Sound of Falling

*****
recensie Sound of Falling
Echo van een eeuw

door Bert Potvliege

Er huist zodanig veel cinema in Sound of Falling dat de film uit zijn voegen dreigt te barsten. Cineaste Mascha Schilinski levert met haar tweede langspeler een verpletterende film – een uitdaging én een loutering, voor zij die zich openstellen. De film moest het stellen met een gedeelde Juryprijs in Cannes (samen met het uitstekende Sirât), wat een gemiste kans lijkt. Het zou een ontzettend mooie en terechte Gouden Palm geweest zijn.

In de beginjaren van de 20ste eeuw jaagt een speelse keukenhulp op enkele plagende kinderen, tot ze verdwijnen in het niets. In de jaren 1940 likt een jonge vrouw een druppel zweet uit de navel van een man met geamputeerd been. Het keukenschort van een ouder wordende huisvrouw – haar jeugd diep begraven in de blik – toont haar plaats in het bestaan van de jaren 1980. Decennia later delen twee tienermeisjes AirPods terwijl ze bij de beek naar muziek luisteren.

Dit zijn de verhalen van Anna, Erika, Angelika en Lenka – verspreid over een honderdtal jaren, verbonden door de Duitse boerderij waar dit alles zich afspeelt. Deze vrouwen staren het leven in de ogen. Ze hunkeren naar een verlossing. De dood is altijd vlakbij.

Sound of Falling

Mistige flarden
Sfeer staat centraal in Sound of Falling, vertaald in beelden die spreken over het potentieel van poëzie in cinema – een geconcentreerde, ritmische en uiteraard verbeeldende manier om gevoelens, gedachten of ervaringen uit te drukken. Schilinski gebruikt haar camera als de blik van een onzichtbare observator, een door de tijd glijdende geest, voor eeuwig gebonden aan die boerderij. Weemoed en nostalgie zijn de kenmerken van die schim.

Cinematograaf Fabian Gamper (echtgenoot van de cineaste) merkte op dat de visuele stijl het gevoel van een wazige herinnering wou oproepen. Onscherpe beelden, vage randen, tonale nevel, een camera in vrijelijke en ongemotiveerde bewegingen – de beeldenpracht is van wereldschokkende schoonheid.

Er is een link met het werk van Terrence Malick (The Thin Red Line, The Tree of Life), in de zin dat beide filmmakers de camera benaderen als een op zichzelf staande figuur, in observatie van alle andere personages. Bij Malick ligt de nadruk op de goddelijke blik van de camera: zalvend, ongenaakbaar en in een vitale relatie met dat wat zich voor de camera afspeelt. Vervang het sublieme door het nostalgische, en je hebt een idee van Schilinski’s esthetiek.

Een camera glijdt langzaam over een zandbank, naar een moeder die ligt te zonnebaden bij de beek – een zomerse luiheid, een welgekomen ontkoppeling van al wat moet. Langzaam schuifelend langs haar huid beweegt het beeld terug verder, naar iets verderop bij het water en haar kinderen in de buurt. Geen boodschap, geen opbouw, geen betekenistoekenning, enkel het stralende zijn. Het brak ons in twee, maar vraag niet waarom. Het antwoord hebben we niet.

De onverklaarbare vlammen
De nadruk bij film ligt doorgaans op de dramaturgische laag, waarbij plot en personages de essentie zijn. De intentie van een werk schuilt in die laag en een publiek wil dit ontcijferen; die drang te willen begrijpen zit ingebakken in onze kunstbeleving. Maar sommige filmmakers wijken af van dit pad en dagen de kijker uit, op manieren die niet noodzakelijk aangenaam zijn. Een onduidelijke intentie ontneemt het publiek kansen op enige houvast. Sound of Falling is hier radicaal in, en lijkt gemaakt om niet te doorgronden.

Schilinski nodigt je uit voor een ervaring, als een lied bij het kampvuur dat een moment van introspectie in het leven roept. Beleef! Meer wordt niet van je verwacht.

De thema’s van het werk identificeren lukt (de impact van het verleden op het heden, de kwetsbaarheid van opgroeien, seksualiteit en vrouwelijkheid, de rol van de dood), maar veel sterker voel je Schilinski’s aandacht verschuiven naar andere en meer mysterieuze zaken, naar onderstromen. De film is hierdoor geen evidente zit. Een kijker moet zich al bewust zijn van de geplogenheden van filmtaal en narratieve structuren om te kunnen waarderen dat een cineast het creatieve recht heeft ervan weg te sturen. Cinema is zoveel meer dan een verhaal vertellen.

Sound of Falling

Zij die naar films kijken om op hun wenken bediend te worden met een goed verteld verhaal, komen hier bedrogen uit. De afwezigheid van richtlijnen en ankerpunten zal sommigen woedend maken. Vele verzuchtingen en beschuldigingen van een zinloze saaiheid zijn het gevolg. Een speelduur van 150 minuten helpt niet. Schrik niet als sommigen halfweg de film de bioscoopzaal verlaten.

Liefde is een bliksemschicht
Zelden kon je zo verliefd worden op dat wat zich niet laat kennen. Maar is dat niet net de schoonheid van een coup de foudre – overdonderde adoratie voelen maar niet begrijpen. Tegen elke prijs willen ontcijferen, kan de beleving van een werk kapotmaken. Beschouw Sound of Falling gerust als een invitatie voor onverklaarbare schoonheid.

We willen het waarom niet weten. Laat het eenvoudigweg zijn. Met de overdondering die op dat loslaten volgt, toont Schilinski de ware kracht van cinema.

 

4 maart 2026

 

 

ALLE RECENSIES

The Wizard of the Kremlin

***
recensie The Wizard of the Kremlin
Cynische mediamanipulator in vlakke politieke thriller

door Jochum de Graaf

‘Als de Tsaar eenmaal het besluit had genomen, heb ik er alles aan gedaan om het te laten slagen. Hoewel ik het vaak niet met hem eens was, deed ik het toch, uit gewoonte, uit trots, en gewoon omdat ik het kon.’ Vadim Baranov (Paul Dano) kijkt aan het eind van de film terug op zijn carrière in de schaduw van Vladimir Poetin.

Baranov is de ‘Wizard van het Kremlin’ uit het boek Le mage du Kremlin van Giuliano da Empoli, een fictief en geromantiseerd verhaal gebaseerd op Vladislav Soerkov, de man die Vladimir Poetin groot maakte. Soerkov is de grondlegger van het concept van de ‘soevereine democratie’: een doctrine, die, met een sterk beroep op de Russisch-orthodoxe kerk en een teruggrijpen op het groot-Russische tsarenrijk van de 19e eeuw, een autoritair Russisch model ontwikkelde als tegenwicht tegen wat hij zag als decadente westerse democratische normen en waarden.

The Wizard of the Kremlin

Duistere kracht
Hij was, met een achtergrond als toneelregisseur en tv-producent, betrokken bij de zoektocht naar een opvolger voor Jeltsin, die uitkwam bij FSB-baas (opvolger van KGB) Poetin. Hij ontwikkelde het Kremlin-beleid ten aanzien van Oekraïne en de afvallige regio’s in de Donbas en was de drijvende kracht achter de annexatie van de Krim. Na de coronatijd werd hij ontslagen en leeft sindsdien onder de radar.

Soerkov had als bijnaam de ‘grijze kardinaal’ van het Kremlin, en ook wel ‘de puppet master’, de poppenspeler die aan vele touwtjes trekt. De ‘wizard’, de tovenaar of de ‘Kremlinfluisteraar’ – het klinkt wat mysterieus, niet per se negatief. En het ligt voor de hand om in de Russische verhoudingen te spreken over een nieuwe Raspoetin, de duistere kracht achter de echte Poetin, maar voor de Vadim Baranov in The Wizard of the Kremlin, zijn deze bijnamen toch iets te veel eer. Hij is eerst en vooral een cynische mediamanipulator, een fixer achter de schermen die zonder scrupules menig vuil werkje voor zijn baas opknapt.

Hoe het Poetinsysteem gestalte kreeg
Wanneer je de recente geschiedenis van Rusland en de opkomst van Poetin een beetje gevolgd hebt, zul je weinig nieuws ontdekken. De film neemt je mee in de neergang van de zieke president Boris Jeltsin in de jaren negentig en de gelijktijdige opkomst van de oligarchen die in FSB-chef Vladimir Poetin de man zien die hun macht en rijkdom kan veiligstellen.

Eenmaal aan de macht ontketent hij de Tweede Tsjetsjeense Oorlog, ontwikkelt hij zijn keiharde meedogenloosheid bij de ondergang van de Koersk-onderzeeër, schakelt zijn kingmaker oligarch Berezovsky uit, zet zijn grote tegenstrever oligarch Chodorovski op een zijspoor, poetst zijn imago op met de Olympische Winterspelen in subtropisch Sotsji, versterkt het Russische nationalisme inclusief de renaissance van de Stalinverheerlijking en ontwikkelt een sterke haat tegen Oekraïne, met de  interventie in de Majdan-revolutie, het binnenvallen van de Donbas en de annexatie van de Krim.

We zien ook hoe Baranov een conglomeraat van tegenstrijdige en excentrieke stromingen –  van ultraorthodoxe gelovigen en extremistische motorbendes tot een ‘Nationaal-Bolsjewistische Partij’ onder leiding van het literaire icoon Eduard Limonov – manipuleert tot een soort ‘officiële oppositie’, bedoeld om het Poetinregime van een democratische façade te voorzien. Hij ontwikkelt ook Ruslands cyberstrategie en het concept van hybride oorlogvoering, met sabotage- en ontwrichtingsacties die tot doel hebben permanente chaos en verwarring te zaaien in het Westen. Samen met nota bene Wagner-leider Jevgeni Prigozjin, die dan nog vooral bekendstaat als Poetins ‘chef-kok’, brengt Baranov een bezoek aan een ‘trollenfabriek’ in Sint-Petersburg.

Zo op een rijtje geeft The Wizard of the Kremlin een huiveringwekkend beeld hoe het Poetinsysteem gestalte kreeg: met zijn hedendaags populisme, de minachting voor de objectieve waarheid en de uitholling van de democratie en rechtsstaat.

The Wizard of the Kremlin

Veel blijft buiten beschouwing
De vergelijking met The Apprentice dringt zich op, met een glansrol voor Jeremy Strong als de roemruchte advocaat Roy Cohn die Trump de levenslessen van de immoraliteit bijbracht. Hoewel beide films de werking van de autocratie blootleggen is The Wizard of the Kremlin een stuk minder indringend. Dat heeft er deels mee te maken dat regisseur Olivier Assayas (Carlos, Wasp Network) noodgedwongen voor een compleet Engelstalige cast heeft gekozen wat de authenticiteit niet ten goede komt.

Daar komt bij dat Paul Dano (There Will be Blood) de rol van Baranov nogal matig invult, met een eentonige neuzelende stem waarmee hij ook nog eens in de veelvuldige voice-over alle gebeurtenissen en verwikkelingen becommentarieert. Het levert een nogal vlakke politieke thriller met een pathetisch einde op.

Jude Law (The Talented Mr. Ripley, Cold Mountain) als de ‘Tsaar’ is daarentegen wel sterk. Hoewel hij fysiek niet op hem lijkt, heeft hij heel goed de mimiek van gluipkop Poetin bestudeerd, de dunne glimlach, het parmantige loopje, de korte handdruk met de al bij voorbaat geïntimideerde bezoeker, het afgemeten gebaar naar de stoel waar ze moeten gaan zitten.

In tegenstelling tot de Trump uit The Apprentice krijgen we helaas geen diepgaande verkenning van de persoonlijkheid van Poetin: hoe hij van relatief onbekende spionagechef uitgroeide tot de machtswellusteling en gezochte oorlogsmisdadiger. Het brute, meedogenloze optreden in Tsjetsjenië, in Syrië, in Oekraïne, het uitschakelen en vermoorden van tegenstanders, het blijft buiten beschouwing.

En ook de toch wel sterke aanwijzingen dat Trump bij de Russen in de zak zit, de oligarchen die zijn zakenimperium in de jaren negentig van de ondergang hebben gered, de Russische beïnvloeding van de Amerikaanse presidentsverkiezingen te zijner gunste, het komt niet aan de orde. Wat zou daar zou een interessante film over gemaakt kunnen worden.

 

25 februari 2026

 

ALLE RECENSIES

L’Étranger en het absurde bestaan

L’Étranger en het absurde bestaan
Man zonder voornaam stuit op ‘Arabier’

door Paul Rübsaam

Een jongensachtige Meursault is even wennen voor de ouderen onder ons die Albert Camus’ wereldberoemde roman over die vreemde man (een mán toch en geen jongen?) al lazen op de middelbare school. Toch weet François Ozons mysterieuze zwart-witfilm L’Étranger dat gelijknamige boek uit 1942 effectiever te herladen dan Luchino Visconti’s Lo Straniero uit 1967, met de toen al middelbare Marcello Mastroianni in de hoofdrol.

De film en niet het boek bespreken valt nog niet mee als het gaat om een adaptatie van de roman L’Étranger (De Vreemdeling) van Albert Camus. Want voor velen die (zoals ik) pakweg geboren zijn tussen 1955 en 1970 gold de in 1960 op 46-jarige leeftijd verongelukte existentialistisch-absurdistische Franse schrijver zo’n beetje als een cultheld. Als een soort James Dean voor boekenwurmen.

L'Étranger en het absurde bestaan

Een stille mooie jongen?
Om toch te voorkomen dat dit al te veel een boekrecensie wordt, zal ik proberen de uitweg te bewandelen van een vergelijking van de nu in de bioscopen verschijnende film L’Étranger van de Franse regisseur François Ozon met een eerdere verfilming van Camus’ roman: Lo Straniero van Luchino Visconti uit 1967.

Maar eerst toch even naar dat boek van Camus en een belangrijke reden waarom dat bij pubers zo aansloeg. Volgens mij had dat te maken met de ondoorgrondelijkheid en onbewogenheid van de hoofdpersoon in combinatie met de ik-vorm waarin de roman geschreven was. Meursault vond niets en voelde niets, pleegde een moord (leek het) en was ondertussen steeds zelf aan het woord. Op een ondefinieerbare manier was dat heel spannend.

De gehele eerste helft van zijn film echter trekt Ozon zich anders dan Visconti, die Mastroianni regelmatig voice-overs liet inspreken, niets aan van die ik-vorm van de roman. Terwijl de onbewogenheid van zijn erg jonge Meursault (Benjamin Voisin) ondertussen naar het apathische neigt. Je kunt je nauwelijks voorstellen dat deze persoon in staat zou zijn om als waardig Camus-personage een gloedvol betoog te houden. Nadat hij onaangedaan getuige is geweest van zijn moeders begrafenis rolt hij niettemin amper boe of ba zeggend als vanzelf in de armen van de verleidelijke Marie (Rebecca Marder). Omdat hij knap is om te zien, laat zich dat nog wel enigszins verklaren. Maar was onze Meursault dan niet meer dan een stille mooie jongen?

Verblindend licht en duisternis 
Hoe het ook zij, Ozon slaagt er ondanks de twijfels die je als ooit jeugdige lezer van de roman aanvankelijk bekruipen gaandeweg steeds beter in om het boek op zijn eigen manier voor je te heropenen. Dat doet hij met zijn keuze voor filmen in zwart-wit, waarmee hij naar eigen zeggen de ambiance wilde herscheppen van Algiers in de jaren dertig van de vorige eeuw, toen veel mensen daar witte of juist uitgesproken donkere kleding droegen. Ook los daarvan vormen in zwart-wit het licht van de felle zon op de schijnbaar paradijselijke stranden nabij de Algerijnse hoofdstad en de donkere tinten die de representanten kunnen zijn van het verbijsterende lot dat de hoofdpersoon wacht een passend, bijna abstract decor.

Bij nader inzien is zelfs welhaast groteske ondoordringbaarheid van Ozons Meursault niet geheel misplaatst bij iemand die evenals de hoofdpersoon in het boek geen voornaam lijkt te hebben. Anders dan de door Mastroianni vertolkte veel te levendige, bijna gezellige Arturo Meursault in Lo Straniero wordt de protagonist van l’Étranger immers consequent eenvoudigweg Meursault genoemd, alsof hij het vleesgeworden naambordje is naast zijn deurbel.

Juist die gebondenheid van dit op het gedepersonaliseerde af neutrale wezen aan zijn woning, die hij uiteindelijk zal moeten inruilen voor een gevangeniscel, is medebepalend voor de opbouw van het verhaal. Belangrijke bijrollen zijn namelijk weggelegd voor zijn buren. Zoals de oude, mopperende Salamano, die een haat-liefdesrelatie heeft met zijn schurftige hond en vooral Raymond Sintès (Pierre Lottin), een souteneur die zich uitgeeft voor magazijnbeheerder in een fabriek en de onverschillige Meursault voor zijn karretje weet te spannen.

Dissonant
Het kan de hoofdpersoon namelijk weinig schelen dat de louche, maar joviale Sintès een onduidelijke relatie heeft met een vrouw, die hij klaarblijkelijk mishandelt. Hij vindt het best om in naam van zijn buurman aan haar een brief te schrijven en een verklaring af te leggen op het politiebureau.

L'Étranger en het absurde bestaan

Tevreden nodigt Sintès zijn nieuwe ‘maatje’ Meursault en diens vriendin Marie vervolgens uit in het strandhuisje van zijn vriend Massin, waar het jonge stel zich de geneugten van zon, zee en strand niet laat ontzeggen. Een zich al eerder aankondigende dissonant begint zich echter steeds scherper af te tekenen. Een groepje Arabieren, waaronder de broer van de door Sintès mishandelde Djemilla blijkt de Franse badgasten naar het strand gevolgd te zijn. Sintès deelt zijn orders uit aan Massin en Meursault, voor als het tot een afrekening mocht komen. Het mes van de broer van Djemilla, het zonlicht dat daarin reflecteert en een revolver die Sintès bij Meursault in bewaring heeft gegeven, zullen uiteindelijk het lot bepalen van Djemilla’s broer en dat van Meursault zelf.

Mysterie
Niet alle handelingen van Meursault die tot zijn uiteindelijke gevangenneming leiden zijn helemaal begrijpelijk. De verklaring voor dat door Ozon terecht in stand gehouden mysterieuze aspect in de roman is vermoedelijk dat het strafproces tegen Meursault niet meer dan een door Camus gekozen constructie was. Als Meursault naar het oordeel van de lezer (of kijker) te schuldig of onschuldig is (dat laatste bijvoorbeeld omdat hij zich onmiskenbaar kan beroepen op zelfverdediging of een tijdelijke psychose), zou een te klassiek rechtbankdrama ontstaan in plaats van het beoogde verhaal over een man die zich tegenover de samenleving verantwoorden moet voor zijn algehele levenshouding.

Toch vult de film L’Étranger de 84 jaar oude roman hier en daar aan. In zowel boek als film gaat het tijdens het proces nauwelijks om Meursaults vermeende misdrijf, maar hoofdzakelijk om zijn gedrag tijdens zijn moeders begrafenis. Nog minder aandacht is er echter voor de slechts als ‘De Arabier’ aangeduide persoon van het slachtoffer van het misdrijf. Ozon geef die broer van Djemilla in navolging van de Algerijnse schrijver Kamel Daoud een naam (Moussa Hamdani) en kent zijn rouwende zuster een iets prominentere bijrol toe. Enigszins tegendraads en nog los van de vereisten van de 21ste-eeuwse politieke correctheid weet de Franse regisseur hiermee de aandacht te vestigen op de fascinerende, maar ook eigenaardige kaalheid van het boek.

Ook actrice Rebecca Marder weet dat te doen door Meursaults geliefde Marie meer tot leven te brengen. Anders dan Anna Karina die in Visconti’s Lo Straniero maar wat heen fladdert om vrolijke Frans Arturo Meursault met zijn diepzinnige voice-overs weet Marder ons deelgenoot te maken van Marie’s toch niet alleen fysieke belangstelling voor die ondoorgrondelijke jongeman Meursault, die uiteindelijk in de meest uitzichtloze situatie de onverbiddelijke absurditeit van het bestaan zal omarmen.

 

24 februari 2026

 


ALLE ESSAYS

Sirât

****
recensie Sirât
Zanderige Danse Macabre

door Bert Potvliege

Sirât, de nieuwe film van de getalenteerde Frans/Spaanse cineast Oliver Laxe, legt een boeiende weg af. Deze spirituele roadmovie focust zich op een intrigerende plot, maar werpt gaandeweg narratieve vertakkingen als een ballast van zich af. Zo ontstaat een zinnenprikkelende ervaring. 

Laxe spreekt tot de verbeelding. De veertiger oogt als een gestileerde sjamaan, en doet zo vermoeden dat hij ooit deel uitmaakte van de ravers zoals die aan bod komen in zijn film. Er huist een boeiende stem in de nog pril ogende man, die met Sirât bewijst in het juiste medium te werken.

Sirât

In Mimosas (2016) behandelde Laxe de woestijn als een spirituele ruimte die zijn personages test. In Sirât gebruikt hij deze setting nogmaals, om verder onderzoek uit te voeren naar ons omgaan met de dood. Dit doet hij niet belerend, maar wel door een voedingsbodem te creëren die de kijker toelaat in dialoog te gaan met zichzelf. Zo doet Sirât wat goede kunst zou moeten doen: vragen stellen.

De film legde sinds zijn première op het Festival van Cannes een mooi parcours af. Hij won er de Juryprijs (gedeeld met het binnenkort te verschijnen Sound of Falling). De film kende een aantal succesvolle maanden in de bioscopen (in Nederland verschijnt deze vrij laat). De fans zijn van de rabiate soort – popster Charli XCX heeft de prent geprezen. En ook twee Oscarnominaties vielen de film te beurt.

Hunkeren op de dansvloer
Vader Luis (de uitstekende Spaanse acteur Sergi López: Pan’s Labyrinth en Lazzaro Felice) loopt uit de toon bij de ravegemeenschap in de Marokkaanse woestijn. Hij is op zoek naar zijn verdwenen dochter, die zou deelnemen aan een van de dansfeesten in de buurt. Algauw moet hij rekenen op enkele feestvierders, die hem kunnen helpen haar terug te vinden. Luis blijft hoopvol, terwijl de ravers het hunne denken van de wat pafferige man die tegengesteld lijkt aan hun rebelse bestaan. Samen trekken ze de woestijn in.

Wat zich aanvankelijk presenteert als het verhaal van een vader op zoek naar zijn dochter, evolueert naar een metaforische droomstaat, waarin het vinden van die verdwenen persoon haar relevantie lijkt te verliezen. De dood komt in de plaats. Laxe’s verbeelding van ons omgaan met het heengaan zalft en schokt evenzeer. De woestijnsetting is als ‘sirât’ – een Arabische term voor de brug over de hel, dunner als een haar en scherper als een zwaard. Laat het aan de film om je mee te slepen naar deze beproeving. Wat je daar krijgt, benadert dat waar de ravers naar hunkeren op de dansvloer: een transcendente ervaring.

Er is een groot verwantschap met het vijftien jaar oude Altiplano van Peter Brosens & Jessica Woodworth. Beide films benutten een natuurlijke setting als een spirituele metafoor – bij Altiplano gaat het over teloorgang en rouw; bij Sirât gaat het over het landschap als een mystieke arena die je uitdaagt. Beide films positioneren initieel een plot, waarbij geleidelijk aan duidelijk gemaakt wordt dat wat voorbij de plot schuilt van groter belang is: hoe verder in de film, hoe meer alles op losse schroeven komt te staan. Dramaturgie verhuist naar de achterbank; het sensorische neemt plaats aan het stuur. Beide films zijn woordeloos in hun laatste ogenblikken. En beide steunen hard op muziek om hun doel te bereiken.

Sirât

Onmacht als een donsdeken
Ga kijken op het grote scherm. Niet noodzakelijk omdat je de beelden zo groot mogelijk moet zien, of omdat je dit moet delen met vreemden. Rep je naar de bioscoop voor de intense cocon die de ravemuziek tot leven roept, want zelden waren muziek en intentie zo intrinsiek verweven als hier (een van de Oscarnominaties is voor beste klank – terecht).

De omgeving neemt stelselmatig een groter thematisch belang in, tot enkel ontzag overblijft. Het decor overtroeft de plot – de machteloosheid van de personages tegenover de elementen bepaalt de connectie met de schepping. Alle intenties, alle doelen, alle vragen die een antwoord verdienen, worden ondergesneeuwd door de weerloosheid waarin dit landschap je onderdompelt. Een uitgetelde Luis kan enkel lusteloos neerzijgen op de droge woestijngrond terwijl de zanderige wind uit alle richtingen lijkt te blazen.

Wij hebben ons te buigen naar de grillen van de natuurlijke wereld, net zoals we ons moeten neerleggen bij de onvermijdelijke dood. Sirât spreekt over de existentiële onmacht die dit tot leven roept. Laxe lijkt te zeggen dat een overgave er de juiste benadering van is. Vrede sluiten met die onafwendbaarheid leidt tot spirituele bevrijding.

Het doet denken aan de houding van acteur Harry Dean Stanton in de laatste film voor zijn dood, Lucky: je kan enkel lachen wanneer je de dood in het gezicht kijkt.

 

17 februari 2026

 

Lees ook: Boek over Spaanse cinema

 

ALLE RECENSIES

The Secret Agent

****
recensie The Secret Agent
Meesterlijke magisch realistische thriller

door Jochum de Graaf

Met prijzen in Cannes en twee Golden Globes op zak is het meesterlijke The Secret Agent in maart een grote kanshebber voor een of meer Oscars. Regisseur Kleber Mendonça Filho maakte met acteur Wagner Moura een magisch realistische spionagethriller over Brazilië onder de militaire dictatuur van de jaren zeventig.

De geweldige openingsscène zet de toon. Once upon a time in Brazil, een bloedhete dag op het stoffige Braziliaanse platteland, komt een knalgele VW Kever aanrijden bij een vervallen tankstation. Een man die we leren kennen als Marcelo stapt uit, kijkt rond en ontwaart onder een wapperend karton een lijk, een zwerm vliegen erboven, agressieve straathonden die het dode lichaam willen aanvallen.

De dikbuikige pompeigenaar vertelt hem dat het om een doodgeschoten overvaller gaat en dat hij nu al dagenlang op de politie wacht. Wanneer die na een tijdje het terrein opdraait, hebben de agenten geen enkele interesse in de plaats delict. Nee, ze onderwerpen Marcelo aan een uitgebreid onderzoek: zijn zijn identiteitspapieren in orde, heeft de verplichte brandblusser in de auto nog wel een geldige vergunning? Als ze met de grondige inspectie klaar zijn, krijgt Marcelo het verzoek om een donatie te doen aan het carnavalsfonds van de politie, wat hij met een pakje sigaretten weet af te kopen.

The Secret Agent

Militaire dictatuur
Het is 1977, de hoogtijdagen van de militaire dictatuur. De goed bekend staande linkse docent en wetenschappelijk onderzoeker Armando, zoals hij werkelijk heet, is op de vlucht.

Armando (steracteur Wagner Moura, weergaloos als Pablo Escobar in de serie Narcos en een Gouden Beer voor zijn rol in Tropa de Elite, 2007) arriveert met zijn gele VW Kever in de noordelijke havenstad Recife, tijdens het carnaval.

Hij neemt zijn intrek in een appartementencomplex bij de bejaarde Dona Sebastiana, een klein, vogelachtig vrouwtje met een door drank en nicotine aangetaste raspende stem die Armando af en toe van een geheime opdracht voorziet. Zij is ook het aanspreekpunt voor een handjevol andere politieke vluchtelingen in het gebouw, een levendige ontmoetingsplaats van voor hen benarde tijden.

Weduwnaar Armando hoopt het land te kunnen ontvluchten met zijn zoontje Fernando dat bij zijn schoonouders in de stad woont. Opa en schoonvader Seu Alexandre is filmoperateur in de iconische Cinema São Luiz in de wijk Boa Vista. Armando heeft een vals paspoort nodig en gaat bij het Instituut voor Identificatie werken.

Wraakzuchtige industrieel
Langzaam maar zeker wordt duidelijk dat hij met een wraakzuchtige industrieel van doen heeft, zeer verbonden met het militaire regime. Een aantal jaren geleden kregen ze een hoog oplopend conflict over het eigendom op patenten dat deze Ghirotto zich uit naam van het regime wil toe-eigenen. Armando klaagt hem aan wegens corruptie, maar de invloed en macht van Ghirotto dwingt hem op de vlucht te slaan. Het conflict loopt zo hoog op dat Ghirotto hem definitief wil uitschakelen en een paar gangsters inhuurt om hem op te sporen en te liquideren. In de straten van Recife komt het tot een spannende apotheose.

Die intrige met achtervolging, moord en doodslag kan leiden tot een donker en somber verhaal. Maar regisseur Kleber Mendonça Filho (vorige speelfilm Bacurau, juryprijs Cannes 2019) grijpt met allerlei droogkomische voorvallen, absurdistische taferelen, mysterieuze personages en bijzondere zijverhaallijnen de gelegenheid aan om de magisch realistische werkelijkheid van het Brazilië in de jaren zeventig te laten zien. En zijn liefde voor de filmkunst ten toon te spreiden.

De zolder van São Luiz met het archief van de bioscoop is de geheime ontmoetingsplaats voor de politieke ballingen. We zien filmposters van Le Magnifique met Jean Paul Belmondo en Pasquolino Settebellezze van Lina Wertmüller aan de muur. De bioscoop vertoont films als Jaws en The Omen. We horen de huiveringwekkende reacties uit de zaal. 

The Secret Agent

Het afgesneden been
Jaws
speelt een bijzondere rol. De jonge Fernando is sinds hij de filmposter in de krant gezien heeft een enorme fan, hij tekent alleen nog maar haaien. We hebben dan al de hallucinante scène in een mortuarium gezien: uit de opengesneden buik van een haai verschijnt eerst een voet en later een compleet afgesneden menselijk been. Dat is geen vreemde gebeurtenis omdat tijdens de dictatuur met regelmaat lijken van politieke tegenstanders in het water worden gegooid. Om het onderzoek van wie dit ‘harige been’ is te frustreren, wordt dat uit het mortuarium gestolen en terug in de rivier gedumpt.

Het been gaat vervolgens een nieuw eigen leven lijden, komt stuiterend aan wal, valt mensen aan en maakt de nodige slachtoffers, waaronder homo’s in het park, waar avond aan avond seksorgies plaatsvinden. Althans dat is wat een lokale journalist in een serie krantenberichten publiceert en enorme ophef in Recife veroorzaakt. Hij doet het later af als broodje aapverhalen, maar het is een geniale greep om buiten de militaire censuur om allerlei misstanden aan de kaak te stellen.

De manier waarop de gangsters en de huurmoordenaar onder het oogluikend toestaan van de corrupte politie hun gang kunnen gaan, werpt ook een bijzonder licht op de werking van de dictatuur.

Soundtrack
De sfeer en mentaliteit van die jaren wordt goed getroffen door de soundtrack met populaire Braziliaanse klassiekers als Samba no Arpège, Chicago’s If You Leave Me Now, Love to Love You Baby van Donna Summer en Ennio Morricone’s Guerra e pace, pollo e brace.

Die komen nog meer tot hun recht door het sublieme camerawerk en het gebruik van de in die tijd populaire Panavision-breedbeeldlens: dicht op de huid, beeldvullende gezichten, een individu op de voorgrond met op de achtergrond wriemelende mensenmassa’s in het verkeer. Alsof je er zelf bij was toen het in 1977 allemaal zo gebeurde.

 

11 februari 2026

 

ALLE RECENSIES

No Other Choice

*****
recensie No Other Choice
Wanhopig herstel van mannelijkheid

door Zoë van Leeuwen

Je baan verliezen is klote. Maar leg dat concept in handen van Oldboy-regisseur Park Chan-wook, en je krijgt No Other Choice. Een film die werkloosheid omzet in een surrealistische en absurde thriller die wederom bewijst dat Park een verdomd goede regisseur is.

Yoo Man-su (Lee Byung-hun) heeft alles. Een mooie vrouw, twee kinderen, een indrukwekkend huis met twee honden die in de tuin rondrennen, en het belangrijkste: een langdurige carrière bij een papierfabriek, waar hij zo ontzettend trots op is. Wanneer hij na vijfentwintig jaar trouwe dienst plots wordt ontslagen door bezuinigingen vanuit een Amerikaans bedrijf valt zijn leven in diggelen.

No Other Choice

Regisseur Park Chan-wook staat vooral bekend om zijn visueel verbluffende wraakverhalen, waarin morele dilemma’s en donkere humor hand in hand gaan. Waar hij in de Vengeance Trilogy (waaronder Oldboy, 2003) kijkers meenam in een wereld van gewelddadigheid, duikt hij ditmaal een meer satirische hoek in. No Other Choice is een bewerking van de roman The Ax uit 1997, geschreven door Donald Westlake. Een boek dat in 2005 al werd verfilmd door Costa-Gavras. Toch voelt het werk van Park niet repetitief en geeft de Zuid-Koreaanse regisseur zijn welbekende absurdistische draai aan het verhaal, wat No Other Choice tot een van zijn grappigste films maakt.

Existentiële crisis
‘Waarom neem je niet gewoon een andere baan?’, vraagt zijn vrouw Yoo Mi-ri (Son Ye-jin) wanneer Man-su het zoveelste sollicitatiegesprek verpest. Maar hij houdt wanhopig vast aan het verleden en weigert van de carrièreladder af te dalen, omdat hij daar nou eenmaal zo hard voor heeft gewerkt. Maar naarmate de maanden verstrijken, begint hij meer te verliezen dan alleen zijn zelfrespect. De honden worden weggehaald, Netflix wordt afgesloten en het ouderlijk huis moet misschien worden verkocht. Ook zijn vrouw moet weer aan het werk, iets wat Man-su zich nog meer als een nutteloze man laat voelen.

De film gaat hiermee dieper in op de specifieke druk van de Koreaanse mannelijkheid. Man-su’s ‘keuze’ wordt gedreven door een wanhopige behoefte om zijn rol als hoofd van het huis te behouden. Hij laat zien (al dan niet op extreme wijze) dat mannen gevangen zitten in een systeem dat hen dwingt tot geweld om hun loyaliteit en ‘mannelijkheid’ te bewijzen, omdat het anders leidt tot een sociale dood. Een thema dat Park al sinds Joint Security Area (2000) aan de orde stelt, al ruilt Park nu het leger in voor het bedrijfsleven.

De kritiek op het kapitalisme druipt van de film af. Door de harde Amerikaanse kapitalistische cultuur zit hij zonder baan, en het hiërarchisch bedrijfsleven in Zuid-Korea voorkomt dat hij een nieuwe baan van hetzelfde niveau vindt. Man-su zit in een vicieuze cirkel en het licht aan het einde van de tunnel lijkt niet bereikbaar. Na meer dan een jaar werkloosheid besluit Man-su dat er maar één logische manier is om de concurrentie uit te schakelen: door ze daadwerkelijk uit te schakelen.

Absurde wanhoop
Hij plaatst een valse vacature in de krant om zijn concurrentie te lokken, maar een einde aan hun leven maken is makkelijker gezegd dan gedaan. Bij zijn eerste kans stuntelt hij met het pistool, wat resulteert in een chaotische en absurd hilarische schreeuwpartij tussen hem en zijn slachtoffer, terwijl op de achtergrond keiharde muziek klinkt. Die absurde en donkere humor zien we keer op keer terug, zo ook wanneer Man-su op het punt staat een nieuw slachtoffer te vermoorden. Hij staat met een vaas boven zijn hoofd op een dak, wanneer de bewoonster plots de deur van haar dakterras opendoet.

No Other Choice

Toch voel je als kijker nog steeds enige sympathie voor Man-su, want hoewel zijn acties nogal dramatisch zijn, kun je als kijker begrijpen waar hij vandaan komt. Het voelt wel wat vreemd, want je hoort natuurlijk niet te lachen om een moordenaar. Het gestuntel van Man-su doet denken aan Parks Oldboy waar het hoofdpersonage in de bekende vechtscène in de gang struikelt over wapens en af en toe even op adem moet komen. Met dit soort momenten toont Park het absurde van situaties waarin personages zich bevinden.

Typisch Park Chan-wook
Met de tweede moord verandert de film weer in een klassiek Park Chan-wook-project. Man-su lijkt deze keer meer berekenend en meedogenloos. Lee Byung-hun maakt de wanhoop van zijn personage zo realistisch dat je als kijker bijna gaat geloven dat de moorden gerechtvaardigd zijn. Park creëert een wereld waarin het op brute wijze vermoorden van je concurrenten lijkt op een wanhopige laatste poging om jezelf te redden, in plaats van de gruwelijke misdaad die het in werkelijkheid is.

Ook visueel verandert er veel in de tweede helft. Terwijl Man-su en zijn familie aan het begin van de film genieten van de stralende zon, vormen zich op de achtergrond donkere wolken. Het kleurenpalet van de film wordt steeds grauwer. Verder zit No Other Choice vol dynamisch camerawerk en een enorme hoeveelheid aan gedetailleerde decors, zoals we van Park gewend zijn.

Het einde van No Other Choice laat zowel Man-su als de kijker met een dubbel gevoel achter. Het is duidelijk dat je het verleden niet terug kan halen en dat zijn acties hem zullen blijven achtervolgen. Met zijn jongste film laat Park zien dat hij kan vernieuwen en tegelijkertijd enorm zichzelf kan blijven. De vernieuwing lijkt te werken, want bij het kijken van dit moderne meesterwerk verveel je je geen minuut.

 

4 februari 2026

 

ALLE RECENSIES

IFFR 2026 – Deel 1: Openingsfilm geen crowdpleaser

IFFR 2026 – Deel 1:
Openingsfilm geen crowdpleaser

door Tim Bouwhuis

De officiële opening van het 55ste IFFR stond in het teken van artistieke en politieke vrijheid. In een tijd waarin (terechte) zorgen over de plaats van cinema in de publieke ruimte altijd nog overschaduwd worden door grotere wereldproblemen, is het kiezen van een toepasselijke openingsfilm niet eenvoudig. Het Portugese Providence and the Guitar leek op het eerste oog gecureerd om de misère van de alledaagse actualiteit even te parkeren, maar het omgekeerde bleek waar.

Tijdens haar gebruikelijke inleidende speech haalde festivaldirecteur Vanja Kaludjercic een iconische speech van John F. Kennedy aan. Op 29 november 1962 sprak de voormalige Amerikaanse president in het huidige Kennedy Center – een belangrijke, maar momenteel precaire culturele instelling – over het belang van kunst binnen een democratie. Ruim zestig jaar later wordt het land bestuurd door een man die die connectie onder druk zet.

Openingsfilm IFFR 2026

President op oorlogspad
Nog maar twee dagen terug besloot de senior vicepresident van het Kennedy Center met zijn programmeringswerkzaamheden te stoppen. Opmerkelijk, want de man in kwestie (Kevin Couch) was amper twee weken daarvoor aangesteld. Het is onrustig rond de instelling sinds Donald Trump begin 2025 aankondigde meerdere leden van het bestuur te willen ontslaan. De president hield woord, en sindsdien hebben verschillende artiesten en collectieven hun samenwerking met het centrum opgeschort of opgezegd.

Kaludjercic maakte er geen volwaardige casestudie van, maar haar verwijzing naar de deconstructie van het culturele landschap werd niet veel later ingekopt door de hoofdpersoon van de openingsfilm. Stop de woorden ‘pistool’, ‘president’ en ‘dood’ in een cocktailmixer en je komt tot de songtekst van een moeilijk mis te verstaan protestlied, dat in Providence and the Guitar furieus wordt opgevoerd.

Tijdreizen zonder machine
Zanger Léon wordt eerder in dit baldadige muzikale epos nog geïntroduceerd als troubadour, die in een negentiende-eeuws dorpje de kost probeert te verdienen met zijn lieflijke voorstellingen. Zijn geliefde Elvira wijkt amper van zijn zijde, en dat geldt ook voor haar eigentijdse alter ego, een bevlogen activiste die met haar socialistische agenda de status quo uitdaagt. De tijdlijnen lopen zonder tierelantijnen door elkaar, als een tijdreisfantasie zonder tijdmachine.

Het IFFR-publiek bekoren met muziek en een randje van rebellie zou een dankbare opgave moeten zijn, maar regisseur João Nicolau vergaloppeert zich met een theatrale en overmatig zelfbewuste benadering. De acteurs, waaronder voormalig Eurovisie Songfestival-winnaar Salvador Sobral, spelen hun rollen met een zodanige overdrijving dat de film al snel op de zenuwen gaat werken. Dat vooral de vertolkers van Léon en Elvira het wel uitstekend naar hun zin hebben, compenseert daarbij maar ten dele.

Providence and the Guitar

Unieke sterrenhemel
Nicolau’s insteek is duidelijk: Providence and the Guitar is een film over acteren, die grenzeloze creatieve expressie viert en onderstreept dat alleen een geëngageerde politiek een bruisend artistiek milieu kan garanderen. Op papier uiterst toepasselijk voor een festivalavond als deze, alleen komt het eindresultaat als filmische ervaring niet uit de verf.

Een doodgeslagen radio-interview met Léon en zijn activistische band zorgt in het eerste halfuur nog voor een gulle lach, een stel computergegeneerde vulva’s tegen een heldere sterrenhemel later al een stuk minder. Hetzelfde kan gezegd worden over een bezeten jongetje dat Léon plotsklaps het idee geeft dat hij een vloek te verbreken heeft. En zo zouden we nog een paar onnavolgbare ingevingen kunnen benoemen.

Taaie zit
Als een van de personages de (naar eigen zeggen) “absurde reis” van de troubadours abrupt beëindigt, zet dat ook een punt achter een van de wonderlijkste IFFR-openingsfilms van de voorbije jaren: een schijnbare crowdpleaser die een taaie zit bleek. De keuze voor Providence and the Guitar is begrijpelijk door Kaludjercic’ aandacht voor artistieke en politieke vrijheid, maar déze benadering van die utopie sloeg ook bij veel andere bezoekers niet aan.

Hopelijk is die teneur geen opmaat naar een mindere festivaleditie, nadat het aanbod van 2025 in de breedte kon bekoren. Maar zover is het na een avond in het gezelschap van de troubadours nog lang niet.

 

31 januari 2026

 

IFFR 2026 – Deel 2: Geschiedenissen
IFFR 2026 – Deel 3: Film als zintuiglijke ervaring
IFFR 2026 – Deel 4: Misdaad en ellende
IFFR 2026 – Deel 5: Kijken door de ogen van het verleden
IFFR 2026 – Deel 6: Mysterieuze verhalen uit de hele wereld
IFFR 2026 – Deel 7: Films die de controverse opzoeken

 


MEER FILMFESTIVAL

Land van Johan

**
recensie Land van Johan
Te ambitieus filmproject wil maar geen epos worden

door Jochum de Graaf

Een zekere megalomanie is Eddy Terstall niet vreemd. Het had een tv-serie van 11 afleveringen moeten worden, maar de financiering kwam niet rond en het project werd teruggebracht naar eerst een drieluik en toen een tweeluik van vijf uur. Land van Johan verschijnt nu in een eerste deel met een lengte van bijna twee uur. Afhankelijk van het succes komt er een tweede deel. Terstall vond inspiratie in La Meglio Gioventù, Marco Tullio Giordana’s familiekroniek over het Italië van de jaren zestig tot begin deze eeuw. Helaas haalt Land van Johan bij lange na niet dat niveau.

Land van Johan verbeeldt de maatschappelijk-culturele ontwikkeling van het Nederland van de optimistische jaren zestig met de Maagdenhuisbezetting in 1969 tot de harde jaren tachtig met de krakersrellen rond de kroning van Beatrix in 1980. En verbindt die met de hoogtijdagen van het Nederlandse voetbal, meer precies met de legendarische ‘mistwedstrijd’ Ajax-Liverpool (5-1) 7 december 1966, de doorbraak van Johan Cruijff en de verloren WK-finale Nederland-Argentinië (1-3) 25 juni 1978, het toernooi waarvoor Cruijff afgezegd had. Natuurlijk komt ook het Trauma van 1974, de van Duitsland verloren finale, het hoogtepunt voor Johan, aan de orde.

Land van Johan

Vergeten bestsellerauteur
Land van Johan
vertelt de geschiedenis van de in een katholiek Limburgs arbeidersgezin geboren Onno de Becker die zijn levensverhaal aan kleinzoon Johan, geboren in 2006, vertelt. Gelijktijdig met de film verschijnt het gelijknamige boek, geschreven door de zogenaamd vergeten bestsellerauteur Onno G. de Becker, met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een pseudoniem van Eddy Terstall zelf.

Hoe dan ook, aan het begin van de film is Onno (Reinout Scholten van Aschat) net in Amsterdam gaan studeren en gaat hij met zijn vader naar de mistwedstrijd in het Olympisch Stadion. Hij raakt bevriend met medestudent Gijs (Bram Suijker), afkomstig uit een orthodox protestants milieu op de Veluwe. Ze worden allebei verliefd op Sonja (Roberta Petzoldt), dochter van een Hollandse koloniaal en een Indo moeder.

Sonja is nogal vrijgevochten, met een losse seksuele moraal, om de haverklap krijgen we haar pronte borsten te zien. Onno wordt scenarioschrijver en schrijft een fel antikatholiek toneelstuk tegen de ‘pedofiele’ paus. Gijs krijgt iets met Onno’s zus Lianne (Annemaaike Bakker) die Dolle Mina is, sluit zich later aan bij de kraakbeweging, waarna hij een bestaan als professioneel klusser opbouwt. Onno zelf gaat bij de Bhagwan. Op de avond van de WK-finale in Buenos Aires bezwangert Gijs Lianne en ze besluiten hun zoon naar Johan Cruijff te noemen.

Opwindend tijdperk
De derde familiegeschiedenis is die van Abdelkarim (Ibrahim Hadi) uit het Rifgebergte die op 7 juli 1974 tijdens de verloren finale op een uitgestorven Museumplein arriveert. Hij belichaamt de geschiedenis van de gastarbeiders, zoals ze toen werden genoemd: de vernederende selectie om tot Nederland toegelaten te worden, het vuile en onderbetaalde werk dat ze moesten verrichten, het moeizame contact met de achtergebleven familie in Marokko, de discriminatoire bejegening van de vaste stamgasten in het buurtcafé, maar toch ook de makkelijke integratie in de open, tolerante Nederlandse samenleving van toen.

Op anderhalf uur komen de verhaallijnen bij elkaar wanneer Abdelkarim, oftewel ‘Ab’ genoemd, met inmiddels een Nederlandse vriendin een verdieping betrekt in het pand waar Gijs en Onno met aanhang al jaren wonen. Die setting van hoofdpersonen met zorgvuldig uitgezochte verschillende achtergronden biedt de mogelijkheid om de roemruchte jaren zestig en zeventig in beeld te brengen: het koloniale verleden, de ontzuiling, het hippietijdperk, de Vietnamprotesten, de seksuele revolutie, de opkomst van de multiculturele samenleving, de verharding van het politieke klimaat.

Het opwindende tijdperk wordt goed vormgegeven met archiefbeelden van onder meer Johan Cruijff die naadloos aansluiten op nieuw geschoten materiaal als de aankomst van Onno en zijn vader bij het Olympisch Stadion. Het schrijven van sterke dialogen zoals het politiek incorrecte taalgebruik tegen Ab in het Amsterdamse buurtcafé kun je ook wel aan Jordanees Terstall overlaten. En de soundtrack met de hoogtepunten van de Nederpop, van The Golden Earrings via Shocking Blue, Earth and Fire, Focus, Supersister, Cuby and the Blizzards , enzovoorts, tot Herman Brood & His Wild Romance draagt ook bij om het muzikale levensgevoel van die jaren te vangen zonder in goedkope nostalgie te vervallen.

Land van Johan

Tenenkrommend en geforceerd
Anderzijds zien we ook een aantal tenenkrommende scènes als die van Onno die zich uit protest tegen de Vietnamoorlog aan de hekken van de Amerikaanse ambassade in Londen heeft vastgeketend en uit de hoogte door de toevallig voorbij lopende consul wordt toegesproken. En het toespraakje van Dolle Mina Lianne waarin ze op schrille toon roept dat een demonstratie het begin is van een doorgaande strijd terwijl een groepje duf uit de ogen kijkende ME’ers keurig wacht tot ze is uitgesproken, is ronduit lachwekkend.

De rol van het voetbal komt daarbij geforceerd over. Best leuk om de branie van Ajax en Oranje weer eens te zien, dat paste goed bij die enerverende jaren. Maar de invloed van Cruijff als cultuurfilosoof met uitspraken als “als je niet kan winnen, moet je zorgen dat je niet verliest” is altijd nogal overschat. Meest interessant is nog het verhaal van Abdelkarim, de sfeer van het Marokko van de jaren zeventig, dat ze ook daar lang haar hadden, broeken met wijde pijpen droegen en de islam die nog een beperkte rol speelde. Beter uitgewerkt zou het een mooi tegenwicht tegen de clichématige typecasting van Marokkanen in Nederlandse speelfilms kunnen zijn.

Studentenrellen, beha-verbrandingen, kerkverlating, vrije seks, lsd, Johan Cruijff, Radar Love, Bhagwan, de abortusstrijd, het naaktstrand, Maagdenhuisbezetting, autoloze zondag, soldaten met lang haar, groetplicht, de iconische PSP-poster met naakte vrouw in weiland, de Vondelparkslapers, de toespraak van Joop den Uyl tijdens de oliecrisis, hoogte- en dieptepunten van de WK-toernooien, krakersrellen, de indrukwekkende woorden van Beatrix over de normen en waarden van Nederland bij haar inauguratie, het komt allemaal aan de orde. Maar er wordt zoveel aangestipt dat de personages ongeïnspireerd en vlak overkomen en de vele gebeurtenissen weinig meer dan voorvallen zijn of tot anekdotes verworden.

Land van Oranje voegt weinig toe aan al bekende inzichten. Een epos als La Meglio Gioventù of Heimat wil het maar niet worden. Ik vrees dan ook voor Eddy dat het bij deze ene aflevering zal blijven.

 

28 januari 2026

 

 

ALLE RECENSIES

The Voice of Hind Rajab

**
recensie The Voice of Hind Rajab
De schaamte niet te beminnen

door Bert Potvliege

De suspensefilm The Voice of Hind Rajab haalt zijn kracht uit een immense morele verontwaardiging. De waanzin van de genocide in Gaza zou nooit eerder zo doeltreffend verbeeld zijn. Kaouther Ben Hania vertelt het waargebeurde verhaal van de brutale moord op het Palestijnse meisje Hind door het Israëlische leger.

Een brandend actuele politieke lading als deze is niet zelden funest voor de nuchtere evaluatie: Wat u te zien krijgt, is belangrijk! Hind Rajab brengt een activisme dat evenzeer bloeit als woekert, en doet zo zichzelf de das om. Want het onevenwicht tussen intentie en kwaliteit is groot, met een boodschap van reusachtig belang waar een vrij alledaagse formulefilm tegenover staat. Alle lof die de film te beurt valt, smaakt zodoende wrang. Dit voelt geforceerd.

The Voice of Hind Rajab

Droeve ogen
Het waargebeurde kader van de film gaat een stap verder dan in soortgelijke cinema: de echte audio-opnames van het onder vuur genomen kind vormen het hart van deze thriller, die zich volledig afspeelt bij de telefooncentrale van de Palestijnse Rode Halve Maan. Terwijl de hulpverleners de noodoproep van Hind ontvangen, proberen zij te coördineren wat er moet gebeuren om haar te proberen redden van het oorlogsgeweld.

Ben Hania presenteert het geheel als een spannende genrefilm – de aandacht ligt op het verhaal en is niet al te openlijk een vingerwijzend politiek pamflet die zijn boodschap in woede brult. Die houvast aan de formules van een genre maken de film toegankelijk, wat de wijde verspreiding van de boodschap ten goede komt. Missie geslaagd, want de film is een wereldwijd succes en de boodschap krijgt de aandacht die hij verdient.

Motaz Malhees in de rol van Omar, door wiens ogen we dit drama zien ontvouwen, is een uitstekende gids in dit verhaal: de droefenis in zijn vermoeide ogen fungeert als het empathische fundament voor de kijker – even doeltreffend als de met puppy-ogen gezegende Macon Blair in de mistroostige thriller Blue Ruin.

Kopie
Het is echter zinvol om de film los van zijn eervolle intentie te bekijken. Ben Hania maakte een film volgens de regels van het vak, maar enthousiast word je daar niet van. The Voice of Hind Rajab is een huis clos-thriller in de traditie van films als Sidney Lumets 12 Angry Men of recenter werk als Locke en The Guilty. Nieuwigheden in deze genre-reconstructie vallen er niet te rapen.

De beleving van de film is evident, geconstrueerd om de spanning erin te houden tot het allerlaatste moment. Je voelt het gemakzuchtige mechanisme waarbij Ben Hania op de knoppen drukt om dit te bewerkstelligen – Florian Zeller had hetzelfde probleem bij zijn film The Son. Het cliché van de leidinggevende die Omar tegenkanting biedt, vind je in zowat elke politiefilm terug. De zenuwslopende stiltes, wanneer personages verstijfd aan de lijn wachten op een verlossende stem, zijn schering en inslag.

Hind Rajab kopieert de visuele stijl van de Jason Bourne-films (Paul Greengrass) – een ruwe, verhakkelde visuele stijl die de sensatie van journalistieke live footage behandelt als cinéma vérité. Een schoudercamera voert een opeenvolging van schichtige mini-zooms uit; de scherpte wordt bruusk verlegd van een over het voorhoofd parelende zweetdruppel naar een zoemende computermonitor.

De cinematische keuzes sluiten zo netjes aan bij de zindering van het verhaal – een beproefde formule, functioneel maar zonder frisse insteek. Het doet denken aan films als Whiplash: geslaagd in wat het doet, maar kniehoog gemikt.

The Voice of Hind Rajab

Blind ontvangen
Dé fundamentele fout van The Voice of Hind Rajab is dat het de kijker in een gedwongen positie plaatst. Uiteraard zijn we verontwaardigd over de gepresenteerde gebeurtenissen, maar het is het enige mogelijke standpunt dat de kijker kan en mag innemen. Storend is het ons de vrijheid te ontnemen zelf aan de slag te gaan met het materiaal. Zeg niet wat we moeten denken, maar vraag ons wat voor ogen staat. Een kant-en-klaar gepresenteerde betekenis stimuleert enige onderzoek niet – de aard van oorlog, de zinloze wij-zij-dichotomie. Het is fout om de kijker geen eigen morele keuzes te laten, zelfs wanneer het onderwerp een gedocumenteerde oorlogsmisdaad betreft.

Voor wie is deze film dan bedoeld? Misschien voor een reeds lange tijd van dit onrecht overtuigd publiek, dat op deze wijze haar empathie tastbaar kan maken. Daar is voor alle duidelijkheid niks mis mee, maar allerminst een voorbeeld van de kracht van cinema – ook al denkt de film dit wel te zijn.

De Zilveren Leeuw op het Filmfestival van Venetië en een nobele inborst kunnen het gebrek aan filmische ambitie niet maskeren. Middelmatigheid op een troon plaatsen – omdat het van groot belang is – is niet de gewenste weg. Het is veel te weinig cinema. Het standpunt dat dit relaas een toonbeeld is van de politieke impact van film, mag er gerust zijn, maar een huis van troost kan niet worden gebouwd op wankele elementen.

 

20 januari 2026

 

ALLE RECENSIES

Blue Moon

***
recensie Blue Moon
Toneel als film

door Cor Oliemeulen

Lorenz Hart was een van de meest invloedrijke Amerikaanse songwriters van zijn tijd. Samen met componist Richard Rodgers schreef hij 28 musicals en meer dan 500 nummers, waaronder Blue Moon. Aan hun samenwerking komt abrupt een einde als Rodgers kiest voor een nieuwe tekstschrijver: Oscar Hammerstein.

Regisseur Richard Linklater – zijn Godard-reconstructie Nouvelle Vague draait sinds eind november in de bioscoop – liep al ruim tien jaar geleden met het scenario van Blue Moon onder de arm, maar vond acteur Ethan Hawke (Boyhood, Before-trilogie) toen nog te jong. Een uitstekende keuze, want een gerijpte Hawke speelt de sterren van de hemel als de tragikomische Lorenz Hart. We treffen hem in een bar op Broadway waar hij troost zoekt in een fles martini. Wanneer Rodgers, Hammerstein en hun entourage na de première van hun eerste musical, Oklahoma!, vol enthousiasme arriveren, realiseert Hart zich dat zijn succes nooit meer zal terugkeren.

Blue Moon

Scherp van geest en woord
Hawke maakt van Hart geen karikatuur van een gevallen genie, maar speelt een vat vol tegenstrijdigheden: scherp van geest en woord, maar soms ook onberekenbaar. Terwijl barman Eddie (Bobby Cannavale) een luisterend oor biedt – met zo nu en dan een weerwoord – analyseert Hart muziek, mensen en zijn eigen falen in een waterval van mooi geformuleerde zinnen en met een blik die voortdurend zoekt naar bevestiging.

Zijn onzekerheid wordt benadrukt door de manier waarop Hart, met zijn geringe lengte van ruim anderhalve meter, slim in beeld wordt gebracht. Vaak staat en zit hij letterlijk lager dan de andere personages, moet hij bijna op zijn barkruk klimmen en wordt hij gefilmd vanuit hoeken die hem nog kleiner doen lijken. Zijn oversized pak en een gebogen houding versterken dat effect. Zo is Hart een kop kleiner dan Elizabeth (Margaret Qualley), een jonge, knappe theaterstudente die van hem wil leren en hem bewondert om zijn taalgebruik en scherpte. Zij ziet hem als mentor; hij is verliefd, maar zich pijnlijk bewust van de illusie.

Blue Moon

Pijnlijke confrontatie
De emotionele kern van de film ligt echter in de relatie tussen Lorenz Hart en Richard Rodgers (Andrew Scott). Hart spreekt met diep respect over Rodgers. “Hij is een genie. Er is niemand met zijn bereik en vindingrijkheid, zijn toffe, mannelijke melodieën die aanzwellen als heimachines.” Tegelijk is hij meedogenloos eerlijk: Rodgers is volgens hem een kilhartige klootzak – maar wel een die een melodie kan laten zweven.

Naarmate de avond vordert, wachten we op het moment waarop Hart het onvermijdelijke contact zoekt met Rodgers, die voortdurend wordt opgehouden door mensen die hem feliciteren met het succes van zijn musicalpremière. Hart krimpt steeds verder ineen, maar vertrouwt op zijn woorden. De confrontatie die volgt is ingetogen en pijnlijk. Nadat ze zich even hebben teruggetrokken uit de drukte zegt Rodgers: “Ik dank mijn beroepsleven aan jou. Je werk is briljant.“ Maar dan wordt duidelijk waarom hij na twintig jaar niet langer met Hart kon samenwerken. Het is geen verwijt, maar een vaststelling – en juist daardoor zo vernietigend.

Blue Moon is een hommage aan een briljante verteller die zichzelf langzaam buitenspel heeft gezet. Dankzij de tour de force van Ethan Hawke is Lorenz Hart geen voetnoot in de muziekgeschiedenis, maar een levende, tragikomische figuur die uiteindelijk zichzelf verloor.

 

14 januari 2026

 

ALLE RECENSIES