’n hoogtepunt wanneer Wells en Acosta besluiten vriendschap te sluiten met de zoon van de president van Indonesië. De president heeft de vergunningen van Wells en Acosta ingetrokken, nadat de eerste monsters veel goud beloven. De grote mijnbazen mengen zich erin en fluisteren de president in om de vergunningen in te trekken. De zoon staat niet op goede voet met zijn vader, en dat is waar Wells en Acosta hun kans ruiken. Met het aaien van de tijger, en het daarmee bevestigen van de verdeling van de buit, lijkt de film verworden tot een slechte B-film.

Pikhouweel
Gelukkig kent de film ook een paar aardige scènes, zoals wanneer Kenny zijn geluk wil vieren met Kay en de hotelkamer vol geplaatst heeft met gele rozen, en zelf met een roos in z’n mond op bed ligt. McConaughey z’n voorkomen – dikke buik, witte openstaande badjas, en plofferige witte onderbroek – zou een gniffel op kunnen leveren. En de toespraak die Wells geeft nadat bekend wordt dat hij het gouden pikhouweel wint, kent prachtige woorden. Ze missen alleen de kracht om echt aan te komen.
 

11 maart 2017

 
MEER RECENSIES

Silence

****

recensie Silence

Mens vraagt, God zwijgt

door Alfred Bos

Martin Scorseses langverwachte film over twee jonge Portugese missionarissen die in het Japan van de zeventiende eeuw op zoek gaan naar hun verdwenen mentor. Hun geloof wordt tot het uiterste beproefd.

Als tiener wilde Martin Scorsese priester worden, maar de liefde voor de cinema won het van de liefde voor God. Maar oude liefde roest niet en Silence is Scorseses derde speelfilm – na The Last Temptation of Christ (1988) en Kundun (1997) – waarin geloof, en de beproeving van geloof, expliciet de hoofdrol speelt. De film is gesitueerd in het feodale Japan van de eerste helft van de zeventiende eeuw. Daar worden christenen, na decennia lang te zijn getolereerd, door de zittende shogun met harde hand vervolgd.

De openingsscène zet de toon. In een desolaat oord met hete bronnen kunnen christelijke westerlingen kiezen: hun geloof afzweren of aan het kruis gruwelijk worden doodgemarteld. De hete bronnen worden daartoe vernuftig aangewend, zoals later in de film zal blijken dat men in het Japan van toen geraffineerde methoden had ontwikkeld om mensen zo traag mogelijk naar een andere wereld te helpen. Als ze daar het geduld voor hadden, ten minste.

Silence

De achtergrond die Scorsese gebruikt voor het verhaal van twee Portugese priesters – Sebastiao Rodrigues en Francisco Garupe, gespeeld door Andrew Garfield en Adam Driver – en hun zoektocht naar de verdwenen vader Ferreira, is authentiek, evenals de Japanse marteltechnieken. Ook de filosofische twistgesprekken tussen christenen uit het westen en Japanners, aanhangers van het Shinto-geloof (een soort voorouderverering), worden gestaafd door historische bronnen. De film is gebaseerd op de gelijknamige roman van de Japanse auteur Shûsaku Endô.

Hoogmoed
De onzekerheid over het lot van Ferreira heeft de verdwenen missionaris een mythische status gegeven en Scorsese gebruikt de zoektocht van Rodrigues en Garupe als suspense-element in een film die nadrukkelijk over geloof gaat, of eigenlijk: de kwaliteit van het geloof. De discussies tussen ‘west’ (Portugese christenen) en ‘oost’ (Japanners die shinto of de Japanse variant van het boeddhisme aanhangen) vormen het hart van de film. De Japanners fileren de naastenliefde van de christenen als hoogmoed; het is hypocriet, een vorm van eigendunk.

De Japanse sloeber Mokichi (Yôsuke Kubozuka), die Rodrigues en Garupe als gids helpt Japan binnen te smokkelen, fungeert als las tussen ‘west’ en ‘oost’. Ook in spirituele zin, want hij kan niet kiezen tussen christendom en boeddhisme. Hij wil christen zijn, maar verloochent onder druk niet alleen zijn geloof, maar ook zijn familie. En zijn vrienden: hij is de Judas van het verhaal, zoals Rodrigues met zijn baard en allengs langer wordende manen meer en meer een Christusfiguur wordt. Het wachten is op de haan die drie keer kraait.

Er is nog een andere tussenpositie mogelijk, Silence snijdt ook de tegenstelling geloof-wetenschap aan. Vader Ferreira (Liam Neeson) duikt op in de slotakte, maar hij is niet meer de persoon die de jonge jezuïeten zochten. Ferreira is hun vaderfiguur, God in feite, maar hij blijkt getransformeerd tot mens. Hij vertegenwoordigt het moderne standpunt, dat van de rede. Hij heeft gekozen voor kennis en wetenschap, en stelt dat je je niet moet bemoeien met de geest van een ander. ‘Er is zoveel te delen.’ Horen we daar Scorsese?

Silence

Feest voor het oog
Silence
is geen film voor de fans van Scorseses holdedebolder-portretten van vrijgevochten individuen, denk aan The Wolf of Wall Street, Casino of Goodfellas. Het is wel, maar op een andere manier, een film over het thema dat als een rode draad door het oeuvre van de Amerikaanse regisseur loopt: individualiteit versus morele keuzes. Als een typisch Scorsese-werkstuk is Silence niet ijdel over de irrationele kanten van de menselijke natuur. Maar voor naastenliefde en begrip heeft hij geen God nodig. Die zwijgt met oorverdovende stilte in deze film over geloofsbeproeving.

Met zijn authentieke vormgeving en panoramashots van het spectaculaire Japanse landschap is dit in de geschiedenis wortelende verhaal een feest voor het oog, mits de kijker over een sterke maag beschikt en niet wars is van filosofische terzijdes. De rolbezetting met een aantal Japanse karakteracteurs – waaronder Issei Ogata als inquisiteur Inoue – is raak en de film realiseert met een traditionele aanpak, inclusief verschillende voice-overs, wat Terrence Malick via avant-garde methodes doet: hij maakt film van filosofie.

Silence duurt met twee uur en 41 minuten net even te lang en dat is jammer, want je voelt de urgentie van de regisseur die zijn punt evenwel al ruim voor de aftiteling overtuigend heeft gemaakt. Hij laat The Temptation of Christ en Kundun ver achter zich.
 

7 februari 2017

 
MEER RECENSIES

Assassin’s Creed

***

recensie Assassin’s Creed

The Da Vinci Code op LSD

door Alfred Bos

In deze gamesverfilming staan de Tempeliers tegenover de Assassins in het Spanje van 1492. Interessante regisseur, interessante rolbezetting (Michael Fassbender, Marion Cotillard, Jeremy Irons, Charlotte Rampling), interessante marketing. Interessante film?

De eeuwige strijd tussen goed en kwaad is het drijfgas achter menig mythisch verhaal, van Homerus’ Ilias tot Lord of the Rings. De eigentijdse variant van dat oerthema gaat vermomd als clash tussen ratio en emotie. In Assassin’s Creed, de verfilming van een populaire action adventure game, staan verstand en gevoel tegenover elkaar in de vorm van strikte regels en vrije wil. De Tempeliers streven met harde hand orde na, de Assassins zijn verdedigers van de vrije geest en anarchistische moordenaars. Ze staan elkaar naar het leven. Klinkt bekend?

Assassin’s Creed

Assassin’s Creed is een Europese productie met een blockbuster-budget die de competitie aangaat met de superhelden- en actiethriller-franchises waarmee Hollywood wereldwijd de schermen – maar niet altijd de zalen – van megaplexes vult. Het is tevens de eerste Nederlandse release voor de Australische regisseur Justin Kurzel, wiens adembenemende debuut Snowtown (naar het waar gebeurde verhaal van een groep zwakbegaafde seriemoordenaars) en zijn overtuigende Shakespeare-verfilming Macbeth hier niet te zien waren.

Genetische herinneringen
In die laatste film speelt Michael Fassbender de hoofdrol en als co-producent van Assassin’s Creed is het aan hem te danken dat Kurzel kon werken met een budget dat zo’n tien keer groter is dan dat van zijn eerste twee films bij elkaar. Daarvoor hoefde de regisseur ook aanzienlijk minder te doen, want deze gameverfilming bestaat voornamelijk uit computereffecten. Niet iets om je voor te schamen, want Duncan Jones (Moon, Source Code) ging hem het afgelopen jaar voor met de (geflopte) gamesverfilming Warcraft: The Beginning.

Verwacht geen zinnig verhaal. Of liever: verwacht helemaal geen verhaal. Assassin’s Creed is voornamelijk vormgeving en actie, plus een batterij computereffecten, waarin ook wat personages rondlopen. De effecten zijn van het schimmige soort en dat letterlijk, want Cal Lynch (Michael Fassbender) is een nazaat van de laat-Middeleeuwse Assassin Aguilar de Nerha en wordt via een monsterlijk cyberapparaat – de Animus is een virtuele tijdmachine met machine-brein interface, yuk – door wetenschapper Sofia Rikkin (Marillon Cotillard) naar het Andalusië van 1492 terug getoverd. Dat wil zeggen, in zijn hoofd. De Animus activeert zijn ‘genetische herinneringen’.

Machtswellustig superintellect
Op het filmdoek dringt de bloederige wereld van toen zich als een geest in de hightech wereld van nu. Het oogt nog meer ‘computer’ dan de in dat opzicht bepaald niet ingetogen Doctor Strange. Maar het is in dienst van het verhaal – voor zover aanwezig – want in de hightech wereld van nu staan de tegenstrevers van 1492 elkaar opnieuw, of nog steeds, naar het leven. Iets met een fascistoïde kabal en gezworen vijanden. Jeremy Irons haalt als Alan Rikkin, vader van Sofia, zijn stockpersonage van machtswellustig superintellect (zie High-Rise) van stal.

Assassin’s Creed

Dat ‘verhaal’ is een postmoderne cocktail van historische gegevens en popcultuur. De Tempeliers waren een kerkorde die als kruisridders vochten tegen de muzelmannen; de Hashashin (assassins) een geheim middeleeuws genootschap uit de bergen van Afghanistan dat sluipmoord als politiek wapen inzette en wel eens een stickie rookte. In werkelijkheid hebben ze elkaar nooit ontmoet: de Tempeliers eindigden begin veertiende eeuw op de brandstapel en niet, zoals in de film, de Assassins, vervolgd door de Tempeliers. In het echt verbrandde de Spaanse Inquisitie, in 1478 in het leven geroepen, geloofstwijfelaars en heidenen.

Appel van Eden
Het jaar van de virtuele handeling, 1492, is tevens het jaar waarin Christoph Columbus de nieuwe wereld ‘ontdekte’ en verroest, dat speelt ook een rol in deze doorgerookte cocktail van feit en kolder. En ergens in deze koortsdroom worden de befaamde woorden van Oppenheimer, de vader van de atoombom, geciteerd: ‘Ik ben de brenger van de dood, de vernietiger van werelden’. O ja, er is ook nog een ‘appel van Eden’, de macguffin van deze narcotische hutspot. Die heeft niets met de kennis van goed en kwaad te maken, maar wat dan wel? Iets met vrije wil wellicht.

Kruis Ridley Scotts Kingdom of Heaven met George Millers Mad Max, voeg er een moot The Matrix aan toe, goed schudden met drie delen CGI en besprenkelen met snippers Wikipedia en presto, The Da Vinci Code on acid, alias Assassin’s Creed. Van Shakespeare naar games, voor Justin Kurzel moet het een surrealistische ervaring zijn geweest. Dat is het ook voor de kijker. Game over.
 

3 januari 2017

 
MEER RECENSIES