Ilyich’s Gate

*****
IFFR Unleashed – 1990: Ilyich’s Gate
Twintig zijn en opgroeien in de Sovjet-Unie

door Bob van der Sterre

Het leven van twintigers is niet zo makkelijk. In Mne dvadtsat let (I am Twenty, later Ilyich’s Gate) krijgen we dat in geuren en kleuren geschetst. Einde van de vrijblijvendheid, begin van ‘het serieuze leven’. Hoe blijf je jezelf?

We observeren het leven van drie vrienden: Sergej, een melancholicus; jonge vader Slava en versierder Nikolaj. Ook zijn er natuurlijk meisjes: Vera, de eigenwijze zus van Sergej; Ljoesja, partner van Slava en het meisje dat Sergej tegenkomt.

De flirt in de bus is groot. De blonde adonis Sergej staart naar de knappe Russische in een regenjas. Ze giechelt. Het is druk – Sergej moet het leuke meisje laten passeren. Als een echte heer, springt hij erachteraan en stalkt haar naar het nabijgelegen koffiebarretje, boekenstalletje, metro (Komsomolskaya) en haar huis. Waar hij zwaait. Later ontmoet hij haar (Anja) weer en hebben ze echt een gesprek: ‘Je zou een vrouw niet zo moeten achtervolgen, ik werd er bang van.’

Ilyich’s Gate

Het leven der twintigers
Ze leven het leven der twintigers: ‘Er is nog een halve fles over…’ ‘Is het feest nog steeds gaande?’ ‘Kom je de nacht doorbrengen?’ ‘Als je wilt.’ En op een vroege ochtend mijmeren ze: ‘Mannen en vrouwen, dat is de belangrijkste filosofische vraag.’

Bij het volwassen worden liggen depressies op de loer. Sergej – de hoofdrolspeler – krijgt ook last van de blues. Na zijn militaire tijd past hij zich aan als arbeider in een moderne fabriek. ‘Heb je geen spijt van al die verloren jaren?’ vraagt iemand hem. ‘Genoeg.’ Dezelfde vriend zegt zelf: ‘Elke morgen sta ik op, ga ik naar werk, koop ik sigaretten, eet, adem, ga naar de films en zie jullie. En dat is mijn leven. Ik kan het niet anders doen. Misschien is het een gewoonte? Ik wil mijn gewoonte niet veranderen.’

Sergej gaat met Anja op stap. In een museum ontmoeten ze een man. ‘Wie is dat?’ ‘Een vertaler. Die ook mijn echtgenoot is.’ Sergej wil weten welke mogelijkheden hun relatie heeft. Anja heeft daar moeite mee: ‘Ik ben geen harmonieus persoon.’ Een huis hebben, vindt ze niet zo belangrijk als hij. ‘De laatste tijd heb ik moeite met thuiskomen. Misschien komt omdat ik volwassen word.’ Haar vader schudt zijn hoofd: ‘Ik geloof niet in mensen die te jong al assertief zijn.’

Een rare geschiedenis
De hamvraag: wat doet een film uit begin jaren zestig bij de IFFR-films van 1990? Het is een rare geschiedenis. De film van Marlen Choetsijev begon al in 1960 met de productie via de Gorky Film Studio. Hij koos voor samenwerking met schrijver/dichter Gennady Shpalikov, die zelf pas 23 jaar was en dus goed kon aanvoelen in welke taal jongeren van die tijd spraken.

Partijleider Chroesjtsjov was geen fan van de films van Choetsijev (hij had er al twee gemaakt) en vond het maar een raar idee dat jongeren hun eigen leven konden leiden: ‘Iedereen weet dat zelfs dieren hun jongeren niet alleen laten.’

Dus greep de censor in en werd de film deels opnieuw gefilmd en flink ingekort (een derde ongeveer). De baas van Gorky Film Studio had wel eerder dit varkentje gewassen. Hij wist wat hij moest veranderen om de grote bazen te plezieren. Dus werd ook het einde – dat juist zo ongelooflijk mooi is maar waar Chroesjtsjov razend over werd – geofferd.

Rehabilitatie… vijfentwintig jaar later
In 1965 verscheen dan I am Twenty, de herziene versie van de film die in feite in 1962 al af was. Ironie: Chroesjtsjov werd afgezet in 1964. En deze versie won prompt de juryprijs bij het filmfestival van Venetië.

Fastforward naar perestrojka. In 1988 werd Ilyich’s Gate gerehabiliteerd. Choetsijev zag zijn kans schoon en maakte ook nog wat nieuwe edits. Die versie werd in 1990 naar Rotterdam gestuurd. In zekere zin duurde de productie van de film die je hier ziet dus dertig jaar.

Ilyich’s Gate

Beter laat dan nooit kun je zeggen… maar het niet verschijnen van Ilyich’s Gate betekende toch gederfde artistieke reputatie voor Choetsijev. Want het was een film die door zijn gedurfdheid wereldwijd succes en invloed had kunnen hebben. Later, ja, veel later, werd hij overladen met prijzen en onderscheidingen. Gebrek aan erkenning op het moment: een probleem waar wel meer Russische artistieke talenten mee te maken krijgen.

Toch jammer. Want ‘moreel ziek’, zoals Chroesjtsjov ze noemde, nou nee. Deze personages zijn niet rebels en verzetten zich niet echt. De film ontwapent eerder dan hij confronteert. Daarmee had de film het communisme eerder een goede zaak kunnen doen.

Warm en evenwichtig beeld van Moskou
De verbeterde Ilyich’s Gate duurt weliswaar bijna drie uur maar heeft zoveel variatie, zoveel tempo, zoveel beeld: knappe jongen die zich hierbij verveelt. (En dan heb ik het hier niet eens over het thema, de opvolging van generaties, dat voor het veelbesproken einde zorgt.) Geniet bijvoorbeeld van de warme en gevoelvolle filmstijl van cinematograaf Margareta Pilkhina. Spontaniteit met handheld camera’s wisselen strakke beelden in kaders af. Het close-upeffect wordt zeer met mate ingezet.

Ilyich’s Gate doet daardoor soms denken aan Godard (maar dan een Godard light), Alexander Kluge (Yesterday Girl) en zelfs een beetje Terrence Malick. Dat komt door de combinatie van experimentele montage en buitenbeelden. Een dialoog terwijl je alleen maar een camera in een park van links naar rechts ziet gaan. Beelden van de universiteit, voice-over van Sergej. Enzovoort.

Geen wonder: vanaf zijn eerste film (Vesna na Zarechnoy ulitse uit 1956) toonde Marlen Choetsijev al interesse in de nouvelle vague. Dat sloeg ook aan: die film trok 30 miljoen bezoekers. Choetsijev rijpte deze ‘Godard-light’-stijl met deze film en July Rain (1967), die als zijn twee meesterwerken worden gezien.

Soms is het zeer ingenieus gefilmd. Zoals de scène in de kantine waarbij Nikolaj twee gesprekken tegelijkertijd voert. Het feestje (let op de choreografie tijdens de discussie). Het ‘laten we zeggen waar het op staat’ gesprek op het bankje van de metro na een uur of twee is praktisch een korte film op zichzelf.

Fluïde montage
De film bevat soms, tot afgrijzen van Godard ongetwijfeld, ook een zeer prettige, fluïde montage. Iemand die van straat een huis binnenloopt, gaat zo snel dat je het bijna niet merkt. Snelle stukken met veel mensen en intieme stukken in huizen houden elkaar goed in evenwicht. Het heeft wat van een muzikale composities met adagio en lento. Ene moment een druk straatfeest, andere moment Sergej die ‘s nachts al rokend alleen over straat kuiert. Sfeervol shot in tram, seconde later een actie in een ijshockeywedstrijd.

Anders dan bij de Godards van de wereld domineert het experimentele niet. Een emotioneel evenwichtig verhaal over mensen is meestal het eerste dat sneuvelt bij de creatieve hemelbestormers. Dat had hier niet gekund. Drie uur experiment is simpelweg niet uit te houden. En het Sovjetsysteem had het niet toegelaten.

Ilyich’s Gate

Dwarsdoorsnede van Moskou
De film heeft ook historische waarde. De echte Russofiel geniet van dit beeld van de Russische maatschappij van de jaren zestig. Glazen op je lichaam als medicijn (vacuüm massage, nog steeds populair). Voordrachten van de gedichten en de hele zaal is geconcentreerd (deze scène duurde trouwens uren, de dichters waren beroemd, men liep te hoop bij dit theater). Overvolle woningen delen met familie. Een verwijzing naar het blad Ogonyok (dat afgelopen december na 100 jaar ter ziele ging). De barre Russische oorlogsgeschiedenis komt ook ineens bovendrijven als moeder voedselbonnen vindt.

En daarbij ook nog eens een liefdevol portret van Moskou van die tijd. Van Rode Plein tot theater, van high societyfeestjes tot fabrieken, van de tram tot het Poesjkin-museum, van nieuwskiosken tot metrostation, van een sloopmachine tot straatbarretje.

Niet alles is goud. Het minste punt zijn de schetsmatige karakters van Sergej (ook superarbeider) en Anja. Die held en eigenzinnige vrouw is een bekend stramien in Russische films (zoals de in deze film ook gememoreerde Girls). De ontmoeting tussen Katja en Nikolaj in de tram bevatte meer kansen voor iets oorspronkelijks.

Onbekende held
Wie was dan toch de man die hier zo indrukwekkend tekeer ging, de toch volledig onbekende Georgische regisseur Marlen Choetsijev, wiens film beroemder is dan hijzelf? Er is heel weinig over hem geschreven, hoewel er veel te vertellen is (hij was student van Boris Barnet, maakte maar zes films in 65 jaar tijd en helemaal niets meer na 1992, zijn laatste film over Tsjechov en Tolstoj is nooit afgemaakt). De liefhebber doet er goed aan twee goede stukken over hem te lezen: dit profiel van een Argentijnse criticus en dit stuk van Harvard Film Archive.

Choetsijev stierf twee jaar geleden, vlak na het overlijden van zijn vrouw. Zijn film heeft hem ondanks alles toch overleefd en oogt nu, weer dertig jaar na 1990, nog steeds fris. Dat heet artistieke rechtvaardigheid.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 12 mei 2021.

25 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Chronik der Anna Magdalena Bach

*
IFFR Unleashed – 1989: Chronik der Anna Magdalena Bach
Oren open en ogen dicht

door Jochum de Graaf

Een scène ergens midden jaren tachtig voor de deur van Lantaren Venster Rotterdam: we staan in de rij voor de première van een nieuwe film van Jean-Marie Straub en Danielle Huillet, in die tijd vaste gasten op het IFFR.

Ik zeg tegen een vriend ‘benieuwd of we weer naar zo’n eindeloze reeks stilstaande beelden zonder drama of plot gaan kijken’. Terzijde staat een clubje Straubfans dat zich aangesproken voelt: ‘oh, daar heb je weer zo iemand, nou die discussie hebben we al lang gehad’. De scène is tekenend voor het sektarisme rond Straub, een kleine schare fanatieke fans die alles bejubelt wat door het Frans/Duitse duo wordt uitgebracht en aan de andere kant een grote groep filmfans die weinig op heeft met de extreem minimalistische filmstijl. Toch worden ze nog tamelijk geacht in zekere kring, getuige de retrospectieven die dit voorjaar in Tokio en Londen te zien zijn.

Chronik der Anna Magdalena Bach

Formalistische filmstijl
Na zoveel jaren was ik wel benieuwd of mijn aversie tegen Straub/Huillet nog steeds zo groot is, ben misschien wat milder geworden. Maar Chronik der Anna Magdalena Bach valt me zeker niet mee.

Natuurlijk, er zullen vast mensen die nog steeds de stramme stijve Straubstijl appreciëren, maar nog steeds ontgaat me de zin van het minutenlang een pagina bladmuziek in beeld tonen, een vogel in een kooitje, een deur met nis in een trapportaal, een bomenbos met overtrekkende wolken, een kust met aanspoelend water, een blad met gotische letters, een middeleeuwse stadsprent als illustraties bij een volstrekt onsamenhangend verhaal. En dat alles ook nog in zeer korrelig zwart-wit opgenomen, brrr.

Hoofdmoot van de film zijn muziekuitvoeringen uit het rijke oeuvre van Bach, uitgevoerd door ensembles, koren, orkestjes uitgedost met pruiken, in historisch verantwoorde kostuums, op authentieke locaties en met muziekinstrumenten uit de achttiende eeuw, de tijd dat ze gecomponeerd werden. Daar valt op zich wel wat voor te zeggen, Bach in de oorspronkelijke setting, maar ook hier wordt die straffe formalistische filmstijl op toegepast, tien minuten vanuit één onbewogen standpunt naar een koor moeten staren, waarbij alleen de dirigent beweegt.

Chronik der Anna Magdalena Bach

Monotoon geneuzel
Maar het meest ergerlijk is de Chronik zelf, het onverstaanbare commentaar waarin Anna Magdalena, Bachs tweede vrouw, verhaalt over zijn leven en werken. Uit flarden maak ik op dat het gaat over de diverse steden waar hij werkte, zijn relatie met beschermheren, allerlei rechtszaken, de dood van hun kinderen. Maar het genie van Bach wordt totaal geen recht gedaan met dat monotone geneuzel in het Engels met zwaar Duits accent. Het gaat het ene oog en oor in en het andere uit.

De muziek is op zich goed in orde, hoofdrolspeler landgenoot Gustav Leonhardt, is werelds beste klavecimbelspeler (je moet er van houden) maar zijn spel is virtuoos. Al met al zijn zo’n vijfentwintig hoogtepunten uit Bachs oeuvre, cantates en sonates, preludes, fragmenten uit de Brandenburgse Concerten, de Goldbergvariaties, te beluisteren.

Wanneer je van Bach houdt, kom je dus ruimschoots aan je trekken, maar ik raad je aan om de soundtrack op te zetten, je ogen dicht te doen en je eigen filmbeelden erbij te dromen.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

23 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Tampopo

****
IFFR Unleashed – 1988: Tampopo
Smaakvolle hartstocht voor eten

door Cor Oliemeulen

De hilarische Japanse rolprent Tampopo was medio jaren 80 zijn tijd ver vooruit. Dé eetfilm der eetfilms verleidt de kijker nu nog steeds met onvergetelijke scènes die in sommige gevallen uitnodigen tot opvolging.

Eten in films is zo oud als de film zelf. De Franse broers Lumière toonden al in 1895 een kort filmpje over het voeden van een baby. Hun landgenoot Georges Méliès trok in 1904 met Sorcellerie Culinaire de trukendoos open wanneer een bedelaar wraak neemt op een kok en duiveltjes inzet om diens soep te laten mislukken.

Tampopo

Luchtig
In de beginjaren van de film was de rol van eten vooral luchtig, denk aan taarten gooien in slapstickfilmpjes. Met de toenemende industrialisatie kreeg voedsel een serieuzere betekenis en verschenen sociale misstanden op het witte doek. Van schrijnend drama over armoede en honger in A Corner in Wheat (1909) van D.W. Griffith tot en met de mistroostige humor in The Gold Rush (1925) waarin Charlie Chaplin als onfortuinlijke goudzoeker van pure ellende zijn schoenen opeet.

Als mensen eten in films is dat nooit toevallig. Vaak dient eten als katalysator van verzoening (Eat Drink Man Woman, 1994) of problemen (Festen, 1998). Sommige mensen bunkeren zoveel dat ze exploderen (The Meaning of Life, 1983), anderen vervelen zich te pletter en besluiten om zich dood te eten (La grande bouffe, 1973). Hoe dan ook heeft de rol van eten en voeding in elke tijd en elke cultuur een andere betekenis.

Van alle eetfilms is Tampopo (1985) na al die jaren nog steeds de meest bijzondere en grappige. Met het thema voedsel als verleiding, het jongleren met stijlvormen en het laveren tussen komedie en melodrama was de Japanse regisseur Jûzô Itami met zijn tweede film zijn tijd lichtjaren vooruit. Begonnen als acteur werd hij pas op zijn vijftigste actief als scenarioschrijver en regisseur. Itami heeft zich duidelijk laten inspireren door zijn Franse collega Jacques Tati, een meester in eenvoudige, rake observaties van het dagelijkse, vaak absurdistische, menselijke gedrag. De satire van Itami is beduidend scherper en gewaagder, zeker als het gaat om de relatie tussen eten, seks en de dood – soms zelfs in dezelfde scène.

Tampopo

Allerbeste noedelsoep
Tampopo (paardenbloem) is de naam van de alleenstaande eigenaresse van een beduimelde eetgelegenheid in Tokio (gespeeld door Itami’s vrouw Nobuko Miyamoto). Met de hulp van een vrachtwagenchauffeur streeft zij naar een goedlopend restaurant waar de allerbeste noedelsoep zal worden geserveerd. Maar voor het zover is, zien we in een reeks uiterst smaakvol gefilmde scènes hoe je het ingenieuze gerecht maakt, presenteert en eet. De compositie en hartstochtelijke benadering van de ingrediënten is tot ware kunst verheven.

Jûzô Itami noemde Tampopo een noedelwestern en leent qua sfeer, low budget en close-ups veel van de spaghettiwestern. In losstaande fragmenten zien we een etiquetteklasje met meisjes die leren hoe je spaghetti moet nuttigen, dat je soms beter geen chips in de bioscoop moet eten en ontdekken we de verleidingen van voedsel. Hilarisch zijn de scènes van de dandy-gangster die slagroom van de linkerborst van zijn vriendin opzuigt en hun techniek om tijdens het voorspel razendknap een rauwe eierdooier heel te houden. Opwindende, geestige en wellicht inspirerende situaties, die een jaar later zouden leiden tot de schaamteloze anticlimax van Kim Basinger en Mickey Rourke in Nine 1/2 Weeks van Adrian Lyne.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

22 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Sleepwalk

**
IFFR Unleashed – 1987: Sleepwalk
Slaapwandelen door Manhattan

door Cor Oliemeulen

Onafhankelijk filmmaakster Sara Driver brengt in haar speelfilmdebuut Sleepwalk (1986) een ode aan Lower East Side, New York waar ze opgroeide. Denk niet aan een luchtig, hilarisch eerbetoon als Manhattan (1979) van Woody Allen, maar aan in het halfduister verscholen personages en een mysterieus Chinees manuscript in een fantasieverhaaltje.

Sleepwalk mag worden gerekend tot de zogenaamde New Cinema, die medio jaren 70 ontstond. Onafhankelijke filmmakers in Lower East Side, New York spraken liever van ‘no wave’, een stroming die min of meer parallel liep met de opkomst van de (art)punk en new wave in de muziek. Zo zie je in de eerste undergroundfilm van die beweging, The Blank Generation (1976), optredens van Blondie, The Ramones, Iggy Pop, Television en Talking Heads.

Sleepwalk

Blauwdruk Jim Jarmusch
Een van de bekendste filmmakers aldaar, Jim Jarmusch, die in 1980 debuteerde met Permanent Vacation (zijn afstudeerfilm), voelde zich als een vis in het water in het New York van de late jaren 70. “Alles leek mogelijk. Je kon een film of een plaat maken, parttime werken en een appartement voor 160 dollar per maand huren. Gesprekken gingen over ideeën. Niemand sprak over geld. Het was fantastisch en ik ben blij dat ik daar was.”

Ondertussen had Jim Jarmusch een relatie gekregen met Sara Driver (met wie hij 20 jaar zou samenwonen), die Permanent Vacation (en een aantal andere van zijn films) produceerde. Op zijn beurt deed Jarmusch het camerawerk van Drivers korte filmdebuut You Are Not I (dat draaide op het IFFR van 1982) en ook deels voor Sleepwalk. Je kunt er gif op innemen dat hij de beelden schoot van de uitgestorven straten vol rommel, oude panden vol graffiti en glimpen van een brug en een rivier bij nacht. De zon lijkt er letterlijk en figuurlijk nooit te schijnen. Zo vormen Drivers eerste films qua atmosfeer een blauwdruk van die van Jarmusch.

Maar in diezelfde films gebeurt er ook verdomd weinig en hangen de personages ogenschijnlijk maar een beetje rond. Jarmusch verkent de contouren van existentialisme en nihilisme (op een droogkomische manier), terwijl Driver haar karakters laat ronddwalen in een spookachtige droomwereld. Hoofdrolspeelster Nicki (Suzanne Fletcher) van Sleepwalk werkt op een schimmig, slecht verlicht kantoor. Ze verwerkt medische data in een bakbeest van een computer, haar zweterige baas heeft drie telefoons op zijn bureau en eet tussen de gesprekken door een zak chips leeg en een collega scheurt met een liniaal repen van een rol computerpapier (let ook op een van de eerste rolletjes van Steve Buscemi). Alles is ogenschijnlijk doelloos, met de nadruk op mysterieus.

Sleepwalk

Stijloefening
De geheimzinnigheid neemt toe nadat een Chinese man en zijn lange, donkere assistent (met een paar afgehakte vingers in een bebloed verband) plotseling voor Nicki staan met een Chinees manuscript, dat zij tegen betaling mag vertalen in het Engels. Nicki heeft een Chinees zoontje, dus dat moet vast wel gaan lukken. Hoewel. Vanaf het moment dat ze ’s avonds na haar werk op het verlaten kantoor aan de klus begint, gaat een vinger spontaan bloeden en worden haar pupillen af en toe groen. In haar omgeving ruikt men een amandellucht. Een geslaagd magisch-realistisch ritje in een goederenlift en de nachtelijke gang naar haar al even miserabele appartementje versterken de onheilspellende, droomachtige sfeer.

Films kunnen in beginsel zonder plot, echter Sleepwalk blijft hangen in die sfeer zonder maar een enkele van de schaarse handelingen of gebeurtenissen te verklaren. Dat mag de kijker natuurlijk doen. Als vriendin en flatgenootje Isabelle na een bezoek aan de manuscript vertalende Nicki al haar haren verliest, gaat ze niet naar de dokter (ze is een illegaal) om de oorzaak te achterhalen, maar wil ze zich gewoon een tijdje terugtrekken in de hoop dat haar haren gaan aangroeien. En als in de tussentijd ook nog eens Nicki’s zoontje per ongeluk wordt ontvoerd, denkt niemand aan de politie. Het abrupte open einde past prima in deze bescheiden stijloefening van suspense, die blijft steken in de experimentele fase.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

20 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Yellow Earth

****
IFFR Unleashed – 1986: Yellow Earth
De mooiste volksliedjes komen uit China

door Bob van der Sterre

In 1986 verscheen de prachtige film Yellow Earth. Het was een startschot van de Vijfde Generatie-filmers, die over de hele wereld veel waardering zouden oogsten (en nog steeds niet uitgeoogst zijn).

Het is 1939 en China is in oorlog met Japan. Een communistische soldaat (Gu) uit het zuiden van China komt bij een dorpje in Noord-China de lokale volksmuziek beluisteren. Hij wil die muziek gebruiken voor de communistische revolutie. Want leider Mao Zedong houdt van vrolijke volksliedjes.

Yellow Earth

De lokale gebruiken zijn compleet anders dan hij gewend is. Bij een bruid en bruidegom die gaan trouwen, verzamelt zich het hele dorp om te gaan eten. Gu verwondert zich erover bij een dorpsoudste. ‘De bruid is nog zo jong.’ ’Jong? Niet echt, haar vader zegt dat ze bijna veertien is.’ ‘Bij ons gaat het anders. Als je een partner wilt, kies je die zelf. Noord-China moet ook veranderen.’ ‘Wij boeren hebben onze eigen regels.’

Een bepaald meisje van dit dorp zou heel mooi kunnen zingen. Dat is Cui Qiao, maar die is te bescheiden om dat te erkennen. Ze krijgen wel een band zonder dat Gu weet dat zij zo goed kan zingen. Tegelijk merkt hij ook op dat de liedjes heel wat minder opgewekt en simpel zijn dan wat hij had verwacht.

Cui Qiao voelt wel wat voor die verhalen over vrouwelijke soldaten die helpen met de revolutie en uithuwelijkt worden lijkt haar niets. Ze moet alleen eerst het proces van soldaat-worden doorlopen. En dat kost tijd die ze niet heeft. ‘Ik ben aan het lijden, ik kan niet wachten.’

In 1982 veranderde de Chinese cinema
Om de betekenis van Yellow Earth (Huang tu di) in de Chinese cinema te begrijpen, moet je terug naar toen de regisseurs van de Vijfde Generatie in 1982 afstudeerden van de Beijing Film Academy: Zhang Yimou, Tian Zhuangzhuang, Chen Kaige, Zhang Junzhao, Li Shaohong en Wu Ziniu. Ze wilden breken met de tot dan toe tamelijk tamme en brave Chinese films (of te wel het sociaalrealisme). En kregen er ook de kans toe in een veranderend China.

Een jaar later maakten twee ervan, Chen Kaige en cameraman Zhang Yimou, de film Yellow Earth. Zhang Yimou was hier de cameraman die het landschap – maar ook een aantal close-ups – omtoverde in minischilderijtjes. Daarnaast is iedereen hier meer een mens dan een voortreffelijke communist. Bij het filmfestival van Hong Kong in 1985 kreeg de film de handen op elkaar en dat betekende een internationale zegetocht die de Chinese cinema wind in de rug gaf overal ter wereld.

Ja, de film is vrij traag – rust in je donder is sowieso essentieel als je Chinese films (en geen wuxia) gaat kijken. Persoonlijk heb ik meer met de films die hierna zouden volgen. Yellow Earth treft toch minder dan een Raise the Red Lantern omdat deze karakters je wat minder raken. Maar het zijn belangrijke eerste stappen in een totaal nieuwe cinema, in beeld, in personages en in verhaal.

Yellow Earth

Slow cinema
Weinig drama dat me echt raakt in films – maar Chinees drama krijgt het bijna altijd voor elkaar. Het is het specifieke oog voor gevoeligheid, in combinatie met het betere acteerwerk, die je niet zo snel ziet in westerse films. Geen wonder dat ik zelf ongeveer tien jaar na Yellow Earth zelf een ‘Chinese periode’ had en raakte ik betoverd door de prachtige slow cinema van Farewell my Concubine, The Story of Qiu Ju, Raise the Red Lantern, Ju Dou, Life, To live en Red Sorghum. Allemaal historische films met een bedaard tempo en veel gevoel voor esthetiek. Met actrice Gong Li als vaandeldraagster.

Waarom Chinese films zo raken, kon Chen Kaige ook niet uitleggen: ‘Een vraag die ik al lang krijg. Hoe kan ik een film maken voor zowel een Chinees als een westers publiek? Ik denk niet dat ik dat kan. Het enige dat ik weet, is dat ik alleen mijn hart kon volgen om een verhaal vanuit mijn hart te vertellen.’ In dat hart zitten verhalen over de moeilijke momenten die deze regisseurs zelf in hun jeugd tijdens de Culturele Revolutie meemaakten.

Tijd schrijdt voort en intussen zijn er regisseurs van de Zesde (modern, realisme) en Zevende Generatie (onafhankelijken) die zich juist weer afzetten tegen de mooifilmerij van de Vijfde. Bekendste vertegenwoordiger van de Zesde Generatie is Jia Zhangke, met films als Ash is Purest White en A Touch of Sin. Toch noemde ook hij Yellow Earth als een belangrijke invloed op zijn werk en dat bewijst nogmaals de mijlpaal die deze film vormt in de Chinese filmgeschiedenis.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

18 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Stop Making Sense

*****
IFFR Unleashed – 1985: Stop Making Sense
Van nerd naar funkbeest

door Alfred Bos

De klassieke concertfilm van Jonathan Demme is nog altijd even spectaculair als op de dag dat hij in 1985 verscheen. Dat komt volledig op het conto van Talking Heads en hun voorman David Byrne.

Stop Making Sense was bij verschijning in 1985 in Nederland – in de USA een jaar eerder – een baanbrekende concertfilm. Woodstock (1970) is de registratie van een historisch muziekfestival. The Last Waltz (1978) is de registratie van een concert, het laatste van The Band. Stop Making Sense is de registratie van een theatervoorstelling. Het documenteert een concept.

Stop Making Sense

In 1977 was Talking Heads een opvallende debutant, buitenbeentjes binnen een nieuwe lichting rockgroepen uit New York. Van die nieuwe golf werd Blondie wereldberoemd, The Ramones een punklegende, Television een gewaardeerde cult-act. De groep rond zanger David Byrne volgde een ander traject, het verlegde grenzen.

Avant-pop
Het keurslijf van de populaire muziek heeft David Byrne nimmer gepast. Hij is een observator à la Lou Reed, een conceptueel kunstenaar als Laurie Anderson. Onder zijn leiding ontwikkelde Talking Heads zich in luttele jaren van new wave-trio tot negenkoppig funk-orkest. Voor de muziekliefhebber was het adembenemend.

Begin jaren tachtig begon het rockcorset te knellen. Byrne maakte met de Britse studiovisionair Brian Eno een baanbrekend album dat preludeerde op sample-muziek. De andere twee van het oorspronkelijke trio, het echtpaar Tina Weymouth (bas) en Chris Frantz (drums), scoorde als Tom Tom Club internationale hits. Avant-garde en pop gaan bij Talking Heads hand in hand.

In 1983 kwamen ze terug met hun beste album, Speaking in Tongues, en een reeks opzienbarende optredens. De nieuwe show was geen traditioneel rockconcert, het was een concept waarin muziek, choreografie, kostumering, belichting en multimedia samenkwamen. Het werd door regisseur Jonathan Demme vastgelegd als de concertfilm Stop Making Sense.

Orgie van funk
Alles aan het optreden en de film is conceptueel. Byrne deconstrueert het fenomeen rockconcert door het te reconstrueren. De film opent met een close-up van een schaduw in de coulissen en eindigt met een blik vanaf het podium op een zaal met extatisch publiek. Doek. Tijdens de aftiteling zien we vanuit de verlaten zaal hoe toneelassistenten het decor afbouwen.

Het optreden opent met David Byrne op een leeg toneel. Hij begeleidt zichzelf op akoestische gitaar, geholpen door een ritmebox die vanaf een cassette uit een gettoblaster klinkt. Anderhalf uur later sluit het concert zinderend af met een orgie van funk. Op het scherm heeft zich de evolutie van de groep – dat wil zeggen, de emancipatie van David Byrne – ontrold.

In de tussentijd speelt de groep zeven van de negen nummers van Speaking In Tongues, aangevuld met een nummer van hun debuutalbum, drie van hun tweede album, twee van hun derde album, twee van hun vierde album en één nimmer opgenomen nummer. What a Day That Was is alleen hier te horen.

We zien de transformatie van David Byrne, van wereldschuwe nerd tot bezeten funkmeister. Treffend is Once in a Lifetime, waarin hij, compleet met bril, de extase van een Amerikaanse plattelandsdominee verbeeldt. Net als David Bowie, die andere theaterman van de rock, zingt hij zijn nummers niet, hij acteert ze. Zijn theater is, alweer als Bowie, tegelijkertijd naturel en conceptueel.

Stop Making Sense

Gortdroge registratie
Stop Making Sense, concertfilm en gelijknamig livealbum, markeerde het artistieke hoogtepunt van de groep. Na de tournee van 1983 zouden ze nooit meer optreden. Ze maakten nog drie albums, maar haalden nimmer het niveau van Speaking in Tongues en de daarop volgende concertfilm. De fut leek eruit en eind jaren tachtig was het voorbij.

Paolo Sorrentino liet zich door Stop Making Sense inspireren voor zijn This Must Be The Place, de film die voorafgaat aan La Grande Bellezza. Het gelijknamige nummer – David Byrne herhaalt in Sorrentino’s film zijn enscenering in de concertfilm – is in het nieuwe millennium uitgegroeid tot het populairste liedje van de groep, inmiddels meer dan veertig keer gecoverd.

Stop Making Sense inspireerde ook David Byrne. Regisseur Spike Lee filmde op diens verzoek Byrne’s Broadway-voorstelling American Utopia, een performance waarin muziek en choreografie samenvloeien. (De film was te zien tijden IDFA 2020 en verschijnt binnenkort in de Nederlandse bioscoop.)

Jonathan Demme’s concertfilm uit 1983 is gortdroog, het eerste publiekshot is op een uur en 24 minuten. Dat is een wijze aanpak, want de voorstelling is zo doordacht van opzet en uitvoering dat een simpele registratie genoeg is om er spektakel van te maken. En voor wie Talking Heads nog niet kent, is Stop Making Sense een overweldigende kennismaking met de beste band van de wave-generatie.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

16 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Sans soleil

***
IFFR Unleashed – 1984: Sans Soleil
Herinneringen van een rusteloze premiejager

door Cor Oliemeulen

Chris Marker wordt beschouwd als een van de meest innovatieve film- en documentairemakers van de jaren 60 en 70. Maar zijn meest gewaardeerde productie is Sans soleil uit 1983 waarin de menselijke herinnering centraal staat.

Dit moeilijk te duiden filosofische beeldessay van de Franse cineast en videokunstenaar Chris Marker komt tot de kijker als een persoonlijk dagboek dat wordt voorgelezen door een vrouwenstem. Het leidt tot een film over subjectiviteit, dood, identiteit en bewustzijn. Markers toenmalige kijk op de wereld voedt zich met levenservaring die hij jarenlang opdeed in alle uithoeken van de wereld.

Sans soleil

Raakvlakken en associaties
Sans soleil focust vooral op Tokio, maar maakt kleine uitstapjes naar andere continenten. Op een hoogst originele manier legt Marker verbanden die alle kanten opschieten. Zo leren we van de voice-over dat de kunstenaar het beeld van drie kinderen op een weg in IJsland in 1965 voor hem het ultieme geluk uitstraalt. Dat beeld wordt direct gevolgd door rijke, gehaaste Japanners op het vliegveld en op een veerboot. We horen hoe Marker zich voelt als een rusteloze premiejager, die na enkele malen rond de wereld te hebben gereisd, mogelijk alleen nog maar oog lijkt te hebben voor het banale, hoewel dat bij hem soms juist abnormaal lijkt.

Van emoes in Île de France, meisjes op de Bissagoseilanden van Guinee-Bissau die zelf hun verloofden uitkiezen, rouwende bezoekers van een Japans kattenkerkhof naar een door bier van gefermenteerde melk bedwelmende alcoholist die al regelend het verkeer ontregelt. Ogenschijnlijk losse beeldfragmenten die middels filosofische beschouwingen plotseling raakvlakken en onverwachte associaties krijgen.

Ook de Afrikaanse vrouwen op een markt lijken in eerste instantie zo gewoon en op afstand, totdat ze heel kort in de camera kijken en daardoor een gezicht krijgen. En dan weer terug naar Tokio, een stad die door Markers lens voelt als een stripverhaal. Een snelle gedachte aan een film van Godard, een toneelstuk van Shakespeare en een vijftiende-eeuws gedicht van Basho. Al even gemakkelijk en acceptabel linkt een uitspraak van filosoof Rousseau aan de Rode Khmer in Cambodja. ‘Is het toeval of historisch besef?’, citeert de vertelster.

Sans soleil

Gefragmenteerd wereldbeeld
De filosofische overpeinzingen verwijzen regelmatig naar beroemde films, zoals Apocalypse Now waarin we het personage van Marlon Brando horen zeggen dat horror een gezicht en een naam heeft, en dat je daarom van horror je vriend moet maken. Marker voegt er dan direct aan toe dat je je van horror kunt bevrijden door het een andere naam en een ander gezicht te geven, om vervolgens in te gaan op Japanse horrorfilms. Ook het uitstapje naar San Francisco waar we alle filmlocaties van Hitchcocks Vertigo bezoeken, lijkt volstrekt willekeurig, echter blijkt toch op de een of andere manier te passen in Markers gefragmenteerde wereldbeeld van herinneringen.

Qua aanpak en vormgeving doet Sans soleil heel af en toe denken aan het caleidoscopische Koyaanisqatsi dat in hetzelfde jaar 1983 werd gemaakt. Echter waar documentairemaker Ron Fricke kiest voor grote groepen mensen als naamloze individuen in een immens, vaak verontrustend, decor koppelt Chris Marker de mens aan andere plaatsen en tijden. En waar in Koyaanisqatsi de beelden sfeervol worden begeleid door de minimalistische synthesizermuziek van Philip Glass, hoor je in Sans soleil experimentele elektronische interpretaties van muziekstukken van de Russische componist Moessorgski (onder andere Sunless = sans soleil) met een onthechtende uitwerking en als doel sommige herinneringen van de maker te vernietigen.

De subjectiviteit van herinneringen en observaties, de muziek en de soms hallucinerende videokunst (onder meer abstract gekleurde beelden van kamikazepiloten boven Pearl Harbour) maken van Sans soleil een transcendent filmessay dat een nieuwe trend zette in de non-fictiefilm. Een persoonlijk monument, dat bewust wat op afstand blijft door de maker in de derde persoon te introduceren (Chris Marker wilde ook niet voor niets niet als regisseur op de aftiteling worden vermeld). Op die manier blijft er voldoende ruimte voor de kijker om diens eigen herinneringen en associaties op de meanderende beelden en woorden los te laten.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

14 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Ilha dos Amores, A

***
IFFR Unleashed – 1983: A Ilha dos Amores
Ontmoeten is het begin van scheiden

door Cor Oliemeulen

A Ilha dos Amores gaat over het leven, de liefdes en de dood van de Portugese schrijver Wenceslau de Moraes. Het drama van Paulo Rocha is door zijn theatrale, literaire en historische aanpak veel meer dan het lot van de zoveelste kunstenaar die na een turbulent en ellendig leven verpaupert en in eenzaam sterft.

Wenceslau de Moraes werd in 1854 in Lissabon geboren en overleed in 1929 in het Japanse Tokushima. De man kon moeilijk op één plek blijven. Zo vertoeft hij als marineofficier in Mozambique, vertrekt met zijn maîtresse Isabel naar Macau (sinds 1557 een belangrijke Portugese handelspost in Zuid-China), laat na enkele jaren zijn Chinese vrouw Atchan en hun twee kinderen achter voor een post als consul van Portugal in het Japanse Kobe (dat zijn haven had opengesteld voor handel met het westen), trouwt daar de Japanse O-Yoné, zegt na haar dood zijn baan op, trekt zich terug in het provinciestadje en vindt een nieuwe liefde met O-Yoné’s nichtje Ko-Haru, die zelf nog een andere geliefde heeft. Als haar kind wordt geboren, en spoedig sterft, is het niet duidelijk wie de vader is. Ko-Haru overlijdt niet lang daarna aan tuberculose.

A Ilha dos Amores

Filmmaker volgt schrijver
‘Ontmoeten is het begin van scheiden’, verzucht De Moraes (rol van Luís Miguel Cintra), die ’s nachts in een aftandse kimono rondzwerft bij de graftombes van zijn overleden geliefden en zich de rest van zijn leven aan schrijven zal wijden. Tussen 1916 en 1929 produceert hij zijn belangrijkste werken, waaronder De Dodendans van Tokushima. Zijn levenswandel in Azië wordt regelmatig onderbroken door kunstzinnige verwijzingen en korte fragmenten van het thuisfront waar vooral zijn zus Francesca haar broer mist. De prachtige, vrij statische cinematografie, bijna overal op locatie, is van Acácio de Almeida, Elso Roque en Kôzô Okazaki.

De temperamentvolle Wenceslau de Moraes wilde graag het materialisme van het westen inruilen voor het spirituele van het oosten. Bovendien had hij weinig op met de politieke toestand in zijn geboorteland. De Oktoberrevolutie van 1910 zorgde voor het verdwijnen van de constitutionele monarchie en het begin van de republiek waarin corruptie hoogtij vierde, wat uiteindelijk zou uitdraaien op een dictatuur.

Ook regisseur Paulo Rocha, die het scenario van A Ilha dos Amores schreef, hield het opmerkelijk genoeg niet uit in zijn geboorteland Portugal. Hij bereidde daar zijn film jarenlang voor, maar door de politieke spanningen, de oorlogen in het naar onafhankelijkheid snakkende Mozambique en Angola die het moederland in armoede hadden gestort, de linkse staatsgreep tijdens de Anjerrevolutie in 1974 (die direct de onafhankelijkheid van die Afrikaanse kolonies inleidde) leek het hem beter te vertrekken naar Japan, in het kielzog van De Moraes.

A Ilha dos Amores

Ontdekkingen
De negen hoofdstukken van A Ilha dos Amores verwijzen naar ruim tweeduizend jaar oude gedichten van de vader van de Chinese poëzie, Qu Yuan, terwijl de filmtitel is ontleend aan een hoofdstuk uit het beroemdste gedicht (Os Luciadas) van Portugals zestiende-eeuwse schrijver des vaderlands Luís de Camões (werkzaam als onderofficier in Macau!). Daarin bezingt hij de roem van de Portugezen en hoe ontdekkingsreiziger Vasco da Gama door de Romeinse godin Venus naar het eiland der liefdes (A Ilha dos Amores) wordt gevoerd om daar de geheimen van het leven en de liefde te kunnen ontdekken. In de roman Het Verboden Rijk van J. Slauerhoff (1898-1936) volgt onze eigen grote schrijver en dichter op zijn beurt de levenswandel van Luís de Camões.

Terwijl Wenceslau de Moraes in deze bijna drie uur durende film steeds ouder en grijzer wordt en steeds krommer gaat lopen, zoekt hij affectie bij een nichtje van Ko-Haru. Echter de inmiddels in eigen land geliefde schrijver is ver van huis verworden tot een getormenteerd mens, dienend als spiegel van een gedoemd land. De artistieke cameravoering – vaak half verscholen achter een boom of een grafsteen, door ramen, deuren en klamboes, of via een spiegel – maken de betrokkenheid met het personage lastiger. Zowel de schoonheid van de kunsten als de zeer originele en ambitieuze aanpak van filmmaker Rocha kunnen ten langen leste niet voorkomen dat A Ilha dos Amores een enigszins afstandelijke en deprimerende indruk achterlaat.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

12 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Uski roti

***
IFFR Unleashed – 1982: Uski roti
Wachten tot er iets gebeurt

door Cor Oliemeulen

Het destijds baanbrekende Indiase drama Uski roti is een film over wachten. Een jonge vrouw loopt elke dag vanuit een armzalig dorpje een paar kilometer naar een bushalte aan de onverharde hoofdweg om haar man, een buschauffeur, haar zelfgebakken brood te geven. Als ze door een vervelend voorval met haar zusje toevallig een keer te laat is, is hij beledigd en negeert hij haar.

Met terugwerkende kracht is het voor de doorsneekijker niet heel gemakkelijk om te bepalen waarom een film bij zijn verschijnen 50 jaar geleden een nieuwe standaard zette. Uski roti (Ons dagelijks brood) is het kalme, rustige en volgens sommigen slaapverwekkende – maar in feite meditatieve – debuut van Mani Kaul dat volgens de Indiase filmmaker zelf gaat over de projectie van de fantasieën van een vrouw.

Uski roti

Fotografische blik
Het bijna twee uur durende Uski roti mag worden beschouwd als een van de sleutelfilms van de Indiase New Wave, omdat vorm, techniek en verteltrant een experimenteel karakter hebben, waarmee de film zich afzette tegen de commerciële mainstreamfilms van die tijd. Regisseur Mani Kaul – wiens films nog zeven keer op het IFFR zouden draaien – focust op het beeld; het plot en de summiere dialoog zijn ondergeschikt. De schaarse geluiden en een enkel Indiaas muziekje lijken later aan de film toegevoegd.

Het realistische karakter vloeit voort uit de al even humane en stilistische aanpak van grootheid Satyayit Ray, die met zijn Apu-trilogie (1955-1959) de Indiase cinema internationaal op de kaart zette. Uski roti is minimalistischer en doet door de ogenschijnlijk expressieloze personages al snel denken aan de Franse cineast Robert Bresson (Pickpocket, 1959) die net als Mani Kaul begon als schilder. Het stemmige in zwart-wit geschoten Uski roti verraadt Kauls talent als iemand met een krachtige fotografische blik en zijn streven naar het perfecte frame.

Regelmatig kiest hij voor close-ups om iets van de innerlijke belevingswereld van de personages te kunnen doorgronden, want de gezichten vertrekken meestal nauwelijks een spier, zodat vooral de grote Indiase ogen (zeker van de vrouw) boekdelen spreken. Wat verder opvalt, zijn de tussenshots van handen en voeten, en het plaatsen van de personages in minder traditionele posities voor de camera. Zo kun je bijna elk beeld van Uski roti als originele kunst aan je muur hangen.

Uski roti

Neorealisme
Ontegenzeggelijk is Mani Kaul, net als het gros van zijn tijdgenoten, bewust of onbewust beïnvloed door het Italiaanse neorealisme van net na de Tweede Wereldoorlog. Van filmen in een studio was geen sprake, het alledaagse leven op straat was de leidraad en niet-professionele acteurs werden in documentairestijl geportretteerd. Dat geldt bijvoorbeeld ook voor het Iraanse drama The Cow, dat net als Uski roti in 1969 verscheen en waarmee wij deze special over 50 jaar IFFR aftrapten. Zo krijgen weinig ophef makende handelingen als het verzorgen van een koe of het kneden van brood al snel een extra dimensie.

‘De projectie van de fantasieën van een vrouw’ in Uski roti beperkt zich in feite tot een hang naar traditionele waarden. De buschauffeur, die slechts op dinsdag thuiskomt, in de stad een liefje heeft en daar wat lol trapt met vrienden, vraagt uiteindelijk bijna uit medelijden aan zijn echtgenote waarom ze toch elke dag dat hele stuk loopt om hem zijn lunch te brengen en vaak zo lang moet wachten totdat hij voorbij komt. Maar zij ziet het nu eenmaal als haar taak plichtsgetrouw te zijn en vindt het beter dat hij één keer per week thuiskomt dan helemaal niet.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

10 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR

Merry-Go-Round

**
IFFR Unleashed – 1981: Merry-Go-Round
Experiment aan kracht verloren

door Jochum de Graaf

Merry-Go-Round uit 1981 is niet de meest bekende film van Jacques Rivette, prominent vertegenwoordiger van de Nouvelle Vague, en zeker niet zijn beste.

Rivette (1928-2016) hanteerde een experimentele techniek door met grote groepen acteurs te werken aan karakterontwikkeling en het vrijwel zonder script uitgebreid oefenen met scènes voor de camera. Zijn oeuvre wordt gekenmerkt door improvisaties, losse verhaallijnen en lange looptijden. Out 1, oorspronkelijk uit 1971, duurt in de gereviseerde versie van 2003 maar liefst 750 minuten en wordt door sommige cinefielen als een heilige graal beschouwd.

Merry-Go-Round

Inzinkingen
Midden jaren zeventig had Rivette een contract voor het maken van vier films, onder de noemer Scènes de la vie parallèle. Duelle en Noroît had hij in 1976 afgemaakt, maar toen hij een paar dagen met de derde aflevering Marie et Julien bezig was. kreeg hij een zenuwinzinking. Ook bij Merry-Go-Round is het bijna onmogelijk om de film te scheiden van de chaos achter de schermen waaruit hij voortkwam. Toen Rivette in 1979 de draad weer oppakte en de film begon te draaien, werden na een paar maanden zowel hij als hoofdrolspeelster Maria Schneider ziek.

De improvisatorische manier van filmen had ook al geleid tot een steeds verslechterende relatie tussen Schneider en de andere hoofdrolspeler, Joe Dallesandro, icoon van de subcultuur van de jaren zeventig, uit de stal van Andy Warhol. Schneider, die een iconische status aan Bertolucci’s Last Tango in Paris had overgehouden, gaf er de brui aan en een aantal scènes werd met een andere actrice, Hermine Karaheuz, opgenomen.

Ondoorgrondelijk
Merry-Go-Round is een tamelijk ondoorgrondelijke film. In een schimmige en steeds ingewikkelder wordende plot, komen Amerikaan Ben (Joe Dallesandro) en Française Léo (Maria Schneider) na eerst onafhankelijk van elkaar uitgebreid over het Franse platteland te hebben gezworven uiteindelijk tegelijkertijd in Parijs aan, gelokt door een spoor van mysterieuze telegrammen van een zekere Elisabeth (Danièle Gegauff), vriendin van Ben en zus van Léo. Eenmaal in Parijs is Elisabeth aanvankelijk nergens te bekennen, het duo gaat op een soort speurtocht door de stad, ze vangen op zeker moment een glimp van haar gezicht op en er ontvouwt zich een soort complottheorie waarbij mogelijk overleden meisjes betrokken zijn, een neppe vader die 4 miljoen dollar al dan niet verborgen houdt vanwege een vliegtuigexplosie die voor hem bedoeld was… en dan wordt Elisabeth prompt ontvoerd. Hallo, bent u daar nog?

Toch is er een moment van lichte schoonheid in de waanzin van Merry-Go-Round: de climax van de film in de scène in de zandduinen waar Ben en Léo letterlijk vrede, rust en rust in hun eigen hoofd vinden.

Merry-Go-Round

Onnozel
Maar wat Schneider en Dallesandro voor het overige doen is veel mopperen, door verlaten huizen dwalen en slappe grappen maken en vechten en kletsen, onnozele scènes improviseren zoals die waarin Ben een samenzweerderige obsessie met het getal 3 botviert.

Het is allemaal nogal fragmentarisch, wat nog versterkt wordt door twee soorten intermezzo’s die het toch al zwakke hoofdverhaal onderuit halen.

Het ene is de openingsscène en de daarna telkens opduikende live uitgevoerde soundtrack van twee muzikanten (bassist Barre Phillips en klarinettist John Surman), die een treurig jazzy muziekstuk improviseren, lange lage klarinettonen die overgaan in een naargeestig geluidsveld van een strijkende bas.

En het andere is een aantal vermoedelijk spannend bedachte intermezzo’s, zoals een ridicuul gevecht met een in vol ornaat geharnaste ridder te paard en een achtervolging door wilde honden – scènes die voor het grootste deel schrikbarend saai en overdreven lang zijn.

Destijds werd de film nogal positief besproken, gelauwerd met maar liefst vier sterren; de tand des tijds geeft aan dat de film nu met de helft ruimschoots beloond wordt.

Deze film is bij het jarige IFFR online te zien tot en met 21 april 2021.

9 maart 2021


ALLE RECENSIES 50 JAAR IFFR