Logan Lucky

*****

recensie Logan Lucky

Die kunstarm, oh, die arm!

door Alfred Bos

Ieder seizoen heeft een perfecte genrefilm te bieden en dit jaar is dat Logan Lucky. Tegen zoveel vakmanschap, vernuft en regelrecht plezier steekt het gros van het actie-aanbod magertjes af.

Fans van Steven Soderbergh kunnen opgelucht ademhalen. Na vier jaar filmstilte – en twee seizoenen van de in Nederland via Netflix vertoonde tv-serie The Knick – is de regisseur die actie, drama en humor moeiteloos weet te mengen terug van niet echt weggeweest. Logan Lucky is Soderbergh uit het boekje: sterke ensemblecast, intelligent script, gortdroge humor en een met achteloze flair gevisualiseerd verhaal, inclusief soundtrack van David Holmes (en een paar rockklassiekers, waaronder Brainbox’s Down Man). De film haakt handig in op de populariteit van het Fast & Furious-gejakker met snelle auto’s.

Logan Lucky

Het genre van de heist-film past Steven Soderbergh als – het is hier gepaste beeldspraak – een handschoen, zie Out of Sight en de Ocean’s-trilogie. Het geeft hem de gelegenheid het ondeugende jongetje te zijn dat er ook schuilt in de regisseur van onversneden drama als Erin Brockovich, Traffic en Che. Vileine humor was een hoofdbestanddeel van zijn voorlaatste, de biopic Behind the Candelabra uit 2013 over entertainmentlegende en gay icoon Liberace, en humor is het ingrediënt dat het misdaaddrama rond twee broers en een zus, gemarginaliseerde sloebers in het zuiden van Amerika, tot ijle hoogte verheft. Logan Lucky toont de verarmde onderklasse tegenover de glamour van Ocean’s 11. Het is een Ocean’s 7-11, zoals iemand in de film opmerkt.

Simpel, maar niet dom
Logan Lucky heeft in twee uur speeltijd zoveel te bieden dat één moment van afleiding, bijvoorbeeld om de tranen uit de ogen te vegen na een sublieme grap rond een kunstarm, de kijker in turbostand zet, want de plot is ook niet misselijk. En je moet wel opletten om die te kunnen volgen. De film is een fijntjes uitgebalanceerde cocktail van groteske grand guignol-effecten en geslepen list rond karakters die in hun karikaturale uitvergroting bovenal herkenbaar menselijk blijven. Iedereen kent wel een paar van de types die in Logan Lucky rondlopen. Soderbergh geeft hen charme.

Logan Lucky

Channing Tatum en Adam Driver spelen de broers Jimmy en Clyde Logan, schooiers in het boomrijke West-Virginia. Ze worden geplaagd door de familievloek, aldus Clyde, die in Afghanistan zijn linkerarm (linkeronderarm, aldus Clyde) verloor en nu achter de bar van wegcafé Duck Tape staat. Jimmy, voormalig football-ster, is vanwege een oude blessure ontslagen als bouwvakker. Zijn ex Bobbie Jo (Katie Holmes) is hertrouwd met een rijke onbenul genaamd Chapman en zus Mellie (Riley Keough) past in haar kapsalon op zijn dochtertje Sadie (Farrah Mackenzie).

Jimmy is simpel, maar niet dom. Hij gebruikt zijn kennis van de bouwplaats onder de Charlotte Motor Speedway, een racebaan in het nabij gelegen North Carolina, om een onmogelijk plan op te zetten. De buit is de kas van de populairste race van het jaar. Daarvoor is brandkastkraker Joe Bang (Daniel Craig) nodig, maar die zit in de bak. Dus bedenkt Jimmy een tweede plan om Bang ongemerkt uit en vervolgens weer in het gevang te krijgen.

Wc-brilwerpen
Logan Lucky haalt zijn spanning uit de verwikkelingen rond het opzetten en uitvoeren van de kraak, een complexe en originele, geheel naar de situatie toegesneden operatie. De humor komt uit de personages en hun inborst: Clyde neemt alles letterlijk, Mellie heeft een messcherpe tong en Bang is een meesterdief oude stijl, bruut maar eervol. En uit het contrast tussen de drie families waar de plot om scharniert: de intrigerende Logans, de Chapmans die zonder het te beseffen deel zijn van het plan, en de criminele Bangs. Joe’s jongere broers Fish (Jack Quaid) en Sam (Brian Gleeson) zijn archetypische rednecks, niet bijster snugger en gevaarlijk onvoorspelbaar. Ze weten iets van computers, zeggen ze.

Logan Lucky

Het script – van de volkomen onbekende Rebecca Blunt, een pseudoniem – zet de Amerikaanse provincie neer als een bolwerk van vlagvertoon en debiel vermaak: op de kermis onderhoudt men zich met kreefthappen en wc-brilwerpen. Maar ook digitale technologie krijgt een veeg: Jimmy is slim genoeg om van het internet weg te blijven, zodat FBI-agente Sarah Grayson (Hilary Swank) wel vermoedens maar geen bewijzen heeft. Bovendien is er nóg een twist. En een happy end, want boven alles is dit een geraffineerde feel good-film.

En zo heeft Logan Lucky alles: personages, intrige, spanning, actie, humor en sociale satire, fraai gevisualiseerd. De sociaal-kritische ondertoon is vergelijkbaar met High or Hell Water, de perfecte genrefilm van het vorige seizoen, ook over twee broers: gemangelde arbeiders pakken de bovenklasse terug. De film telt een aantal hilarische scènes, zoals de onderhandelingen tussen de opstandige gevangenen en de directeur over de Game of Thrones-boeken in de gevangenisbibliotheek, en natuurlijk de scène met de kunstarm. Oh, die arm, een betere filmgrap is er dit jaar niet te zien geweest.
 

22 augustus 2017

 
MEER RECENSIES

Only Living Boy in New York, The

*

recensie The Only Living Boy in New York

Toiletwaardige hattrick met walgelijk coming-of-age drama

door Vincent Hoberg

Het leven van een opgroeiende blanke jongeman in een grote Amerikaanse stad kan óók best lastig zijn, ondanks die stinkend rijke pa en een vrachtwagen vol privileges. Tenminste: als we Marc Webb’s The Only Living Boy in New York mogen geloven. De film is pure ellende en de schuld ligt niet bij de regisseur. Screenwriter-from-hell Allan Loeb scoort een toiletwaardige hattrick met dit walgelijke coming-of-age drama.

Er zijn duizenden bars en restaurants in Los Angeles, het hart van de Amerikaanse filmindustrie, en daar werken vrijwel geen professionele obers, barmannen of afwassers. Want eigenlijk willen ze bijna allemaal maar één ding: werken in Hollywood. Als acteur vooral, of als screenwriter. In menig bureaula van de stad der Engelen ligt een manuscript te verstoffen en dat zal waarschijnlijk nooit verfilmd worden, al is het nog zo geniaal.

The Only Living Boy in New York

Daarom stemt het extra droef dat er werkende scenaristen bestaan als Allan Loeb die jaar in, jaar uit hun rotzooi op de – inmiddels niet meer zo – nietsvermoedende wereld mogen loslaten. In een tijdspanne van twee (!) jaar vonden drie scenario’s van deze flutschrijver hun weg naar de bioscoop: het abominabele misbaksel Collateral Beauty, het sentimentele prul The Space Between Us en nu The Only Living Boy in New York. Het is de voorlopige kroon op zijn immer groeiende mesthoop en dat is een prestatie, gezien het niveau van die andere twee films.

High Five met een baksteen
Het leven is hard voor Thomas Webb (Callum Turner), althans dat vindt hij zelf. Als New Yorkse twintiger, die na zijn afstuderen het dure huis van zijn ouders heeft ingeruild voor een klein appartementje aan de Lower East Side, brengt hij zijn dagen door met verliefd zijn op platonische vriendin Mimi (Kiersey Clemons), en zeuren over, nou ja, alles eigenlijk. Al na tien minuten in de film wil je het vervelende ventje highfiven met een fikse baksteen en is het volkomen duidelijk waarom Mimi de boot heel erg ver afhoudt. Maar goed, het is nog vroeg in het verhaal en ach, is iedereen niet een beetje zo op die leeftijd? Door met frisse moed, want daar is Jeff Bridges!

Bridges, de man die in een rol zelfs de meest gruwelijke dictator nog sympathie zou kunnen meegeven, duikt op als W.F., de nieuwe buurman van Thomas en hij begint een – vooralsnog – onbegrijpelijke vriendschap met de oninteressante zeurpiet. Knap irritant, zeker wanneer de mysterieuze dronkaard zijn buurjongen van levenslessen gaat voorzien over zijn onbereikbare liefde, samen te vatten als: ‘Trek het je niet aan jongen, vrouwen op die leeftijd doen nou eenmaal moeilijk.’ Jeff Bridges doet badinerend over vrouwen, het kan-het-nog-erger?-alarm mag officieel af en we zijn nog geen half uur op weg.

The Only Living Boy in New York

Mislukte masturbatiefantasie
Het komt daarna niet meer goed met The Only Living Boy in New York, laat dat maar aan Allan Loeb over. Met droge ogen serveert hij ons een plot waarin Thomas ontdekt dat zijn vader (Pierce Brosnan) een affaire heeft met ene Johanna (Kate Beckinsale). Hij gaat haar dagenlang stalken en als beloning belandt Thomas bij haar in bed. Want dat kan in het universum van Loeb: timide twijfelaars veranderen in een oogwenk in alfamannetjes en zelfverzekerde vrouwen vallen daar blind voor.

Het is de mislukte masturbatiefantasie van een tiener die iets te vaak The Graduate heeft gezien. Of The Apartment. Of eender welke duizend keer betere film die soortgelijke thema’s aansnijdt. Als Mimi ontdekt van Thomas’ affaire wordt ze meteen jaloers. Want Allan Loeb. Het is werkelijk niet te geloven dat dit misogyne broddelwerk niet door een studiobaas onder handen is genomen met een vlammenwerper. Of vier. Wie vond dat Baby Driver, de andere recente film die een songtitel van Simon & Garfunkel leende, geen sterke vrouwelijke karakters heeft, kan de messen nu pas echt gaan slijpen.

The Only Living Boy in New York

Masochistisch drinkspel
Loeb slaat de plank zo vaak mis dat het een wonder is dat zijn script niet doordrenkt was van vingerwondenbloed (en daardoor – wishful thinking – onleesbaar). Tijdens een diner bij Thomas’ ouders thuis wordt de dialoog slechts gevoerd door de blanke aanwezigen. Een Aziaat en een Latina zitten voor piet snot aan tafel en mogen slechts braaf knikken als er wijsheden over het Verval van Het Oude New York en yada yada yada gedebiteerd worden.

Thomas’ moeder (een uitstekende Cynthia Nixon) is neurotisch, depressief, aan de drank en pillen (want Allan Loeb) en zegt dingen als: ‘de langste afstand in de wereld is die tussen waar je bent en waar je had willen zijn’. Gênant moment nummer zoveel: Bridges mompelt tijdens een gesprek iets te geforceerd tig keer ‘Visions of Johanna’ en hopla! Daar schalt het gelijknamige nummer van Bob Dylan over de beelden.

Dit is een film voor een masochistisch drinkspel, waar het glas leeggedronken moet worden bij elk ergerlijk moment. De slijters zullen bijzonder goede zaken gaan doen. En bestaat er al een variant op een straatverbod met betrekking tot laptops, computers, pennen en potloden? Zo ja, gaarne een eeuwige voor Allan Loeb. Krijgen al die stoffige, geniale scenario’s in de L.A. laatjes hopelijk ook eens een kans.
 

18 augustus 2017

 
MEER RECENSIES

Hitman’s Bodyguard, The

**

recensie The Hitman’s Bodyguard

Anti-buddy film met hoge body count

door Alfred Bos

Met Amsterdam en Den Haag als voornaamste decor weet deze actiefilm niet of het parodie, screwball comedy, Hong Kong-knokfilm, buddy movie of Tarantino-kloon moet zijn en dus is het van alles een beetje en van niets genoeg.

In de Amsterdamse grachten kun je met boten scheuren, op het filmdoek althans. Dick Maas deed het met Amsterdamned (1988), doorsneden met een paar tussenshots gedraaid in Utrecht. In 1971 haalde de middelmatige genrethriller Puppet on a Chain de Nederlandse kranten vanwege een lange achtervolging door grachten en Amstel. En zes jaar daarvoor konden de vaderlandse paparazzi zich vergapen aan de Italiaanse diva Monica Vitti, in Mokum voor de spy-fi thrillerparodie Modesty Blaise.

The Hitman’s Bodyguard

Naast de Amsterdamse grachten staan dus zelden camera’s te draaien voor bloedstollende actie te water met woonboot vermorzelende hekgolven. En of het nu komt door de kwaliteit van de Amsterdamse wiet of de eerbied voor zoveel cultureel erfgoed per vierkante meter, tot beklijvende films heeft het nimmer geïnspireerd. Ook de laatste uit de korte reeks kanaalkrakers heeft weinig meer te bieden dan melig vertier voor een regenachtige zondagmiddag. Al geeft The Hitman’s Bodyguard wel een aardige variant: motor achtervolgt auto die boot achtervolgt.

Rijksmuseum
Deze B-film met A-lijst acteurs is het derde vehikel van Patrick Hughes, de man die drie jaar terug de reünie van knokfilmveteranen The Expendables 3 aan een sterke finale hielp. In wezen is The Hitman’s Bodyguard een anti-buddy film rond twee tegenpolen die tot elkaar zijn veroordeeld. De huurmoordenaar is Darius Kincaid (Samuel L. Jackson), zijn lijfwacht Michael Bryce (Ryan Reynolds), ingehuurd omdat Kincaid als kroongetuige moet worden beschermd tegen de aanslagen op zijn leven door de Oost-Europese tiran Dukhovich (Gary Oldman). Die staat in het Internationaal Strafhof in Den Haag terecht voor misdaden tegen de menselijkheid.

De weg van het Engelse Coventry, plaats van de eerste aanslag op Kincaid, naar Den Haag leidt via Amsterdam, dat wordt getypeerd door bloemen, fietsen en toeristen. Daar zit Kincaids echtgenote Sonia (Salma Hayek) in een Interpol-cel met uitzicht op het Rijksmuseum, waar de toeristen niets merken van het kat-en-muisspel tussen Dukhovichs mannetjesputters, de huurmoordenaar en diens lijfwacht. Via de Jan Luijkenstraat gaat het naar de grachtengordel en vandaar via Duinrel en de Haagse tram naar het Internationaal Strafhof voor de finale. Met de stapel lijken die en route wordt achtergelaten kun je een dijkbreuk stremmen.

The Hitman’s Bodyguard

Hypergeweld
Tussen al het gejakker en geknal door voeren Kincaid en Bryce een reeks van Tarantineske gesprekken. Die schetsen de achtergrond van het tweetal, tevens gevisualiseerd door flashbacks, en moeten het hypergeweld kruiden met humor. Maar dit is geen Pulp Fiction, wel pulp-fictie, en de dialogen zijn naast langdradig bij vlagen tenenkrommend niet-leuk. Jacksons parodie op het stereotype van de vuilbekkende bluffer dat hij zelf creëerde doet evenwel weldadig aan vergeleken bij het neurotische flegma van Reynolds gentleman actieheld. Hij is geen George Clooney, zoals The Hitman’s Bodyguard geen Ocean’s Twelve is (al probeert de soundtrack met Bobby Bland en Chuck Berry het wel). En Hughes geen Steven Soderbergh.

Alsof de champagne nog niet genoeg schuimt is er ook nog een tweede romantische subplot: Interpol-agente en lid van Kincaids beveiligingsteam Amelia Roussel (Elodie Yung) is door toedoen van (niet verklappen, want spoiler) de ex van lijfwacht Bryce. Die krijgt na alle dwaze avonturen het meisje terug, zoals Barry Atsma in zijn tweede Engelstalige filmrol als aanklager Moreno de boef Dukhovich achter de tralies krijgt. Maar dan zijn we twee uur verder en regent het buiten hopelijk niet meer.
 

15 augustus 2017

 
MEER RECENSIES

Atomic Blonde

**

recensie Atomic Blonde
Volstrekt ridicule spionagethriller slaagt op de valreep als luchtige actiefilm 

door Vincent Hoberg

Regisseur David Leitch doet zijn John Wick-truukje nog eens dunnetjes over met ditmaal een vrouwelijke sloopkogel. Helaas leent het spionagetoneel van het Berlijn van de late jaren ’80 zich een stuk minder voor zijn amusante actie-onzin.

De vrouwelijke filmactieheld is helaas een zeldzaamheid, zeker als ze in haar eentje een film moet dragen zonder een reddende man in haar kielzog. Toen Geena Davis in 1996 met machinegeweren zwaaide in The Long Kiss Goodnight werd de film door vrijwel alle – uiteraard mannelijke – critici weggehoond als belachelijk. Dat men twintig jaar later moet beamen dat die film eigenlijk best oké was en zijn tijd blijkbaar ver vooruit, is een stuk belachelijker. En het lijstje met vrouwelijke ijzervreters bleef al die jaren angstwekkend kort, terwijl de heren gewoon lustig door bleven schieten.

Atomic Blonde

Zoals Keanu Reeves die in 2014 als verse vijftiger de beuk erin gooide als John Wick. Co-regisseurs David Leitch en Chad Stahelski debuteerden met dit spektakel over een ex-crimineel die wegens een vermoorde hond weer de schietijzers uit het vet haalt en het bleek een groot succes. De mannen hadden er allebei al een loopbaan als stuntman / stuntcoördinator opzitten, wat duidelijk te zien was aan de balletachtige vecht- en schietpartijen die de film uittilden boven de standaard. Ook Charlize Theron was fan en zij zag in Leitch de ideale regisseur voor haar passieproject Atomic Blonde, een spionagethriller gebaseerd op de graphic novel ‘The Coldest City’ van Antony Johnston en Sam Hart.

Verwarde spionnen
Theron, die na Mad Max: Fury Road de actiesmaak te pakken had gekregen, vond het hoog tijd dat een vrouw weer eens de klappen uitdeelde en Lorraine Broughton, het hoofdpersonage uit het boek, leek in haar ogen daarvoor de ideale figuur. Terecht, want de spionne is in het uitstekende verhaal alle kerels te slim af terwijl ze in het wespennest van Berlijn vlak voor de val van de Muur een lijst met geheim agenten moet zien terug te vinden.

De strip, in de traditie van John le Carré en Len Deighton, snijdt een interessant thema aan. Want wat moet je als spion in Berlijn in hemelsnaam doen als de Muur valt? Als Oost en West elkaar broederlijk in de armen gaan vallen, is er geen werk meer. En dan? Het is deze extra laag die ‘The Coldest City’ zijn kracht geeft en Atomic Blonde zou een veel betere verfilming zijn geweest als scenarist Kurt Johnstad deze laag intact(er) had gehouden. Liefhebbers van de betere spionagefilm hebben hier namelijk helemaal niets te zoeken.

Atomic Blonde

Magische koffers
De hyperkinetische knokbombarie past prima in een film als John Wick, aangezien daar verder niet echt sprake van een plot is en nadenken volstrekt niet nodig. Wie zijn hersens niet volledig uitschakelt tijdens de openingsminuut van Atomic Blonde gaat een zware 115 minuten tegemoet, want de stapel plotgaten, ridicule twists en absurditeiten is zo hoog dat het opsommen meerdere pagina’s gaat kosten.

Theron’s Broughton arriveert in Berlijn met twee koffertjes die magisch blijken, omdat ze er gedurende de film tientallen flitsende outfits uit tovert die op z’n zachtst gezegd niet echt praktisch zijn voor een UNDERCOVER agent. Wie het Atomic Blonde-drinkspel wil gaan spelen, mag na afloop direct naar de eerste hulp want de hoeveelheid wodka die Broughton wegstouwt, doet zelfs de grootste alcoholist huiveren. Constant worden we eraan herinnerd dat het de jaren ’80 zijn want iedereen rookt, overal en altijd, non-stop begeleid door een – volgens de regisseur – zeer zorgvuldig geselecteerde soundtrack met 80’s hits die in 1989 zelfs in Oost-Berlijn al nergens meer op de radio te horen waren.

Aanstormende Trabant
Het laatste restje realisme verdwijnt krijsend onder de wielen van een aanstormende Trabant als een Oost-Berlijnse punker gaat breakdancen op Nena’s ‘99 Luftballons’ waarop een Stasi-officier hem neerslaat met zijn skateboard. Dan rest er weinig meer dan hoofdschuddend achterover te leunen en te gaan kijken naar datgene waar de film wel in slaagt.

Atomic Blonde

Theron trainde zich suf om geloofwaardig over te komen in de vele vechtscènes en dat is te zien. Gewapend met stilettohakken, waterslangen of gewoon de blote vuist dunt ze een flink leger vijandelijke agenten uit en die scènes zijn de aankoop van een entreekaartje meer dan waard. Het leidt in elk geval de aandacht af van heel wat tenenkrommende ergernis en irritante nevenpersonages. James McAvoy komt als ‘excentrieke topspion’ vooral over als een lompe karikatuur van een tweedehands autodealer en de gewoonlijk betrouwbare Eddie Marsan is een totale miscast als Stasi-kopstuk met een Duits accent dat in misluktheid slechts overtroefd wordt door Ralph Fiennes’ nazi in Schindler’s List.

Het is prijzenswaardig dat Charlize Theron een vrouwelijke actieheld wilde creëren als tegenwicht voor het mannelijk testosteron in de knokfilm, maar als haar Lorraine Broughton terug gaat komen in een sequel, dan graag met een veel beter scenario.
 

8 augustus 2017

 

MEER RECENSIES

Eyes of My Mother

***

recensie The Eyes of My Mother

Verminken uit liefde

door Cor Oliemeulen

The Eyes of My Mother is een psychologisch horrordrama met arthouse-trekjes. Deze nachtmerrie van krap vijf kwartier is zeker geen voer voor fans van commerciële horrorfilms, maar die kunnen wel kennismaken met de zoveelste zieke geest op het witte doek.

Dat horror niet expliciet in beeld hoeft te worden gebracht om je op stang te jagen, bewijst The Eyes of My Mother, het speelfilmdebuut van Nicolas Pesce. Samen met zijn vrienden Zach Kuperstein (cinematografie) en Ariel Loh (muziek) maakte de 27-jarige New Yorker een verontrustend portret van een jonge vrouw die haar eenzaamheid op een wel heel extreme wijze overleeft. De cinema heeft er weer een compleet gestoord personage bij: Francisca, gespeeld door de Portugese actrice Kika Magalhães in haar eerste hoofdrol. Haar inspiratie voor de verminkingen van haar slachtoffers komt van haar moeder, een voormalig oogchirurg. Horrorliefhebbers hoeven niet te treuren, want ook andere lichaamsdelen moeten het ontgelden.

The Eyes of My Mother

Opgroeihorror
Francisca leeft met haar ouders in een afgelegen boerderij ergens in Amerika van enkele decennia geleden. We zien haar volwassen worden in drie episodes: Moeder, Vader en Familie. Als kind ziet Francisca hoe een psychopaat binnendringt in hun woning, haar moeder doodt en hoe resoluut vader met de dader afrekent. Als je weet hoe emotieloos deze handelingen geschieden, is het begrijpelijk dat bij Francisca sociale omgangsvormen niet met de paplepel zijn ingegeven. Dat blijkt nog steeds in de twee volgende hoofdstukken als Vader is overleden en het stichten van een nieuwe Familie noodzaak wordt.

The Eyes of My Mother is in alle opzichten minimalistisch. De film is met weinig middelen, maar met grote liefde en vakkundigheid, gemaakt. Francisca’s gezin lijkt totaal geïsoleerd van de buitenwereld en we zien bijvoorbeeld geen school, politie of passanten. De beelden zijn zwartwit, sfeervol en met een bewuste afstandelijkheid geschoten, maar soms uitgesproken luguber, zoals de scène waarin Francisca in bad zit met een dode man. De belichting in de boerderij en van de horrorschuur op het erf zijn al even functioneel, terwijl de montage consequent strak is en de geluidsband gebruikmaakt van verontrustende synthesizerklanken en een veelbeproefd recept: stemmen van televisieprogramma’s op de achtergrond.

The Eyes of My Mother

Fado
Het gebruik van Fado-muziek is een originele kunstgreep om extra hartverscheurende huiselijkheid te creëren en biedt Francisca de gelegenheid om met een korte dans haar meer artistieke kant te tonen. De dialogen tussen moeder en dochter, afwisselend Portugees en Engels, dragen bij aan de mysterieuze achtergrond van deze wereldvreemde familie. Al komen we verder weinig van deze mensen te weten, behalve dat het hechten met naald en draad een genetisch overdraagbare specialiteit is.

Een veelbelovend debuut dus, waarbij je ondanks diens voorliefde voor de diep duistere kanten van de mens uitkijkt naar de volgende film van Nicolas Pesce. Geef die man een groter budget, een co-schrijver met nog meer fantasie, en wie weet ligt er een echte klassieker in het verschiet. Geen gore horror, maar een psychologische thriller met iets meer karakterontwikkeling en een sterker einde. En desnoods even verontrustend en onheilspellend. De kijker van begin tot eind op het puntje van de stoel, bang om nog ooit in zijn eentje in het donker een boerenschuur te betreden.
 

31 juli 2017

 
MEER RECENSIES

Edge of Seventeen, The

****

recensie The Edge of Seventeen

Als verliefdheid en vriendschap het belangrijkste zijn

door Nanda Aris

Coming-of-age film over de jonge Nadine die om moet leren gaan met verliefdheid, vriendschap, familie en onzekerheid.

Kelly Fremon Craig maakt met The Edge of Seventeen haar eerste speelfilm, en niet onverdienstelijk. Ze is ook de schrijfster en producer van het verhaal. Voor haar film kreeg Craig verschillende nominaties en prijzen en dat maakt haar een veelbelovende regisseuse die we in de gaten moeten houden.

The Edge of Seventeen

Goed en slecht
Het verhaal is een typisch opgroeiverhaal, met echter één groot verschil in vergelijking met films als Clueless (1995) en Mean Girls (2004). The Edge of Seventeen kent geen enkel personage dat geheel slecht of geheel goed is. Nadine (Hailee Steinfeld) is leuk, maar enigszins egocentrisch, haar moeder (Kyra Sedgwick) begrijpt Nadine niet, maar wil wel graag een goede moeder zijn, en Nadine’s broer Darian (Blake Jenner, die ook speelt in Everybody Wants Some!! van Richard Linklater) lijkt de vervelende broer uit te hangen, maar bekommert zich wel degelijk om Nadine.

The Edge of Seventeen lijkt in oprechtheid van de personages veel Boyhood (ook van Linklater) en maakt in tegenstelling tot bijvoorbeeld Juno (2007) minder een karikatuur van zijn personages.

Door de grond zakken
Het verhaal start met de scène waarin Nadine haar geschiedenisleraar Bruner (Woody Harrelson) vertelt dat ze zichzelf van kant wil maken. Nadine wil zichzelf niet echt van kant maken, maar heeft een blunder begaan, en wil zoals elke tiener wel eens wil, het liefst door de grond zakken.

Hij is niet de meest tactische leraar, en zegt: ‘Good luck with that’. Harrelson speelt een grappige rol als stugge leraar, die toch niet zo stug blijkt te zijn. Een aantal scènes later deelt hij zijn cookie met haar en zegt hij dat ze zijn favoriete studente is.

Jeugd
De film vertelt hoe Nadine is opgegroeid, hoe ze bevriend is geraakt met haar zo’n beetje enige vriendin Krista (Haley Lu Richardson), hoe haar vader op jonge leeftijd overleed, kortom, haar jeugd in een notendop. Wat we hier vooral uit opmaken is dat Nadine niet zo sociaal en populair is als haar broer (‘There are two types of people in this world, the people who radiate confidence and natural excel at life, and the people who hope all those people die in a big explosion’). Zij lijkt meer op haar vader, en hij op zijn moeder.

Als zestienjarige zit Nadine zichzelf soms behoorlijk in de weg, en het wordt er niet makkelijker op als Krista besluit een relatie te beginnen met haar broer. Ze voelt zich verraden, en doet gemeen tegen Krista. Krista wil niet kiezen tussen Darian en Nadine, maar wanneer Nadine erop staat, is de vriendschap voorbij.

The Edge of Seventeen

Nadine neemt het zichzelf kwalijk, ook omdat ze zich nu eenzamer voelt dan ooit. Gelukkig is er nog wel de jongen naast haar in de klas, Erwin (Hayden Szeto), heimelijk verliefd op haar, waardoor ze uiteindelijk beseft dat ze niet de enige is die eenzaam is. Doordat ze vooral bezig is met haar eigen problemen, heeft ze dat niet direct in de gaten.

Opgroeien
De rol van Nadine wordt voortreffelijk gespeeld door de jonge Steinfeld, voor wie een mooie carrière in het verschiet ligt. Ze weet de soms ongemakkelijke, soms verleidelijke, onzekere opgroeiende tiener neer te zetten. Steinfeld is grappig (vooral wanneer ze in gesprek is met Bruner), serieus en geloofwaardig, bijvoorbeeld wanneer ze zegt dat ze geen vrienden heeft om haar lunch bij op te eten. Haar ogen stralen de onzekerheid uit waarmee de tekst gepaard gaat.

Een film om te gaan zien, alleen al doordat Craig haar personages echt laat voelen, waardoor we voor eventjes terug verlangen naar de goeie ouwe tijd waarin we tiener waren, onze problemen echt leken en verliefdheid en vriendschap het belangrijkst waren.
 

30 juli 2017

 
MEER RECENSIES

Scorsese vertelt met muziek

Martin Scorsese vertelt met muziek
Hoe de soundtrack een stem kreeg en een personage werd

door Alfred Bos

Muziek is een belangrijk onderdeel van Martin Scorsese’s oeuvre, niet alleen op de geluidsband van zijn speelfilms. Muziek verklankt het innerlijk van zijn personages. Muziek is het personage.

Het lijkt een onschuldige scène: de jonge gangster Charlie (Harvey Keitel) zit in een bar te wachten op zijn beste vriend, een flierefluiter met gokschulden, Johnny Boy (Robert De Niro). Hij zit aan het eind van de toog en ziet Johnny Boy binnen stappen, een vrouw aan iedere arm. Het point of view verspringt van Charlie naar Johnny Boy. Die stapt in slow-motion op Charlie af, vrouwen aan de arm. Dan gebeurt het: de geluidsband speelt Jumpin Jack Flash van de Rolling Stones en Charlie realiseert zich, Johnny Boy is trouble.

Mean Streets

Mean Streets is niet zo maar een film, het is een Martin Scorsese-film. En die zijn anders dan de films die er voor 1973, het jaar waarin Mean Streets verscheen, in de Amerikaanse bioscoop te zien waren. En vooral ook: te horen waren.

Mean Streets zette de regisseur en diens manier van vertellen met film op de kaart, het vormde de mal waar Scorsese zijn latere gangsterfilms Goodfellas (1990) en Casino (1995) naar modelleerde. En de film introduceerde een andere toepassing van de soundtrack. Die was exclusief gevuld met popmuziek.

Scorsese’s voorbeeld was Scorpio Rising, een kortfilm uit 1965 van de experimentele filmmaker Kenneth Anger. Angers film over een groep gay bikers uit Brooklyn laat een reeks popnummers en rhythm & blues-tracks horen. Scorsese heeft Scorpio Rising genoemd als een belangrijke inspiratiebron voor de manier waarop hij muziek gebruikt in zijn films.

Ook Mean Streets zet op de geluidsband uitsluitend bestaande popsongs in. Er is geen seconde speciaal voor de film gecomponeerde muziek te horen. En het gebruikt muziek als stijlmiddel om het innerlijk van de personages te verbeelden.

Soundtrack als relict van de stomme film
Zo voltooide Mean Streets een revolutie die in 1968 was ingezet en de rol van muziek in film voorgoed zou veranderen. Easy Rider zette de toon door veel, maar niet uitsluitend, bestaande eigentijdse popmuziek te gebruiken. Met de komst van nouvelle vague naar Hollywood was niet alleen wat er op het doek te zien was veranderd, gelijktijdig – maar minder opzichtig – evolueerde tevens wat er uit de luidsprekers klonk.

Tot ver in de jaren zestig was filmmuziek romantische orkestmuziek die de emotie van de kijker dirigeerde, van Alfred Newmans sentimentele strijkers in Wuthering Heights tot Bernard Hermanns atonale stabs bij de beroemde douchescène uit Psycho. Je zou het een overblijfsel uit het stomme filmtijdperk kunnen noemen: de muziek laadt het beeld met emotie en de kijker volgt die emotie.

Fritz Lang bedacht in zijn eerste geluidsfilm, M (Eine Stadt sucht einen Mörder) uit 1931, een andere, nieuwe toepassing van muziek. Het kan ook worden ingezet als omgevingsgeluid, als deel van de handeling die op het doek wordt getoond. In M fluit de moordenaar, Hans Beckert (Peter Lorre), het thema van In the Hall of the Mountain King, uit de Peer Gynt Suite van Edward Grieg. De kijker associeert dat thema met de moordenaar en het wordt later in de film – langs traditionele weg: als filmmuziek – effectief ingezet om spanning te creëren. Al zie je de moordenaar niet in het filmkader, dankzij de muziek weet de kijker dat hij er is. Dat is de vondst.

1968
Personages identificeren met behulp van een muzikaal thema is een techniek uit de opera, voor het eerst toegepast door Richard Wagner. Het vond navolging in de cinema: in Carol Reeds The Third Man (1949) wordt het centrale, maar afwezige personage Harry Lime (Orson Welles) gesuggereerd door een citer-motief, het beroemde Harry Lime Theme van filmcomponist Anton Karas.

Ennio Morricone paste die werkwijze toe op maar liefst drie personages van Sergio Leone’s monumentale – en door Morricone’s aanpak operateske – western Once Upon a Time in the West (1968). De Italiaanse filmcomponist deed nog iets anders, iets revolutionairs: hij draaide de gebruikelijke werkwijze om en schreef de muziek voorafgaand aan de filmopnames. Leone draaide zijn scènes terwijl op de set Morricone’s muziek klonk. Resultaat: de beelden illustreren de muziek, niet andersom. Beeld en geluid zijn versmolten, ondeelbaar geworden.

Maar Once Upon a Time in the West bevatte nog steeds muziek die specifiek voor de film was gecomponeerd. In datzelfde jaar 1968 brak Stanley Kubrick met die ingesleten traditie. Eén van de minder vaak genoemde aspecten van zijn baanbrekende sciencefictionfilm 2001: A Space Odyssey is de soundtrack. Daarop is bestaande orkestmuziek te horen van Johann Strauss, Richard Strauss, Aram Khachaturian en György Ligeti, door de regisseur onder de ruwe montage gebruikt als surrogaat voor de nog te schrijven filmscore. Zijn 7-jarige dochter Vivian overtuigde hem om de plaatopnames te gebruiken.

Het Mean Streets Handboek voor Filmscores
Wat Stanley Kubrick deed met klassieke muziek, deed Martin Scorcese vijf jaar later met pop. Mean Streets speelt in een onbepaald jaar – het kan 1973 zijn, maar het voelt vroeger – en de geluidsband laat Amerikaanse pophits uit de eerste helft van de jaren zestig horen: Motown, Brill Building-pop, Phil Spector-producties. Daartussen klinkt Jumpin Jack Flash als een anomalie en zo is het ook bedoeld. Het Stones-nummer is geen audiodecor, zoals de Motown-hits, maar illustreert Charlie’s moment van inzicht. De muziek verklankt zijn psyche.

De invloed van Mean Streets op latere misdaadfilms en tv-series is enorm, ook qua soundtrack. Mean Streets brak als het ware door een geluidsmuur en introduceerde de nadien vaak gebruikte werkwijze om scènes, zelfs complete films, te stofferen met een decor van popmuziek. Soms als omgevingsgeluid dat klinkt uit radio en geluidsinstallatie, zoals George Lucas deed in American Graffiti. En vanaf de jaren tachtig en de komst van MTV steeds vaker als aanjager om scènes te overbruggen en het filmverhaal voort te stuwen. Scorsese past die methode meesterlijk toe in Casino (1995).

Quentin Tarantino is wellicht de meest toegewijde student van Mean Streets gebleken. Niet alleen zijn diens films over kruimelboeven direct geïnspireerd door Scorsese’s voorbeeld, ook de soundtracks komen rechtstreeks uit het Mean Streets Handboek voor Filmscores: verzamel een paar dozijn bekende en minder bekende maar opvallende popsongs van willekeurige samenstelling en achtergrond, en strooi ze als confetti over de geluidsband. Reservoir Dogs (met Harvey Keitel), Pulp Fiction en Jackie Brown (met Robert De Niro) bliezen nieuw leven in de carrière van, onder meer, Bobby Womack en George Baker.

Zelfs de filosofisch angehäuchte mooifilmer Terrence Malick gebruikt het recept. Beperkte hij zich aanvankelijk tot de methode Kubrick, voor Song to Song vult Malick de klassiek muziek op geluidsband aan met een bonte verzameling popsongs. De verrassingshit van zomer 2017, Baby Driver, komt scène voor scène uit Scorsese’s Handboek voor Filmscores. De muziek dicteert de film. Het is Casino gekruist met La La Land.

Vinyl
Muziek is een belangrijk onderdeel van Scorsese’s oeuvre, ook buiten de geluidsband van zijn speelfilms. Hij maakte concertregistraties van The Band (The Last Waltz, 1978) en Rolling Stones (Shine a Light, 2008). Hij regisseerde voor Michael Jackson de clip van Bad. Zijn biografische documentaires over Bob Dylan (No Direction Home, 2005) en George Harrison (Living in a Material World, 2011) zijn de gouden standaard van het subgenre. Hij produceerde de 7-delige documentairereeks The Blues en regisseerde de openingsaflevering, Feel like going home.

Dat deed Scorsese eveneens met en voor Vinyl, de tv-serie die speelt in het New Yorkse muziekmilieu van 1973. In de rockhistorie is het een sleutelmoment op een sleutelplek: in de undergroundscene van New York roeren zich op dat moment de eerste signalen van wat later als punk en disco bekend is geworden. De serie, die mede werd bedacht en geproduceerd door Mick Jagger, heeft een fictieve hoofdpersoon, maar is historisch correct wat betreft milieu (muziekindustrie), scene (New York Dolls, Ramones) en muziek (van The Velvet Underground en David Bowie tot Joni Mitchell en Gram Parsons). Qua historische details is Vinyl een documentaire.

De soundtrack van Vinyl, samengesteld door Jagger, is de best denkbare kennismaking met rhythm & blues – aangevuld met hits uit die tijd – die een mens zich kan wensen. Bovendien wordt de muziek functioneel ingezet, niet alleen als omgevingsgeluid (logisch in een verhaal over muziek) en audiolink tussen scènes, maar ook om het innerlijke leven van personages te verbeelden. De muziek is het personage. En de muziek het personage.

In aflevering 6 hoort hoofdpersoon Richie, directeur van het American Century-label en verslaafd aan coke, uit een radio Buddy Holly’s Rave On klinken en hij is op slag terug in zijn verleden, op een cruciaal moment dat werd gemarkeerd door het Holly-liedje. Vinyl illustreert een kenmerkende en tamelijk unieke eigenschap van muziek: het is in staat een plek en een moment te markeren. Dan vallen muziek en personage samen. Geen regisseur heeft dat zo goed begrepen als Martin Scorsese.

 

28 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE
 
 
MEER ESSAYS

Valerian and the City of a Thousand Planets

*****

recensie Valerian and the City of a Thousand Planets

Luc Besson herijkt de acid sciencefictionfilm

door Alfred Bos

Verbluffend ruimtesprookje van Luc Besson, die zich met verve revancheert voor het matte Lucy. Een psychedelische trip door een denkbeeldige wereld waarin de fantasie geen grenzen lijkt te kennen.

Als je zelf minzaam van aard bent en iedere dag opstaat in een paradijs van schoonheid en overvloed, zijn er altijd nog anderen die het voor jou verpesten. Het overkomt de Pearls, de superslanke en boomlange bewoners – denk aan albino Masaï of een gebleekte variant van smurfblauwe Na’vi uit Avatar – van de planeet Mül. Dat is één groot subtropisch strand bezaaid met spectaculair getekende reuzenschelpen. Tot de apocalyps letterlijk uit de hemel komt vallen: Mül is ‘zijdelingse schade’ in een galactisch conflict.

Valerian and the City of a Thousand Planets

Twintig jaar na The Fifth Element komt de Franse regisseur Luc Besson opnieuw met een knotsgek, fantasierijk en visueel overladen sciencefictionepos, ditmaal in 3D. Net als zijn vermakelijke The Extraordinary Adventures of Adèle Blanc-Sec (2010) is dat de live-action verfilming van een populair Frans stripboek. De stripheld Valerian kennen we in Nederland als Ravian, die vanaf eind jaren zestig met zijn co-piloot (en love interest) Laureline een reeks surrealistische ruimteavonturen heeft beleefd.

Valerian and the City of a Thousand Planets is gebaseerd op aflevering 7, De ambassadeur der schaduwen uit 1975, dat draait rond een exotisch beestje, de ‘brommpt’, een soort egel die via zijn maagdarmkanaal objecten kan vermenigvuldigen. Hij is inheems op Mül en de bron van de weelde van de Pearls. Ze voeren de brommpt een parel, die vervolgens honderden parels uitpoept. Dat doet-ie spinnend van genoegen. Tot een burenruzie uit de hand loopt. Weg planeet, weg brommpt. Of toch niet?

Consumentisme gehekeld
En dat zijn nog maar de eerste 25 minuten van de 137 die Valerian and the City of a Thousand Planets telt en qua verbeelding en ideeënrijkdom doen de 112 die nog volgen geen spat onder voor de fontein van originele vondsten uit de introductie. Die weer vooraf wordt gegaan door een pre-introductie, waarin Alpha, de stad van de duizend planeten uit de filmtitel, een interplanetaire kunstmaan blijkt waar Bob Marley en de Bee Gees in de digitale jukebox zitten.

Onder de klanken van David Bowie’s Space Oddity zien we de Amerikaanse Apollo 18 in 1975 koppelen aan de Russische Sojoez 19 en daaruit groeit in de loop van decennia en eeuwen een vrij zwevende ruimtestad waarin aliens uit alle hoeken van de kosmos vreedzaam samenleven. Er is een cameo voor Rutger Hauer als president van de World State Federation.

Valerian and the City of a Thousand Planets

Maar in de achtentwintigste eeuw is er onrust op de kolossale kunstmaan en die is gerelateerd aan het verdwijnen van planeet Mül, maar daar komen Valerian (Dane DeHaan, binnenkort ook als Gouden Eeuwse Amsterdammer te zien in Tulip Fever) en Laureline (het Britse fotomodel Cara Delevingne, voor Tulip Fever opnieuw gekoppeld aan DeHaan) pas gaandeweg achter. Eerst moeten ze met hun schip Astronef voor een geheime missie naar planeet Kyrian om een illegale transactie te saboteren.

Die actiescène grijpt Besson aan om het ongebreidelde consumentisme te hekelen, want Kyrian is een woestijnplaneet waar toeristen zich in virtual reality op een immense bazaar, de Big Market, te buiten gaan aan koopdrift. Om zijn Chinese co-producent niet voor het hoofd te stoten laat de regisseur de virtuele shopping mall (Ali Baba is de Chinese Amazon) managen door een Arabier. De technologie is verbazend: een apparaat waarmee je onzichtbaar in de virtuele werkelijkheid bent. De actie bloedstollend. En de ironie fijntjes.

Boordevol detail
En dan eindelijk, na een uur of daaromtrent, begint de plot zich uit te kristalliseren, maar dan hapt de kijker al een tijdje naar adem, overdonderd als hij is door deze roetsjbaan van ideeën en visuele panache. En het houdt niet op. In de stad van de duizend planeten moet opperbevelhebber Arun Filitt (Clive Owen) een terroristische aanslag onderzoeken, zadelt de defensieminister (Herbie Hancock) onze held en heldin wederom op met een speciale opdracht en speelt Rihanna, als de variété-artieste Bubble en lijfeigene van de gestoorde pooier Jolly (Ethan Hawke), een sleutelrol in de ontknoping. Voor de komische noot zorgt een alien ras van dommekrachten.

Valerian and the City of a Thousand Planets

Zoals de western zijn acid variant heeft, zo is Valerian and the City of a Thousand Planets acid sciencefiction, een psychedelische trip door de verbeeldingsrijke breinen van striptekenaar Jean-Claude Mézières, stripscenarist Pierre Christin en filmregisseur/scenarist Luc Besson. De film is eerder Barbarella dan Star Wars (dat de strip tot voorbeeld had), verwant aan de droomwerelden van Jodorowsky (The Holy Mountain), Enki Bilal (Immortel) en Moebius (De Incal). Mochten de personages van Valerian en Laureline schetsmatig overkomen – en dat doen ze, het zijn immers striphelden  – dan wordt dat bezwaar weggeblazen door de eindeloze reeks vondsten waarmee de op zich niet bijster originele intrige wordt verteld.

Zo telt de Big Market-episode meer ideeën dan de Wachowski-broers/zussen de afgelopen achttien jaar samen hebben gehad en is de visualisering van dit denkbeeldige universum overrompelend; hij slaat het in visueel opzicht toch echt niet kinderachtige Ghost in the Shell met straatlengtes. Het enige bezwaar wat je tegen dit ruimtesprookje zou kunnen inbrengen is dat de film dankzij de 3D-techniek en de computeranimaties zo boordevol details zit, dat je ogen te kort komt en na afloop uitgeput in de bioscoopstoel hangt. Intens voldaan, dat weer wel.
 

25 juli 2017

 
MEER RECENSIES

Shutter Island

Shutter Island:
Duik in de vertroebelde psyche van de moderne man

door Ralph Evers

Martin Scorsese’s Shutter Island kijkt als een metafoor, met subtiele odes aan meesters die Scorsese voorgingen. Daarnaast is de film een belangrijke inspiratiebron voor latere films gebleken. Een duik in de vertroebelde psyche van de moderne man. Let op: dit stuk bevat spoilers!

Een centraal thema in Shutter Island is schizofrenie in de klassieke betekenis. Vanuit het Grieks betekent schizofrenie ‘gespleten geest’. Overigens is de term op dit moment aan veel kritiek onderhevig. Terecht. Schizofrenie is eerder een containerbegrip voor een aantal psychotische aandoeningen. In de volksmond wordt schizofrenie nogal eens verward met de multipele persoonlijkheidsstoornis, waarin mensen meerdere identiteiten hebben, vaak een gevolg van zeer ernstig (psycho)trauma.

Shutter Island

Schizofrenie kent twee fases: de positieve en de negatieve. De positieve fase spreekt het meest tot de verbeelding. Dat is de fase waarin men dingen ziet die er niet zijn, hallucinaties en / of wanen heeft. In de positieve fase is men niet in staat een betekenisvolle gestalt van de wereld te maken. Men vloeit voortdurend samen met alle indrukken die zich aandienen. Wie wel eens psychedelica heeft gebruikt heeft ervaren hoe het is wanneer alle stimuli ongefilterd binnen mogen komen. Wanneer dit fenomeen je overvalt, kom je op de buitenwereld verwarrend over en is het voor jezelf vooral angstig, omdat je geen idee meer hebt waar je aan toe bent. Ternauwernood ga je op zoek naar houvast.

Schokkende waarheid
U.S. Marshall Teddy (Edward) Daniels (Leonardo DiCaprio) heeft een bewogen, traumatische geschiedenis achter de rug. De (historisch getrouwe beelden van de) bevrijding van concentratiekamp Dachau en de schokkende waarheid die hij daar aantrof. Thuis wordt hij geconfronteerd met het verlies van vrouw en kinderen. Beiden heeft hij nooit goed kunnen verwerken. Te gruwelijk om onder ogen te komen schuift hij zijn eigen aandeel af op een ander, Andrew Leaddis.

Martin ScorseseHierin valt een link naar Stanley Kubricks The Shining te maken, met dat verschil dat hier niet de omgeving, maar de persoon zelf bezeten is. In het afwijzen van zijn eigen aandeel wordt de plot complexer. Er is niet ‘slechts’ sprake van een psychose, er treedt ook dissociatie op. Dit is subtiel verwerkt in de omkering in de film. Aanvankelijk lijkt Chuck Aule de collega van Teddy, waarbij hij later de vertrokken behandelaar van Teddy, Sheehan, blijkt te zijn.

De gelaagdheid van Teddy’s trauma’s kennen verschillende metaforen. Het eiland verwijst naar zijn onbereikbaarheid voor anderen. Zijn ergste daden komt hij tegen in Ward C, waar de zwaarste gevallen opgesloten zitten. In het mausoleum biecht hij op een moordenaar te zijn, de slachting van de SS’ers in Dachau was moord (“it wasn’t warfare, it was murder”). Daniels vervolgt: “I’ve had enough of killing”, hetgeen hij zegt tegen zijn collega Aule / Sheehan.

Shakespeare
Drie vrouwen spelen een richtinggevende of plotbepalende rol, vergelijkbaar met de drie heksen uit Macbeth. De eerste is de vrouw die we in het openingsshot haar vinger voor haar mond zien doen. Wees gewaarschuwd: doe er het zwijgen toe of kom je demonen tegen. De tweede is de flashback naar zijn vrouw, de engel die demonisch bleek en de derde is de ontmoeting met Rachel Solando in de grot, die hem zijn waarheid ontvouwt, hem overtuigt dat zij niet gestoord is, maar juist de psychiater.

Hier ontvouwt zich het thema van de omkering. Een dankbaar motief in de horror en thriller, verwijzend naar bijvoorbeeld het duivelse (vgl. diens omgekeerde kruis), het kwaad, of het zich roerende onbewuste. In de droomleer van de psychoanalytici wordt nogal eens opgemerkt dat droomtaal zich vaak bedient van het omgekeerde. De dood staat dan bijvoorbeeld voor een nieuw begin en heeft daarmee een heel andere lading dan in onze wakkere wereld.

De worsteling van Daniels is om in het reine te komen met zijn verleden. Daarvoor heeft hij zijn eigen aandeel, zijn eigen verschrikkingen onder ogen te zien. In de ontknoping van de film wordt dan ook de omkering teruggedraaid: Teddy Daniels is Andrew Leaddis.

Shutter Island

Omkering
Wederom een subtiele hint, ditmaal naar Hitchcock. In Psycho verwijst het huis naar de bekende theorie van Freud van het onbewuste. De kelder is het Id, waar onze driften leven. De begane grond, het ego, waar we ons masker van sociale wenselijkheid dragen. Op de bovenverdieping huist ons superego, ons geweten. We leren al gauw dat Norman Bates een gebrekkig geweten heeft.

Eenzelfde analogie valt te maken met de vuurtoren in Shutter Island. De zee eromheen is het onstuimige driftleven. In zijn klim omhoog, ontmoet de protagonist bovenin, waar het licht de schepen van onheil redt, zijn behandelaars. In een ‘helder licht’ ontwaakt het besef naar de eigenlijke Daniels. Hier wordt duidelijk dat zijn collega Chuck Aule zijn behandelaar Sheehan is.

Om dan bij mijn laatste omkering te komen: Shutter Island is een omkering: van Truths / Denial, of ‘Truth and Lies’. Daarbij valt voor shutters op te merken dat ze slechts een gefragmenteerde kijk op de wereld geeft. Bovenin de vuurtoren komt hij de afschuwelijke werkelijkheid rondom het verlies van vrouw en kinderen tegen. Eenmaal op begane grond, komt zijn sociaal wenselijke ego, die fantastische verhalen (‘lies’ en ‘denials’) bedenkt om zichzelf staande te houden weer opzetten. De naald, de vuurtoren, de psychiater en de onheilspellende soundtrack doen lobotomie vermoeden.

 

24 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE
 
 
MEER ESSAYS

Last Waltz, The

The Last Waltz heeft anno 2017 niets aan kracht ingeboet
Toen muziek nog uniek en oprecht was

door Cor Oliemeulen

“This film should be played loud!” Ik zal het nooit vergeten toen ik in 1978 als middelbare scholier naar de bioscoop ging en een plaatsje bemachtigde tussen overwegend oudere hippies en rockers. The Last Waltz mocht dan wel het afscheidsconcert van The Band zijn, voor mij betekende deze film de eerste kennismaking met grote muzikanten op het witte doek.

Mensen die niet zijn opgegroeid in de jaren 70 van de vorige eeuw hebben iets wezenlijks gemist. Okay, de lange haren en de te strakke terlenka broeken met wijde pijpen zagen er soms wat vaag uit. De meeste jongens rookten shag (waarin bij gelegenheid hasjiesj of wiet ging) en droegen snorren, maar ook de meeste meisjes lieten al hun lichaamshaar onberoerd.

The Last Waltz

Het was een onschuldige tijd. In de weekends en vakanties werkte ik op een groot selfservice tankstation waar je nog nooit van kogelvrij glas had gehoord. Politie en politiek straalden in de meeste gevallen nog autoriteit uit. Op maatschappelijk vlak had je democratisering en op cultureel gebied beleefde de populaire muziek zijn grootste vernieuwingen. Dat vooral hebben mensen die later zijn opgegroeid, jammerlijk gemist. Het is geenszins vreemd dat artiesten uit die periode bij leven en welzijn nog steeds optreden, want sindsdien is het meestal armoe troef.

Martin ScorseseNoord en zuid komen samen
Ik word meteen gegrepen door The Band. De charismatische frontman Robbie Robertson betreedt het podium met een flesje bier en een peuk in zijn hand. Ik hoor zijn typische tokkelende gitaargeluid, zie hoe hij zich langzaam in het zweet werkt en lach tussendoor om anekdotes over hun beginjaren als band: de worstelingen en de weg naar succes (Pas later las ik dat Robertson de film van Martin Scorsese had geproduceerd en dat enkele andere bandleden zich hadden beklaagd dat zij in de documentaire The Last Waltz minder aan bod waren gekomen). Ik hoor een mix van folk, rock, country en blues. Ik leer dat muziekstijlen van noord en zuid samenkomen, immers de band bestaat uit vier Canadezen en een Amerikaan.

Ik zie een vijftal sympathieke rasmuzikanten die spelen met hun hart. De met zijn bas (en soms viool) wiegende Rick Danko met zijn halve kopstem, de altijd lachende Richard Manuel achter de toetsen, de geniale multi-instrumentalist Garth Hudson die zijn ouders had verteld dat hij muziekleraar was (zijn collega’s van The Band vonden dat ook en betaalden hem in de beginjaren) en de enige Amerikaan in The Band, Levon Helm, de drummer, die de helft van de nummers zingt. Bijna het hele repertoire van The Band is meerstemmig. ‘The Night They Drove Old Dixy Down’ durf ik nog steeds uit volle borst mee te zingen. In de auto.

Kippenvel
Ze spelen hun eigen klassiekers en begeleiden een dozijn gastartiesten. Zoals hun eerste bandleider, rockabilly-zanger Ronnie Hawkins (The Band heette aanvankelijk The Hawks). Ik onderga vol bewondering de optredens van Dr. John, Joni Mitchell, Van Morrison, Muddy Waters, Neil Diamond en Eric Clapton. Iemand declameert beatnik-poëzie, iemand anders een alternatieve versie van het ‘Onze Vader’.

Op het moment dat Neil Young het podium betreedt, slaat even de vertwijfeling toe, ook zichtbaar bij de bandleden. De zanger lijkt compleet gedrogeerd en heeft een uitgelaten melige lach op zijn gezicht, die tijdens de slotact nog steeds niet is verdwenen. Maar nadat Neil Young zijn eerste gitaarklanken laat horen en vocaal de eerste strofe van ‘Helpless’ inzet, staat het kippenvel onmiddellijk op de armen en besef je hoe volstrekt uniek en oprecht zijn sound is.

De concertregistraties en een paar studio-opnames worden afgewisseld met korte interviews. Hoewel begonnen in 1960 ontstond pas acht jaar later hun uiteindelijke naam: The Band. Ze vertellen dat ze al een hoop namen hadden geprobeerd, maar niets viel bij hunzelf in de smaak. Aangezien de band inmiddels enkele tournees van Bob Dylan had begeleid, noemde iedereen hen simpelweg The Band.

Het afscheidsconcert (The Band noemt het liever “a celebration”) op Thanksgiving 1976 in San Francisco’s Winterland Ballroom wordt logischerwijs afgesloten met Bob Dylan. Hij was de reden dat ik destijds naar The Last Waltz ging, want hij was mijn grote held vanaf het moment dat ik de klanken en de tekst van ’Hurricane’ had gehoord. Ik kocht de elpee ‘Desire’, raakte volkomen in de ban van Bob Dylan en kocht met terugwerkende kracht al zijn albums van mijn salaris van de pomp.

De grote Bob Dylan
Ik had allang zijn ‘Hard Rain’-concert uit 1976 van het legendarische Duitse tv-programma Rockpalast op een VHS-band opgenomen en het live album van deze Bob Dylan Rolling Thunder Revue tot afgrijzen van mijn ouders knalhard grijsgedraaid, maar nu zag ik de grote Bob Dylan voor het eerst levensecht van dichtbij en in vol ornaat. Hij komt op: witte hoed met rood veertje, zwart leren jack, spijkerbroek, gitaar en mondharmonica om de nek. Hij lacht wat met zijn oude bandleden, zet in en brengt twee nummers ten gehore, waaronder ‘Forever Young’.

Nog toepasselijker is het slotakkoord met alle artiesten samen op het podium: ‘I Shall Be Released’. Bob Dylan zou doorgaan tot op de dag van vandaag, maar The Band stopt direct na deze geweldige en onvergetelijke show, bevrijd na zestien jaar bijna continu ‘On the Road’.

“There’s not much left that we really can take from the road”, bekent Robbie Robertson aan Martin Scorsese. “May be it’s superstitious, but you can press your luck. The Road has taken a lot of the great ones: Hank Williams, Buddy Holly, Otis Redding, Janis, Jimi Hendrix, Elvis… It’s a goddamn impossible way of life!“ 

The Last Waltz is de beste muziekfilm ooit gemaakt en voor mij de ultieme nostalgie.

 

21 juli 2017

 
MEER MARTIN SCORSESE