Third Murder, The

*****

recensie The Third Murder

De waarheid is een olifant

door Alfred Bos

Wat is de derde moord en wie is daarvan het slachtoffer? De moordenaar zelf? De waarheid? De Japanse regisseur Hirokazu Koreeda speelt een verfijnd spel met schijn en werkelijkheid in de psychologische triller The Third Murder.

De Japanse regisseur Hirokazu Koreeda (vier lettergrepen: ko-re-e-da) wordt wel de eigentijdse pendant genoemd van Yasujirō Ozu, de maker van subtiel registrerende films over familierelaties. Achter een onthechte, schijnbaar objectief observerende blik schuilt empathie met het menselijke onvermogen. Die onthechting is geen arrogantie of desinteresse, het scherpt juist de focus zodat de patronen zichtbaar worden in de ruis van het dagelijkse leven, dat in feite een burleske van misverstanden is.

The Third Murder

Koreeda’s oeuvre zit er vol mee, met mensen die zichzelf in de weg zitten omdat ze niet goed luisteren of voorbij hun neus kunnen kijken. Emoties maken de mens, maar kunnen hem ook breken. De antiheld van zijn voorlaatste film, The Third Murder – die vorig jaar in première ging tijdens het filmfestival van Venetië en nu in de Nederlandse bioscoop is te zien – weet zijn emoties te mennen met zijn intellect en volbrengt een huzarenstukje. Dat hij zijn doel, het ontkennen van zijn bestaan, bereikt door via moord het bestaan van een ander te bevestigen, zegt genoeg over de diepgang en pyschologische verfijning van de film.

Roofmoord
The Third Murder is een buitengewoon rijke film. Het is ook een fijntjes opgebouwde en in psychologisch opzicht ongekend subtiele film. Zo subtiel dat veel kijkers, en blijkens de reacties en vragen tijdens Koreeda’s persconferentie in Venetië ook veel professionele filmkijkers, de pointe missen. Ja, het is een psychologische thriller, maar dan van het Zen-filosofische soort. Nee, het is geen Rashomon-achtige boutade over de onmogelijkheid om de waarheid te kennen. De waarheid ligt voor je neus, aldus Koreeda. Maar je moet hem wel zien.

Shimiru, de held van The Third Murder (gespeeld door de Japanse popster en acteur  Masaharu Fukuyama), is jurist; hij moet voor zijn cliënt een adequate verdedigingsstrategie ontwikkelen. De cliënt is Misumi (Kôji Yakusho), de antiheld, die zal worden berecht voor roofmoord; daarop staat de doodstraf. Hij geeft grif toe zijn voormalige werkgever, de baas van een fabriek waar voedsel wordt verwerkt, vanwege gokschulden te hebben beroofd en vermoord, om vervolgens het lijk te verbranden. De advocaat gaat op onderzoek; als hij de aanklacht van beroving kan weerleggen is de doodstraf mogelijk te vermijden.

The Third Murder

Spiegelbeelden
Wat volgt is een gang door het labyrint van het leven, een warboel van suggesties, leugens, intenties en feiten; een ruis van details en trivia. In de voedselfabriek blijken alleen marginale types te werken die elders niet terecht kunnen; ze worden door hun baas onderbetaald, of uitgebuit. Misumi werkte daar na zijn ontslag uit de gevangenis. Hij heeft een straf van dertig jaar uitgezeten voor tweevoudige moord op woekeraars die hem geld hadden geleend, geld dat hij door gokschulden niet kon terugbetalen. Zijn dochter was toen zes jaar oud, sindsdien heeft hij haar niet meer gezien.

Misumi is voor die dubbele moord tot dertig jaar celstraf veroordeeld door de vader van zijn advocaat, een inmiddels gepensioneerde rechter. Die twijfelt nu openlijk of hij er niet verkeerd aan heeft gedaan om Misumi destijds niet ter dood te veroordelen; hij heeft immers opnieuw gemoord. Zijn zoon probeert precies het tegenovergestelde te bewerkstelligen: hij wil Misumi van de doodstraf redden. Het is het eerste spiegelmotief dat regisseur Koreeda opzet in een film vol gespiegelde personages en motieven.

Een tweede spiegelbeeld zijn Misumi’s dochter (die we nimmer te zien krijgen) en de dochter van de vermoorde fabriekseigenaar, Sakie (Suzu Hirose). Beiden zijn gehandicapt, hebben een mank been. Heeft Sakie iets met de moord te maken?

Schuivend perspectief
Het perspectief op de moord – wat er is gebeurd en waarom – verschuift voortdurend. Elk detail dat het onderzoek aan het licht brengt doet het beeld kantelen. Is het wel roofmoord? Is het mogelijk een liefdesmoord? Of moord in opdracht? Misumi past voortdurend zijn verhaal aan naar de nieuwe feiten waar zijn advocaat hem mee confronteert. Gaandeweg begint de filmkijker te beseffen, hier is meer aan de hand. En de kernvraag stelt Misumi zelf aan zijn verdediger: wat is mijn ware motief?

Voor de oplettende kijker wordt het allengs duidelijk wat Misumi drijft, waarom hij de moord op de fabriekseigenaar heeft gepleegd en wat hij daarmee wil bereiken. Ook dat doel is dubbel, hij vervult met de moord een diepe emotionele wens en brengt – op zijn eigen, gebrekkige maar in feite geniale manier – gerechtigheid waar het recht het laat afweten; hij slaat zelfs drie vliegen in één klap. Alle elementen die nodig zijn om antwoord te geven op de vraag, wat wil Misumi, worden in de film gegeven. Doorgaans terloops, als terzijdes, net als in het leven zelf waar de hoofdzaken verdwijnen in de ruis van triviale kwesties en de waan van het moment.

The Third Murder

(On)betrouwbare verteller
Maar voor zijn verdediger, de advocaat Shimiru, blijft de moordenaar een mysterie. In de bloedsterke slotscène kantelt Koreeda het perspectief een laatste maal. Met een techniek die direct is ontleend aan het slot van Akira Kurosawa’s politiethriller High and Low laat hij held en antiheld van plaats verwisselen. Dat gebeurt, het kan niet anders in een film vol spiegelingen, met een spiegeleffect.

The Third Murder is een klassieke Koreeda-film en wellicht een van zijn beste. Familierelaties staan centraal in de plot en motieven van de personages. De poëzie schuilt in de details en de subtiele observaties. In de film wordt de Indische gelijkenis over de zes blinden en de olifant aangehaald: ze ‘zien’ allemaal iets anders, want de een betast de slurf en de ander de staart. De waarheid is een olifant en advocaat Shimiru is door vooringenomenheid niet in staat het complete beeld – de waarheid achter Misumi’s handelen  – te zien.

Koreeda wilde aanvankelijk romanschrijver worden, maar koos voor de cinema. In Venetië gaf hij te kennen dat de film eigenlijk alleen met een alwetende verteller is te realiseren, maar dat vond hij een onelegante aanpak. Zijn oplossing voor dat verteltechnische probleem is briljant: Misumi is de ogenschijnlijk onbetrouwbare verteller die als enige in de film alwetend is en in de slotscène verschijnt hij via een spiegeleffect als betrouwbare verteller. Het zou verbazen als er dit jaar een betere film verschijnt. Op de nieuwe Koreeda na dan, verwacht in december.
 

17 juni 2018

 
MEER RECENSIES

Have a nice day

***

recensie Have a nice day

Follow the money

door Ralph Evers

“Money makes the world go round”, zong Geddy Lee, de zanger van rockband Rush in 1985 al. Hoewel in dit kleine misdaadverhaal het geld zeker niet de wereld rondgaat, maakt het wel veel los in een anonieme Chinese stad. 

Have a nice day opent met strakke lijnen, een graphic novel, in een hedendaagse Chinese bouwput. De stof en het lawaai volgen op een citaat van Leo Tolstoi waarmee de film aan de kijker wordt voorgesteld. Overigens een grimmig citaat, waar een ieder voor zich en god tegen ons allen in doorklinkt. 

Have a nice day

Mozaïek
De film volgt de strapatsen van een zak met geld, in een wanhoopsdaad door loopjongen Xiao Zhang van zijn baas gestolen. Hij werkt voor een criminele organisatie en heeft geld nodig voor de mislukte plastisch chirurgische ingreep die zijn verloofde heeft ondergaan. Het nieuws van de roof verspreidt zich snel en het verhaal ontvouwt zich gedurende de nacht. De personages zijn vrij eendimensionaal neergezet, al kennen de dialogen soms een prettige soort hipheid en diepgang.

Die onverwachte mix in de personages werkt goed in dit misdaadverhaal. De regisseur is mede geïnspireerd door de Coen-broers, die eveneens uitblinken in het neerzetten van typetjes. Zo is de gangsterbaas Oom Liu treffend geportretteerd achter een wand vol lachende maskers, als een slechte kopie van een James Ensor. Sprekend over geld, dwazen en gekken, een vrij voor de hand liggende kritiek. De hele affaire leidt tot een dwaze gang van het geld, waar meer en meer mensen zich mee bemoeien.

Als een mozaïek ontwikkelt het verhaal zich. De over het algemeen kabbelende film, die qua tempo vooral te traag aanvoelt, kent plotselinge explosies van geweld en grappige wendingen. Daarnaast her en der opgeleukt met tegen het absurdisme aan schurkende fragmenten, zoals het in oud communistische stijl getekende paradijselijke visioen van Shangri-La. Een tweede manco is de vrij platte tekenstijl. Een stijl die doet denken aan de klare lijn en voldoende detail kent, maar te weinig indruk maakt, het geeft de personages te weinig karakter. Zo blijft Have a nice day over het geheel genomen flets. 

Have a nice day

Censuur
Regisseur Liu Jian wilde met zijn film een kritische noot kraken rond de snelle opkomst van het kapitalisme in China. Hij doet dit met een onderkoelde, donkere humor, die de autoriteiten toch niet zo zagen zitten. Zijn film is een tijdlang tegengehouden en moest her en der gecensureerd worden alvorens in China vertoond te mogen worden. Ook die versie is inmiddels geboycot. Kritiek geslaagd, film overleden.

Have a nice day doet op een bepaalde manier denken aan A Wonderful Night in Split. Ook een film waarin geld een hoofdrol speelt en je van de ene in de andere rare situatie terechtkomt. Waar de eerste haar charmante uitstapje heeft naar Shangri-La, komt de Kroatische film beter tot zijn recht, daar er onder meer meer aandacht besteed is aan de karakters.
 

24 april 2018

 
MEER RECENSIES

Sweet Country

**

recensie Sweet Country

Het recht van de sterksten

door Sjoerd van Wijk

Een Aboriginal slaat op de vlucht nadat hij uit zelfverdediging een witte rancher doodschiet. Sweet Country komt over als een klassieke western, maar brengt uiteindelijk te weinig nieuws.

De ene bevolkingsgroep overheerst de andere en reduceert laatstgenoemde tot niets meer dan goedkope werkkracht. Zulke mensonterende omstandigheden kunnen goed aan de kaak worden gesteld in de western. In de loop der tijd is het genre geëvolueerd van een mythologisering van Amerikaanse onafhankelijkheid tot een revisionistische kritiek op sociale misstanden. Waar Rio Bravo een heldhaftige eenling volgt die de slechteriken van zich af moet houden, presenteert The Hateful Eight een nihilistisch Amerika gebouwd op racistische politiek. De revisionistische western hoeft echter niet beperkt te blijven tot Amerika. 

Sweet Country

Sweet Country verhaalt over een vrije Aboriginal in de Australische Outback van de twintiger jaren van de vorige eeuw die uit zelfverdediging een witte rancher neerschiet. Bang voor de gevolgen zit er niets anders op dan met zijn vrouw te vluchten voor de sergeant die met een groep een klopjacht begint. De Outback blijkt in deze film een meedogenloos niemandsland waar de rechtvaardigheid in eigen hand wordt genomen. Sweet Country komt over als een klassieke western, maar niets is minder waar. Kritiek op het institutionele racisme voert de boventoon in een met spanning gebracht verhaal, maar de film toont geen nieuwe inzichten over wat dit met een mens kan doen.

Het niets van de Outback
Het landschap vormt een onmiskenbaar onderdeel van de film. Zoals de Grand Canyon verbonden is aan de Amerikaanse western, zo geeft de Outback een eigen karakter aan Sweet Country. De stoffige savanne vormt een fraai decor waarin de harde werkelijkheid inkomt als een mokerslag. De weidse beelden van het dorre land krijgen extra schoonheid doordat deze dikwijls gepaard gaan met bijzondere lichtbronnen, zoals de volle maan en een zonsopgang, zorgvuldig geschoten door regisseur Warwick Thornton, die ook het camerawerk voor zijn rekening neemt. Alle karakters komen hierin over als pionnen en gaan op in het niets. Net zoals zij allen in hun gedrag pionnen van de onrechtvaardige instituties zijn. In dit landschap loert de dood, maar laat hij wel op zich wachten.

Strakke suspense
Langzaam maar zeker wordt toegewerkt naar elk doorslaggevend moment wat leidt tot de klopjacht en de nasleep. We voelen al feilloos aan wat een persoon gaat overkomen, maar toch gebeurt het maar niet. Alles lijkt een duidelijke oorzaak en gevolg te hebben, alsof de genadeloze wereld van de Outback het laatste woord heeft. Het doet hierin denken aan The Proposition, een andere Australische western over de gruwelijkheden die kunnen gebeuren als iemand het recht in eigen hand neemt.

Sweet Country

De suspense is niet in de laatste plaats te danken aan de zorgvuldige geluidloze flashbacks en flashforwards die elk karakter een eigen tragiek lijken te geven. De spanning wordt nog meer opgevoerd door de meeslepende zooms op de stoïcijnse gezichten die de hardheid van dit leven verraden. Het onderliggende determinisme wordt verder onderstreept door een breed scala aan karakters, die als een mozaïekstuk het scenario in elkaar laten vallen.

Karikaturen, geen karakters
Helaas kan de geraffineerde regie niet volledig het basale verhaal verbloemen. Het basale zit niet zozeer in het basisgegeven van de man op de vlucht noch in de enigszins voorspelbare hoofdstukken, als wel in de typering van de karakters. Het merendeel van het ensemble dat tegen elkaar wordt uitgespeeld komt al snel karikaturaal over. Elk persoon lijkt ofwel aan de goede kant te staan, ofwel aan de slechte kant van het institutionele racisme.

Deze simplistische goed-kwaadverhouding doet echter afbreuk aan het kritische gehalte van de film. Het zou interessanter zijn geweest om te zien hoe een ieder omgaat met een onrechtvaardig systeem, in plaats van hen elk stellig partij te laten kiezen. De interne strubbelingen van de racistische rancher Kennedy, die worstelt met vaderlijke gevoelens voor zijn halfbloed slavenzoon Philomac en de jongen zelf, die een keuze moet maken tussen beide bevolkingsgroepen, lijken meer te bieden. Toch is dit een gemiste kans, omdat deze verhaallijnen summier worden aangestipt.

De prachtige setting, het karakteristieke fraaie landschap en de meeslepende suspense van Sweet Country vallen in het niet omdat het onderliggende verhaal te bekend aanvoelt en weinig nuance kent.
 

11 maart 2018

 
MEER RECENSIES

Three Billboards Outside Ebbing, Missouri

*****

recensie Three Billboards Outside Ebbing, Missouri

De wijsheid van een boekenlegger

door Cor Oliemeulen

Three Billboards Outside Ebbing, Missouri zou zomaar de grote winnaar van de Oscars 2018 kunnen worden. Het originele scenario van Martin McDonagh is ijzersterk en onvoorspelbaar. Frances McDormand speelt als rouwende, maar strijdbare moeder de hoofdrol van haar leven.

Eindelijk weer eens een monumentale film die het niet louter moet hebben van mooie plaatjes om de inhoud op te leuken of een soundtrack die de vaart er in moet houden. Je zou kunnen zeggen: Oscars voor beste scenario, beste actrice en beste mannelijke bijrol, en we lullen nergens meer over!

Three Billboards Outside Ebbing, Missouri

Simpel gegeven
Hoe je met een ogenschijnlijk simpel gegeven een realistisch drama met een zwart-komische ondertoon kunt maken, bewijst de Britse scenarist/regisseur Martin McDonagh – na de hilarische misdaadverhalen In Bruges (2008) en Seven Psychopaths (2012) – in zijn pas derde speelfilm Three Billboards Outside Ebbing, Missouri (2017). Je huurt drie billboards naast een verlaten weg en plakt daarop in koeienletters opeenvolgende teksten die weinig aan de verbeelding overlaten: ‘Raped while dying’, ‘And still no arrests?’ en ‘How come Chief Willoughby?’.

Deze provocerende boodschap van Mildred Hayes (Frances McDormand), wier dochter zeven maanden eerder op een verschrikkelijke wijze om het leven werd gebracht, is persoonlijk gericht aan de plaatselijke politiechef die volgens eigen zeggen naar vermogen heeft geprobeerd het misdrijf op te lossen en nu plotseling de aanval ziet geopend door de gefrustreerde moeder. Het feit dat Willoughby terminale kanker heeft, geeft het oplaaiende conflict een extra dimensie, want wat doet dat gekke mens die arme man aan? Woody Harrelson, als de oprechte en aandoenlijke gezagsdrager van het gedateerde fictieve stadje Ebbing en consequent vloekende vader van twee schattige jonge dochtertjes, laat zich weer eens tot grote hoogte stuwen na uitgekauwde slechterikenrollen in dure producties als War for the Planets of the Apes.

Sterke bijrollen
Vooral de mannelijke bijrollen in Three Billboards Outside Ebbing, Missouri kennen een opmerkelijke gelaagdheid. Ronduit fantastisch acteert Sam Rockwell (net als Harrelson al van de partij in Seven Psychopaths) als Willoughby’s rechterhand Dixon. Hij is het archetype ‘bad cop’ maar evolueert door de snel wisselende omstandigheden tot iemand die het niet zo slecht bedoelt, maar zich vooral laat hinderen door een racistische inborst, alcoholmisbruik en een dominante moeder. Zijn confrontaties met Mildred, en in feite alle andere personen die hij op zijn wankele pad treft, monden regelmatig uit in geweldsexplosies, terwijl de vork soms net even iets anders in de steel blijkt te zitten.

Three Billboards Outside Ebbing, Missouri

Eervolle vermeldingen zijn er voor Caleb Landry Jones (de sadistische broer in het recente horrormysterie Get Out) als Red Welby, die de billboards verhuurt en zijn sympathie voor de wanhopige moeder moet bekopen, alsook John Hawkes (de verlamde man die seks wil in The Sessions) als Mildred’s opgewonden ex-man Charlie, die haar heeft verlaten voor een 19-jarig meisje dat volgens Mildred naar stront stinkt en zich graag bedient van een wijze uitspraak op een boekenlegger: ‘Woede leidt tot grotere woede.’

Moderne western
Want dat de escalaties zich steeds verder opstapelen, mag duidelijk zijn. Het met veel zwarte humor opgediende drama laat zich kijken als een moderne western, waarin de stoere vrouwelijke protagonist zich weliswaar zonder getrokken pistolen, maar met onverdroten moed en ironische gevatheid, een weg baant naar genoegdoening en een beetje troost. Frances McDormand mag dan vaak worden geassocieerd met de Coen Brothers – zij maakte haar debuut in Blood Simple (1984), won een Oscar met Fargo (1996) en is getrouwd met Joel Coen – haar optreden in het uiterst onderhoudende Three Billboards Outside Ebbing, Missouri is memorabeler en gelaagder dan ooit.
 

5 januari 2018

 
MEER RECENSIES

You Were Never Really Here

****

recensie You Were Never Really Here

Het bloed dat borrelt onder de Amerikaanse politiek

door Yordan Coban

Lynne Ramsay is terug met wederom een intrigerende psychologische thriller die veel elementen van klassieke meesterwerken pakt.

Joaquin Phoenix speelt de mentaal aangetaste oorlogsveteraan Joe. Een brede bebaarde hitman die het vuile werk van anderen opknapt. Hij woont samen met zijn moeder voor wie hij liefdevol zorgt. In de film wordt meermalen expliciet verwezen naar Psycho (1960). De relatie tussen Joe en zijn moeder is aan de ene kant aandoenlijk en aan de andere kant is het apart om zo’n meedogenloze man als Joe zo liefdevol tegen zijn moeder te zien doen. Beide hebben geen andere mensen in hun leven. Hun relatie doet denken aan dat wat Norman Bates zegt over zijn moeder in Psycho: “A son is a poor subsitute for a lover.” Dat geldt andersom ook voor Joe.

You Were Never Really Here

Joe heeft serieuze mentale problemen. Hij heeft continu flashbacks naar zijn jeugd, zijn tijd in Irak en een lang vergane liefde. Bovendien is Joe suïcidaal en is het zorgen voor zijn moeder het enige wat hem van zelfmoord houdt. Er woedt een moordlustige agressie in Joe die zijn oorsprong kent in zijn verleden. Maar hoe precies wordt nooit uitgelegd. Zijn flashbacks geven iets van een idee van zijn verleden maar er wordt geen tijd verspild aan het voorkauwen van zijn achtergrond. Dat wat niet verteld wordt mag de kijker zelf invullen.

Taxi Driver
Naast Psycho valt You Were Never Really Here het meest te vergelijken met Taxi Driver (1976). Net zoals in Taxi Driver is er een jong meisje in nood. Joe krijgt de opdracht om de gekidnapte dochter Nina (gespeeld door Ekaterina Samsonov) van de senator te redden van haar leven als seksslaaf. Travis Bickle (gespeeld door Robert De Niro) in Taxi Driver wil een meisje redden dat niet echt gered wil worden. Joe in You Were Never Really Here redt een meisje dat niet gered hoeft te worden. Nina had zijn hulp niet nodig. Zowel Joe als Travis hebben de agressie vooral zelf nodig als uitlaatklep.

Travis in Taxi Driver representeert Amerika dat Vietnam wil “redden” van het communisme, wat uiteindelijk eindigt in een onnodig bloedbad. Er kan analogisch geredeneerd worden ten opzichte van You Were Never Really Here. Joe is het Amerika dat een Irak of Afghanistan probeert te “redden” die niet gered hoeven te worden. Landen die ten tijde van de Amerikaanse inval er beter voor stonden dan nu.

You Were Never Really Here

Er is geen New Frontier, ideologie of vijand van formaat zoals Amerika destijds had aan het communisme. Amerika heeft militair gezien niemand meer te vrezen en toch pompt het elk jaar meer geld in defensie dan wie dan ook. De honger naar oorlog van Amerika valt te spiegelen aan de borrelende agressie in Joe. Nadat zijn vijanden zijn moeder als doelwit nemen, is wraak Joe’s beweegreden voor geweld. Net zoals 9/11 dat was voor Amerika. Ramsay heeft het idee van Taxi Driver gepakt en er een moderne invulling aan gegeven.

Geen meisjesmeisje
Joaquin Phoenix liet weten enorm veel respect voor de bevlogenheid van Ramsay te hebben. Haar betrokkenheid trok hem tot dit project. Ramsay staat bekend als een eigenwijze regisseur die volledige controle over haar films wil hebben en geen inmenging van studio’s duldt. Haar regiestijl varieert van het rauwe Europese in Morvern Callar (2002) tot Amerikaanse intensiteit in We Need to Talk About Kevin (2011).

Haar werk bevat altijd duistere psychologisch getinte onderwerpen. Lynne Ramsay is wat je zegt een vrouwelijke regisseur met ballen. Zij wijkt niet voor geweld en gruwelijke beelden. Ze is qua bloederigheid van hetzelfde kaliber als Chan-wook Park en Quentin Tarantino. Ramsay is samen met Claire Denis en Sofia Coppola een van de grote vrouwelijke regisseurs van deze tijd.
 

1 januari 2018

 
MEER RECENSIES

Snowman, The

*

recensie The Snowman

Nordic noir op zijn bleekst

door Alfred Bos

Een spannend boek laat zich niet zo maar vertalen naar een spannende film. The Snowman bulkt van de sterren, heeft een capabele regisseur en is even ergerlijk als natte sneeuw.

Jo Nesbø is een manusje van alles: econoom, muzikant, verslaggever en bedenker van tv-series, aldus Wikipedia. Maar we kennen hem vooral als auteur van een reeks luchthaven-thrillers rond de gewelddadige alcoholist Harry Hole, die vanwege zijn uitmuntende oplossingspercentage (Harry gaat door roeien en ruiten) door de politie van Oslo wordt getolereerd als moordrechercheur van dienst. Ook in Nederland worden de boeken stuk gelezen.

The Snowman

Harry Hole heeft een donkere ziel. Harteloos opgevoed, weerbarstig in de liefde, behept met een drang naar zelfdestructie. Harry heeft iets te bewijzen, Harry is complex. Vergeleken bij hem is de fictieve Zweedse politiecommissaris Kurt Wallander van Henning Mankell een zachtgekookt ei met een bloeddooier. Daar zien we allemaal weinig van terug in The Snowman, de verfilming van de zevende roman uit de Harry Hole-reeks.

De film is behangen met A-acteurs uit velerlei windstreken en in de regisseursstoel zit Tomas Alfredson, de Zweed die in 2008 de originele vampierfilm Låt den rätte komma in (internationaal bekend geworden als Let The Right One In) afleverde en drie jaar later John le Carré’s ingetogen spionagethriller Tinker Tailor Soldier Spy verdienstelijk verfilmde. Ziet er op papier goed uit. Op het filmdoek helaas niet.

Onduidelijke flashbacks
Probleem is het script. Nesbø is niet vies van knaleffecten en zijn plots zijn, hoe ongeloofwaardig ook, tot vier decimalen achter de komma kloppend in elkaar gestoken. Daar kan de auteur doorgaans zo’n vijfhonderd boekpagina’s de tijd voor nemen en die heeft de regisseur simpelweg niet, want na twee uur moet de film bekeken zijn. Daar gaat de complexe plot, foetsie al het vernuft en de zorgvuldig geplante hints en rode haringen, weg de psychopathologie van de gestoorde moordenaar.

In het boek staat de sneeuwman op de besneeuwde aarde, in de film zweeft hij in de lucht. Dat wil zeggen, de beweegredenen van de seriemoordenaar om echtgenotes met een losse moraal letterlijk een kopje kleiner te maken – iets met een zeldzame erfelijke ziekte, te danken aan een overspelige moeder – zijn platgeslagen tot het jeugdtrauma waarover de proloog bericht. Waarom hij sneeuwpoppen inzet als signatuur blijft volstrekt onduidelijk.

Zoals alles in deze film onduidelijk is en uit de lucht komt vallen. De verhaallijn wordt enkele malen onderbroken door flashbacks die niet direct als flashback zijn te herkennen en de intrige nog onoverzichtelijker maken dan hij al is. The Snowman is een puzzelfilm: het blijft voor de kijker gissen wie wat doet en waarom.

The Snowman

Schroeikoord
Voor de batterij gekende acteurs valt er weinig eer te behalen, ze moeten personages van karton spelen. De Harry Hole van Michael Fassbender is een karikatuur van een binnenvetter. Wat zijn tijdelijke assistente Katrine Bratt (Rebecca Ferguson) en haar afwezige vader, de speurneus Rafto (Val Kilmer) die dertig jaar eerder vergelijkbare moorden onderzocht, in de film doen is volstrekt onduidelijk. Charlotte Gainsbourg heeft als Harry’s ex Rakel de ondankbare taak als emotioneel contrapunt én prooi te fungeren. De geslaagde zakenman  Arve Stop (J.K. Simmons), in het boek een spilfiguur, is gereduceerd tot decor. In een bijrol zien we een onderbenutte Toby Jones. Dito Chloë Sevigny.

Deze Scandinavische thriller is een staaltje kleuren-met-vakjes waarin alleen het moordwapen – een schroeikoord waarmee professionele slachters dieren onthoofden – getuigt van een originele geest. De panoramabeelden van een winters Noorwegen zijn kil bleekblauw en wanneer het spannend moet worden roffelen de trommels. The Snowman is geen noir, eerder asgrauw. Geen idee wat Martin Scorsese heeft gewogen om zich als producer aan deze zeperd te verbinden. Wie een film over verweesde kinderen wil zien, vervoege zich bij Loveless.
 

31 oktober 2017

 
MEER RECENSIES

What Happened to Monday

***

recensie What Happened to Monday

Watskeburt met maandag?

door Ralph Evers

In het jaar 2043 kampt de aarde met een onoverkomelijke overbevolking. Een wereldwijde eenkindpolitiek moet een leefbare planeet betekenen. Wat doe je dan als vader met een zevenling?

Klimaatverandering en overpopulatie zou voldoende materiaal voor de filmindustrie moeten zijn. Toch blijven we vaak vooral rampenfilms zien: de VS heeft uiteindelijk een oplossing, het kerngezin blijft intact, iedereen gelooft braaf in God en de dag erna is als alle anderen, alsof er nooit wat gebeurt is. Rampen als orkanen, mislukte oogsten en verschroeiende branden zijn aan de orde van de dag, doch klimaatverandering vraagt in de filmwetten een gezicht, anders verkoopt het nauwelijks.

What Happened to Monday

Overbevolking
Streamingdienst Netflix zag voldoende brood in de overpopulatiethematiek, met als vanouds een dystopisch sausje. Die overbevolking in What Happened to Monday wordt overigens in elk buitenshot nogal in je gezicht gedrukt. Er wordt losjes gerefereerd naar bekende dystopische literatuur en eerdere films als equals, de Divergent-serie en de klassenmaatschappij in Brave New World, aangevuld met wat Bond-thema’s als een grote corporatie – in dit geval het Child Allocation Bureau (CAB), dat achter de schermen schurk blijkt. Ook de zeven zussen krijgen – na zo’n dertig jaar gebonden aan regels van de dag te leven – zo hun rebelse trekjes.

Wanneer moeder sterft tijdens de geboorte van een identieke zevenling kiest vader (gespeeld door Willem Dafoe) ervoor zijn zeven dochters te houden en ze middels ingenieuze manieren binnen de eenkindpolitiek te passen. Binnenshuis hebben ze hun eigen karakter en talenten, buitenshuis zijn de zussen eenzelfde persoon. Vader vernoemt hen dan ook naar de weekdagen, zodat verwarring over wie wat doet zoveel mogelijk uitblijft.

Het verhaal komt op gang wanneer Maandag plots vermist raakt. Niet veel later breekt de pleuris uit en hebben de zussen de geoliede moordmachines (uitgerust met gepersonaliseerde wapens, zoals we die al eens zagen in Cronenbergs Cosmopolis) van het CAB achter zich aan. Waar de eerste dertig minuten zich prima lenen voor een uitgebreidere serie, leent de resterende negentig minuten zich voor een goede actiethriller. Dit weet regisseur Tommy Wirkola (Død snø, Hansel and Gretel: Witch Hunters) goed uit te buiten.

What Happened to Monday

Sensatie versus plotgaten
Hoewel de premisse van het verhaal sterk is, kent de uitwerking te veel zwakke momenten. De film vraagt vooral niet teveel na te denken over gegevenheden zoals dat de zeven zussen al jaren in een appartement wonen, wat linksom of rechtsom verdacht zou zijn. Of een conciërge die opmerkt dat Karen gisteren nog ziek was en nu ineens niet meer.

Wirkola weet charmant met een goede spanningsboog en actie de vaart er voldoende in te houden om ons af te leiden van de vele plotgaten. Noomi Rapace zet de zeven zussen overtuigend neer, een trucje dat al eerder te zien was in het eveneens door Netflix uitgezonden Orphan Black, waar Tatyana Maslani de show steelt met een veelvoud aan gekloonde zussen. Dat er gelukkig wat karakterontwikkeling plaatsvindt komt de kijker en de spanning goed uit. In de film is een leuke rol weggelegd voor de Nederlandse acteur Marwan Kenzari (Wolf, Loft, The Mummy), die naast CAB-werknemer een mens blijft.

What Happened to Monday stipt het probleem van overbevolking op sensationele wijze aan, maar vervalt in een Hollywoodiaanse kramp waar het goed en kwaad te simplistisch neergezet wordt. Dat de film bij tijden lekker meedogenloos is, redt het geheel echter niet. Misschien toch maar een serie met meer oog voor detail en het dilemma van eenkindpolitiek en de dilemma’s van overbevolking volwassen neerzetten, zonder dat er een oplossing hoeft te komen.
 

26 oktober 2017

 
MEER RECENSIES

Logan Lucky

*****

recensie Logan Lucky

Die kunstarm, oh, die arm!

door Alfred Bos

Ieder seizoen heeft een perfecte genrefilm te bieden en dit jaar is dat Logan Lucky. Tegen zoveel vakmanschap, vernuft en regelrecht plezier steekt het gros van het actie-aanbod magertjes af.

Fans van Steven Soderbergh kunnen opgelucht ademhalen. Na vier jaar filmstilte – en twee seizoenen van de in Nederland via Netflix vertoonde tv-serie The Knick – is de regisseur die actie, drama en humor moeiteloos weet te mengen terug van niet echt weggeweest. Logan Lucky is Soderbergh uit het boekje: sterke ensemblecast, intelligent script, gortdroge humor en een met achteloze flair gevisualiseerd verhaal, inclusief soundtrack van David Holmes (en een paar rockklassiekers, waaronder Brainbox’s Down Man). De film haakt handig in op de populariteit van het Fast & Furious-gejakker met snelle auto’s.

Logan Lucky

Het genre van de heist-film past Steven Soderbergh als – het is hier gepaste beeldspraak – een handschoen, zie Out of Sight en de Ocean’s-trilogie. Het geeft hem de gelegenheid het ondeugende jongetje te zijn dat er ook schuilt in de regisseur van onversneden drama als Erin Brockovich, Traffic en Che. Vileine humor was een hoofdbestanddeel van zijn voorlaatste, de biopic Behind the Candelabra uit 2013 over entertainmentlegende en gay icoon Liberace, en humor is het ingrediënt dat het misdaaddrama rond twee broers en een zus, gemarginaliseerde sloebers in het zuiden van Amerika, tot ijle hoogte verheft. Logan Lucky toont de verarmde onderklasse tegenover de glamour van Ocean’s 11. Het is een Ocean’s 7-11, zoals iemand in de film opmerkt.

Simpel, maar niet dom
Logan Lucky heeft in twee uur speeltijd zoveel te bieden dat één moment van afleiding, bijvoorbeeld om de tranen uit de ogen te vegen na een sublieme grap rond een kunstarm, de kijker in turbostand zet, want de plot is ook niet misselijk. En je moet wel opletten om die te kunnen volgen. De film is een fijntjes uitgebalanceerde cocktail van groteske grand guignol-effecten en geslepen list rond karakters die in hun karikaturale uitvergroting bovenal herkenbaar menselijk blijven. Iedereen kent wel een paar van de types die in Logan Lucky rondlopen. Soderbergh geeft hen charme.

Logan Lucky

Channing Tatum en Adam Driver spelen de broers Jimmy en Clyde Logan, schooiers in het boomrijke West-Virginia. Ze worden geplaagd door de familievloek, aldus Clyde, die in Afghanistan zijn linkerarm (linkeronderarm, aldus Clyde) verloor en nu achter de bar van wegcafé Duck Tape staat. Jimmy, voormalig football-ster, is vanwege een oude blessure ontslagen als bouwvakker. Zijn ex Bobbie Jo (Katie Holmes) is hertrouwd met een rijke onbenul genaamd Chapman en zus Mellie (Riley Keough) past in haar kapsalon op zijn dochtertje Sadie (Farrah Mackenzie).

Jimmy is simpel, maar niet dom. Hij gebruikt zijn kennis van de bouwplaats onder de Charlotte Motor Speedway, een racebaan in het nabij gelegen North Carolina, om een onmogelijk plan op te zetten. De buit is de kas van de populairste race van het jaar. Daarvoor is brandkastkraker Joe Bang (Daniel Craig) nodig, maar die zit in de bak. Dus bedenkt Jimmy een tweede plan om Bang ongemerkt uit en vervolgens weer in het gevang te krijgen.

Wc-brilwerpen
Logan Lucky haalt zijn spanning uit de verwikkelingen rond het opzetten en uitvoeren van de kraak, een complexe en originele, geheel naar de situatie toegesneden operatie. De humor komt uit de personages en hun inborst: Clyde neemt alles letterlijk, Mellie heeft een messcherpe tong en Bang is een meesterdief oude stijl, bruut maar eervol. En uit het contrast tussen de drie families waar de plot om scharniert: de intrigerende Logans, de Chapmans die zonder het te beseffen deel zijn van het plan, en de criminele Bangs. Joe’s jongere broers Fish (Jack Quaid) en Sam (Brian Gleeson) zijn archetypische rednecks, niet bijster snugger en gevaarlijk onvoorspelbaar. Ze weten iets van computers, zeggen ze.

Logan Lucky

Het script – van de volkomen onbekende Rebecca Blunt, een pseudoniem – zet de Amerikaanse provincie neer als een bolwerk van vlagvertoon en debiel vermaak: op de kermis onderhoudt men zich met kreefthappen en wc-brilwerpen. Maar ook digitale technologie krijgt een veeg: Jimmy is slim genoeg om van het internet weg te blijven, zodat FBI-agente Sarah Grayson (Hilary Swank) wel vermoedens maar geen bewijzen heeft. Bovendien is er nóg een twist. En een happy end, want boven alles is dit een geraffineerde feel good-film.

En zo heeft Logan Lucky alles: personages, intrige, spanning, actie, humor en sociale satire, fraai gevisualiseerd. De sociaal-kritische ondertoon is vergelijkbaar met High or Hell Water, de perfecte genrefilm van het vorige seizoen, ook over twee broers: gemangelde arbeiders pakken de bovenklasse terug. De film telt een aantal hilarische scènes, zoals de onderhandelingen tussen de opstandige gevangenen en de directeur over de Game of Thrones-boeken in de gevangenisbibliotheek, en natuurlijk de scène met de kunstarm. Oh, die arm, een betere filmgrap is er dit jaar niet te zien geweest.
 

22 augustus 2017

 
MEER RECENSIES

After Hours

After Hours: De film die het (film)leven van Martin Scorsese redde

door Vincent Hoberg

Vraag een willekeurig persoon vijf films van Martin Scorsese op te noemen en de kans is klein dat After Hours (1985), de belangrijkste film uit zijn loopbaan, erbij zit. Logisch misschien. Scorsese’s relaas over een New Yorkse hellenacht leverde hem weliswaar een Gouden Palm op, maar is ook de laatste film van de regisseur die geen enkele nominatie kreeg tijdens het jaarlijkse Oscarfestijn.

Wie After Hours ziet, zal die ‘belangrijkste film’ stelling ook in twijfel trekken en eerder gaan voor Mean Streets, Taxi Driver of Raging Bull, de films die Scorsese rotsvast op de cinematische landkaart hadden gezet. Een nadere blik leert echter dat Scorsese zonder After Hours het maken van speelfilms zeer waarschijnlijk helemaal vaarwel had gezegd.

After Hours

Depressie
In zijn hoofd had Scorsese’s leven en loopbaan begin jaren ’80 een dieptepunt bereikt. Een zware cocaïne- en drankverslaving eind jaren ’70 had zijn tol geëist en ondanks het grote succes van Raging Bull (1980) was hij de lol in het filmen volledig kwijt. Een lievelingsproject moest uitkomst bieden, maar zijn eerste uitstap naar de spirituele kant met The Last Temptation of Christ bleek niet de verwachte redding.

De film viel, zoals Scorsese zelf zegt, ‘uit elkaar’ en nadat ook het commerciële succes van The King of Comedy (1982) uitbleef, wilde hij het hele speelfilms maken voor gezien houden en zich slechts nog richten op documentaires. En daar, op het dieptepunt van zijn depressie, was opeens het script van After Hours.

Tim Burton
Producers Griffin Dunne en Amy Robinson hadden het tijdens Sundance opgepikt en vrijwel direct Scorsese als ideale regisseur voor ogen. Wie anders zou er beter passen bij een duister verhaal dat zich afspeelde tijdens een krankzinnige nacht in New York, de stad waar hij inmiddels synoniem mee was geworden?

Na een lange radiostilte benaderden ze als tweede optie ene Tim Burton, een jonge filmmaker die zocht naar een eerste speelfilmproject, maar vrijwel tegelijkertijd ging de telefoon en bleek Scorsese dol te zijn op het idee. Terug naar de bron, een kleine film met een kleine crew, in New York, geen poespas, geen druk. Toen Burton hoorde dat de kleine meester ook geïnteresseerd was, trad hij direct terug, want ‘niemand mocht Scorsese weerhouden om die film te gaan maken als hij dat wilde’. De lange weg uit het dal kon beginnen. 

Martin ScorseseHitchkafkaïaanse waanzin
Met al deze informatie in het achterhoofd wordt After Hours een heel andere film. Het verhaal lijkt, zoals gezegd, klein en simpel. Paul Hackett (Griffin Dunne) ontmoet ’s avonds bij een diner de aantrekkelijke, ietwat vreemde Marcy (Rosanna Arquette) en denkt een leuke date voor die avond te hebben geregeld. Het loopt anders.

In bliksemvaart verzeilt Paul in steeds merkwaardiger situaties met een lange stoet karakters bij wie allemaal een flinke steek los zit. (Dat Cheech & Chong op Dunne na de meest normale figuren in de film spelen, zegt meer dan genoeg). Als een Alfred Hitchcock en Franz Kafka die samen een flinke fles pruimenschnapps soldaat hebben gemaakt, sleurt Scorsese zijn antiheld door de eindeloze nacht.

Lezers van voornoemde schrijver zullen Kafka’s beroemde Voor de Wet-parabel uit het Proces zelfs letterlijk voorbij horen komen als Paul zich met pijn en moeite voorbij een uitsmijter probeert te praten. De (vooral cameratechnische) Hitchcock-referenties zijn bijna ontelbaar, al laat een overduidelijke verwijzing naar Rear Window de beste grap van de film uit Paul’s mond rollen.

Scorsese en de in april overleden DOP Michael Ballhaus gaan helemaal los in hun eerste samenwerking: wat Ballhaus hier allemaal uitspookt met de camera behoort tot zijn allerbeste werk en Scorsese’s pure liefde voor film spat er aan alle kanten van af.

After Hours

Zelf-exorcisme
Maar wie de film nog een laag dieper bekijkt, ziet hier een overduidelijke parallel met het leven van de regisseur. De manier waarop Scorsese Paul door de hel stuurt is puur zelf-exorcisme ingekleurd met pikzwarte humor. Luid gniffelend in zijn baard schijnt hij achter de camera te hebben gezeten bij elke ramp die zijn arme held overkwam, maar één ding is zeker. Ingekakte kantoorslaaf Paul werpt de volgende dag gelouterd zijn huid af om opnieuw te beginnen.

Of Pauls leven ingrijpend veranderd is, zullen we nooit weten, maar After Hours gaf Scorsese een nieuwe impuls die drie jaar later eindelijk leidde tot zijn geliefde project The Last Temptation of Christ. De film zette een zegereeks van geweldige films in die nog steeds voortduurt. Gewoon door een kleine film te maken. Geen psychiater had het beter kunnen oplossen.

After Hours @ EYE: zaterdag 22 juli, 20:00 uur.

 

18 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE

Hebzucht en walging in Casino

‘The fucking bottom line is cash’
Hebzucht en walging in Casino’s Las Vegas

door Alfred Bos

Casino (1995) is een van de films die het thema visualiseert dat als een rode draad door het werk van Martin Scorsese loopt: de overlevingsstrijd van het individu in een vijandige wereld.

In het oeuvre van Martin Scorsese zitten een aantal films die fungeren als wegwijzer. Ze staan op afstand van elkaar en markeren de centrale route door het psychische landschap van Scorsese’s cinemavertellingen. Hoezeer de regisseur ook afdwaalt naar B-wegen en afgelegen oorden – kinderfilm: Hugo, kostuumdrama: The Age of Innocence (Scorsese’s Barry Lyndon), psychologische thriller: Shutter Island, de ‘spirituele trilogie’ The Last Temptation of Christ, Kundun en Silence – hij komt vroeg of laat terug op het hoofdpad. Daar is het niet pluis.

Casino

Kleine gangsters met grote ambities
Dat pad begint met Mean Streets (1973) en loopt via Goodfellas (1990) voor dit moment door tot The Wolf of Wall Street (2013). Het pad is de kruisweg van de kleine gangster met grote ambities, de hellevaart van de morele twijfelaar die zich moet handhaven in een wereld zonder scrupules. Langs dat pad, al staan ze iets verder van de weg, zou je ook films als Cape Fear (1991) en The Aviator (2004) kunnen plaatsen, maar het zijn vooral Scorsese’s ‘gangsterfilms’ (bij gebrek aan een beter woord) die de weg wijzen. Langs dat pad vinden we ook Casino (1995).

Mean Streets en Goodfellas schetsen het milieu van Italiaanse immigranten die zich in de Nieuwe Wereld handhaven door vast te houden aan de mores van hun Oude Wereld. De films tonen een botsing van beschavingen, of eigenlijk: gebrek aan beschavingen. Ze gaan over integratie, of eigenlijk: het gebrek aan integratie. Wat de kleine gangsters met de grote ambities bindt aan de Amerikaanse samenleving is het kleinste gemene veelvoud dat de smeltkroes van nationaliteiten en culturen bijeen houdt: materialisme en geweld.

Gaandeweg wordt de wereld waarin Scorsese de existentiële strijd van zijn personages situeert steeds groter. En het gevecht minder Italiaans en meer algemeen menselijk. Mean Streets speelt in de Italiaanse wijk van New York, Goodfellas in het Italiaanse milieu van het nabijgelegen New Jersey (waar Clint Eastwood zijn biopic Jersey Boys over The Four Seasons draaide, waarover later meer) en in The Wolf of Wall Street is de cirkel uitgedijd tot de Amerikaanse samenleving, waarvan de financiële wereld van Wall Street het hart is.

Shakespeareaanse allure
Casino
ligt halverwege de haltes Goodfellas en The Wolf of Wall Street. Het is gebaseerd op het boek Casino: Love and Honor in Las Vegas van de Amerikaanse misdaadjournalist Nicholas Pileggi, net als Scorsese zoon van immigranten uit Zuid-Italië. Goodfellas is eveneens gebaseerd op een boek van Pileggi, Wiseguy: Life in a Mafia Family.

Casino grondt in de werkelijkheid en vertelt de Werdegang van twee gangsters, Frank ‘Lefty’ Rosenthal (in de film Sam ‘Ace’ Rothstein, gespeeld door Robert De Niro) en diens jeugdvriend Tony ‘The Ant’ Spilotro (in de film Nicky Santoro, gespeeld door Joe Pesci). Ze zijn door een kabal van schimmige maffiabazen aangewezen om het casino van het Stardust Hotel (in de film het Tangiers Hotel) in Las Vegas te managen.

Rothstein is de hersens van het tweetal, maar krijgt van de staat Nevada geen vergunning vanwege zijn verleden als professionele gokker. Santoro is de spierbal bij Rothsteins brein, behept met een onmogelijk temperament en de onbeheersbare drang tot juwelenroof. Beiden hebben hun zwakheden: Rothstein valt voor de getroebleerde prostituee Ginger McKenna (Sharon Stone in wellicht haar beste rol, goed voor een Golden Globe en een Oscar-nominatie); Santoro kan zijn driften niet beheersen.

Casino

Al is de ecotoop van Casino dat van het Italiaanse misdaadmilieu van Mean Streets en Goodfellas, de cirkel is ditmaal wijder. Rothstein is Jood, geen Italiaan, en de misdaad in Las Vegas is een paar ordes van grootte ambitieuzer en lucratiever dan de pot waar in Mean Streets en Goodfellas om wordt gestreden. De film is in filmische en vertel-technische termen evenredig ambitieuzer. Het is een drama van Shakespeareaanse allure met een speelduur van 2 uur en 58 minuten, verteld op een manier die volstrekt uniek is in de – niet alleen Amerikaanse – cinema.

Casino is een virtuoos gemonteerde collage van traditionele scènes en panoramavertelling, van voice-over (in twee perspectieven, dat van Rothstein én Santoro) en dialoog, van episodisch vertellen en muziekclip, en al die stijlvormen worden zo vloeiend verweven dat het niet eens opvalt dat de eveneens briljante soundtrack even vaak wel als geen directe relatie met het beeld op het scherm heeft. Het is een masterclass in filmisch vertellen, avant-garde in de vorm van een publieksfilm.

Joe Pesci als oerkracht
Casino is ook een studie in moraliteit. Rothstein is het interessante, meer gelaagde personage van het vriendenduo, want Santoro heeft geen enkel moreel besef. Dat leidt weer tot geestig (wan)gedrag, zoals het inbreken in luxe villa’s om juwelen te stelen, want 1) er zijn veel juwelen in Vegas 2) de politie is met andere dingen bezig en 3) het is nu eenmaal de aard van ‘The Ant’.

Het boeiende aan de door Joe Pesci meer dan overtuigend neergezette Santoro is diens volstrekte gebrek aan enig inzicht: in zichzelf, in anderen, in het systeem. Hij is een natuurkracht, een speelbal van zijn emoties, afgunst en jaloezie voorop. Onmogelijk te dresseren, niet door Rothstein (van wiens echtgenote hij niet kan afblijven, met desastreuze consequenties) en niet door de schimmige maffiabazen. Zijn ondergang is een van de gruwelijkste scènes die Scorsese op het filmdoek heeft gebracht.

Pesci, die dankzij zijn rol in Raging Bull als filmacteur door Hollywood werd ontdekt, speelt in Casino in essentie dezelfde rol als in Goodfellas, maar diens Tommy DeVito is klein bier vergeleken bij de animale agressie van de psychopaat Santoro. Dit is het moment om een uitstapje te maken naar Clint Eastwoods Jersey Boys, want werkelijkheid en film lopen met Joe Pesci en Tommy DeVito op onnavolgbare wijze door elkaar.

Casino

Pesci’s Tommy DeVito uit Goodfellas is een fictief personage, gebaseerd op de gangster Tommy DeSimone. In het echte leven was Tommy DeVito de oprichter en gitarist van de Amerikaanse jaren zestig-popgroep The Four Seasons, het onderwerp van Eastwoods biopic. Daarin speelt acteur Joey Russo de rol van—Joe Pesci, de man die Tommy DeVito introduceerde bij Bob Gaudio, het latere groepslid en voornaamste songschrijver van The Four Seasons. De echte Tommy DeVito was een kruimelcrimineel met een kort lontje die een aantal maanden had gebromd, jaren voor zijn groep uitgroeide tot hit-act. Om kort te gaan: Pesci kent het milieu en de types uit eigen ervaring. ‘The fucking bottom line is cash’ filosofeert Santoro hardop.

Stabiliserende factor
‘Ace’ Rothstein heeft als personage meer reliëf. Hij kent zijn kracht: wedstrijduitslagen juist voorspellen. En zijn zwakte: vanwege zijn criminele verleden is het twijfelachtig dat de Licensing Commision van de staat Nevada hem een vergunning zal verlenen, dus moet hij buiten het zicht van het gezag als casinodirecteur opereren. Zijn flamboyante kledingstijl staat in contrast met zijn ingetogen karakter en waakzame natuur. Hij complementeert Santoro. En stuurt hem, voor zover mogelijk.

Voor Rothstein draait het leven om vertrouwen. Zijn grootste zwakte is echter zijn liefde voor en loyaliteit aan een geestelijk labiele vrouw, de junkie-societyhoer Ginger McKenna. In de driehoek Rothstein-McKenna-Santoro vormt hij de stabiele factor, maar een driehoek op zijn kop is, zoals bekend, gedoemd te kantelen. En dat gebeurt. De set-up is perfect: de geldstroom van het casino wordt afgeroomd en die room weer afgeroomd, terwijl de overheid machteloos toekijkt. Toch rafelt het maffiasprookje uiteen. Eerst langzaam, dan sneller, tot er geen redden meer aan is.

Zowel McKenna als Santoro desintegreren in crescendo, uitgezonderd een laatste moment van relatieve rust, wanneer ze stabiliteit bij elkaar zoeken en voor even vinden. Maar het overspel vormt de inleiding tot de definitieve onttakeling, het misdaadparadijs gaat spectaculair ten onder. Santoro en McKenna sterven zoals ze geleefd hebben, als gangster respectievelijk junkie. Zij hebben het vertrouwen – van Rothstein, van de maffiabazen – beschaamd. Daar is in de wereld van clans maar één straf voor.

Casino kent geen helden, alleen overlevers en de enige die na 2 uur en 58 minuten aan het eigenhandig gecreëerde noodlot blijkt te zijn ontsnapt, is Rothstein. In de epiloog zien we hem in een luw bestaan, als Henry Hill (Ray Liotta) in Goodfellas, bezig met zijn oude activiteit, het voorspellen van wedstrijduitslagen en het plaatsen van winnende weddenschappen. Hij heeft rust gevonden.

Flirt met het kwaad
Robbie Robertson, voormalig gitarist van The Band, is verantwoordelijk voor de samenstelling van Casino’s geluidsband. Die is het beste voorbeeld uit Scorsese’s filmoeuvre van de aanpak die hij introduceerde met Mean Streets: een collectie populaire muziek van uiteenlopende stijl en achtergrond. Die methode is in Casino geperfectioneerd.

Casino

De film is een virtuoos vlechtwerk van allerhande manieren van filmisch vertellen en bij uitstek geschikt om Scorsese’s grote innovatie als het gaat om de geluidsband – muziek visualiseert het innerlijk van de filmpersonages – toe te passen. De voorbeelden zijn legio, een selectie: Heart of Stone van The Rolling Stones wanneer Rothstein Ginger ontmoet; Roxy Musics Love Is The Drug voor de relatie tussen Ginger en haar ex-vriend, de pooier en gokker Lester Diamond (James Woods); Can’t You Hear Me Knocking, opnieuw van de Stones, wanneer Santoro uit inbreken gaat.

Can’t You Hear Me Knocking is om meerdere redenen vermeldenswaard (en bovendien een van de sterkste nummers uit de Stones-catalogus). De direct herkenbare gitaarriff waarmee Keith Richards het nummer opent valt samen met een harde cut in de montage, niet alleen naar een nieuwe scène, maar tevens naar een andere vertelstijl. Vervolgens illustreert het nummer de handeling op het doek. Dan is die episodische scène klaar—maar het nummer loopt gewoon door onder de volgende scène. En het klopt nog ook.

Robertson koos muziek uit een veelheid van genres, veel rhythm & blues uiteraard (zijn specialiteit), maar ook Italiaanse pop, jazz standards en hits uit de jaren zeventig en begin tachtig, de periode waarin Casino speelt. Er zijn maar liefst zeven Stones-nummers op de soundtrack te horen, (I Can’t Get No) Satisfaction in de vorm van een coverversie door de new wave-act Devo. Het is bekend dat Scorsese veel affiniteit heeft met de muziek van de Rolling Stones en Casino windt daar geen doekjes om.

Rolling Stones maakten van hun hang naar het donkere, het satanische, hun imago en ook Scorsese is in zijn films gefascineerd door de worsteling met verleiding, de omgang met het kwaad. Casino is een moreel drama over mensen die flirten met het kwaad dan wel het omarmen, en de prijs die ze daar voor betalen.

Er zijn echo’s van Abraham Polonksy’s film noir-klassieker Force of Evil (1948): Amerika is gebouwd op naakte hebzucht en er is geen wezenlijk verschil tussen de corporate en de onderwereld. Casino verhaalt over de teloorgang van het klassieke Las Vegas waar de rol van de maffia vervolgens is overgenomen door de zakelijke bovenwereld; in die zin is The Wolf of Wall Street feitelijk Casino 2.

Casino is de Scorsese’s meest onderschatte film, een meesterwerk met een geheel eigen, afwijkende vorm en een geheel eigen, persoonlijke toon. Voor dit soort films is de bioscoop uitgevonden.

 

14 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE
 
 
MEER ESSAYS