Kiki, Love to Love

**

recensie Kiki, Love to Love

Spaanse onderbroekenlol

door George Vermij

In deze duistere tijden is het een schrale troost om te zien dat het overal op deze aardbodem toch draait om seks. Wie denkt dat Nederlandse films of Amerikaanse komedies uitblinken in het belachelijk maken van onze vleselijke verlangens, moet maar eens een bezoekje brengen aan Paco Leóns Kiki, Love to Love.

Niet dat het een goede film is, maar Kiki, Love to Love (Kiki, el amor se hace) illustreert een soort universele platheid die ondanks culturele barrières en landsgrenzen iedereen toch stiekem lijkt aan te spreken. De film was wonderbaarlijk genoeg een grote hit in Spanje en heeft waarschijnlijk om die reden een plekje in de Nederlandse bioscoop verdiend.

Kiki, Love to Love

De premisse is simpel en herkenbaar. Regisseur Paco León hanteert de structuur van een mozaïekfilm waar verschillende personages en verhaallijnen thematisch aan elkaar verbonden zijn. Vergelijk het met Love Actually en Nederlandse tegenhanger Alles is liefde, maar ook met de relatieperikelen uit He’s Just Not That Into You.

Seksuele freakshow
León wil met zijn film iets zeggen over moderne seks en liefde, maar de bindende factor zijn vooral de ongewone seksuele fantasieën die alle personages delen. Zo begint de film met Natalia die na een vrijbeurt iets aan haar vriend bekent. Zij raakt opgewonden als zij gewelddadig wordt beroofd. Een fetisj die harpaxofilie heet als je de bijgevoegde tekst in de film moet geloven.

Plastisch chirurg Jose Luis krijgt hem alleen omhoog als zijn vrouw slaapt (somnofilie) wat resulteert in wat ongemakkelijke scènes als hij haar stiekem slaappillen laat innemen. En dan is er María die alleen tot een orgasme komt als ze iemand ziet janken (dacrifilie).

Regisseur Paco León wil de verhalen nog wat diepgang geven, maar de film is vooral een seksuele freakshow die wanhopig probeert om de kijker aan het lachen te krijgen. Het niveau is bijzonder laag en Leóns gevoel voor humor blijft eenzijdig. Zo vormen pis en poep terugkerende elementen in het verhaal.

Remsporen en scheten
Er is de dame die opbiecht dat haar dochter haar slipjes met remsporen op internet verkoopt aan mannen die daar op geilen. Een ander gesprek tussen Natalia en haar vriend gaat over scheten laten. En dan is er nog het verhaal van Paco en Ana die hun huwelijk weer wat sjeu willen geven en in een morsige seksclub belanden. Daar komt Paco een oude bekende tegen die hem vraagt of hij op hem wil plassen. Het zijn scènes die je zou kunnen verwachten in de Deuce Bigalow-films met Rob Schneider.

Kiki, Love to Love

Problematischer zijn de mager uitgewerkte personages die voornamelijk door hun fetisj gekenmerkt worden en je daarom verder niet betrekken. Jose Luis’ drogeerpraktijken worden door een kluchtige visuele aanpak van León verbloemd. Zijn daden worden goedgepraat doordat hij het blijkbaar uit liefde doet, maar hebben in deze tijd waar er zoveel te doen is over consensual sex een nare bijsmaak. Die bijsmaak proef je trouwens ook terug bij de eendimensionale Natalia en haar verkapte aanrandingsfantasieën.

Doventolk
Het enige personage dat nog enigszins echt overkomt is Sandra die opgewonden raakt van zijde en leeft als een excentriekeling. Actrice Alexandra Jiménez weet haar ondanks het karige materiaal waarmee zij is opgezadeld, leuk en geloofwaardig neer te zetten. Van alle personages is zij nog het meest een buitenstaander die niet alleen snakt naar opwinding, maar ook naar liefde. Jiménez heeft ook de leukste scène als ze moet werken als een doventolk voor een jongen die een sekslijn belt.

Wat Kiki, Love to Love ons leert over liefde kan je natuurlijk al raden als je bekend bent met de moraal uit al die dertien-in-een-dozijn romantische komedies. Ondanks alle ranzige onderbroekenlol is de film onder de oppervlakte dus behoorlijk tam en voorspelbaar.
 

18 juli 2016

 
Lees ook: Boek over Spaanse cinema

 

MEER RECENSIES

Suburra

****

recensie Suburra

Riool aan het Romeinse strand

door Alfred Bos

Suburra is een eigentijdse thriller uit Italië, waarin politiek en misdaad in hetzelfde bed slapen. Regisseur Stefano Sollima (bekend van de tv-series Romanza Criminale en Gomorra) toont regen en neon, neo noir dus. Volgend jaar als tv-serie via Netflix, nu als film in de bioscoop.

Vroeger had je politieke thrillers en misdaadfilms waarin helden en schurken duidelijk van elkaar waren onderscheiden, net zoals beide genres van elkaar verschilden: politiek was politiek en misdaad was misdaad. Tegenwoordig is het verschil tussen gezag en geboefte vervaagd en heeft de misdaadthriller een politieke ondertoon, en vice versa.

Suburra

Een voorbeeld van de eigentijdse thriller waarin misdaad politiek is en politiek misdaad, is Suburra, de tweede speelfilm van de Italiaan Stefano Sollima. Hij is als regisseur van de internationaal gewaardeerde tv-series Romanzo Criminale en Gomorra gepokt en gemazeld in het genre en dat is aan Suburra af te zien. Net als La Isla Minima, de verrassende Spaanse zomerhit van vorig jaar, is het een met veel overmacht geregisseerde genrefilm die draait om de psychologie van het verderf. De filmtitel verwijst naar een wijk van het oude Rome waar senatoren en misdadigers elkaar troffen voor duistere zaken.

Las Vegas in Ostia
Suburra toont een röntgenfoto van het maatschappelijke systeem dat in het Italië van Berlusconi is ontstaan. De film verhaalt hoe in november 2011 in een week tijd de corrupte machinaties rond een groot bouwproject ontaarden in de dood van de voornaamste betrokken maffiosi en de val van de politicus die verantwoordelijk is voor het project, de constructie van een groot uitgaanscomplex aan de Romeinse kust. Dat moet van Ostia, het strand van Rome, het Las Vegas van Italië maken en de onderwereld is dronken van het vooruitzicht.

De verwevenheid van misdaad en politiek, en zelfs het Vaticaan, is niet nieuw voor het filmdoek, maar het aardige van Suburra is dat het laat zien hoe verdeeld de wereld in de schemerzone van de legaliteit is. Er zijn maar liefst vier partijen die een scheve schaats rijden.

Samurai (Claudio Amendola) is een schimmige figuur, een beroepscrimineel op leeftijd die achter de schermen het bouwproject controleert. Hij doet geheime zaken met Numero 8 (Alessandro Borghi), de criminele zoon van een van Samurais vroegere handlangers en eigenaar van een nachtclub in Ostia, die op hardhandige wijze grond en vastgoed opkoopt voor het bouwproject. Ze houden de lokale afperser, de zigeuner Anacleti (Adamo Dionisi), schielijk buiten de plannen. Die krijgt er echter lucht van wanneer zijn jongere broer wordt ingehuurd om een lijk te doen verdwijnen. Dat lijk is de partner van een luxehoer, haar pooier Sebastiano (Elio Germano) is de vierde criminele partij en de schakel tussen onder- en bovenwereld.

Suburra

Stortregens
Sollima liet in ACAB (All Cops Are Bastards), zijn debuutfilm over de mobiele eenheid van Milaan, al zien dat hij actie, misdaad en psychologie kan versnijden tot een krachtige cocktail en Suburra is nog een tandje ambitieuzer van opzet. Het complexe verhaal wordt klip en klaar verteld, de personages treffend neergezet zonder karikaturaal te worden – wat vooral in het geval van de zigeuner en diens huishouden geen sinecure is – en het geweld zonder enige opsmuk, bijna achteloos getoond.

Treffend is de positie van de politicus, Filippo Malgradi (Pierfrancesco Favino), die moeiteloos ambtenaren, bestuurders en zelfs de kerk kan corrumperen, maar moet vrezen voor een schandaal rond seks met een minderjarige. Tegenover die hypocrisie van de heersende klasse staat de oog-om-oog moraal van onderwereld én de wrekende engel. Op zijn Kurosawa’s stortregent het op de sleutelmomenten van dit fictieve drama en op de dag van de ondergang treedt de Tiber heel symbolisch uit zijn oever. In het echt viel op 12 november 2011 de regering van Berlusconi.

Al zijn er voornamelijk verliezers en geen duidelijke winnaars, de donkere moraal van Suburra biedt toch een sprankje hoop. Het zijn de krabbelaars, zij die overleven door te schipperen tussen wat goed en wat slecht is, die het slagveld, zij het geschonden, levend weten te verlaten. Toch nog gerechtigheid, van de bruut-poëtische soort. En goed om de uitstekende Franse wave-groep M83 op de soundtrack te horen.
 

16 juli 2016

 
MEER RECENSIES

Family Fang, The

**

recensie The Family Fang

Kinderen als kunstwerk

door Cor Oliemeulen

De performancekunst van vader en moeder Fang heeft hun kinderen Annie en Baxter weinig goeds gebracht. The Family Fang laveert tussen subversief drama en zwarte komedie, maar laat de kijker gedeprimeerd achter.

Een klein jongetje loopt naar een baliemedewerkster van de bank en overhandigt haar een briefje met de tekst: ‘Blijf rustig, doe geen domme dingen en geef een lolly’. Zij lacht, geeft hem een lolly uit een glazen pot en wenst hem nog een prettige dag. Dan richt hij een pistool op haar en fluistert hij dat hij álle lolly’s wil. Een beveiliger van de bank aanschouwt het tafereel en schreeuwt: ‘Pistool!’ en stort zich op het jongetje, maar die heeft al een schot gelost. Op de grond ligt een vrouw met naast haar een meisje dat snikt: ‘Mama, niet doodgaan!’ Even later staat het viertal lachend op, alle aanwezigen in de bank compleet verbouwereerd achterlatend.

The Family Fang

Wereldberoemd in kleine kring
Welkom bij de familie Fang, performanceartiesten. Vader Caleb en moeder Camille waren in de jaren zeventig wereldberoemd in kleine kring met hun uitvoerende conceptuele kunst. Veel minder braaf en conventioneel dan het verborgen camera-programma Candid Camera verkenden de Fangs de spontane reacties van het publiek en de grenzen van het fatsoen. Performance als kunstvorm, met als doel mensen te verwonderen, te choqueren of intellectueel uit te dagen. Hun dochter Annie en zoon Baxter (hun ouders spraken hen aan met “A” en “B”) maakten meestal ongewild deel uit van de projecten van vader en moeder, maar verbraken op latere leeftijd het contact nadat zij jarenlang gebukt waren gegaan onder het narcistische gedag van hun opvoeders, die geen opvoeders waren.

Nu, enkele decennia later, volgt het weerzien van Annie (Nicole Kidman, die de film produceerde) en Baxter (Jason Bateman, die de regie op zich nam) met hun ouders, nadat laatstgenoemde door een onalledaags ongeluk in het ziekenhuis is beland. Met de komst van de sociale media en verstoken van de hulp van hun kroost bestaat de performancekunst van Caleb en Camille heden ten dage vooral uit dooddoeners en mislukkingen, kunst om kunst. Maar als de ouders plotseling zijn verdwenen en de politie aan moord denkt omdat er matchende bloedsporen zijn gevonden, vermoedt Annie dat Caleb en Camille het misdrijf in scène hebben gezet, terwijl Baxter het zich niet kan voorstellen dat hun ouders zich aan zo’n laaghartige streek schuldig zouden maken.

The Family Fang

Zoektocht naar de waarheid
Gedurende de zoektocht naar de waarheid zien en horen we flarden van de tol die hun ondoelmatige opvoeding heeft geëist. Een door middel van schakelen tussen heden en verleden in aanleg dramatische karakterstudie van een broer en zus (waarbij bovendien incest wordt gesuggereerd) komt niet goed uit de verf door een rommelig script en een niet gelukkige montage. Dat is jammer, want er wordt zeker niet slecht geacteerd en Christopher Walken is zelfs subliem in de rol van onbuigzame vader.

Caleb Fangs filosofie over wat wel en geen kunst is, is een origineel en interessant gegeven voor film, maar in zijn dogmatische denken verliest de vader elke sympathie bij de kijker, vooral omdat hij er geen geheim van maakt dat zijn kroost bijzaak is. Vergeleken met hem is de vader in The Royal Tenenbaums (2001) die een terminale ziekte veinst om weer in contact te komen met zijn disfunctionele familie, een heilige. The Family Fang begint veelbelovend met de ‘bankoverval’ en eindigt met een twist die schokkend, vergezocht en onzinnig tegelijk is. Misschien leuk in het boek, maar in deze verfilming voelt het ultieme project van Caleb en Camille als een wel heel dubieus geval van conceptuele kunst.
 

15 juli 2016

 
MEER RECENSIES

Manglehorn

***

recensie Manglehorn

Opgesloten in emoties

door Cor Oliemeulen

Manglehorn is typisch zo’n film die met een andere acteur zomaar zou kunnen mislukken. Al Pacino speelt een slotenmaker die al veertig jaar treurt om een vrouw die hem heeft verlaten.

Het idee voor Manglehorn ontstond in 2011 toen regisseur David Gordon Green bezig was met de voorbereiding van een Chrysler-commercial die halfweg de Super Bowl zou worden uitgezonden. Al Pacino was gevraagd om de auto aan te prijzen, maar hij haakte gedurende de onderhandelingen af (en werd vervangen door Clint Eastwood). Desalniettemin was er een klik tussen de regisseur en de acteur en Green beloofde Pacino dat hij hem binnen een jaar een interessant script (van Greens jeugdvriend en buurman Paul Logan) voor een speelfilm zou leveren.

Manglehorn

Geïsoleerd
Een jaar voordat Al Pacino in en als Danny Collins een flamboyant popidool op leeftijd zou neerzetten, verscheen hij dan ook in (en als) Manglehorn, ditmaal als een teruggetrokken slotenmaker in een Texaans stadje. Hoewel ook de slotenmaker een aardige babbel heeft, had het contrast tussen beide rollen bijna niet groter kunnen zijn, echter in beide gevallen is er sprake van een beladen verleden en een moeizame verhouding met een ongewenste zoon. Ditmaal is de zoon een egoïstische investeringsbankier (of is dat een pleonasme?) met wie hij noodgedwongen contact heeft als hij met zijn kleindochtertje wil gaan wandelen.

Net als in zijn vorige films, het droogkomische Prince Avalanche en het drama Joe, plaatst David Gordon Green zijn hoofdpersoon in een geïsoleerde setting. De slotenmaker opent sloten van klanten, maar heeft zelf iedereen buitengesloten. Hij eet in een buurtcafetaria en elke vrijdag maakt hij een praatje met Dawn (Holly Hunter), een baliebediende van de bank. Voor de rest vertoeft hij in zijn sobere huisje in het gezelschap van zijn kat (die ziek is na het doorslikken van een sleutel) en treurt hij om Clara, die hem veertig jaar geleden verliet.

Manglehorn

Minimalistisch
Het script van Manglehorn is (net als de soundtrack) minimalistisch: het wordt niet duidelijk waarom zijn grote liefde de benen nam en ook blijft het verleden van de slotenmaker gehuld in mysterie. Ook al weet de opdringerige pooier Gary (een rol van Harmony Korine van o.a. Spring Breakers) rond te bazuinen dat de slotenmaker vroeger zijn populaire honkbalcoach was, werkelijk niets kan het mijmeren over het verlies van diens grote liefde naar de achtergrond duwen. Dat heeft geresulteerd in het schrijven van ontelbare onbeantwoorde brieven aan Clara vol diepe emoties die hij aan geen enkele andere ziel kan uiten. Zelfs als hij schoorvoetend heeft toegestemd om met de veel jongere Dawn een hapje te gaan eten, praat hij alleen maar over hoe geweldig Clara was.

Hopelijk kan de rustige, verliefde Dawn de slotenmaker uiteindelijk van zijn roze wolk trekken en hem zijn levenslust in het hier en nu teruggeven, want als iemand met minder acteertalent en uitstraling als Pacino zo’n lang verloren liefde voortdurend op een voetstuk zou plaatsen, zou dat op den duur wel heel erg gaan irriteren. Manglehorn is als het ware het omgekeerde van Hal Ashby’s klassieker Harold and Maude (1971), waarin een depressieve jongeman zijn levenslust terugvindt bij een veel oudere dame. Hoewel minder boeiend is Manglehorn een oprecht klein drama over twee verloren zielen die je al het geluk van de wereld gunt.
 

11 juli 2016

 
MEER RECENSIES

Neon Demon, The

****

recensie The Neon Demon

De zucht naar nep

door Alfred Bos

In een wereld waarin mensen zich gedragen – en worden behandeld – als objecten is de empathie verdwenen, maar vieren primaire emoties als lust en jaloezie hoogtij. De Deense regisseur Nicolas Winding Refn kent geen genade.

In de visie van de Britse schrijver J.G. Ballard, auteur van het boek waarop High-Rise is gebaseerd, leven we in een wereld waarin de gescripte werkelijkheid van de media de realiteit van atomen en natuurwetten, van toeval en de dood, heeft vervangen. De dagelijkse blootstelling aan virtuele versies van de echte wereld zorgt voor verwarring en vervreemding, een door media geïnduceerde psychose waarin de waan niet meer van de werkelijkheid wordt onderscheiden. Ons bewustzijn is gekaapt door reclame.

The Neon Demon

Aldus leven we zonder het te beseffen in twee werelden tegelijk, de fysieke wereld en die van onze gemanipuleerde verbeelding. In The Neon Demon neemt de Deense regisseur Nicolas Winding Refn, de man van Drive en Only God Forgives, die schizofrenie op de korrel met een overgestileerde, surrealistische en gitzwarte tragikomedie, gesitueerd in het modemilieu van Los Angeles.

Magisch denken
The Neon Demon is gegoten in een provocerende mengvorm van David Lynchs droomlogica en giallo, Italiaanse cult-horror uit de jaren zeventig. Qua toon en thematiek is de film verwant aan David Cronenbergs Maps to the Stars en Paul Verhoevens Showgirls, maar dan bevangen door de geest van Markies de Sade. Refn gaat necrofilie (seks met lijken) en kannibalisme niet uit de weg. Zijn methode: hij presenteert het figuurlijke als letterlijk. De waan is de werkelijkheid geworden, schoonheid een fetisj. Magisch denken met een chirurgiemes.

Jesse (een sterke rol van Elle Fanning) is kort na haar zestiende verjaardag als wees vanuit de provincie naar LA verkast om haar ongerepte schoonheid te exploiteren als model. Ze heeft geen enkel talent maar ze is mooi, zegt ze over zichzelf, terwijl ze slaapwandelt door een piranhapoel. Ze logeert in een ranzig woonblok in Pasadena, het Osdorp van LA, en we leren haar kennen via een fotoshoot waarin een lijk oogt als een pop, het is Jesse. Refn is vanaf de eerste seconde glashelder over haar lot en in de twee uur die volgen wordt de onschuld stap voor stap gecorrumpeerd, opgevreten door de waan.

Lippenstift
Ogen en spiegels zijn de meest prominente motieven van de surrealistische filmers en schilders van de twintigste eeuw (Buñuel, Cocteau, Dalí, Magritte) en Refn zet ze volop in. Hij voegt daar een fallisch schoonheidsattribuut aan toe, de lippenstift. In een huiveringwekkende scène kort na het begin van de film staat Jesse op het damestoilet van een bondagefeest, het blijkt een haaientank.

Ze is daar met Ruby (Jena Malone), een iets oudere visagiste die een oogje op haar heeft. Terwijl Ruby haar lippen stift verschijnen haar vriendinnen, Gigi (Bella Heathcote) en Sarah (Abbey Lee), verveelde modellen voor wie cosmetische chirurgie ‘gewoon goede verzorging’ is.

Het gesprek gaat over lippenstift: waarom hebben de verschillende kleurtinten altijd namen die verwijzen naar voedsel of seks? Jesse weet het niet, ze is – in de woorden van Ruby – een hert met grote ogen dat is bevroren in het licht. Wat ben jij, willen Gigi en Sarah van Jesse weten, voedsel of seks? Jesse is nog maagd. Drie keer raden hoe het afloopt.

The Neon Demon

Overstilering
Nu ons bewustzijn is gekoloniseerd door media, is alleen het onderbewustzijn nog van onszelf. Dromen zijn het product van dat onderbewustzijn en Refn laat Jesse in haar slaap een extreem onaangename verkrachting door haar botte huisbaas (Keanu Reeves) beleven. Die gebruikt een mes, Refns vierde motief, wederom fallisch. De droom waarschuwt haar voor de werkelijkheid, maar het voorval drijft haar in de armen van vrouwtjesroofdier Ruby. In Ruby’s domein verliest Jesse definitief haar naturel en is haar lot bezegeld. Het is geen toeval dat ze wordt belaagd met keukenmessen.

Refns portret van de zucht naar nep – en de gekmakende jaloezie op de niet-maakbare authenticiteit van het natuurlijke – is verbeeld via een overmatig gestileerd hyperrealisme waarin textuur en kleur domineren. Die overstilering is de neon duivel uit de titel: het is kunstmatig, het is zielloos en het verdoemt. Het laatste shot toont de zilte leegte van Death Valley.

The Neon Demon roept een breed scala aan emoties op, maar ‘feel good’ hoort daar niet bij. Je kunt de film walgelijk vinden, of briljant, zelfs geniaal. Dat is hij geen van beiden, het is een zedenpreek over verdorven deugd. Deze spiegel toont een zwart gat, de aars van de duivel. Lars von Trier zal aan het banket van de Deense Oscars een stoel moeten opschuiven.
 

10 juli 2016

 
MEER RECENSIES

Purge: Election Year, The

***

recensie The Purge: Election Year

Bloedige strijd om presidentschap

door Wim Meijer

 

The Purge uit 2013 kostte 2,8 miljoen dollar, hetgeen een schijntje is in de filmindustrie. Vrijwel direct kreeg regisseur James DeMonaco een telefoontje van Universal om de tweede film te gaan maken. Niet vreemd, want The Purge leverde wereldwijd bijna negentig miljoen dollar op, gezien het budget een monsterbedrag. The Purge: Anarchy verscheen een jaar later en leverde 111 miljoen dollar op met een productiebudget van negen miljoen dollar. Dat vinden filmstudio’s leuk. Nu verschijnt het derde (en laatste?) deel van de franchise.

 The Purge: Election Year

Geld is echter niet de enige reden dat deze films gemaakt worden. DeMonaco werkt zijn genrefilms namelijk goed uit, vult ze subtiel en minder subtiel met eigen ideeën en tilt zo de B-film naar een hoger plan. Daarnaast spreekt het concept een groot publiek aan, zo bleek. De film draait om de Amerikaanse samenleving waarin eens per jaar een wetteloze nacht – Purge Night – plaatsvindt. Alles dat normaal per wet verboden is, is toegestaan. Het gevolg: totale chaos, een enorm bloedbad, een hoop gore, maar ook naakt, fascisme, extreem geweld en andere factoren die kenmerkend zijn voor het genre. Dit alles wordt grafisch verfilmd met vooral handheld camerawerk.

Moord om snoep
In The Purge nam Ethan Hawke het op tegen een stel moordlustige loonies, The Purge: Anarchy trok de horror naar een breder plan in de straten van Los Angeles en in dit deel verhoogt DeMonaco de inzet nog maar eens. Waar in vorige films mensen als senatoren immuun waren (toch geen volledige anarchie dus), is dit nu jaar niet meer het geval. Dat is slecht nieuws voor Senator Charlie Roan (Elizabeth Mitchell) die zich kandidaat heeft gesteld voor het presidentschap, met als speerpunt van haar verkiezingsprogramma het afschaffen van de purge. Aan Leo Barnes (Frank Grillo) de taak om de senator in leven te houden. Hij krijgt daarbij hulp van een groep zwarte vigilantes die gewonden verzorgen tijdens de purge en een Mexicaanse snoepverkoper.

The Purge: Election Year borduurt vooral voort op de bestaande franchise. Wederom verschijnt een lading gestoorde karakters ten tonele, zoals twee zwarte, schaars geklede dames die snoep stelen, worden gepakt en vervolgens besluiten de eigenaar van de snoepwinkel om te leggen. Het zijn dit soort gedachtekronkels waar menigeen van zal gruwelen en waar anderen zich aan verlekkeren.

 The Purge: Election Year

Politieke statements
Naast moordzuchtige maniakken, al dan niet religieus, verwerkt James DeMonaco andere elementen in zijn film. Schrikeffecten bijvoorbeeld – bijzonder effectief met al die mafkezen. Lachwekkend zijn de moordtoeristen, fascistische Scandinaviërs die speciaal voor deze nacht naar Amerika afreizen. Onder hen zit Earl Danzinger (Terry Serpico), een commando die met zijn eenheid de opdracht van Roach politieke tegenstanders krijgt om Amerika te zuiveren van het kwaad. Dat is mooie taal van politiek zwaargewicht dominee Edwidge Owens (Kyle Secor), waarmee hij niets meer bedoelt dan het vermoorden van senator Roach.

Met het derde deel in de Purge-franchise verwijst DeMonaco wederom veelvuldig naar de Amerikaanse samenleving. Racisme is daar aan de orde van de dag, tegenwoordig zelfs op het hoogste niveau. Dat het verkiezingstijd is, is ook geen toeval. DeMonaco schreef het script afgelopen jaar. Dat juist een groep zwarte mensen en een Mexicaan senator Roach beschermen tegen moordlustige invloeden is niet eens een hint meer te noemen, maar naast wat politieke statements is het vooral genieten van een geslaagde, cynische B-film.
 

3 juli 2016

 
MEER RECENSIES

High-Rise

****

recensie High-Rise

Rumoer in het paradijs

door Alfred Bos

High-Rise is na Crash en The Atrocity Exhibition de derde dystopische roman van de Britse auteur J.G. Ballard die is verfilmd. Futuristische hoogbouw staat model voor de verzorgingsstaat. Daar breukt de pleuris uit.

De jaren zeventig waren volgens de lifestyle-adepten van toen één groot feest. De Engelse auteur J.G. Ballard – en hij niet alleen – dacht daar anders over. In zijn in 1975 verschenen roman High-Rise gebruikt hij een monsterlijk monument van modernistische architectuur, een giga-torenflat, als metafoor voor de Britse klassenmaatschappij. Het is geen vrolijk oord, al wordt het geadverteerd als de kroon op de verzorgingsstaat.

Regisseur Ben Wheatley werd in kringen van liefhebbers een cultregisseur dankzij enkele lowbudgetfilms die de meer donkere kanten van de mens belichten. In Kill List (2011) en A Field in England (2013) zijn het geweld bruut, de handeling quasi-verstandelijk maar in feite irrationeel en de personages zelfdestructief. Daarmee lijkt hij geknipt voor de verfilming van Ballards kritische kijk op de samenleving, al leek High-Rise lange tijd een onverfilmbaar boek. Wheatley’s idool Nicolas Roeg probeerde het, maar brak het project af. Dat hoorde Wheatley pas nadat hij zijn film had voltooid. Maar goed ook, want anders had hij het nooit aangedurfd, liet hij weten.

High-Rise

Grand guignol
High-Rise is zo lastig verfilmbaar omdat Ballard in zijn roman uitgebreid de sociale structuur en logistieke inrichting van de gigaflat beschrijft. Dat kan natuurlijk niet op een filmdoek en Wheatley lost het probleem op door de kijker plompverloren in het verhaal te storten en de context via dialoog en sleutelscènes op te dienen. Daarmee sluit hij de deur naar het mainstream-publiek, maar beloont de toeschouwer die bereid is zijn grijze massa te activeren. Die krijgt voor zijn inspanning een bijtende satire met enkele grand guignol-momenten, een aantal situaties die zo absurd zijn dat het zwart komisch wordt en een prachtig voorbeeld van geweldsesthetiek. Plus een bloedsterke soundtrack, met onder meer krautrock-acts Amon Düül, Can en Gila.

Ook te horen is ABBA’s SOS in twee nieuwe, afwijkende arrangementen; de versie van Portishead zelfs tweemaal. Hun tot op het bot uitgebeende, als de klacht van een geest klinkende cover past de film als een huid. Ook geslaagd is Wheatley’s keuze om het verhaal, dat in 1975 als sciencefiction werd beoordeeld, niet te verplaatsen naar de actualiteit van nu. Juist omdat de kern van Ballards boodschap – de verzorgingsstaat is ontaard in een zielloze nachtmerrie – voor een flink deel werkelijkheid is geworden, werkt de ironie des te krachtiger door de toekomst als het verleden te presenteren. Margaret Thatcher moest nog komen.

Betonnen sarcofaag
De Britse steracteur Tom Hiddleston – hij is de gedroomde nieuwe Bond – speelt Robert Laing, een arts en docent die een appartement heeft gekocht in een modernistisch woonblok in een Londense buitenwijk (Wheatley vond zijn locatie in Noord-Ierland). De eerste van de vier betonnen monsters is net opgeleverd en raakt bewoond, de andere drie zijn nog in aanbouw. De flat is voorzien van alle gemakken die het moderne leven biedt, supermarkten en zwembaden. De bewoners zijn in feite losgesneden van de wereld, hun betonnen sarcofaag is een universum op zich. De architect van het monstrum, Anthony Royal (Jeremy Irons), woont in het penthouse, waar zijn veel jongere vrouw op een wit paard rijdt door een daktuin zo groot als twee voetbalvelden.

High-Rise is een allegorie, het leven in de flat is gelaagd. Dicht bij de begane grond woont het plebs, daarboven de gegoede middenklasse waartoe Laing behoort en op de bovenste verdiepingen houdt de upperclass zich schuil. Laings buurvrouw Charlotte (Sienna Miller) is het type assertieve mannenverslindster, maar de werkelijke held van het verhaal is zijn andere buur, Richard Wilder (Luke Evans), een wrokkige documentairemaker die als eerste door heeft dat er iets grondig scheef zit.

High-Rise

Unheimische sfeer
Wat volgt is een excursie naar totale anarchie, de verzorgingsstaat verkruimelt door verkeerde keuzes. Het volledig verzorgde en gecontroleerde droomleven ontaardt langzaam in een nachtmerrie waarin overleven centraal staat. Niet alleen laat de techniek de bewoners in de steek, dat doen ook hun medebewoners én de autoriteiten. Het kantelpunt is een zelfmoord, door Wheatley in ultra-slomo gebracht als geweldchoreografie.

Perfect is Wheatley’s versie van Ballards boek niet, daarvoor wordt de omslag van orde naar anarchie te onsamenhangend gebracht. Maar aan beide zijden van die lijn is hij sterk in vorm. De tot in perfectie geregisseerde (schijn)orde van het gebouw is dwangmatig en Wheatley zet de unheimische sfeer raak neer. Wanneer de remmen los zijn blijkt dat de regisseur van Kill List en A Field in England heeft geleerd en brengt hij cynisme en surrealisme fraai in balans.

Blijf vooral zitten tot het allerlaatste shot, want daarin deelt deze inktzwarte komedie het idee van een maakbare wereld de nekslag toe. De ironie van het leven wil dat High-Rise in Nederland gaat draaien in de week na het Brexit. Life imitates art, Wheatley wordt op zijn wenken bediend.
 

18 juni 2016

 
MEER RECENSIES

Race

**

recensie Race

Marathon zonder kleur

door Cor Oliemeulen

Jesse Owens is een van de meest aansprekende atleten uit de geschiedenis. Met zijn vier gouden medailles op de Olympische Spelen van 1936 in Berlijn zette hij Adolf Hitler met zijn idee over het superieure Arische ras finaal te kakken. Hoog tijd voor een biografisch drama.

Race neemt ruim de tijd om zowel het unieke sporttalent in het zonnetje te zetten als het gekonkel over een eventuele Amerikaanse boycot uit solidariteit met de door de nazi’s onderdrukte joden op te tekenen. Maar zelfs 134 minuten blijken te weinig om enige nuance in deze zwart-wit registratie aan te brengen, waarmee de hapklare brok zich veilig op het grote publiek richt. Met soms wat digitale beeldeffecten zodat we ons terug in de tijd wanen, midden in de sportarena.

Race

Het grote manco van Race is karakterontwikkeling. Een filmdrama dat men biografie durft te noemen, zou op zijn minst een paar keer diep op de persoonlijke beleving en omstandigheden van de hoofdrolspeler moeten ingaan. Het feit dat de stevige roker Jesse Owens in de film nooit met een sigaret is te zien en dat het sporticoon op zijn zesenzestigste zou overlijden aan een agressieve vorm van longkanker, hoeft weliswaar weinig betoog, want dat is minder van belang dan de verhouding met zijn vader, zijn vrouw, de blanke atleet en zijn trainer (Jason Sudeikis in een serieuze rol). Voor elke relatie heeft het scenario een paar gemeenplaatsen en volzinnen paraat en de kijker hoeft zich geen moeite te getroosten deze verhoudingen verder in te kleuren.

Sprint
Ook wanneer de stugge Avery Brundage (Jeremy Irons) namens het Amerikaanse Olympische Comité wordt afgevaardigd om met nazipropagandaminister Joseph Goebbels te onderhandelen over deelname is het beeld stereotiep. Terwijl de Amerikaan naar de plaats van afspraak wordt gereden, ziet hij in één minuut het actuele Jodenleed aan zijn oog voorbijtrekken: leuzen, marcherende soldaten en natuurlijk wordt er precies op dat moment een joodse familie vanuit het huis in een legertruck gemanoeuvreerd en afgevoerd.

Carice van Houten had ook een beter lot verdiend. Zij kwijt zich prima van haar taak om de eigenzinnige en feministische kant van documentairemaakster Leni Riefenstahl uit te beelden, maar wordt regelmatig dwars gezeten door de haastige spoed van regisseur Stephen Hopkins die deze neiging mogelijk heeft overgehouden aan zijn jarenlange productie van tv-series (24, House of Lies, 24: Legacy). Riefenstahl heeft de opdracht een propagandafilm over de Olympische Spelen van 1936 te maken en conflicteert enkele malen met Goebbels. De regisseuse wil 45 camera’s in het Olympisch stadion en geen enkele restrictie. Goebbels: “Het zijn míjn Spelen!” Riefenstahl: “Het is míjn film! Zonder mijn film zullen uw Spelen volgend jaar vergeten zijn.” (Ze zou gelijk krijgen: haar tweedelige documentaire Olympia uit 1938 geldt ook nog in 2016 als artistiek sterk en historisch waardevol.)

Race

Kapstok
Verder dan terechte bewondering voor de atleet Jesse Owens komt Race nauwelijks. Zijn optreden op een atletiekwedstrijd op 25 mei 1935 in Michigan leverde een ongeëvenaarde sportprestatie op: drie wereldrecords in drie kwartier tijd (200 yards, 200 yards hordelopen en verspringen). Maar zijn prestaties op de baan overvleugelen spijtig genoeg zijn karakterontwikkeling. Dus kan het zomaar gebeuren dat het belangrijkste personage, zeker niet onsympathiek vertolkt door de Canadese acteur Stephan James in zijn eerste hoofdrol, in feite wordt gemarginaliseerd als bijrol – een kapstok om de politieke en maatschappelijke discussie over wel of geen boycot van de Olympische Spelen aan op te hangen. Gelukkig verschijnt er op de valreep nog wel een dik uitroepteken achter de Amerikaanse hypocrisie: wel begaan met de overzeese Jood, maar ondertussen ongegeneerd doorgaan met stelselmatige discriminatie van de eigen zwarte burger – zelfs van Olympisch kampioen Jesse Owens.

Het verschrikkelijk afgezaagde liedje onder de aftiteling onderstreept de oppervlakkigheid van Race, dat met de erg voor de hand liggende titel (‘race’ betekent zowel ‘wedstrijd’ als ‘ras’) sowieso niet in aanmerking komt voor de originaliteitsprijs. Met het jankerige deuntje en strofes als ‘Let the games begin, let the best one win’ zou zelfs een finaleplaats op het Songfestival nog hoog gegrepen zijn. Op de redactie van Indebioscoop zouden we Race bestempelen als ‘pizza-film’: een cinematografisch tussendoortje zonder kraak of smaak. Hap, slik, weg.

 

16 juni 2016

 
MEER RECENSIES

Liza, the Fox-Fairy

****

recensie Liza, the Fox-Fairy

Dodelijk sprookje

door Ralph Evers

Liza, the Fox-Fairy is de eerste lange film van Károly Ujj Mészáros. Een sprankelende mix van humor, romantiek, folklore en dodelijke danspasjes. Een sprookje met een donker randje.

Het zomerseizoen staat vaak garant voor blockbusters. Om de bioscoopganger met het heerlijke weer, de koude witbiertjes, de goede Chablis, de zomerse jurkjes en die ontspannen reis in het verschiet toch nog naar de bioscoop te lokken bedenkt men films als Star Trek: Finalest Contact, Spiderman vs Garfield en Godzilla’s Grandpa. Films die het equivalent zijn van derdegraads brandwonden. Gelukkig zijn er alternatieven. Liza the Fox-Fairy is daar één van.

Liza, the Fox-Fairy

Liza werkt als verpleegkundige en verzorgt de oude weduwe die een passie voor Japan heeft. Liza is een arme vrouw, die een sober bestaan leidt. Haar vurigste wens is om op haar dertigste de ware te vinden. Ze heeft zich echter te houden aan het strakke juk van de weduwe. Haar enige andere contact is dat met de geest van een Japanse popzanger, Tomi Tani. Liza heeft de gave met deze Tomi te kunnen communiceren. Hij helpt haar zich minder eenzaam te voelen, maar haar verlangen naar een partner blijft. Wanneer ze dertig wordt krijgt ze een paar uur vrij van haar werkgeefster. In de hoop haar ware te vinden gaat ze naar het gehypete burgerrestaurant (Mekk-burger) in de buurt. Ondertussen blijken de onschuldige liedjes van de Tomi een levensgevaarlijke uitwerking te hebben op een ieder die Liza wel ziet zitten als partner.

Jeunet en Kaurismäki
Na een reeks verdachte sterfgevallen in Liza’s omgeving wordt de zonderlinge detective Zoltán op de zaak gezet. Evenals de slachtoffers verblijft Zoltán langere tijd in de buurt van Liza. Met gevaar voor eigen leven, verslaafd aan Finse rock-’n-roll en onverstoorbaar in zijn onderzoek trotseert hij aanslag na aanslag.

Een goed uitgewerkt gegeven in dit verder romantische sprookje is de typering van de verschillende personages. Met slechts enkele penseelstreken en spitsvondige details weet Mészáros zijn karakters te passen binnen het kader van zijn gestileerde sprookje. Hij werkt veel met contrasten, zoals dood en romantiek. Overdreven karikaturen van maatschappelijke misfits en ernst tegenover running gags. Anachronisme in zowel de Japanse folklore, die zich in vroegere tijden gesitueerd weet, tegenover een Hongarije dat nog het meest op het Amerika van de jaren zestig en zeventig lijkt. De romantische insteek van deze film zal veel mensen doen denken aan Amélie van Jeunet.

Liza, the Fox-Fairy

Het kleurenpalet verdient ook vermelding. Die stilering doet denken aan het werk van eerder genoemde Jeunet, Wes Anderson en Kaurismäki. De verwijzing naar de Fin is prominenter aangezien in de muziekkeuze van de detective, de rock-’n-roll van Marko Haavisto, een directe verwijzing naar de The Man Without a Past van Kaurismäki uitgaat. De contrasten geven de film extra cachet en houden hem mysterieus en geven een licht surreële feel. Daarin valt de donkerte en onvoorspelbaarheid van Buñuel en Lynch te herkennen.

Japan
Opvallend is de prominente aanwezigheid van Japanse folklore. Dit staat haaks op het Hongaarse theaterstuk waar Liza Rókatünder op gebaseerd is. De aanwezigheid ervan kan verklaard worden uit de liefde voor Japanse cultuur van regisseur Mészáros. Door de absurde toon die de film aan het begin zet, met de dansende Tomi, Liza als wereldvreemd meisje dat kan communiceren met geesten en een eerder kapitalistisch, dan communistisch Hongarije in de jaren zestig. Tal van vervreemdende elementen die Mészáros vooral vindt in de Japanse cultuur. Zo komt de film weg met haar donkere randje, haar surreële verhaallijn, haar sprankelende humor en onalledaagse personages. Alsof je als kijker zelf ook even betoverd raakt en heerlijk ondergedompeld wordt in de fantastische wereld die film te bieden heeft.
 

25 juni 2016

 

Ga snel naar onze Facebookpagina en maak kans op 2 vrijkaartjes!

 

MEER RECENSIES

Man die Ove heet, Een

**

recensie Een man die Ove heet

Zweedse zoetigheid

door Damian Uphoff

Als regisseur Frank Darabont (Shawshank Redemption, The Green Mile) ergens een verloren Zweedse broer zou hebben, zou hij bij de naam Hannes Holm gaan. Met Een man die Ove heet schuwt deze regisseur het namelijk niet om uit te pakken met een clicheetje of twee en een flinke dosis sentiment.

Hannes Holm is een naam die waarschijnlijk niet veel belletjes doet rinkelen. Ondanks zijn redelijk grote oeuvre gooiden weinig van zijn films hoge ogen bij zowel de critici als het publiek.

Met zijn nieuwste speelfilm Een man die Ove heet, gebaseerd op het gelijknamige boek van Fredik Backman, zet hij zichzelf wat meer in de schijnwerpers, want de film is een echte allemansvriend. Iets wat zowel positief als negatief op te vatten valt, maar in dit geval neigt naar het tweede. Een man die Ove heet mag dan Zweeds zijn, in alle opzichten heeft het meer weg van een Hollywoodfilm.

Een man die Ove heet

De knorrepot van de wijk
De 59-jarige Ove staat bekend als de oude chagrijn van de buurt. Na enkele jaren geleden te zijn afgezet als voorzitter, ziet hij het als taak om de orde in de buurt te handhaven. Zanikend op alles en iedereen is hij niet bepaald het zonnetje in huis. Op een dag trekken de zwangere Parvaneh en haar gezin in bij de woning tegenover Ove. Aanvankelijk moet Ove niets van de iets té opgewekte Parvaneh hebben, maar gaandeweg ontstaat er een vriendschap tussen de twee. Het komt zelfs zover dat Ove zijn levensverhaal aan haar vertelt, waarin duidelijk wordt hoe de oude querulant geworden is zoals hij nu is.

Aanvankelijk primeert vooral de lekkere droge humor, die bij Scandinavische films wel vaker aanwezig is. Lassgård heeft dan ook de perfecte norse tronie om een personage als dit te vertolken. De steeds mislukkende zelfmoordpogingen van Ove zijn goede voorbeelden. Het duurt echter niet lang voordat het verhaaltje de kop opsteekt. Aan de hand van flashbacks komt Ove’s verleden centraal te staan. Een verleden dat nogal wat ups en downs kent, want Ove heeft opeenvolgend zijn vader dood zien gaan, is zijn huis kwijtgeraakt, en heeft zijn vrouw verloren. Door de overdramatische toon voelen deze momenten gekunsteld aan en hebben ze niet het beoogde ontroerende effect.

Een man die Ove heet

Plastiek
Na een hoop opgeblazen misère doet het feelgood gedeelte intrede, waarin Holm het helemaal bont maakt. Het slotstuk van de film is gelardeerd met zo’n dikke laag suiker dat je je afvraagt waarom de cast er niet in wegzonk. Behalve de hoofdpersoon zijn de personages karikaturen die slechts het sentiment dienen te ondersteunen. Dit alles bijgestaan door een bombastische, kitscherige soundtrack zorgt ervoor dat het geheel eerder walging dan emotie op weet te wekken. De komische input zorgt soms voor een relativerende noot, maar toch resteert na afloop het gevoel alsof je een veel te zoete suikerspin door de strot geduwd werd, en je het liefst snel een douche wilt nemen om alle klefheid van je af te spoelen.

Er zal vast wel publiek te porren zijn voor Een man die Ove heet. Sentimentele films als The Green Mile, waar deze film wat van wegheeft, doen het niet voor niets zo goed in diverse toplijsten. Maar wiens maag niet bestand is tegen een stevige klodder melodrama kan deze mierzoete film beter links laten liggen.
 

20 juni 2016

 
MEER RECENSIES