Echte Vermeer, Een

****

recensie Een echte Vermeer

Onderbreking van de kunst 

door Ralph Evers

Een echte Vermeer is geïnspireerd op het leven van meestervervalser Han van Meegeren. Vrijwel alles wat hij deed was doordrenkt van list en bedrog, behalve zijn liefde voor de vrouw van kunstkenner en nemesis Bredius.

De geschiedenis van het schildertalent Han van Meegeren spreekt tot de verbeelding. Een temperamentvol en chaotisch man, die moeite had de alcohol te laten staan. Een schilder die geïnspireerd door de oude meesters, experimenteerde om de craquelure (hetgeen je op oude schilderijen ziet doordat de tijd op de olieverf ingewerkt heeft) na te bootsen. Een talentvolle schilder, die snakte naar erkenning. Nergens haalde hij de door hem gewenste perfectie.

Een echte Vermeer

Muze
Ondertussen wordt Picasso wel op waarde geschat. Een gruwel! Totdat Han van Meegeren (Jeroen Spitzenberger) de beeldschone Jólanka (Lize Feryn) leert kennen. Zij moet zijn muze worden. Zijn relatie loopt erdoor op de klippen, wanneer hij betoverd in het theater zijn muze aanschouwt. De chemie tussen de geliefden vindt haar hoogtepunt in het portret dat Van Meegeren van haar maakt. Helaas blijkt Jólanka getrouwd met de bekende kunstcriticus (en nemesis van Van Meegeren) Abraham Bredius (Porgy Franssen). Die ziet de romantische avances van Van Meegeren niet zo zitten en vernedert hem publiekelijk. De gekrenkte Van Meegeren heeft iets nodig om zich te herpakken. Wanneer het hem lukt de craquelure na te maken heeft hij een kans om de critici, die hem vernederd hebben, op geraffineerde manier voor schut te zetten.

De film is echter meer dan alleen een wraakverhaal. Er is bewust voor fictie en niet voor een biopic gekozen. Dat blijkt al uit de flashbacks en -forwards. Er zitten wel waargebeurde elementen in, zoals het oplichten van de nazitop, door te doen alsof die echte Van Meegeren een echte Vermeer is – hetgeen hem overigens flink in de nesten werkt, vanwege een vermeend landverraad. Toch focust de film naast de fictie vooral op het getroebleerde personage Van Meegeren. Een fraai shot daarin is, wanneer we van Meegeren in Italië aantreffen en het kader scheef gehouden wordt, terwijl het langzaam inzoomt op het gezicht. De rechtlijnigheid, de rationaliteit is ten onder gegaan in de smart, de hartstocht en de alcohol.

De prijs van schoonheid
Een echte Vermeer gaat over de prijs van schoonheid en het verlangen naar eeuwigheid. Juist schoonheid is zo gevoelig voor de tand des tijds. Waarin wordt de meester zichtbaar? De oude meesters die wij nu kunnen aanschouwen in musea zijn allen ‘bekrast’ door de nagels van Kronos, hetgeen we als mooie, extra dimensie zijn gaan waarderen. Juist doordat het oude schilderijen zijn waarderen we het wellicht meer.

Een echte Vermeer

Een film over een kunstenaar ontkomt niet aan het denken over kunst. Niet alleen in de film, maar ook er buiten, hetgeen blijkt uit de goed verzorgde productie waarbij de liefde voor het project er afdruipt. De knappe cinematografie heeft veel oog voor detail en weet met de juiste filters de bij de scène passende sfeer te tekenen. De filmmuziek van componist André Dziezuk is een fijne vermenging tussen stemmige muziek met strijkinstrumenten en met een zwoele saxofoon gedomineerde jazzklanken. Het spel tussen de karakters kent een goede chemie; schelmenromantiek, met verve gespeeld door de cast. De kritiek op de film is dat hij net iets te braaf blijft gegeven de omstandigheden. Iets rauwer had de juiste toon binnen het verhaal gezet.

En hoe zit dat eigenlijk met het oplichten van de nazi’s? De parallel die te trekken is met de nazi’s en Van Meegeren is hun beider afkeer van moderne kunst, zie de beschimping van Picasso. De echte Van Meegeren zou zelfs nog een persoonlijke brief aan Hitler hebben gestuurd, vanwege hun overeenkomstige visie op kunst. Toch kiest in het proces Van Meegeren liever de straf van een zwendelaar dan de dood als landverrader. Zo leren we naast de romancier ook de laffe enkeling kennen, die na al zijn bravoure opnieuw tot eenzaamheid veroordeeld wordt. Een tragisch lot in een mooie lijst.
 

29 oktober 2016

 

Interview met regisseur Rudolf van den Berg.

 

 
MEER RECENSIES

Windmill Massacre, The

***

recensie The Windmill Massacre

Horror in Holland

door Wim Meijer

Een groep toeristen strandt in de polder. In de wijde omtrek staat niets, behalve een ongure molen en een klein huisje. En verdomd, blijkt daar net een moordlustige molenaar rond te sluipen. Langzaam zuivert de beste man de polder van toerisme.

De nederhorror The Windmill Massacre (The Tulip Massacre kon waarschijnlijk écht niet) overspoelt de kijker met typisch Nederlandse taferelen: grachten in Amsterdam, de Wallen en uitgestrekte weilanden met slootjes en molens. In die setting plaatst de film een atypisch ensemble personages. Neem Jennifer (Charlotte Beaumont), een Australische au-pair met een duister verleden. Of Jackson (Ben Batt), een militair wiens bezoek aan de wallen dramatisch verloopt. Verder zien we de gestreste zakenman Douglas (Patrick Baladi), die geeneens tijd heeft voor een selfie met zijn zoon Curt (Adam Thomas Wright). Een spirituele Japanner Takashi (Tanroh Ishida), Frans fotomodel Ruby (Fiona Hampton) en de Britse dokter Nicholas (Noah Taylor) completeren het gezelschap.

The Windmill Massacre

Bonte verzameling
De bonte verzameling karakters maakt een busreisje. Buschauffeur Abe (Bart Klever) brengt het genootschap naar de o zo Nederlandse polders. De bus van Happy Holland Tours meandert door de weilanden, gefilmd met mooie helikoptershots. (Of droneshots wellicht tegenwoordig?) Dan krijgt de bus pech. Bereik is er niet, in het niemandsland. De nacht zet in, dus zoekt het gezelschap onderdak in een huisje vlakbij een sinister uitziende molen.

Deze blijkt het onderkomen van molenaar Hendrik. De beste man sloot honderden jaren geleden een pact met de duivel en fungeert dezer dagen als IJzeren Hendrik. Nietsvermoedende toeristen laat hij boeten voor hun zonden, een zondeconcept dat ook Saw bijvoorbeeld hanteert. Met zeis en klompen (jawel!) maakt hij menigeen een kopje kleiner, totdat slechts een enkeling het verhaal kan navertellen.

Poldermodel
Regisseur Nick Jongerius besteedt tijd aan de ontwikkeling van zijn personages en met name Charlotte Beaumont laat haar waarde zien. Ze speelt veel beter dan je zou verwachten in een lowbudgetproductie. De focus op de cast gaat echter wel ten koste van de hoeveelheid goorheid en moorden die we te zien krijgen.

The Windmill Massacre

The Windmill Massacre is geen lompe slasher geworden, dankzij de keuze om ook plot en personages aandacht te geven, hetgeen wellicht wat hardcore horrorfanaten niet kan bekoren. Een typisch Hollandse keuze eigenlijk. Het poldermodel in filmvorm.

De moorden variëren van ronduit origineel tot vrij knullig. De film is low budget en dat is met name te zien in de special effects. De eerste moord is heerlijk verfilmd en komt uit onverwachtse hoek. Ook de finale mag er wezen. Tussen start en slot moet The Windmill Massacre het vooral hebben van meer dan degelijk acteerwerk, veel grappige scènes (Takashi die ‘Het zal wel niets zijn’ zegt, nadat er al drie man zijn vermoord en een vierde is verdwenen) en een sporadisch schrikeffect. Dat het verhaal zich afspeelt in de polder is verfrissend. Het is weer eens wat anders dan een verlaten huis. Sterk camerawerk geeft de kijker in de open velden een claustrofobisch gevoel, geholpen door een aanzwengelende soundtrack. The Windmill Massacre is vooral vermakelijk, maar nooit echt goed.
 

24 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Clash

*****

recensie Clash

Beklemming op de vierkante millimeter

door Ralph Evers

In 2011 brengt de revolutie in Egypte een einde aan 30 jaar presidentschap van Mubarak. In 2012 wordt een nieuwe president, van de Moslim Broederschap (MB), geïnstalleerd. In 2013 komen miljoenen Egyptenaren in opstand en ontstaan er heftige ‘clashes’ tussen MB- aanhangers en medestanders van de militairen.

Met deze informatie opent Clash (Eshtebak) van de Egyptische filmmaker Mohamed Diab. Twee journalisten, een Amerikaans-Egyptische verslaggever en zijn Egyptische fotograaf raken betrokken bij een demonstratie en worden door de politie in een arrestatiebus gegooid. De sfeer is broeierig en onzeker. We zijn als kijker opgesloten met de twee journalisten in de bus. Buiten gaan de protesten door.

Clash (Eshtebak)

Geen onderscheid
Journalisten worden in deze hectische tijd gezien als spionnen en verraders. Dat ze vervolgens om hulp schreeuwen brengt hen nog verder in put. Gaandeweg raakt het busje steeds voller met nieuwe arrestanten. Er wordt daarbij geen onderscheid gemaakt: kinderen, ouderen en gezinnen worden zonder pardon de bus in gesmeten. Zo komen op de paar vierkante meter die de bus te bieden heeft zowel aanhangers van de militairen als aanhangers en sympathisanten van MB samen. Daarnaast leren we een christen, een jood, een dakloze en later een politieagent kennen.

Een sterke troef van Clash is dat alle personages een gezicht krijgen, alsof we er als kijker daadwerkelijk bij zijn. Evenals dat er geen simpel goed en kwaad is, alsmede dat een eerdere tegenstander later een medestander kan zijn. Temidden van chaos staat overleven boven principes.

Beklemming
Het knappe aan Clash is dat de gehele film vanuit één locatie is gefilmd, namelijk de acht vierkante meter van de arrestatiebus. Dit gegeven is niet uniek, doch niet eerder zo meedogenloos op de kijker overgedragen. Verrassend is het hoe gemakkelijk je in de film, en daarmee in de situatie, gezogen wordt. Zelden is beklemming zo dichtbij geweest als nu. Wanneer de bus bekogeld wordt met stenen en vuurwerk en de angst zichtbaar op de bezwete gezichten leesbaar is. Nog meer wanneer de bus beschoten wordt en de kogels zich door het metalen omhulsel boren.

In de meer verstilde scènes verschuift de aandacht naar de ondraaglijke hitte en benauwdheid, alsmede de stank die zich ophoopt in de beklemmende ruimte. De scène waarin voor enkelen de dorst gelest wordt, geeft een zucht van verlichting.

Clash (Eshtebak)

Doordat de film zeer dicht op de huid van de personages is geschoten, ben je als kijker onderdeel van de ervaring. De minimale informatie die we van de buitenwereld krijgen, komt overeen met de situatie van de gevangenen. We krijgen niets meer te zien dan wat er vanuit het busje te zien is. De genadeloze beklemming die dat oplevert, wordt een enkele keer onderbroken door muziek en zang. Er treedt even verbroedering op, er worden grapjes gemaakt en er wordt gelachen. Een traangasgranaat onderbreekt abrupt dit moment van medemenselijkheid, een moment waar de vooroordelen en de wederzijdse achterdocht even ruimte konden maken voor ontmoeting.

Het slotakkoord brengt de kijker in verwarring. Zoals nergens in de film velt Diab een moreel oordeel. Hieraan doet hij verstandig, het maakt de film volwassen en makkelijker in te leven. Onmiskenbaar evenwel ontkom je niet aan de metafoor, dat wat binnen gebeurt het busje net zo vreselijk is als wat er buiten. Alsof Diab wil zeggen dat wanneer we niet onszelf en ons aandeel in het grotere geheel onder ogen willen komen, we niet tot een vreedzame oplossing zullen komen.
 

22 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Hell or High Water

*****

recensie Hell or High Water

Amerika is geen land, het is een business

door Alfred Bos

Met ijzersterke psychologie, scherpe karaktertekening, verfijnde plot, achteloze humor, kleurrijke personages en veel couleur locale zet de eigentijdse western Hell or High Water vraagtekens bij het Amerika van nu.

De Schotse regisseur David Mackenzie heeft een respectabel aantal films gemaakt zonder noemenswaardig de aandacht te trekken. Dat zal met zijn tiende, een eigentijdse western voorzien van maatschappijkritische ondertoon, op slag veranderen. Hell or High Water is een meesterwerk, de perfecte film waarin werkelijk alles klopt en het persoonlijke drama uitgroeit tot symbool voor een kardinale weeffout in het hart van het economische systeem. Het toont een wereld op zijn kop.

Hell or High Water

Twee broers plegen in West-Texas een reeks overvallen. Ze beroven uitsluitend filialen van dezelfde lokale bank en willen alleen kleine coupures uit de kas. Telkens een magere opbrengst van ongemerkt geld, merkt Texas Ranger Hamilton (een sterke Jeff Bridges) op. Daar moet een plan achter zitten en het prikkelt, drie weken voor zijn pensionering, zijn nieuwsgierigheid.

Het plan is van de jongste broer, Toby Howard (Chris Pine, veel beter dan zijn Captain Kirk in Star Trek doet vermoeden), een gescheiden dertiger. Zijn oudere broer Tanner (Ben Foster, ook ijzersterk) is een impulsieve sociopaat die in de bak heeft gezeten voor vadermoord. Ma is net aan een slepende ziekte overleden en de bank aast op de familieboerderij. Het geld is opgegaan aan medische kosten en de huur al die tijd voorgeschoten door de bank. Die wil nu geld zien.

Cowboy en indiaan versus brein en branie
Toby is het brein en Tanner de branie van het duo met een missie. Ze zijn de muis voor het andere duo dat de kat van het verhaal vormt, Texas Ranger Hamilton en zijn half-Indiaanse sidekick Parker (Gil Birmingham). De cowboy en de indiaan sarren elkaar met racistische opmerkingen, maar ze vormen een ingespeeld team. Hamilton is de hoog-intelligente veteraan met mensenkennis en een feilloze intuïtie, Parker zijn trouwe Sancho Panchez.

Het draaiboek is van de hand van Taylor Sheridan, een acteur die vorig jaar als scenarist debuteerde met het ook al niet verkeerde Sicario. Hell or High Water zit vol psychologische finesse en achteloze humor. West-Texas is een semi-woestijn van desolate prairies en roestige silo’s, een foeilelijke omgeving in verval. Tussen de rotsen kruipen ratelslangen en in de verarmde stadjes zwoegen de verliezers van de globalisering.

Exotisch reservaat
Mackenzie schets de achtergrond van het verhaal via reclameborden langs de weg en graffitiboodschappen op muren, zoals Andrew Dominik dat in diens meesterlijke Killing Them Softly uit 2012 deed met tv- en radio-interviews die commentaar op de handeling leveren. De boodschap van die film raakt aan de moraal van Hell or High Water: Amerika is geen land, het is een business.

Hell or High Water

Met verfijnde psychologie, een nog verfijnder plot en sterke acteerprestaties heeft Hell or High Water al (veel) meer te bieden dan de doorsnee film, maar wat Mackenzie’s tiende tot sublieme hoogte tilt is de achteloze zwier waarmee hij de couleur locale schetst. Gezien door zijn lens is West-Texas een exotisch reservaat van weerbarstige overlevers, de een nog excentrieker dan de ander, maar allen volstrekt naturel en geloofwaardig. En allemaal met een gun op zak en een hoed op het hoofd. Het levert een reeks briljante scènes op, waarin locals in bijrollen de sterren van het doek spelen.

Vlijmscherpe epiloog
Ook in visueel opzicht is Hell or High Water een rijke film. De sfeer van vermoeidheid en verval wordt direct neergezet in het schitterende openingsshot, wanneer de camera over de verlaten parkeerplaats van een bank schuift en in het voorbijgaan een veelzeggende graffititekst op een muur toont. In de landerigheid lijkt elke handeling een teken van overmoed.

Hoewel de film via dialoog, personages en setting de nodige humor bevat, wordt de stemming allengs donkerder. Bij een verhaal waarin de boeven ook het slachtoffer zijn en het slachtoffer in wezen de schurk, past een epiloog op het scherp van het scheermes die, zoals alles aan deze film, ambigu is. Mackenzie heeft geen absurdisme nodig om het absurde van het huidige Amerika te tonen. Zijn film laat zien wat tv-serie Breaking Bad enkele jaren terug betoogde: in het land van het überkapitalisme kun je alleen als gangster overleven.

En wie niet sterk is, moet slim zijn. Hell or High Water is de beste eigentijdse western sinds John Sayles’ briljante Lone Star (1996) – ook zo’n gelaagde, rijke film – en minstens zo goed als de met Oscars overladen No Country For Old Men van de Coen Brothers. Film van het jaar.
 

18 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Fille inconnue, La

***

recensie La fille inconnue

De zaak van het onbekende meisje

door George Vermij

Net als alle gelukkige gezinnen lijken ook alle films van de gebroeders Dardenne op elkaar. Voor sommige filmliefhebbers is dat de kracht van de oprechte cinema die de Walen vanaf La Promesse prediken. Voor anderen is het vooral meer van hetzelfde.

Het is eigenlijk opmerkelijk dat Jean-Pierre & Luc Dardenne niet vaker in een adem genoemd worden met Luiks trots Georges Simenon. De schrijver die bekend zou worden met detective Jules Maigret was eerst een journalist in die vieze grijze mijnstad. Zo leerde hij op een feitelijke en precieze manier schrijven wat zijn detectiveromans alleen maar ten goede kwam. Het is die droge feitelijkheid die de cinema van de Dardennes evengoed typeert, er zijn echter meer overeenkomsten.

La fille inconnue

Misdrijf
Is het de kijker ooit opgevallen hoe vaak er sprake is van een misdrijf in hun films? In La Promesse wordt de dood van een illegale arbeider opgedoekt. In Rosetta ziet de schuchtere hoofdpersoon hoe een collega stiekem zijn eigen waren verkoopt op het werk. Verder wordt Rosetta nauwgezet gevolgd door de camera als een verdachte die op elk moment weer in de fout kan gaan. Die kille registratie zie je ook terug in Le fils over een timmerman die een jongen onder zijn hoede neemt en door hem is geobsedeerd. Een moord blijkt uiteindelijk de bindende factor te zijn.

Met La fille inconnue komen de broers nog het dichtst in de buurt van de morsige wereld van hun streekgenoot. Adèle Haenel speelt gedreven huisarts Jenny Davin die zich in haar praktijk fanatiek inzet voor haar patiënten. Als zij opeens een persoon aan de deur weigert omdat de praktijk al dicht is, ontwikkelt zich een typische Dardenne-plot over individuele verantwoordelijkheid en het maken van morele keuzes.

Jenny blijkt een jonge prostituee die om hulp vroeg te hebben genegeerd. Die wordt later dood aangetroffen, maar hoe zij precies om het leven is gekomen blijft schimmig. De door schuld achtervolgde Jenny kan het ongeïdentificeerde meisje niet loslaten. Ze begint een zoektocht en komt zo achter geheimen die haar patiënten en stadsgenoten voor haar verbergen.

Obsessie
Om de Dardennes genrefilmmakers te noemen gaat natuurlijk te ver. Het is een label waar zij zich waarschijnlijk niet achter willen scharen ook al heeft het plot wel de structuur van een whodunit. Toch gaat het bij La fille inconnue niet zozeer om de spanningsopbouw. De obsessie van Jenny staat centraal: een nobel persoon die ondanks tegenwerkingen invloed wil uitoefenen in een wereld die op materieel en moreel vlak verarmd is.

Wie het Dardenne-oeuvre kent zal niet verbaasd zijn dat de spiegeling van bepaalde gebeurtenis terugkomt in La fille inconnue. In Rosetta wordt de hoofdpersoon niet door haar moeder gered als zij in het water valt. In een scène die zich later in de film afspeelt moet zij juist iemand helpen die verdrinkt. In Deux jours, une nuit vecht Marion Cotillard om het behoud van haar baan door haar collega’s te overtuigen. Aan het einde van de film wordt zij echter gedwongen om te kiezen voor het ontslag van een ander zodat zij kan blijven werken.

La fille inconnue

La fille inconnue begint ook met een spiegeling van situaties die laat zien hoe netelig morele kwesties kunnen zijn. Als Jenny opeens een kind met een epileptische aanval moet helpen, blijft haar stagiair verstijfd staan. Hij kan niet ingrijpen terwijl het kind vecht voor zijn leven. Later wil hij de deur openen voor de prostituee, terwijl Jenny zegt dat het te laat is om nog iemand binnen te laten. Het is die beoordelingsfout die Jenny achtervolgt en haar zoektocht naar de identiteit van het meisje onderbewust voedt.

Waals realisme
La fille inconnue is standaard Dardenne wat op zich niet slecht hoeft te zijn. Voor ervaren kijkers voelt het als een expanded universe met de gebruikelijke bekende koppen: Fabrizio Rongione, Olivier Gourmet en ditmaal Yannick Renier die sprekend lijkt op zijn broer en vaste Dardenne-acteur Jérémie Renier. Dit Waals realisme wordt droog vastgelegd door de camera’s in medium shots met veel natuurlijk licht. En dat met een nuchter kleurenpalet dat doet denken aan de sfeer in een verzorgingshuis.

Een gedegen film dus die vooral wordt gedragen door aankomend talent Haenel (Les combattants, Les ogres). Toch verrast het weinig in stijl en boodschap. De morele keuzes die Jenny moet maken, worden misschien objectief en zonder franje geregistreerd; ze missen wel een bite. Er is daarnaast ruimte voor een vorm van sluiting wat het rauwe realisme niet echt ten goede komt. Het maakt van de objectieve stijl des temeer een trucje dat wij vaker hebben gezien, maar zonder de rafelrandjes. Misschien hadden de broers zich iets meer in de grimmige en naargeestige wereld van Simenon moeten verdiepen. De thematische links liggen al voor het oprapen, nu alleen die beklemmende film nog.
 

18 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Genius

***

recensie Genius

Structuur ontbreekt in film over geniale redacteur

door Wim Meijer

Hoewel Genius de auteur-redacteur relatie treffend verfilmt, is het allerminst geniaal te noemen. De film had beter het advies van de protagonist op kunnen volgen: ‘Just stick to the story.’

De excentrieke Thomas Wolfe (Jude Law) levert een manuscript van duizenden pagina’s aan. Iedere uitgeverij wijst hem af, totdat hij oog in oog staat met Maxwell Perkins (Colin Firth), redacteur van Ernest Hemingway en F. Scott Fitzgerald. Wolfe steekt met veel bravoure een verhaal af gevuld met metaforen en proza. Hij snapt dat Perkins hem afwijst. Immers, alle anderen deden het ook. Maar Perkins kijkt verder en ziet de schoonheid in Wolfe’s werk, dat dan nog is doorspekt met overbodige beschrijvingen en ellenlange verhalen. Hij besluit Wolfe een kans te geven.

Genius

Professionele strijd
Het contrast tussen Perkins en Wolfe kan niet groter zijn. Perkins is gedecideerd, gecontroleerd, stabiel in elk opzicht en zal nooit of te nimmer uit de bocht vliegen. Wolfe is onbehouwen, theatraal, heeft een tumultueuze relatie met de getrouwde kostuumdesigner Aline Bernstein (Nicole Kidman) en verliest zich in drugs, drank en seks. De basis van Genius is de hechte band tussen de twee mannen. Eerst op professioneel vlak, waarbij het duo een hevige strijd aangaat om elke alinea, elke letter. Wolfe ziet elke regel als expressie van zijn identiteit. Voor Perkins zijn ze overbodig.

Al snel leren de protagonisten elkaar ook op persoonlijk vlak kennen, hetgeen tot bijna net zoveel botsingen leidt. Zelfs een uitje naar een jazzclub, een ogenschijnlijk onschuldige tijdsbesteding, verloopt niet zonder slag of stoot.

Jude Law worstelt met zijn personage. Het dikke Amerikaanse accent en de overdreven manier van acteren kosten hem zichtbaar moeite. Wolfe weet als geniale schrijver nooit echt te overtuigen, waardoor ook de persoonlijke vetes geforceerd aanvoelen. Perkins is saai, voorspelbaar en hanteert droge humor. Firth kan dit als geen ander, maar het komt het toch al trage Genius niet ten goede.

Genius

Schrappen
Regisseur Michael Grandage filmt Genius in noir-stijl. De donkere kantoren, idem kostuums en onderbelichte scènes vol rokende mensen passen fraai bij het New York van de jaren dertig. Grandage debuteert met een film die talloze uitstapjes maakt en richting mist. Dat de vrouwen in de levens van Perkins en Wolfe een prominente rol innemen met talloze scènes waarin wordt gekibbeld over hoe lang de mannen werken, valt de film nog wel te vergeven, ook al voegen de scènes in essentie weinig toe.

De uitgebreide fragmenten met Scott Fitzgerald en Ernest Hemingway zijn een hoofdstuk waar Perkins een rode streep doorheen zou hebben gezet. Schrappen die handel. Ze leiden af van waar het om gaat en wat de kracht is van Genius: de relatie tussen Perkins en Wolfe.

Juist deze relatie verdient de volle aandacht. Perkins is als een vader, een mentor en ook een psycholoog voor Wolfe. De eloquente schrijver brengt op zijn beurt kleur in het statische leven van Perkins zich die urenlang een weg door onleesbare manuscripten baant. Juist dat is het verhaal dat Grandage had moeten uitdiepen.
 

17 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Beatles: Eight Days a Week

***

recensie The Beatles: Eight Days a Week
Fab Four als het oog van de orkaan

door Alfred Bos

Regisseur Ron Howard heeft zijn documentaire over de jaren van de Beatlemania en het Fab Fours baanbrekende succes in Amerika met veel respect en vakmanschap samengesteld, meer kun je niet vragen.

De Fab Four hadden er in 1995, toen de onder hun supervisie samengestelde, officiële groepsgeschiedenis The Beatles Anthology op acht videobanden (later vijf dvd’s) verscheen, maar liefst dik elf uur (672 minuten) voor nodig. Regisseur Ron Howard doet het in twee uur en een kwartier, maar die vertelt niet het hele verhaal van het kwartet uit Liverpool. Eight Days A Week, ondertitel The Touring Years, beperkt zich tot de periode van de Beatlemania, 1963 tot 1966, de jaren van snelle artistieke groei en hysterische adoratie.

Recensie: The Beatles: Eight Days a Week

Dus geen aanloop, 1957 tot 1962: The Quarrymen, Hamburg, de eerste single Love Me Do. En ook geen glijvlucht naar aarde, met harde landing, 1967 tot 1969: het overlijden van manager Brian Epstein, het fiasco van de Apple-winkel, de onderlinge ruzies en de breuk van Paul McCartney met de rest. Ron Howard richt zich op het hart van het Beatles-verhaal, toen John, Paul, George & Ringo met hun humorvolle bravoure en muzikale talent als een tornado het stof van de jaren vijftig wegbliezen. De sixties waren begonnen! Een nieuwe wereld daagt!

Culturele kracht
Het doet mogelijk een beetje onderkoeld aan in een wereld die bol staat van de bluf en de hype, maar het verhaal – al is het vaker en voor sommigen tot in den treure verteld – blijft spectaculair. Met de wijsheid van de terugblik valt op hoe gelukkig hun timing was. De combinatie van een generatie van naar verandering hunkerende tieners – de babyboomers, talrijk in aantal, beter opgeleid dan hun ouders – en de welvaart van de verzorgingsstaat hadden de Fab Four, na de tweede single Please Please Me uit de Siberisch koude winter van 1963 en hun eerste nummer 1-hit, in thuisland Engeland in recordtijd doen uitgroeien tot een een culturele kracht zonder precedent.

Howards documentaire opent in oktober 1963, de maand waarin het viertal in de London Palladium optrad voor een koninklijk publiek, de bevestiging van hun overrompelende triomf. Engeland, inclusief koningin Elizabeth, ligt aan hun voeten, nu de rest van de wereld. Wanneer ze op vrijdag 7 februari 1964 op Kennedy Airport in New York landen, stappen ze in een warm bad. Amerika is overgretig om het nationale trauma van de moord op president JFK af te schudden en het massamedium televisie fungeert als rode loper naar het hart van de Amerikanen, en niet alleen de babyboomers. De hele natie is van hen gecharmeerd.

Pioniers
De film vertelt niets nieuws en Howard maakt gebruik van de historische beelden die al vele malen eerder, ook in The Beatles Anthology, zijn vertoond en dus overbekend zijn, aangevuld met recente, eigen interviews met de twee nog levende ex-Beatles, Paul McCartney en Ringo Starr. In dat opzicht valt er weinig eer te behalen. Maar hij voegt een eigen accent toe: het weergaloze succes van de Fab Four in Amerika – hun tv-debuut tijdens de Ed Sullivan Show van 9 februari 1964 is met 73 miljoen kijkers het best bekeken tv-programma uit de Amerikaanse mediageschiedenis – is het begin van een internationale jeugdcultuur die nog altijd, zij het in een doorgeëvolueerde vorm, bestaat. Ook in dat opzicht overvleugelden ze Elvis Presley.

Recensie: The Beatles: Eight Days a Week

The Beatles pionierden de muziekcultuur zoals we die nog steeds kennen. De onmatige aandacht van de media, de hypes rond uit hun verband gerukte uitspraken, de stadionconcerten – geen PA bij hun optreden in het New Yorkse Shea honkbalstadion van 15 augustus 1965, het geluid kwam uit de omroepspeakers – en niet te vergeten, de merchandising. Ze schreven niet alleen geschiedenis, ze máákten die ook.

Euforie verlept
In de zomer van 1966 sloeg de euforie razendsnel om in een kater. Toen The Beatles op maandag 29 augustus van dat jaar voor het laatst optraden, in het Candlestick Park in San Francisco, was dat het begin van het einde: op 27 augustus 1967 overleed Brian Epstein plotseling.

In de tussenliggende maanden maakten ze Sgt. Pepper’s Lonely Hearts Club Band, door het Amerikaanse tijdschrift Rolling Stone uitgeroepen tot het beste album aller tijden (maar de rest van de wereld weet beter).

Ze speelden nadien nog één keer in het openbaar, op donderdag 30 januari 1969, op het dak van hun Apple-kantoor in Saville Row, Londen. Het miste de magie van die drie knotsgekke, manische, totaal waanzinnige jaren in het oog van de orkaan waarin, voor even, de aarde leek te kantelen.
 

15 oktober 2016

 

MEER RECENSIES

Confessioni, Le

**

recensie Le confessioni

Politicus probeert mens te zijn

door Cor Oliemeulen

Een mysterieuze monnik is uitgenodigd in een hotel waar de ministers van Financiën van de grootste economische mogendheden vergaderen over een geheim plan dat de wereld ingrijpend zal veranderen. Klinkt interessant, maar slaat uiteindelijk als een tang op een varken.

In de ondoorzichtige wereld van de mondiale machthebbers draait alles om geld en het maken van geld. Banken zijn geheime genootschappen, die geen verantwoording hoeven af te leggen en ongemoeid worden gelaten. Parlementen bestaan uit dode zielen die niets te vertellen hebben. Politici zijn zakenmensen geworden. Illusionisten. Suprematie van de staten bestaat niet meer. Honger en armoede zijn ingrediënten voor vooruitgang. De boodschap van Le confessioni is zonneklaar. Maar meer dan een veelbelovende premisse biedt deze als dramathriller aangekondigde film van de Italiaanse regisseur Roberto Andò niet – de grote acteernamen en mooie plaatjes ten spijt.

Le confessioni

Moord of zelfmoord?
Drones zijn prachtige uitvindingen, tenminste voor films. Voor het soepeltjes volgen van een auto naar de plaats van bestemming heb je geen tracking shot vanuit een helikopter meer nodig, noch opnames vanaf een hoger gelegen punt. We zien vanuit de lucht dat de auto stopt bij een zwaarbeveiligd gebouw aan het water. Een bebaarde man in een wit habijt stapt uit en laat zich naar binnen leiden in het Grand Hotel Heiligendamm aan de Duitse kust, waar een G8-top van economen op het punt staat te beginnen. De Italiaanse monnik Roberto Salus (Toni Servillo) is uitgenodigd door de voorzitter van het IMF, Daniel Roché (Daniel Auteuil).

Grotere tegenpolen bestaan niet. Voor Roché is het leven slechts draaglijk als hij in staat is het te vermijden. Door het werken met geld is het hem gelukt het leven te mijden zonder verveeld te raken. Roché heeft de monnik uitgenodigd omdat die in zijn boeken alles afkeurt waar hijzelf voor staat. Voldoende reden om de geestelijke hem de biecht af te laten nemen, juist omdat Roché nu op een keerpunt in zijn leven is beland. Roberto is antimaterialist, veel meer dan een habijt en sandalen bezit hij niet. Hij geniet van de rust en de vogelgeluiden die hij opneemt.

De ochtend na de biecht wordt Roché in zijn kamer dood aangetroffen met over zijn hoofd een plastic zak, die de monnik bij aankomst bij zich droeg. Moord of zelfmoord? Roberto laat niets los en kan bovendien zijn geluidsrecorder niet meer vinden.

Le confessioni

Wat is de clou?
In Le confessioni komt zowaar een soortgelijke situatie als in I Confess (1953) van Alfred Hitchcock ter sprake (van moord verdachte priester beroept zich op zwijgplicht), maar daar houdt elke vergelijking op, omdat er in het IMF-drama nauwelijks suspense valt te beleven. Of het moet zijn dat de hond van de Duitse (jawel) minister van Financiën op een gegeven moment de deelnemers aan de vergadering de stuipen op het lijf jaagt of in een tussenshot drie blote protesterende meisjes over het gazon van het hotel rennen om door veiligheidstroepen in de ‘kraag’ te worden gegrepen.

De pointe van het verhaal komt al even vergezocht uit de lucht, wanneer blijkt dat de monnik een opmerkelijk verleden heeft – waardoor de wereld aan een nieuwe financiële ramp ontsnapt? Wie de clou begrijpt, mag zich melden bij onze redactie. Dat de vertolking van ‘Walk on the Wild Side’ van Lou Reed – met backing vocals van de vrouwelijke Canadese minister – het hoogtepunt van de film is, zegt alles.

Roberto Andò schreef en regisseerde eerder het charmante Viva la libertà, een komisch politiek drama met Toni Servillo (beroemd sinds La grande bellezza) in een alleraardigste dubbelrol. Talentvol en ambitieus als hij is, zou Andò kunnen overwegen om eens een goede scenarist in te huren. Dat zal voorlopig niet gebeuren, omdat hij momenteel een Italiaanse variant op de politieke serie House of Cards aan het schrijven is: L’irresistible ascesa (De onweerstaanbare opkomst). Zijn bespiegelingen over de menselijke kant van politici verdienen een beter lot dan in Le confessioni.
 

8 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Oasis: Supersonic

**

recensie Oasis: Supersonic

Nageboorte van John Lennon?
Definitely not.

door Alfred Bos

Hoe twee broers uit Manchester, de een een fantast en de ander een crypto-criminele hooligan, dankzij de borstklopperij van de Britse muziekpers uitgroeiden tot de meest overschatte band uit de muziekgeschiedenis.

Zelf noemen ze zich Abel en Kabel, naar de zonen van Adam en Eva. De Gallagher-broers, Noel de oudste (eigenlijk middelste) en Liam de jongste, kennen hun bijbel. Zelf schreven ze het nieuwe testament van de Britse popmuziek, de nabrander van een roemrijke traditie die midden jaren negentig als Britpop bekend is geworden. Het was de laatste hoezee van een popnatie in verval. Hun eerste langspeler Definitely Maybe (1994) werd het snelst verkopende debuutalbum uit de Engelse pophistorie.

Oasis: Supersonic

Oasis werd wereldberoemd in Engeland en Japan. Daarbuiten, Amerika voorop, was de ontvangst een stuk koeler. Omhoog geschreven door de Britse pers werd het vijftal het boegbeeld van Britpop, de Engelse reactie op de Amerikaanse grunge van Nirvana en Pearl Jam die begin jaren negentig domineerde. De mannen zelf gingen in al die hijgerige bijval geloven en waanden zich de evenknie van The Beatles en Elvis. Sla er het MOJO-interview van november 2007 op na.

Van de vier klassieke Britpop bands – Blur, Pulp, Suede en Oasis – had het vijftal uit Manchester als enige een groepsnaam met drie lettergrepen maar was veruit het minst bedeeld met rekenkracht, zoals de twee uur durende documentaire, door regisseur Mat Whitecross samengesteld uit het beeldarchief van de broers, overvloedig laat zien. Het is één lange litanie van grofheden en hooligangedrag, gepunctueerd door de zelfmythologiserende opmerkingen van Noel, de songschrijver en intellectueel van de band. Die ziet Oasis als de laatste grote Engelse rockband in een traditie die door internet kapot is gemaakt. Hij vergeet gemakshalve Muse.

Het is de schuld van de roadies
De door de broers gefinancierde documentaire concentreert zich op de eerste vijf jaar van de band, van de oefenruimte en het eerste publieke optreden (Boardwalk, Manchester, 18 augustus 1991) tot de optredens van 10 en 11 augustus 1996 op het festivalterrein van Knebworth voor in totaal een kwart miljoen mensen. Over de gretige zelfmedicatie en bijkomend zelfdestructief gedrag is men open, zelfs trots. Dat een cruciaal optreden in Los Angeles werd verknald door onprofessioneel gedrag, lag volgens Noel niet aan de muzikanten (high op meth), maar aan de roadies. ‘We hadden allemaal een andere setlist.’

Supersonic bevestigt de Oasis-mythe, met uitsluiting van alles wat niet strookt met het geïnflateerde zelfbeeld van de broers. De door de Engelse pers opgeklopte tweestrijd tussen de groep en hun tegenbeeld Blur (Manchester versus Londen, working class versus middleclass, lagere school versus kunstacademie) culmineerde in augustus 1995 in een heuse mediahype, the Battle of Britpop. Beide bands brachten in dezelfde week een nieuwe single uit, welke zou dat weekeinde de hitlijsten aanvoeren? Het werd Blurs Country House. De documentaire gaat aan het vermaarde voorval voorbij.

Ook de kwesties rond plagiaat blijven onbelicht. Bij single nummer drie, Shaker Maker, was het al raak en er zouden meerdere volgen. Noel Gallagher ziet zichzelf als een songschrijver van het kaliber Burt Bacharach, maar speelt leentjebuur bij zijn voorbeelden. Hij staat paf van zijn eigen genie.

Oasis: Supersonic

Het is de schuld van de muziekindustrie
Twee uur doorbrengen met de Lombroso-koppen van de Gallaghers en hun rockclichés is vermoeiend, niet in het minst omdat ze zowel verbaal als muzikaal maar één register kennen: bluf. Zelf zien ze zich als de geniale nageboorte van John Lennon, maar als we dan toch naar de jaren zestig moeten verwijzen komen eerder de ruziënde broers Ray en Dave Davies van The Kinks op het netvlies. En, zo leert Supersonic ten overvloede, eigenlijk is Oasis de reïncarnatie van jaren zestig band The Troggs, die van Wild Thing, in muzikantenkringen legendarisch vanwege hun onnavolgbare studioruzies, befaamd geworden als de Troggs Tapes.

Gelukkig valt er af en toe ook nog wat te lachen. Hilarisch is het verhaal van hun eerste concert buiten Engeland, in de Amsterdamse Melkweg. Voor ze afreizen op hun eerste buitenlandse tripje slaan de mannen een voorraad drugs in en maken het op de veerboot zo bont dat Liam wordt gearresteerd. Geen optreden in Amsterdam, waar – maar dat hadden de Gallaghers niet begrepen – de drugs aan de struiken groeien.

Supersonic, vernoemd naar de eerste Oasis-single, staakt het verhaal na de triomf van Knebworth. De lol was er al eerder vanaf, zo onthullen de broers: de managers en professionals van de muziekindustrie hadden de chaos gekanaliseerd. Kosmische eigendunk en een selectief geheugen maken van Supersonic een eenzijdige documentaire die grenst aan geschiedvervalsing.
 

3 oktober 2016

 
MEER RECENSIES

Wailing, The

****

recensie The Wailing

Sul buiten zijn comfortzone

door Alfred Bos

Alles is net even anders in deze Zuid-Koreaanse genrefilm die speelt met conventies en verwachtingen. Zijn het giftige paddenstoelen die van de dorpsbewoners moordende woestelingen maken of waart er een geest rond?

Horror is een kwestie van doseren. In The Wailing speelt de Zuid-Koreaanse regisseur Hong-jin Na een spel met genreconventies en de kijker. Zijn film opent als een thriller, lijkt zich te ontwikkelen tot horror en ontplooit zich uiteindelijk als fantasy van het donkere soort. Voor de consument van popcorn-blockbusters is het wellicht een tikje te grillig, maar de meer avontuurlijk ingestelde kijker – en de horrorfijnproever, uiteraard – wordt met verve bespeeld, 157 minuten lang. En dat is lang.

The Wailing

In een dorpje op het platteland van Zuid-Korea wordt een politieman (Do Wo Kwak, in Zuid-Korea voornamelijk bekend van bijrollen, in Nederland te zien geweest in The Berlin File uit 2013) ’s ochtends wakker gebeld. Hij moet direct langskomen, er is een lijk gevonden. Half wakker draaft hij de deur uit, pas na aandringen van zijn vrouw schrokt hij een ontbijt naar binnen. We leren Jong-Goo, zo heet hij, kennen als volgzaam en aards. Een sul buiten zijn comfortzone.

Zijn collega Il-Gwang (Jeong-min Hwang, de meer bekende acteur in Zuid-Korea, vorig jaar op het Imagine Festival te zien geweest als hoofdrolspeler van de actiekomedie Beterang) is al op de plaats delict aanwezig. Op de veranda van een schamele woning hangt een nauwelijks als mens herkenbare man in zwijm. Rond hem scharrelen agenten in de stromende regen door de modder. Binnen ligt het gruwelijk toegetakelde lijk van zijn vrouw.

Hitchcock-adept
The Wailing (Het Geklaag) is de vertaling van Goksung, de naam van het dorp en tevens de Koreaanse titel. Het is de derde film van regisseur Hong-jin Na, ook verantwoordelijk voor het draaiboek. Die dubbelrol vervulde hij bij zijn eerdere films, de actiethrillers Chaser (Chugyeogja, 2008) en The Yellow Sea (Hwanghae, 2010), die beide de twee uur speelduur ruim overschrijden. Dat doet ook The Wailing, de officiële Zuid-Koreaanse inzending voor het Film Festival in Cannes. Op verschillende fantasy festivals won de film al de publieksprijs.

Daar kan deze nuchtere, niet bijzonder van horror gecharmeerde kijker goed inkomen, want Hong-jin Na zet conventies naar zijn hand. Niet alleen laat hij de hoofdrol vervullen door een bijrolacteur – en diens collega spelen door een steracteur – hij geeft hints en aanwijzingen als een volleerde Hitcock-adept en bespeelt zijn publiek als een marionettist. Dat wordt met zwier door een reeks emoties gejonast, van nieuwsgierigheid via beklemming naar totale verbijstering.

The Wailing

Botsing van ratio en magisch denken
Het motto van de film is ontleend aan een tekst uit het Nieuwe Testament, het evangelie van Lucas. Geloof en bijgeloof spelen de hoofdrollen in The Wailing. In de geciteerde Bijbeltekst presenteert Jezus zich als geest; de film toont het ultieme kwaad, de duivel, in mensengedaante. Het verhaal is een botsing van ratio en magisch denken, van goed en kwaad. De moordende echtgenoot heeft verkeerde paddestoelen gegeten, oppert protagonist Jong-Goo. Welnee, het is die rare Japanner die onlangs in het dorp is komen wonen, meent zijn collega Il-Gwang.

Wanneer de moordpartij uit de openingsscène geen incident blijkt en er meer slachtoffers vallen, waaronder Jong-Goo’s allerschattigste dochtertje, worden er een priester en een sjamaan bijgeroepen. Maar The Wailing is zombiefilm noch The Omen op zijn orientaals, en ook geen rampenfilm à la Outbreak of een dorp-keert-zich-tegen-buitenstaander verhaal op zijn Salems.

In deze bovennatuurlijke thriller betoont de regisseur zich een Aziatische tegenhanger van Guillermo del Toro. The Wailing is sterk van suggestie en neemt ruim de tijd om de kijker te kapselen in een sfeer van groeiende verontrusting. Ook sterk: de regisseur weigert om alles klip en klaar te maken. In de voor de hand liggende Hollywood-makeover zal het inktzwarte – of in dit geval bloedrode – slot ongetwijfeld een paar tandjes worden opgeleukt. En alles worden uitgelegd. Want buiten de comfortzone zijn geest en vlees niet van elkaar te onderscheiden.
 

2 oktober 2016

 
MEER RECENSIES